Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2386

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
200.320.072
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:130 BWArt. 5:37 BWArt. 2 lid 1 reglement VvEArt. 2 lid 2 reglement VvEArt. 225 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over uitleg VvE-besluit en onrechtmatige hinder door terrasoverkappingen

In deze civiele zaak stond de uitleg van een besluit van de vergadering van eigenaars (VvE) centraal, evenals de vraag of de geplaatste terrasoverkappingen onrechtmatige hinder opleveren. De appellanten, eigenaren binnen het appartementencomplex, stelden dat de toestemming voor het plaatsen van een terrasoverkapping aan een medeeigenaar was gegeven onder de voorwaarde van architecttoestemming en dat niet alle eigenaren toestemming hadden verleend voor een tweede overkapping.

Het hof heeft uitgebreid getuigenverklaringen en schriftelijke verklaringen bestudeerd, waarbij het bewijs niet overtuigend was dat de architecttoestemming een voorwaarde was. Ook is vastgesteld dat de toestemming voor de tweede overkapping unaniem buiten vergadering is gegeven, waarbij het formulier waarop is getekend de tekst bevatte dat de uitvoering gelijk was aan het eerdere besluit uit 2013.

De vorderingen van de appellanten om de terrasoverkappingen te verwijderen wegens onrechtmatige hinder zijn afgewezen. Het hof overwoog dat de procedure van artikel 5:130 BW Pro een snelle toetsing van VvE-besluiten beoogt en dat de appellanten niet binnen die termijn bezwaar hadden gemaakt. Bovendien waren er geen omstandigheden gesteld die de toestemming onaanvaardbaar maken.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, veroordeelde de appellanten tot betaling van de proceskosten van de VvE en de medegedaagden, en verklaarde de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, waarbij de vorderingen tot verwijdering van de terrasoverkappingen wegens onrechtmatige hinder worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.320.072
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 257501)
arrest van 21 april 2026
in de zaak van

1.[appellant1] ,

2. [appellant2],
3. [appellant3],
die allen wonen in [woonplaats1] ,
die hoger beroep hebben ingesteld,
en bij de rechtbank optraden als eisers,
hierna: [appellant1] , [appellant2] , [appellant3] en [appellanten] (voor 1. t/m 3. samen)
advocaat: mr. S.A. van Dijk (voor [appellant1] en [appellant2] ) en voorheen mr. H.N. ’s Jacob (die zich heeft onttrokken voor [appellant3] ),
tegen

1.VvE Appartementencomplex [adres1] te [woonplaats1] ,

die is gevestigd in [woonplaats1] ,
2. [geintimeerde2],
3. [geintimeerde3],
4. [geintimeerde4],
die allen wonen in [woonplaats1] ,
en bij de rechtbank optraden als gedaagden,
hierna: VvE, [geintimeerde2] , [geintimeerden 3 en 4] (voor [geintimeerde3] en [geintimeerde4] samen) en [geintimeerden 2, 3 en 4] (voor [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] samen) en VvE c.s. (voor VvE en [geintimeerden 2, 3 en 4] samen)
advocaat: mr. M.J. Drijftholt (voor VvE) en mr. M.D. Ubbink (voor [geintimeerden 2, 3 en 4] ).

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 2 juli 2024 (hierna: het tussenarrest) [appellanten] toegelaten bewijs te leveren dat:
  • i) de tijdens de vergadering van 4 april 2013 aan [geintimeerde2] verleende toestemming voor het plaatsen van de terrasoverkapping is gegeven onder de voorwaarde dat de architect van het appartementencomplex daarmee zou instemmen;
  • ii) niet door alle eigenaars van de VvE toestemming is gegeven voor de door [geintimeerden 3 en 4] geplaatste overkapping.
1.2.
Vervolgens hebben [appellant1] en [appellant2] als getuigen doen horen [appellant1] en meneer [naam1] . In contra-enquête hebben VvE c.s. als getuigen doen horen [geintimeerde2] , meneer [naam2] , meneer [naam3] en mevrouw [naam4] .
1.3.
