Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van mensensmokkel door op 28 januari 2021 samen met een medeverdachte twee personen zonder geldige verblijfsdocumenten van Duitsland naar een asielzoekerscentrum (AZC) in Nederland te vervoeren. Het hof achtte bewezen dat verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang wederrechtelijk was, mede gelet op zijn eigen asielprocedure en de bestemming van de reis.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had en dat sprake was van overmacht vanwege een medische noodsituatie van een van de inzittenden. Het hof verwierp dit verweer omdat er geen acute noodsituatie was en het feit dat gekozen werd voor het AZC in Nederland in plaats van een Duits ziekenhuis een contra-indicatie vormde.
Het hof oordeelde dat sprake was van medeplegen, gezien de nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met het ontbreken van financieel gewin, de familiebanden en de minderjarigheid van een van de inzittenden, waardoor werd afgeweken van het landelijke uitgangspunt van zes maanden gevangenisstraf.
Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in beide instanties werd de straf verder gematigd. Uiteindelijk legde het hof een gevangenisstraf op van 4 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest.