Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de memorie van grieven, met producties;
- de memorie van antwoord, met productie;
- de akte na memorie van 28 januari 2025 van FSE;
- de antwoordakte van 25 februari 2025 van Nationale Maatschappij tot Restaureren & Herbestemmen van Cultureel Erfgoed B.V. (hierna: BOEi), met productie;
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 januari 2026 is gehouden.
2.De kern van de zaak
Foamshield Methode) zou worden uitgevoerd in risicoklasse 1. Een sanering volgens deze methode is sneller en goedkoper dan een traditionele sanering. De sanering heeft uiteindelijk - met vertraging - op traditionele wijze plaatsgevonden in risicoklasse 2/2A. BOEi heeft de aanneemsom betaald. FSE stelt dat partijen na het sluiten van de aannemingsovereenkomst een nadere afspraak hebben gemaakt, die inhoudt dat zij de meerkosten voor de traditionele sanering bij BOEi in rekening mag brengen als haar niet ook de sanering van een ander deel (hierna: hal B) van de Wagenmakerij wordt gegund. BOEi heeft FSE laten weten niet in overleg te willen treden over de sanering van hal B. FSE heeft vervolgens een factuur gestuurd voor een bedrag van € 185.735,- onder vermelding ‘Meerkosten uitvoering sanering hal A in risicoklasse 2A, conform afspraak’. BOEi betwist de gestelde nadere afspraak en de verschuldigdheid van dit bedrag en heeft de factuur niet betaald. Zij heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
“Uit de gebrekkige specificatie van de Factuur blijkt dat de opgevoerde kosten zien op de uitvoeringskosten van de sanering in Compartiment A. BOEi wijst onder meer op de uren van de asbestsaneerders die overigens zonder enige specificatie op EUR 53.200,- zijn gesteld en de kosten van materieel zoals de hoogwerker en de knik telescoop.”Het is juist dat de factuur ziet op de uitvoeringskosten voor hal A. Niet duidelijk is of er volgens BOEi iets schort aan de post hoogwerker en kniktelescoop, en zo ja, wat dan. Voor zover BOEi heeft bedoeld de kosten voor de uren van de asbestsaneerders te betwisten, mocht van haar worden verwacht dat zij zou stellen en onderbouwen dat en waarom het daarvoor opgevoerde bedrag volgens haar te hoog is. Dat heeft zij niet gedaan. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting, neemt het hof aan dat het door FSE opgevoerde bedrag aan meerkosten (€ 185.735,- incl. BTW) juist is.
“Indien hal B niet in opdracht zou worden gegeven, zouden ook alle meerkosten door uitvoering in risicoklasse 2A alsnog in rekening worden gebracht bij Boei.”), 22 juli 2019 (
“Conform de door ons gemaakte afspraken in de diverse vergaderingen (dus buiten de aanneemovereenkomst), kunnen wij deze gemaakte kosten bij u in rekening brengen indien wij geen opdracht krijgen voor de sanering van hal B.”), 19 augustus 2019 (
“Tevens wordt de afspraak welke gemaakt is, dat indien hal B niet in opdracht zou worden gegeven, Boei de kosten voor onderzoek en sanering van hal A in containment alsnog zou vergoeden, door [naam1] betwist en ongedaan gemaakt.”) en 16 september 2019 (
“Indien hal B niet in opdracht zou worden gegeven, zou Foamshield alsnog de meerkosten in rekening mogen brengen.”) (productie 70, 72, 75 en 81 bij conclusie van antwoord).
4.De beslissing
19 mei 2026laten weten hoeveel getuigen zij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.