Het procesverloop na het tussenarrest blijkt uit:
  • producties 12 t/m 16 zijdens [geintimeerden 2, 3 en 4]
  • de processen-verbaal van de voornoemde getuigenverhoren
  • de memorie na enquête zijdens [appellant1] en [appellant2]
  • de antwoordmemorie na enquête zijdens de VvE
  • de antwoordmemorie na enquête zijdens [geintimeerden 2, 3 en 4] met opnieuw voornoemde producties 12 t/m 16 en producties 17 t/m 20.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. Opmerking verdient dat het hof heeft vernomen dat [appellant3] en [appellant2] zijn overleden, maar tot schorsing van de procedure heeft dat niet geleid zodat de procedure op hun namen is voortgezet (artikel 225 lid 2 Rv Pro).

2.Het oordeel van het hof

De beslissing
2.1.
Het hof stelt vast dat [appellant3] niet is overgegaan tot bewijslevering, oordeelt dat [appellant1] en [appellant2] niet zijn geslaagd in het leveren van het opgedragen bewijs en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het hof licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.
De aan [geintimeerde2] gegeven toestemming
2.2.
Tussen partijen is in geschil of op de VvE-vergadering van 4 april 2013 de aan [geintimeerde2] gegeven toestemming tot het aanleggen van een terrasoverkapping is gegeven onder de voorwaarde van toestemming van de architect van het appartementencomplex. Het hof heeft in het tussenarrest – samengevat – overwogen dat de notulen van de vergaderingen van 4 april 2013 en 22 juli 2014 en de e-mail van de voorzitter van de VvE-vergadering van 7 juni 2013 ruimte laten voor de mogelijkheid dat die voorwaarde is gesteld.
2.3.
Over de vergadering van 4 april 2013 hebben van de daar aanwezige eigenaren de volgende personen als getuige onder meer het navolgende verklaard:
Getuige [naam1] :
“Het was een traditionele, open en fijne vergadering. Op die vergadering vertelde meneer [geintimeerde2] dat de familie [geintimeerde2] afzag van het plaatsen van een zonnewering. Maar misschien haal ik nu deze vergadering door elkaar met een eerdere vergadering, waarin is gesproken over het verzoek van de familie [geintimeerde2] voor het plaatsen van een zonnewering. De vergadering heeft daarvoor toestemming gegeven onder voorwaarde dat een gesprek moest plaatsvinden met de architect van het gebouw. Met dat gesprek bedoel ik dat door de architect toestemming moest worden gegeven. U vraagt mij of ik mij herinner welke andere onderwerpen aan de orde zijn geweest in die vergadering. Dat kan ik mij niet herinneren. Op uw vraag waarom ik mij dan wel herinner wat is besproken over de zonnewering van de familie [geintimeerde2] , antwoord ik dat ik dat
later allemaal weer eens heb teruggelezen. Ik herinner mij dat ik van die vergadering de notulen heb ontvangen. Wat ik mij niet herinner is dat ik later nog een e-mail heb ontvangen, waarin die notulen zijn aangevuld/gecorrigeerd. Ik heb de notulen pas veel later, in het kader van deze procedure, nog eens nagelezen.”
Getuige [naam2] :
“Ik heb als voorbereiding op dit verhoor de notulen van destijds nog eens gelezen. Ik herinner mij die periode eigenlijk nog vrij goed, omdat er destijds een brand was in een achterliggend gebouw. Ook was het ons eerste huis, en namen wij voor het eerst deel aan VvE-vergaderingen, dus dat maakte destijds wel indruk.
[--]
Van de VvE-vergadering van 4 juli 2013 herinner ik mij dat de setting vriendelijk was. Ons werd een kopie van een folder voorgehouden, met daarop de beoogde zonnewering van de familie [geintimeerde2] . Het was een vierkante zonnewering die goed paste bij het gebouw. Er was geen debat. Mevrouw [appellant3] gaf wel te kennen dat zij wilde dat er een architect naar zou kijken. Uiteindelijk vond zij het toch wel goed en ging zij mee met de rest. Ik weet niet meer of wij heel specifiek gestemd hebben, maar iedereen vond het dus goed. In die beginjaren ging het eigenlijk ook altijd heel vriendelijk en was er weinig discussie.
