Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2505

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
21-004646-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs aanranding in hoger beroep

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en verdachte vrijgesproken van de aanranding van het slachtoffer op 27 april 2024. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf en taakstraf, en de vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding toegewezen.

Het hof oordeelde dat de herkenning van verdachte door het slachtoffer onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen en mede gelet op de wijze van totstandkoming van die herkenning onvoldoende betrouwbaar is. De herkenning vond plaats aan de hand van een enkelvoudige fotoconfrontatie, waarbij het slachtoffer mogelijk onbewust werd beïnvloed door getuigen. Daarnaast was het zicht van het slachtoffer beperkt en kwam het signalement niet overeen met dat van verdachte.

Verder werd geen DNA van verdachte aangetroffen op de kleding van het slachtoffer, wat een sterke contra-indicatie vormt. Hoewel verdachte zich in de buurt van de plaats delict bevond en getuigen hem hadden gevolgd, vond het hof dit onvoldoende om de herkenning te ondersteunen. Daarom werd verdachte vrijgesproken en werd het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs voor aanranding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004646-24
Uitspraakdatum: 3 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 oktober 2024 met parketnummer 16-145496-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 20 maart 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank op 2 oktober 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman mr. W.F.J. Kramer hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd - aanranding van [slachtoffer] in de nacht van 27 april 2024. Verdachte is voor dit feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan de proeftijd zijn naast algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden gekoppeld (meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] ). Daarnaast heeft de rechtbank verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer] is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 559,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verdachte is door de rechtbank ook veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten - die [slachtoffer] onverhoeds van achteren te benaderen en/of - vervolgens die [slachtoffer] bij de keel te grijpen en/of richting de grond te duwen en/of - met zijn handen naar de (met kleding bedekte) billen en/of vagina van die [slachtoffer] te grijpen en/of - met zijn handen onder het T-shirt van die [slachtoffer] naar de borsten te grijpen en/of in de borsten te knijpen en/of - daarbij de woorden toe te voegen: 'je moet niet tegenstribbelen, anders wordt het erger. Waag het niet om iemand te bellen, anders ben je voorlopig niet van me af', althans woorden van gelijke aard of strekking.

