Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2427

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
21-000962-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen mensensmokkel van Duitsland naar AZC in Nederland

Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van mensensmokkel door op 28 januari 2021 samen met een medeverdachte twee personen zonder geldige verblijfsdocumenten van Duitsland naar een asielzoekerscentrum (AZC) in Nederland te vervoeren. Het hof achtte bewezen dat verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang wederrechtelijk was, mede gelet op zijn eigen asielprocedure en de bestemming van de reis.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had en dat sprake was van overmacht vanwege een medische noodsituatie van een van de inzittenden. Het hof verwierp dit verweer omdat er geen acute noodsituatie was en het feit dat gekozen werd voor het AZC in Nederland in plaats van een Duits ziekenhuis een contra-indicatie vormde.

Het hof oordeelde dat sprake was van medeplegen, gezien de nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met het ontbreken van financieel gewin, de familiebanden en de minderjarigheid van een van de inzittenden, waardoor werd afgeweken van het landelijke uitgangspunt van zes maanden gevangenisstraf.

Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in beide instanties werd de straf verder gematigd. Uiteindelijk legde het hof een gevangenisstraf op van 4 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, wegens medeplegen van mensensmokkel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000962-24
Uitspraakdatum: 22 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 22 februari 2024 met parketnummer 18-319368-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1986 in [geboorteplaats 1] (Syrië),
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 8 april 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. J. Klomp, is aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 22 februari 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 januari 2021 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [naam 1] en/of [naam 2] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland of hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door bovengenoemde perso(o)n(en) te vervoeren in een personenauto, van het merk BMW, type 3 serie en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , van Duitsland naar Nederland en/of over de grens te brengen en/of naar [plaats 1] te brengen en/of af te leveren in de nabijheid van het aldaar gevestigde AZC, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft op de zitting van het hof vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte niet opzettelijk mevrouw [naam 1] en haar neefje wederrechtelijk de grens over heeft gebracht. Verdachte wist niet en had geen reden om te vermoeden dat de grenspassage wederrechtelijk was. Daarbij heeft hij de kans op wederrechtelijkheid ook niet bewust aanvaard.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Daarbij is vooral het volgende van belang.
Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 28 januari 2021 samen met medeverdachte [medeverdachte] , [naam 1] en [naam 2] van Duitsland naar Nederland heeft vervoerd. De bestemming van deze reis was het asielzoekerscentrum (AZC) te [plaats 1] , waar [naam 1] en [naam 2] zich wilden aanmelden voor asiel in Nederland.
De omstandigheid dat verdachte en medeverdachte de betrokkenen, (een tante en een neefje van verdachte) naar een AZC vervoerden, een opvangcentrum voor asielzoekers zonder de vereiste verblijfsdocumenten, op zich reeds geeft grond voor de wetenschap dan wel een ernstig vermoeden dat het passeren van de grens wederrechtelijk was. Daarbij komt dat verdachte, mede gelet op zijn eigen vluchtelingenachtergrond en doorlopen asielprocedure in Duitsland, als zodanig bekend moet worden geacht met de procedures rondom asiel en de regels voor toegang tot en verblijf in een land en voor het bezit van geldige documenten. Op grond van het voorgaande moet verdachte hebben geweten of op zijn minst genomen ernstige redenen hebben gehad te vermoeden dat de toegang tot of de doorreis door Nederland van beide personen wederrechtelijk was. Door samen met zijn medeverdachte naar Nederland te reizen en de grens te passeren zonder te controleren of de betrokkenen over de vereiste documenten beschikten, heeft verdachte bovendien bewust het risico aanvaard dat het passeren van de grens wederrechtelijk was.
Het hof acht tevens bewezen dat sprake was van medeplegen. Verdachte en medeverdachte hebben de betrokkenen gezamenlijk naar Nederland vervoerd onder de hiervoor geschetste omstandigheden en waren beiden op de hoogte van het doel van de reis. Dit wijst op een nauwe en bewuste samenwerking, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit.
Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel. Het hof verwerpt het verweer.

