Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2658

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
21-005090-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gewoontewitwassen met vrijspraak deelneming criminele organisatie

In deze zaak stond verdachte terecht voor gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het deelneming aan een criminele organisatie betrof en sprak verdachte daarvan vrij vanwege onvoldoende bewijs van een substantiële bijdrage.

Het hof bevestigde de bewezenverklaring van gewoontewitwassen over twee perioden: van december 2016 tot januari 2017 en van mei tot juli 2017, waarbij verdachte meerdere malen geldbedragen van frauduleuze bankrekeningen heeft gepind. De rechtbank had al vastgesteld dat verdachte van het witwassen een gewoonte had gemaakt.

De straf is gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, maar het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, deels voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en legt een taakstraf van 200 uur op. Daarnaast is een schadevergoedingsmaatregel van €1000 toegewezen aan een benadeelde partij.

De zaak bevat uitgebreide bewijsvoering, waaronder bekentenissen, videobeelden en aangiftes. De verdediging voerde vrijspraak aan voor deelneming aan de criminele organisatie, wat het hof volgde. De straf weerspiegelt de ernst van het witwassen en de recidive van verdachte kort na eerdere vrijlating.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 126 dagen gevangenisstraf, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, en 200 uur taakstraf, vrijgesproken van deelneming aan criminele organisatie.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005090-20
Uitspraakdatum: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 17 december 2020 met parketnummer 08-910075-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats]

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 november 2025, 19 december 2025 en 10 maart 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede , naar voren hebben gebracht.