[--]
U vraagt mij nog of ik andere herinneringen heb aan die vergadering, maar die heb ik eigenlijk niet. De reden dat ik nog weet wat er is gebeurd met betrekking tot de zonnewering van de familie [geintimeerde2] is dat die
kwestie een staartje heeft gekregen. Dat staartje ontstond in 2019. Ik heb mij daar zeer over verbaasd omdat we het destijds eens waren over het verzoek. Het had volgens mij te maken met de nieuwe bewoners die het zonnescherm een probleem vonden. Ik begreep dat niet, want het was toch een klare zaak destijds.”
Getuige [naam4] :
“Van de VvE-vergadering van 4 juli 2013 herinner ik mij dat deze gehouden werd bij [naam5] , de voorlopige beheerder. De sfeer in de vergadering was vriendelijk en gezellig. Ik herinner mij dat er een verzoek van familie [geintimeerde2] voor een terrasoverkapping werd gedaan. Nog voor de vergadering is mevrouw [geintimeerde2] bij mij langsgeweest en heeft zij op een tablet een afbeelding van de terrasoverkapping laten zien. Ik herinner mij niet dat op de vergadering zelf nog een afbeelding is getoond van de terrasoverkapping. Ik meen mij te herinneren dat mevrouw [appellant3] een architect naar het ontwerp wou laten kijken, maar dat kan ook in 2019 zijn geweest. Wij vroegen ons af of dat wel nodig was. Daar is over gesproken. Uiteindelijk is een besluit genomen, maar ik weet niet meer zeker of mevrouw
[appellant3] voor of tegen heeft gestemd. De andere eigenaren hebben voor gestemd, er is gewoon goedkeuring gegeven.
[--]
Nu ik nog eens nadenk moet mijn opmerking dat mevrouw [appellant3] een architect naar
het ontwerp wilde laten kijken, zien op 2013 en niet op 2019.”
Getuige [geintimeerde2] :
“In de vergadering van 4 april 2013 hebben wij (mijn man en ik) een verzoek gedaan tot het mogen plaatsen van een zonnewering (Cubola). [--] Toen er werd gestemd waren alle eigenaren voor het verzoek met uitzondering van mevrouw [appellant3] ; zij vond dat eerst de architect naar het ontwerp moest kijken. Vervolgens ontspon zich een debat. Uiteindelijk vond mevrouw [appellant3] het toch niet nodig dat met de architect werd gesproken, en stemde zij alsnog in met ons verzoek. Het besluit was daarmee unaniem. Ik herinner mij van die vergadering nog dat mevrouw [appellant3] in de rondvraag naar voren bracht dat zij een Sunway-systeem wilde plaatsen op haar balkon. Ik herinner mij dat omdat ik het vreemd vond dat zij dat verzoek deed tijdens de rondvraag. Over dat verzoek van mevrouw [appellant3] is ook meteen gestemd en de vergadering stemde unaniem met haar verzoek in. Daarbij kwam niet aan de orde dat de architect, wie daarmee werd bedoeld was mij niet duidelijk, daarvoor toestemming moest geven. Nu u mij dat nog eens vraagt, verklaar ik dat er helemaal niet is gesproken over een architect. Ik herinner mij dat ik de notulen van de vergadering heb gelezen en dat mij opviel dat daarin stond dat toestemming was gegeven maar dat de architect daar nog naar moest kijken. De volgende dag ontving ik een mail, die was gericht aan alle eigenaren, van mevrouw [naam6] , waarin stond dat er wel degelijk is gestemd en toestemming was verleend voor het plaatsen van de zonnewering. Ik weet niet wat de aanleiding was voor het versturen van die mail. Na de vergadering hebben wij eigenlijk niets met de verkregen toestemming gedaan. Mijn man was toen al ziek en werd nog zieker, waardoor ons plan bleef liggen. Wij hebben ook niet met een architect gesproken, dat was immers niet nodig.”
2.4.
[appellant1] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“U vraagt mij wat ik kan vertellen over de VvE-vergadering van 4 april 2013. Op dat moment woonde ik en mijn vrouw nog niet in het appartementencomplex. Ongeveer 5,5 jaar geleden hoorde ik van meneer [naam1] dat de vergadering aanvankelijk in felle bewoordingen begon, maar daarna in pais en vree is geëindigd. De vergadering ging onder meer over een verzoek van de familie [geintimeerde2] om een zonnescherm te mogen plaatsen. Van meneer [naam1] begreep ik dat daarvoor toestemming is verleend door de vergadering, maar dat de architect daar geen bezwaren tegen moest zien. Ik heb overigens hetzelfde van mevrouw [appellant3] gehoord. Wanneer dat was, weet ik niet meer precies.”
