In deze civiele zaak staat de vraag centraal of sprake is van een mondelinge geldleningsovereenkomst tussen broer en zus waarbij appellant gehouden is €9.000 terug te betalen aan geïntimeerde. Geïntimeerde heeft meerdere bedragen overgemaakt zonder schriftelijke afspraken, maar met Whatsapp-berichten waarin sprake is van een lening en terugbetalingsafspraken. Appellant betwist dat het om een lening gaat en stelt dat het geld bedoeld was voor investeringen in cryptocurrency.
De kantonrechter heeft de vordering van geïntimeerde toegewezen en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof acht het verweer van appellant niet geloofwaardig, mede vanwege de inhoud van de Whatsapp-berichten waarin appellant zelf spreekt over een lening en betalingsregelingen. Er is onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van een geldleningsovereenkomst.
Het hof oordeelt dat de vordering op 26 april 2024 opeisbaar is geworden en dat appellant vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is. Het hoger beroep wordt verworpen en appellant wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.