Het vonnis

De rechtbank heeft de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard, deze gekwalificeerd als :
  • gewoontewitwassen (feit 1 en feit 2), en;
  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 3)
en verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest.
Daarnaast heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [aangever 5] niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor een bedrag van € 1000.00,-.
Deze benadeelde partij [aangever 5] heeft niet te kennen gegeven de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven, zodat deze vordering niet aan de orde is in hoger beroep.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 7 januari 2017, te [plaats] , althans in Nederland, (telkens) van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij wist dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
en/of voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:
(alle aangiftes afkomstig uit dossier Kringloop)
- op 1 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1000 euro), (aangifte 304, [aangever 6] , p. 26900);
- op 10 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro), (aangifte 319, [aangever 7] , p. 27300);
- op 18 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4500 euro), (aangifte 327, [aangever 8] , p. 27500);
- op 20 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.000 euro), (aangifte 333, [aangever 10] p. 27813, aangifte 334, [aangever 9] p. 27831
- op 20 en/of 21 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.000 euro), (aangifte 333, [aangever 10] p. 27813 aangifte 335, [aangever 11] , p. 27887);
- op 7 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4.760 euro), (aangifte 357, [aangever 12] , p. 27200)
en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
1.
subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 7 januari 2017, te [plaats] , althans in Nederland, (telkens) een goed(eren), te weten de
hierna te noemen geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,
terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldbedragen
(telkens) wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof:
(alle aangiftes afkomstig uit dossier Kringloop)
- op 1 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1000 euro), (aangifte 304, [aangever 6] , p. 26900);
- op 10 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro), (aangifte 319, [aangever 7] , p. 27300);
- op 18 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4500 euro), (aangifte 327, [aangever 8] , p. 27500);
- op 20 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.000 euro), (aangifte 333, [aangever 10] p. 27813, aangifte 334, [aangever 9] p. 27831
- op 20 en/of 21 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.000 euro), (aangifte 333, [aangever 10] p. 27813 aangifte 335, [aangever 11] , p. 27887);
- op 7 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4.760 euro), (aangifte 357, [aangever 12] , p. 27200)
en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
2. primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 14 juli 2017, te [plaats] , althans in Nederland, (telkens), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en/of voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:
(alle aangiftes afkomstig uit dossier Kringloop 2)
- op 1 mei 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.000 euro, (aangever [aangever 1] , p. 1500);
- op 11 mei 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 6.250 euro) (aangever [aangever 2] , p. 1400);
- op 8 juli 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5.000 euro), (aangever [aangever 3] , p. 1800);
- op 12 juli 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5.000 euro), (aangever [aangever 4] , p. 1900);
- op 14 juli 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 8.800 euro), (aangever [aangever 5] , p. 2000); en hij en/of zijn mededader(s) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/ hebben gemaakt
2.
subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 14 juli 2017, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een goed(eren), te weten de hierna te noemen geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldbedragen (telkens) wist(en) dat het door misdrijf verkregen goederen betrof:
(alle aangiftes afkomstig uit dossier Kringloop 2)
- op 1 mei 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.000 euro, (aangever [aangever 1] , p. 1500);
- op 11 mei 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 6.250 euro) (aangever [aangever 2] , p. 1400);
- op 8 juli 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5.000 euro), (aangever [aangever 3] , p. 1800);
- op 12 juli 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5.000 euro), (aangever [aangever 4] , p. 1900);
- op 14 juli 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 8.800 euro), (aangever [aangever 5] , p. 2000);
en hij en/of zijn mededader(s) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt;
3.
hij in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 7 januari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: oplichting, witwassen,
computervredebreuk, heling en/of één of meer andere misdrijven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Voor een criminele organisatie moet er sprake zijn van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen. Dat in deze zaak sprake is van een criminele organisatie, staat niet ter discussie. Voor de deelneming is van belang dat verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte in een periode van zes weken vijf maal gepind heeft voor medeverdachte [medeverdachte 1] . Het hof acht deze bijdrage voor wat betreft de intensiteit en de duur ervan van onvoldoende gewicht om vast te kunnen stellen dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof verdachte vrijspreekt van het onder 3 tenlastegelegde.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde overeenkomstig de bewezenverklaring van de rechtbank wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de bewijsmiddelen die gebruikt zijn voor het oordeel over de bewezenverklaring (grotendeels) op de juiste wijze uiteen heeft gezet.
Het hof neemt daarom deze bewijsoverwegingen en de uiteenzetting van de bewijsmiddelen in de bewijsbijlage over en zal deze hierna cursief weergeven. Hierbij geldt dat waar ‘rechtbank’ en ‘officieren van justitie’ geschreven staat, respectievelijk het ‘hof’ en de ‘advocaat-generaal’ gelezen dient te worden. Aanvullingen van het hof worden niet cursief weergegeven.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde
Onder 1 is aan [verdachte] primair (gewoonte) witwassen van een zestal geldbedragen ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 420ter Sr.
[verdachte] heeft bekend dat hij tegen betaling heeft gepind van bankrekeningen waarmee gefraudeerd is.
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] partieel dient te worden vrijgesproken van de tweede (2e) gepinde € 1.000,-- vanaf de rekening van [benadeelde partij 1] op 20 december 2016, nu de herkomst van dit geldbedrag onbekend is. De rechtbank acht niet bewezen dat dit geldbedrag afkomstig was van enig misdrijf. De rechtbank spreekt [verdachte] op dit onderdeel partieel vrij.
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, voor zover dit het witwassen van de genoemde geldbedragen betreft, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu [verdachte] dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen in de bijlage.
Ten aanzien van het gewoontewitwassen
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van incidenteel witwassen. Uit de duur en de frequentie van de door de verdachte gepleegde handelingen, te weten het vijf maal pinnen van een geldbedrag in een periode van zes weken, leidt de rechtbank af dat het witwassen door [verdachte] een structureel karakter heeft gehad. Dit leidt tot de conclusie dat hij van het witwassen van de hoeveelheden geld een gewoonte had gemaakt.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] zich in de periode van 1 december 2016 tot en met 7 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal € 16.260,--.
4.3.2
Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde
Onder 2 is aan [verdachte] primair het medeplegen van (gewoonte)witwassen van een vijftal geldbedragen ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 420ter Sr.