2.5.
Door [geintimeerden 2, 3 en 4] is een schriftelijke verklaring overgelegd van eigenaar [naam7] van 14 augustus 2024waarin onder meer staat:
“Zover ik mij kan herinneren en kan zien in de stukken welke ik uit die tijd heb is in de vergadering van 4 april 2013 al voordien het verzoek tot het plaatsen van een zonwering op het terras van de familie [geintimeerde2] ingebracht. Tijdens de vergadering ten kantore van [naam5] is er uitgebreid gesproken over de zonwering, er was hier een stevige discussie over en is er, indien ik het mij goed herinner door mevrouw [naam4] [- [appellant3] , hof], een voorstel gedaan om dit door een architect te laten beoordelen.
Volgens mij is later tijdens een opvolgende discussie van dit voorstel tot beoordeling door
een architect afgezien en na stemming toestemming verleend.”
2.6.
In de door [appellanten] overgelegde schriftelijke verklaring van [appellant3] van 23 juni 2023 staat onder meer:
“Zo was ik uiteraard sterk betrokken bij de discussie rond het voorstel van de familie [geintimeerde2] om
terrasoverkappingen over de volle lengte en breedte van hun terras aan te brengen. Tijdens de VvE-vergadering van 4 april 2013 (ik herinner mij dat nog goed) waren vóór- en tegenstanders - soms
in felle bewoordingen - eerst bereid en in staat tot een besluit te komen toen het voorstel uit de
vergadering kwam (ik weet niet zeker meer of het van mij kwam of van een andere eigenaar) in te
stemmen onder voorwaarde dat de architect met het ontwerp akkoord kon gaan. Met dit voorstel
werd aan het geharrewar een einde gemaakt en waren alle eigenaren - nadat het in stemming was
gebracht en met algemene stemmen aangenomen - tevreden. Hoewel ik zeker niet vóór de ingreep
was heb ook ik met het genomen besluit ingestemd, mede om de onderlinge verhoudingen niet te
schaden.”
2.7.
Het hof is door het door [appellanten] aangedragen bewijs onvoldoende overtuigd dat aan de aan [geintimeerde2] gegeven toestemming voor het aanleggen van een terrasoverkapping de voorwaarde was verbonden van instemming door de architect van het appartementencomplex. De schriftelijke verklaring van [appellant3] en de getuigenverklaring van [naam1] worden op dit punt weersproken door de verklaringen van [naam7] , [naam4] , [naam2] en [geintimeerde2] , die in de kern verklaren dat op 4 april 2013 is gesproken over of ‘een’ of ‘de’ architect naar het ontwerp moest kijken, maar dat uiteindelijk onvoorwaardelijke toestemming is verleend aan [geintimeerde2] voor het plaatsten van de terrasoverkapping. Het hof merkt in dat verband op dat [naam2] en [naam4] verklaren over een vergadering van 4 juli 2013, maar duidelijk is dat zij daarmee doelen op de vergadering van 4 april 2013. Het hof volgt daarmee [appellant1] en [appellant2] niet in hun lezing van de getuigenverklaringen van [naam2] en [naam4] dat zij niet hebben verklaard over de inhoud van het op 4 april 2013 genomen besluit. [naam2] en [naam4] hebben immers beiden verklaard dat [appellant3] wilde dat een architect naar de door [geintimeerde2] gewenste terrasoverkapping zou kijken, maar dat [appellant3] het uiteindelijk ‘toch wel goed’ vond (aldus [naam2] ) en dat ‘gewoon goedkeuring’ is gegeven (aldus [naam4] ). Deze verklaringen kunnen redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat [naam2] en [naam4] bedoelen dat onvoorwaardelijke toestemming is gegeven. Deze lezing sluit ook aan bij de eerder overgelegde schriftelijke verklaring van [naam2] van 17 juli 2024 waarin staat:
“Uiteindelijk is gestemd over het plaatsen van de zonwering (goedgekeurd). De vergadering vond, alles overziend, een advies van de architect niet noodzakelijk.”
en bij de eerder overgelegde schriftelijke verklaring van meneer en mevrouw [naam4] van 1 september 2023 waarin staat:
“Er was geen felle discussie in de vergadering. Er was zelfs een heel gemoedelijke sfeer en over de consultatie van een architect is zeker niet gestemd.”