Bewijsmiddelen

1. De door verdachte in eerste aanleg ter terechtzitting van 8 februari 2024 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 28 januari 2021 heb ik samen met medeverdachte [medeverdachte] , [naam 1] en [naam 2] van Duitsland naar [plaats 1] in Nederland vervoerd waar zij asiel wilden aanvragen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 28 januari 2021, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Oostgrens-Noord, met nummer PL27NN/21-000775, d.d. 6 juli 2021, inhoudend als relaas van verbalisanten:
(p. 15) Op donderdag 28 januari 2021 omstreeks 19:00 uur zagen wij een grijze BMW 3 serie, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , [straatnaam] te [plaats 1] oprijden. Wij hebben het voertuig een stopteken gegeven.Bestuurder overhandigde een Duits vluchtelingenpaspoort op naam van: [medeverdachte] geboren [geboortedag 1] -1994 te [geboorteplaats 2] Syrië.Bijrijder overhandigde een Duitse verblijfstitel op naam van: [verdachte] geboren [geboortedag 1] -1986 te Syrië.Wij hoorden de bestuurder zeggen dat de overige inzittenden achterin, een volwassen vrouw en minderjarige jongen, geen documenten bij zich hadden.Verbalisant [verbalisant] heeft de vrouw, gesmokkelde, gescheiden van de overige inzittenden.(p. 16) Ik zag dat ze nee knikte toen ik vroeg naar haar paspoort. Ik zag dat ze ja knikte toen ik vroeg of ze uit Syrië kwam.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 februari 2021, opgenomen op pagina 91 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 1] :
V: Welke nationaliteiten bezit u?(p. 93) A: Syrische.V: Wie is dat jongentje naast u?A: Dat is mijn neefje [naam 3] .(p. 96) Wanneer bent u met het idee gekomen om Syrië te verlaten?A: In oktober 2020.V: Waar wilde u naar toe gaan?A: Nederland.V: Wat was u doel om naar Nederland te gaan?A: Om hier te kunnen vestigen en te leven.A: Ik heb een zus in Duitsland, die heb ik toen gebeld en heb ik uitgelegd waar ik was en hoe slecht het met mij ging. Daarom stuurde mijn zus haar zoon en de buurman gelijk naar mij toe om te helpen. Ze hebben mij en [naam 3] in de auto gezet en rijden richting de politie om mij daar aan te melden.(p. 100) V: Heeft u uw documenten aan de chauffeur getoond?A: Nee ik kan mij niet herinneren dat ik hem iets heb laten zien.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 29 januari 2021, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
(p. 65) V: U bent op donderdag 28 januari 2021 aangehouden toen u in een auto zat.V: Waar bent u in dit voertuig gestapt?A: [plaats 2] .A: Ik kwam mijn buurman (het hof begrijpt verdachte) tegen, die zei ik ken een arme vrouw uit Syrië en die heeft hulp nodig. Hij geeft gevraagd of wij haar willen helpen.(p. 66) V: Wie zaten er bij u in dit voertuig toen u vertrok?A. Ik, mijn buurman, de vrouw en het kind.(p. 67) A: Wij zouden de vrouw naar het kamp [plaats 1] brengen waar de vrouw zich kan aanmelden voor de Nederlandse autoriteitV: Wat is de nationaliteit van vrouw en kind?A: Syrische nationaliteit.(p. 68) V: Welke documenten heeft u gezien van de vrouw en het kind?A: Ik heb geen documenten gezien.V: Heeft u gevraagd naar de documenten van de vrouw en het kind?A: Nee.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 28 januari 2021 in Nederland en Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, anderen, te weten [naam 1] en [naam 2] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, door bovengenoemde personen te vervoeren in een personenauto, van het merk BMW, type 3 serie en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , van Duitsland naar Nederland en over de grens te brengen en naar [plaats 1] te brengen en af te leveren in de nabijheid van het aldaar gevestigde AZC, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat er mogelijk sprake is van een strafuitsluitingsgrond vanwege de noodsituatie van mevrouw [naam 1] , die dringend medische hulp nodig had en bang was voor haar broer in Duitsland. Verdachte heeft uit humanitaire overwegingen gehandeld en niet met de intentie om een illegale grensovergang te faciliteren.
Oordeel van het hof
Het hof begrijpt het door de raadsvrouw gevoerde verweer aldus dat zij zich op het standpunt stelt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu verdachte een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toekomt.