Verdachte heeft bekend dat hij tegen betaling heeft gepind van bankrekeningen waarmee gefraudeerd is.
[aangever 1]
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] partieel dient te worden vrijgesproken van het pinnen van € 990,-- in de zaak [aangever 1] . Op 1 mei 2017 hebben er om 19:40 uur en 19:41 uur geldopnames van respectievelijk € 920,-- en € 70,-- plaatsgevonden. Van deze geldopnames zijn beelden beschikbaar. De rechtbank leidt uit de beelden af dat het niet [verdachte] is die het geld heeft opgenomen. Op de beelden is te zien dat [verdachte] naast de pinner staat. De rechtbank is van oordeel dat nu [verdachte] niet heeft gepind, hij van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken.
[aangever 3]
De rechtbank is voorts van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van het pinnen van € 5.000,-- in de zaak [aangever 3] . Op 8 juli 2017 zijn er drie geldopnames geweest van in totaal € 5.000,--. Van deze geldopnames zijn beelden beschikbaar. [verdachte] ontkent bij deze geldopnames betrokken te zijn. De rechtbank is van oordeel dat nu [verdachte] niet op de beelden is herkend er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De rechtbank zal hem van dit onderdeel vrijspreken.
[aangever 5]
De rechtbank is verder van oordeel dat [verdachte] partieel dient te worden vrijgesproken van het pinnen van € 4.800,-- in de zaak [aangever 5] . Op 14 juli 2017 hebben er tussen 21:52 uur en 21:54 uur drie geldopnames van respectievelijk € 2.000,--, € 2.000,-- en € 800,-- plaatsgevonden. Van deze geldopnames zijn beelden beschikbaar. Ook in deze zaak ontkent [verdachte] bij deze geldopnames betrokken te zijn. De rechtbank is van oordeel dat nu [verdachte] niet op de beelden is herkend er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van de eerste (1e) pintransactie en zal [verdachte] van dit onderdeel vrijspreken.
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, voor zover het de overige geldbedragen betreft, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu [verdachte] dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen in de bijlage.
Ten aanzien van het gewoontewitwassen
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van incidenteel witwassen. Uit de duur en de frequentie van de door de verdachte gepleegde handelingen, te weten het vier maal pinnen van een geldbedrag in een periode van tien weken, leidt de rechtbank af dat het witwassen door [verdachte] een structureel karakter heeft gehad. Dit leidt tot de conclusie dat hij van het witwassen van de hoeveelheden geld een gewoonte had gemaakt.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] zich in de periode van 1 mei 2017 tot en met 14 juli 2017 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal € 15.260,--.
Medeplegen
De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 2 primair ten laste gelegde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft en spreekt hem van dit onderdeel vrij.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1.primair
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 december 2016 tot en met 7 januari 2017
, te [plaats] , althansin Nederland, (telkens) van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen,
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsingheeft
verborgen en/ofverhuld
en/of heeft verborgen en/of verhuldwie de rechthebbende op
een voorwerp, te wetende
hierna te noemengeldbedragen
,was
, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te wetende
hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij wist dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
en
/of voorwerpen, te wetende
hierna te noemengeldbedragen
,heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen
en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt,terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:
(alle aangiftes afkomstig uit dossier Kringloop)
- op 1 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1000 euro
), (aangifte 304, [aangever 6] , p. 26900);
- op 10 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro)
, (aangifte 319, [aangever 7] , p. 27300);
- op 18 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4500 euro
), (aangifte 327, [aangever 8] , p. 27500);
- op 20 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.000 euro)
, (aangifte 333, [aangever 10] p. 27813, aangifte 334, [aangever 9] p. 27831
- op 20 en/of 21 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.000 euro), (aangifte 333, [aangever 10] p. 27813 aangifte 335, [aangever 11] , p. 27887);
- op 7 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4.760 euro)
, (aangifte 357, [aangever 12] , p. 27200)
en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
2.primair
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 mei 2017 tot en met 14 juli 2017,
te [plaats] , althansin Nederland, (telkens),
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en/of voorwerpen, te weten de hierna te noemengeldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen
en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt,terwijl hij
en/of zijn mededader(s)wist
(en)dat die voorwerpen
geheel of gedeeltelijk- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:
(alle aangiftes afkomstig uit dossier Kringloop 2)
- op 1 mei 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 10 euro,
(aangever [aangever 1] , p. 1500);
- op 11 mei 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 6.250 euro)
(aangever [aangever 2] , p. 1400);
(aangever [aangever 3] , p. 1800);
- op 12 juli 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5.000 euro)
, (aangever [aangever 4] , p. 1900);
- op 14 juli 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4.000 euro)
, (aangever [aangever 5] , p. 2000)
en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 en onder 2 primair bewezenverklaarde levert op, telkens:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van 126 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Daarbij heeft de advocaat-generaal onder meer rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte bij een veroordeling een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de redelijke termijn fors is overschreden. Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte kostwinnaar is, zijn leven op de rit heeft en sinds deze feiten niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is het volgende in bijzonder in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen financiële schade veroorzaakt bij de slachtoffers, maar ook hun vertrouwen, en dat van de samenleving, in alledaagse digitale handelingen geschaad. Daarbij heeft verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor de personen die hun bankrekening ter beschikking stelden.
Enkele maanden nadat verdachte in vrijheid is gesteld, heeft hij opnieuw tegen een geringe vergoeding geldbedragen gepind van bankrekeningen waarmee gefraudeerd was.
Het hof neemt het verdachte kwalijk dat hij kort nadat hij in vrijheid is gesteld zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan vergelijkbare strafbare feiten.
Verder heeft het hof gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Gelet op de ernst van de feiten acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof zal een groot deel van deze straf voorwaardelijk opleggen, vanwege het tijdsverloop en om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Vanwege de reeds ondergane voorlopige hechtenis hoeft verdachte niet terug naar de gevangenis. Het hof acht daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden. Het hof is evenwel van oordeel dat de straf dient te worden gematigd vanwege het feit dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In eerste aanleg is de redelijke termijn met één jaar overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn voorts met vier jaar, 11 maanden en 20 dagen overschreden. Immers is het hoger beroep ingesteld op 30 december 2020 en dit arrest wordt gewezen op 24 maart 2026. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte verdisconteren in de strafmaat en verdachte een taakstraf voor de duur van 200 uren opleggen. Resumerend zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van 126 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 200 uren opleggen.

Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde partij 1]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] . Het hof ziet, ondanks het gegeven dat in eerste aanleg de vordering te laat door het Openbaar Ministerie is aangeleverd, geen aanleiding deze als te laat ingediend te beschouwen en zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1000,- en de maatregel van artikel 36f Sr op te leggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
126 (honderdzesentwintig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
100 (honderd) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van materiële schade.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor materiële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door
mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter,
mr. S. Taalman en mr. L.A. Kjellevold, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffier,
en op 24 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 24 maart 2026.
Tegenwoordig:
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. J.H.D. van Onna, advocaat-generaal,
mr. B.T.H. Toonen - Janssen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. In het geval wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreffen dit pagina’s uit het dossier van [verdachte] van de Politie Eenheid [locatie] . Per bewijsmiddel wordt het betreffende subdossier aangeduid. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een tapgesprek, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een telefoongesprek waarvan de kenmerken worden vermeld – voor zover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, sessienummer en paginanummer.
Feit 1

het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van [verdachte] als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv;

Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 6]van 5 december 2016, pag. 27012 tot en met 27013 van het subdossier MO02 PL0600-2016607965 (Map 42);

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] namens de [bank] (zaak [aangever 6] ) van 16 februari 2017, pag. 27078 tot en met 27086 van het subdossier MO02 PL0600-2016607965 (Map 42);

Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 7]van 14 december 2016, pag. 27313 tot en met 27314 van het subdossier MO02 PL0600-2017048351 (Map 42);

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] namens de [bank] (zaak [aangever 7] ) van 16 februari 2017, pag. 27367 tot en met 27375 van het subdossier MO02 PL0600-2017048351 (Map 42);

Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 8]van 19 december 2016, pag. 27513 tot en met 27515 van het subdossier MO02 PL0600-2017048143 (Map 42);

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] namens de [bank] (zaak [aangever 8] ) van 16 februari 2017, pag. 27590 tot en met 27598 van het subdossier MO02 PL0600-2017048143 (Map 42);

Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 9]van 23 december 2016, pag. 27831 tot en met 27832 van het subdossier MO02 PL0600-2017002609 (Map 43);

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] namens de [bank] (zaak [aangever 9] ) van 16 februari 2017, pag. 27878 tot en met 27886 van het subdossier MO02 PL0600-2017002609 (Map 43);

Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 12]van 9 januari 2017, pag. 27209 tot en met 27210 van het subdossier MO02 PL0600-2017038585 (Map 42);

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] namens de [bank] (zaak [aangever 12] ) van 16 februari 2017, pag. 27288 tot en met 27296 van het subdossier MO02 PL0600-2017038585 (Map 42);

Feit 2

het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv;

Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 1]van 8 mei 2017, pag. 1511 tot en met 1512 van het subdossier MO02 PL0600-2017525312 (Map 3);

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] namens de [bank] (zaak [aangever 12] ) van 25 oktober 2017, pag. 1204 tot en met 1207, 1210, 1211 en 1271 tot en met 1273 van het hoofddossier MO02 (Map 1 en 2);

Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 2]mede namens de benadeelde [benadeelde] van 15 mei 2017, pag. 1413 tot en met 1415 van het subdossier MO02 PL0600-2017525272 (Map 1 en 2);

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] namens de [bank] (zaak [aangever 12] ) van 25 oktober 2017, pag. 1204 tot en met 1209 en 1229 tot en met 1251 van het hoofddossier MO02 (Map 1 en 2);

Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 4]van 18 juli 2017, pag. 1911 tot en met 1913 van het subdossier MO02 PL0600-2017525399 (Map 3);

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] namens de [bank] (zaak [aangever 12] ) van 25 oktober 2017, pag. 1204 tot en met 1207, 1218, 1219, 1345 en 1346 van het hoofddossier MO02 (Map 1 en 2);

Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 5]van 17 juli 2017, pag. 2011 tot en met
2012 van het subdossier MO02 PL0600-2017525508 (Map 3);

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] namens de [bank] (zaak [aangever 12] ) van 25 oktober 2017, pag. 1204 tot en met 1207, 1220 tot en met 1222, 1364 tot en met 1369 van het hoofddossier MO02 (Map 1 en 2);