2.8.
Het hof vindt vooral de getuigenverklaring van [naam2] overtuigend omdat hij duidelijke herinneringen heeft aan de vergadering van 4 april 2013 en niet meer woont in appartementencomplex waardoor hij geen belang heeft bij zijn verklaring. De verklaring van [naam1] vindt het hof minder overtuigend omdat hij zijn herinneringen ontleent aan het teruglezen van de notulen van die vergadering zonder daarbij ook de e-mail van 7 juni 2013 van de voorzitter van de vergadering te hebben gelezen, waarmee die notulen zijn gecorrigeerd. De getuigenverklaring van [appellant1] legt weinig gewicht in de schaal omdat hij niet bij de vergadering van 4 april 2013 aanwezig was en zijn verklaring is gebaseerd op hetgeen [appellant3] en [naam1] hem daarover (veel) later hebben verteld.
De aan [geintimeerden 3 en 4] verleende toestemming
2.9.
Tussen partijen is in geschil of alle eigenaars toestemming hebben gegeven voor de terrasoverkapping zoals die is geplaatst door [geintimeerden 3 en 4] (zie tussenarrest 3.15 e.v.). Volgens [appellanten] is dat niet het geval. In de eerste plaats stellen zij dat de zin “Uitvoering gelijk aan 98-1 (besluit vve vergadering 4 april 2013)” (hierna: de bestreden tekst) niet voorkwam op het formulier dat zij hebben ondertekend. In de tweede plaats stellen [appellanten] dat [geintimeerde2] , toen zij hun verzocht het document te ondertekenen, hun heeft verteld dat de gevraagde toestemming zag op een zonnescherm gelijk aan de zonneschermen van het nabijgelegen gebouw C, die schuin aflopen en het zicht van de bovengelegen appartementen niet aantasten. Daarover hebben de volgende personen onder meer het navolgende verklaard:
Getuige [appellant1] :
“U vraagt mij naar wat ik mij herinner van de ondertekening door mij in 2019 van een door mevrouw [geintimeerde2] voorgehouden formulier aangaande toestemming aan de familie [geintimeerde3] voor het plaatsen van een zonnescherm. Ik kwam mevrouw [geintimeerde2] tegen bij de voordeur van het appartementencomplex toen ik medicijnen ging halen voor mijn echtgenote. Zij zei tegen mij ‘jou moet ik net hebben. De familie [geintimeerde3] wil net zo’n terrasoverkapping plaatsen als ik. Wil je daarvoor tekenen? Je weet dat ik in de vorige VvE-vergadering van 21 maart 2019 heb gezegd dat ik een terrasoverkapping ga plaatsen.’ Ik vroeg hoe dat zonnescherm eruit zou komen te zien. Mevrouw [geintimeerde2] zei ‘het lijkt op het zonnescherm dat is geplaatst bij Gebouw C, maar het doek is iets lichter en het geheel iets chiquer.’ Ik vond dat prima. Dat was een zonnescherm dat in 45 graden afliep. Nu ik het citaat terughoor, bedoel ik in plaats van terrasoverkapping zonnescherm. Ik weet het nog heel goed, omdat ik nu eenmaal een goed geheugen heb. Ik heb voorafgaande aan dit getuigenverhoor ook nog eens mijn eerder overgelegde verklaring nagelezen. U vraagt mij hoe het formulier eruitzag. Het was een A4’tje met een tekst en daaronder de namen van de eigenaren. Ik meen mij te herinneren dat een aantal eigenaren al had getekend, maar wie dat waren, weet ik niet meer. Ik heb vervolgens ook mijn handtekening geplaatst. Ik was gehaast, want ik moest naar de apotheek. Het verliep allemaal heel snel, eerder binnen seconden dan binnen minuten.
Mr. Van Dijk vraagt mij of aan het hoofd van het formulier de tekst stond ‘Uitvoering gelijk aan 98-1 besluit VvE-vergadering 4 april 2013’. Voor zover ik mij herinner stond die tekst niet op het formulier. Ik ben daar vrij zeker over. Er stond boven ‘ten behoeve van de familie [geintimeerde3] ’ en vervolgens kwamen de namen en handtekeningen.”
Getuige [naam1] :
“U vraagt mij wat ik mij herinner over het door mij ondertekende formulier aangaande de zonnewering van de familie [geintimeerde3] . Mevrouw [geintimeerde2] kwam ’s avonds bij ons langs toen wij aan het eten waren. Zij had een kind bij zich, ik meen een kleinkind. Zij vroeg ons om onze handtekening ter instemming dat de familie [geintimeerde3] een zonnewering mocht plaatsen. Zij liet mij een tekening zien, maar van tekeningen heb ik geen verstand. Ik vroeg haar of de zonnewering er net zou uit zou komen te zien als de zonnewering van Gebouw C. Zij bevestigde dat. Ik meen mij te herinneren dat het formulier bestond uit één bladzijde met handtekeningen van een aantal bewoners. Ik heb niet gekeken of er verder nog iets op stond. Alles bij elkaar duurde dit hooguit tien minuten.”
Getuige [geintimeerde2] :
“In de loop van 2019 kwam de familie [geintimeerde3] in het gebouw B wonen. Zij wilden een zonnescherm plaatsen omdat mevrouw [geintimeerde4] kanker had gehad en niet in de zon mocht zitten. Ook haar man kon niet goed tegen de zon. Daarnaast wilden zij ook meer privacy op hun balkon. Ik had ondertussen meer documentatie over de Cubola, waaronder een YouTube-filmpje en een schets die ik had laten maken, en ik heb een en ander laten zien aan de familie [geintimeerde3] . Zij waren daar enthousiast over en zij vonden dat scherm ook voor het aanzien van het gebouw mooier. Ik was destijds voorzitter en bestuurder van de VvE en in die hoedanigheid was ik bevoegd om toestemming te geven voor het plaatsen van het zonnescherm door de familie [geintimeerde3] . Die toestemming heb ik hen schriftelijk gegeven. De toenmalige beheerder wees mij er echter op dat het beter zou zijn als ik nog toestemming bij de eigenaren zou gaan halen. Ik wilde dat eigenlijk niet want ik had die toestemming al gegeven, maar ik heb dat dan toch maar gedaan. Ik heb toen de handtekeningenlijst gemaakt, met daarop de tekst, onder meer, ‘Uitvoering gelijk aan 2013’. Ik ben eerst langsgegaan bij de familie [naam3] . Ik heb hen verteld dat het nu echt ging gebeuren met mijn Cubola en dat de familie [geintimeerde3] dat ook wilde en ik daarvoor toestemming kwam vragen. Ik liet aan mevrouw en meneer [naam3] ook de documentatie zien, waaronder de schets van de Cubola die ik inmiddels had laten maken. Ik denk dat ik het YouTube-filmpje niet heb laten zien. Het was eigenlijk zo gepiept. Vervolgens ben ik langsgegaan bij familie [naam2] , maar die waren niet thuis. Daarna ging ik langs bij mevrouw [appellant3] , die nog zei: ‘dan hoef je niet meer achter de parasol aan te gaan en heb je eindelijk je privacy’. Ik heb haar de documentatie, waaronder de schets, laten zien, maar eigenlijk had ze daar geen belangstelling
voor. Zij wist immers al hoe het eruit zou komen te zien. Ik kan mij niet herinneren of ik haar ook het YouTube-filmpje heb laten zien. Daarna ben ik bij de familie [naam4] langsgegaan en heb ik de documentatie (inclusief de schets) en het filmpje laten zien. Zij vonden het heel mooi. Toen ben ik naar meneer en mevrouw [naam1] gegaan. Ik heb hen de documentatie en de schets laten zien, maar niet het filmpje. Ik was alleen. Ik weet niet precies hoe lang ik daar ben geweest. Het was een gezellig samenzijn. Vervolgens ben ik naar familie [appellant1] gegaan, die waren niet thuis. Daarna ben ik naar familie [geintimeerde3]
geweest, die hebben meteen getekend. Daarna ben ik naar huis gegaan en heb ik zelf getekend. ’s Avonds ben ik naar familie [naam2] geweest, die tekende ook meteen. Ik heb hen niet het filmpje laten zien, maar wel de documentatie. Nu ik mijn verklaring nog eens terug hoor, merk ik op dat ik eigenlijk niet zeker weet of ik hen de documentatie heb laten zien. De dag daarna kwam ik meneer [appellant1] tegen op de gang en heb hem gevraagd om te tekenen om toestemming te geven aan familie [geintimeerde3] voor het plaatsen van de zonnewering. Ik heb hem meegenomen mijn appartement in en hem gezegd dat het dezelfde zonnewering was als waarvoor ik in 2013 toestemming had gekregen. Hij vond dat een goed idee. De documentatie lag op tafel, maar daar heeft meneer [appellant1] niet naar gekeken. Het gesprek duurde heel kort. Hij heeft snel getekend. U houdt mij voor dat de familie [geintimeerde3] niet op de handtekeningenlijst staat. Dat heb ik dan
niet goed onthouden.