Op grond van een algemene strafuitsluitingsgrond kan onder omstandigheden het handelen op humanitaire gronden in de weg staan aan de strafbaarheid van de in artikel 197a Sr omschreven mensensmokkel of van de dader daarvan. Daarbij kan worden gedacht aan noodtoestand, waarbij - in het algemeen gesproken - de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Of een beroep op een dergelijke strafuitsluitingsgrond kan worden aanvaard hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen van humanitaire bijstand zonder enig oogmerk van eigen bevoordeling aan een vreemdeling van wie aannemelijk is dat hij in een zijn leven of veiligheid bedreigende noodsituatie verkeert en aan wie bij zijn vlucht redelijkerwijze niet op andere wijze hulp kan worden geboden dan door hem wederrechtelijk over de grens met Nederland te brengen of in Nederland verder te brengen. [1]
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier niet dat sprake was van een acute en concrete nood, zodat verdachte geëigend was om aan die nood een einde te maken door de betrokkenen op illegale wijze naar Nederland te brengen. Indien er daadwerkelijk sprake was van een medische noodsituatie, had het voor de hand gelegen om ter plaatse in Duitsland medische hulp te zoeken, temeer nu de medische zorg in Duitsland uitstekend is. De keuze om naar het AZC in Nederland te rijden in plaats van naar een ziekenhuis in Duitsland, vormt naar het oordeel van het hof een contra-indicatie voor het bestaan van een noodsituatie in welke vorm dan ook. Dat verdachte vanwege zijn culturele achtergrond de behoefte heeft gevoeld om zijn tante de grens over te helpen maakt dat niet anders.
Het hof verwerpt het verweer.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensensmokkel, door twee uit Syrië afkomstige personen die in Duitsland verbleven, van Duitsland naar Nederland te vervoeren, zodat zij in Nederland asiel konden aanvragen. Door mensensmokkel wordt het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland en andere landen van de Europese Unie doorkruist en wordt bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 9 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder (en ook later niet) is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten in Nederland. Ook heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze uit het dossier blijken en ter terechtzitting in hoger beroep namens zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht.
De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht gaan in geval van mensensmokkel uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden per gesmokkeld persoon. In de onderhavige zaak komt dat bij twee gesmokkelde personen neer op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Het hof ziet echter in de onderhavige zaak aanleiding om hiervan af te wijken.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het blanco strafblad, de omstandigheid dat de personen die verdachte over de grens heeft gesmokkeld, familieleden van verdachte zijn en dat de andere persoon een minderjarige betreft en dat bovendien niet is gebleken van enig financieel gewin, ziet het hof aanleiding om een kortere gevangenisstraf op te leggen.
Het hof ziet geen aanleiding om tussen verdachte en medeverdachte een onderscheid te maken in de op te leggen straf. Nu beiden de rit gezamenlijk en gelijkwaardig hebben uitgevoerd, acht het hof een gelijke straf passend en geboden.
Gelet op het vorenstaande acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in eerste aanleg is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Verdachte is op 29 januari 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 22 februari 2024 vonnis gewezen. Tussen het moment van inverzekeringstelling en het wijzen van het eindvonnis zijn ruim 3 jaren verstreken. De redelijke termijn is hiermee overschreden met ruim een jaar. Ook in hoger beroep is sprake van overschrijding van de redelijke termijn, met ongeveer zes weken. Inmiddels zijn er meer dan vijf jaren verstreken sinds het feit. Die overschrijding dient te leiden tot strafvermindering. Het hof zal daarom in plaats van voornoemde gevangenisstraf, een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. M.C. Fuhler en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 april 2026.

Voetnoten

1.HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2005.