Vrijspraak

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde feit. Hij heeft daarbij verwezen naar de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen. Daaruit volgt dat verdachte getuigen [getuige] en [getuige] voorafgaand aan het incident volgde tot aan het huis van [getuige] . Toen zij even later naar buiten gingen om te kijken of verdachte zich nog steeds in de buurt van de woning bevond, hoorden zij aangeefster huilen. Zij zijn vervolgens naar haar toe gegaan en hebben haar een filmpje getoond waarop verdachte te zien is. Aangeefster heeft verdachte direct herkend als degene die haar kort daarvoor had aangerand. Het door haar gegeven signalement komt overeen met het signalement van verdachte. Verdachte heeft zelf geen verklaring afgelegd over zijn aanwezigheid nabij de plaats delict en de verklaring dat hij zich van die nacht niets meer kan herinneren is ongeloofwaardig. Dat uit het rapport van The Maastricht Forensic Institute B.V. volgt dat geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van het DNA van verdachte op de broek en de bh van aangeefster zijn gevonden, maakt niet dat verdachte de dader niet geweest kan zijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die aangeefster in de nacht van 27 april 2024 heeft aangerand. Het signalement dat aangeefster geeft van de man die haar heeft aangerand (Nederlands, blank, kaal, geen bril, geen baardgroei, smal gezicht en niet lang) komt niet overeen met het signalement van verdachte en de beschrijving die getuigen [getuige] en [getuige] van hem geven (zwarte bril, kaal, baardje, grote man, fors). Desondanks heeft aangeefster verdachte herkend op het filmpje dat getuigen [getuige] en [getuige] aan haar hebben laten zien. Deze herkenning is weliswaar authentiek, maar niet betrouwbaar. Niet alleen is niet voldaan aan de waarborgen voor het uitvoeren van een enkelvoudige fotoconfrontatie, ook is aangeefster door de vraag van getuige [getuige] (“
Was die man kaal?”) en de mededeling van getuige [getuige] (“
Dan weten wij wie dat is”) gestuurd in haar herkenning. De herkenning is dan ook ongeschikt om voor het bewijs gebruikt te worden. Daar komt nog bij dat aangeefster zelf heeft verklaard dat zij met haar linkeroog niets ziet en met haar rechteroog slechts voor de helft, het buiten donker was en zij onder invloed van alcohol was toen het incident plaatsvond. Bovendien vormt de conclusie dat geen DNA van verdachte, en wel van minimaal één andere man, is aangetroffen op de broek en de bh van aangeefster een zeer sterke contra-indicatie voor zijn betrokkenheid.
Oordeel van het hof
Op basis van de beschikbare bewijsmiddelen in het dossier staat naar het oordeel van het hof vast dat aangeefster [slachtoffer] in de nacht van 27 april 2024 (koningsnacht) in [plaats] door een man is aangerand. Haar verklaring over
wathaar is overkomen is duidelijk en gedetailleerd en haar verklaring wordt op dat onderdeel ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige] , die kort na het incident ter plaatse kwamen. [getuige] en [getuige] hoorden aangeefster hysterisch gillen en om hulp roepen. Toen zij haar aantroffen was ze in paniek, heel erg aan het huilen en vertelde zij direct dat ze was aangerand.
De vraag die vervolgens aan het hof voorligt – en waar het in deze zaak (vooral) om gaat – is of verdachte degene is geweest die aangeefster die nacht heeft aangerand.
Aangeefster heeft naar aanleiding van een aan haar getoond(e) (afbeelding uit een) Snapchatfilmpje, waarin verdachte te zien is, verklaard dat zij verdachte herkent als de man die haar heeft aangerand. Verdachte heeft alle betrokkenheid ontkend. Van het incident zijn geen getuigen en er is geen DNA van verdachte aangetroffen op de broek en de bh van aangeefster. Dit betekent dat het enige (directe) bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de aanranding is gelegen in de herkenning van verdachte door aangeefster. Het hof is van oordeel dat daarom behoedzaam moet worden omgegaan met de herkenning en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer nu sprake is van een zogenoemde enkelvoudige fotoconfrontatie.
Het hof overweegt met betrekking tot de totstandkoming van de herkenning en de betrouwbaarheid van die herkenning het volgende.
Uit het dossier volgt – samengevat – dat [getuige] en [getuige] in de nacht van 27 april 2024 om iets voor 03.00 uur samen naar huis liepen. Terwijl zij een Snapchatfilmpje aan het opnemen waren, kwam verdachte hen tegemoetlopen. Op het filmpje is te zien dat [getuige] en [getuige] contact met verdachte maken. Ze hebben een kort gesprek, waarna de twee vrouwen hun weg vervolgen. Verdachte is omgedraaid (hij kwam [getuige] en [getuige] immers eerst tegemoetlopen) en is hen gevolgd tot (nabij) de woning van [getuige] . Verdachte heeft vervolgens enige tijd rondom (de poort in de buurt van) de woning gelopen (of rondgehangen). Na ongeveer vijftien minuten zijn [getuige] en [getuige] weer naar buiten gegaan. Op dat moment hoorden zij aangeefster huilen en om hulp roepen. Zij zagen verdachte niet meer in de omgeving van de woning.
[getuige] en [getuige] troffen aangeefster ongeveer tweehonderd meter verderop (huilend en in paniek) aan. Nadat aangeefster verteld had wat er was gebeurd, vroeg [getuige] aan aangeefster of de man die haar had aangerand kaal was. Ook vertelden [getuige] en [getuige] dat zij verdachte eerder die nacht waren tegengekomen, hij hen had lastiggevallen en zij “dan weten wie het is”. [getuige] liet het eerder gemaakte Snapchatfilmpje (of een afbeelding uit dat filmpje) heel kort aan aangeefster zien. Aangeefster begon daarop nog harder te huilen en herkende verdachte als de man die haar had aangerand.
Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de oprechtheid van aangeefster en de getuigen, maar bij herkenning aan de hand van een enkelvoudige foto, zoals hier is gebeurd, is de drang om de persoon te herkennen naar zijn aard groter dan bij een meervoudige fotoconfrontatie. Daar komt bij dat aangeefster de foto samen met [getuige] heeft bekeken en dat zij wist dat de persoon op de foto [getuige] en [getuige] kort daarvoor lastig had gevallen. Daardoor kan (onbewuste) beïnvloeding hebben plaatsgevonden. Verder geldt dat aangeefster in haar signalement van verdachte specifieke kenmerken, zoals baardgroei en het dragen van een bril, niet noemt, dat het buiten donker was en dat aangeefster vanwege haar oogafwijking slecht(er) zicht heeft.
Het gedrag van verdachte voorafgaand aan het incident (het volgen van [getuige] en [getuige] ) en zijn aanwezigheid in de buurt van de plaats delict (zowel kort voorafgaand aan als kort na het incident) zijn minst genomen opmerkelijk te noemen, maar bieden in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof onvoldoende steun voor de herkenning. Dit geldt temeer nu verdachte in dezelfde straat als [getuige] (en daarmee in de omgeving van de plaats delict) woonachtig is.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte moet worden vrijgesproken.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 559,00 ingediend, bestaande uit € 59,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Verdachte wordt in hoger beroep vrijgesproken van het tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door
mr. C.H. Zuur, voorzitter,
mr. G.J. Hanssen en mr. L.A. Kjellevold, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.D. Maris, griffier,
en op 3 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 3 april 2026.
Tegenwoordig:
mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter,
mr. L.L. van Delft, advocaat-generaal,
mr. L. Jansen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.