[--]
Op de vraag van mr. Ubbink of er bij meneer [appellant1] of meneer [naam1] nog over de zonweringsituatie bij gebouw C is gesproken, antwoord ik dat ik mij herinner dat ik ook (en alleen) tegen meneer [appellant1] heb gezegd: ‘dat het net zoiets zou worden als bij gebouw C, maar dan wat chiquer en robuuster’. Tegen de andere eigenaren heb ik niets gezegd over gebouw C.”
Getuige [naam2] :
“In 2019 is mevrouw [geintimeerde2] op een avond bij ons thuis langsgeweest met een handtekeningenlijst. Het ging om het verzoek van de familie [geintimeerde3] voor het plaatsen van een zonnescherm. Mevrouw [geintimeerde2] liet ons een zwart-wit fotokopie zien van het zonnescherm: een staand zonnescherm, hoekig model, met smalle poten. Ik heb geen filmpje gezien. Het was het scherm zoals dat destijds, in 2013, ook aan de orde was geweest. Vooral de vierkante constructie paste bij het gebouw. Ik vond het verlenen van toestemming een
formaliteit, want we hadden destijds toch al goedkeuring gegeven voor het zonnescherm van familie [geintimeerde2] . Ik heb snel getekend. Ik meen mij te herinneren dat de handtekeningenlijst bestond uit één A4-tje, maar ik weet niet meer wat daarop stond. Ik herinner mij dat ik niet de eerste was die tekende, maar ik weet niet meer wie er al had getekend of hoeveel handtekeningen dat waren.”
Getuige [naam3] :
“In november 2019, ik dacht op een maandag, kwam mevrouw [geintimeerde2] bij mij langs om te vertellen dat de familie [geintimeerde3] ook een zonnescherm wilde plaatsen. Ze vroeg mij of ik daar voor wilde tekenen. Mevrouw [geintimeerde2] vertelde mij, dacht ik, dat toestemming buiten vergadering kon worden gegeven, mits unaniem. Zij had documentatie bij zich, volgens mij een schets van de zonnewering en een brochure of iets dergelijks, maar wat dat precies was weet ik niet meer. Ik meen mij te herinneren dat mevrouw [geintimeerde2] mij vertelde dat het net zoiets zou worden als het zonnescherm bij het naastgelegen gebouw. Ik vond het getoonde zonnescherm goed passen bij ons gebouw. Ik herinner mij dat er iets boven het formulier
stond over het verlenen van toestemming aan de familie [geintimeerde3] , maar wat er precies stond weet ik niet meer. Ook herinner ik mij dat ik als eerste tekende, althans volgens mij stonden er geen andere handtekeningen op de lijst. Ik stond bovenaan de lijst. Ik kan mij niet herinneren of mevrouw [geintimeerde2] mij een filmpje heeft laten zien over het zonnescherm.”
Getuige [naam4] :
“Mevrouw [geintimeerde2] is in november 2019, of in ieder geval tegen het einde van het jaar, bij ons langsgeweest met een handtekeningenlijst met het verzoek om die te tekenen. Mijn man en ik waren beide thuis. Het ging om toestemming voor het plaatsen van een zonnewering door de familie [geintimeerde3] . Mevrouw [geintimeerde2] had documentatie bij zich. Volgens mij was het een printje van een foto. Het doek van de terrasoverkapping was wit. Mevrouw [geintimeerde2] vertelde dat zij haar overkapping op korte termijn wilde plaatsen en dat dat dan in een keer met die van familie [geintimeerde3] kon gebeuren. Mijn man heeft getekend. Ik heb de lijst ook gezien. Er stond op ‘voor familie [geintimeerde3] ’, ‘voor huisnummer [nummer1] ’, ‘gelijk aan familie [geintimeerde2] ’, of iets dergelijks. Het kan ook zijn dat er stond ‘ [nummer2] , in plaats van familie [geintimeerde2] . Wij waren niet de eerste die de handtekeningenlijst tekenden. Boven onze naam stonden meerdere handtekeningen. Mevrouw [geintimeerde2] was alleen toen ze bij mij langskwam. Het was een gezellig gesprek. We hebben ook nog een kop koffie gedronken. Op de vraag van mr. Ubbink of de getoonde foto een kleurenfoto was of zwart-wit, antwoord
ik dat het een zwart-wit foto was.”
2.10.
Uit de getuigenverklaringen volgt dat [naam1] , [naam2] en [naam3] geen herinneringen meer hebben aan wat precies bovenaan op het door hen ondertekende formulier stond. [appellant3] heeft in de door haar afgegeven schriftelijke verklaringen van 19 juli 2020 en 23 juni 2023 daarover niets opgemerkt. [geintimeerde2] heeft daarentegen verklaard dat zij het formulier heeft opgemaakt ‘met daarop de tekst, onder meer, ‘Uitvoering gelijk aan 2013’’ en vervolgens door alle eigenaren heeft laten tekenen. Deze verklaring wordt gesteund door de getuigenverklaring van [naam4] en een eerder overgelegde schriftelijke verklaring van [naam3] van december 2020 waarin staat:
“Ik heb mijn handtekening destijds geplaatst en daarmee mijn onvoorwaardelijke instemming
gegeven aan het voornemen tot plaatsing van de zonnewering.
Ik kan mij herinneren dat de in de dagvaarding onder punt 25 aangehaalde tekst op dat moment
onderdeel uitmaakte van de handtekeningenlijst.”
2.11.
Alleen [appellant1] heeft als getuige verklaard dat, voor zover hij zich herinnert, de bestreden tekst niet op het formulier stond toen hij dat tekende en dat hij daar vrij zeker over is. Het hof acht dat minder overtuigend dan de (getuigen)verklaringen van [naam4] , [naam3] en [geintimeerde2] tezamen. Uit de getuigenverklaringen volgt dat [appellant1] het formulier pas heeft getekend nadat [naam4] en [naam3] dat hadden gedaan en dat volgens [naam4] en [naam3] de bestreden tekst toen reeds op het formulier stond. Hierbij komt dat [appellant1] naar eigen zeggen gehaast was en het gesprek met [geintimeerde2] en zijn ondertekening van het formulier zeer snel verliep. Het rapport van het NFO van 21 oktober 2021 (zie 3.17 van het tussenarrest) noopt het hof niet tot een andere waardering van het bewijs. Ook dat rapport laat immers ruimte voor de mogelijkheid dat de bestreden tekst vóór ondertekening op het formulier heeft gestaan. Al met al is niet met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat de bestreden tekst niet voorkwam op het formulier.
2.12.
Op grond van het voorgaande acht het hof niet bewezen dat de bestreden tekst op het formulier ontbrak toen [appellant1] , [appellant3] en [naam1] het formulier ondertekenden. [geintimeerden 3 en 4] hebben daarom terecht aangevoerd dat zij erop hebben mogen vertrouwen dat met dat formulier de eigenaren buiten vergadering de vereiste unanieme toestemming hebben gegeven voor het plaatsen van een terrasoverkapping waarvoor [geintimeerde2] in 2013 toestemming had gekregen. Dat wordt niet anders als [appellant1] , [appellant3] en [naam1] in verband met door [geintimeerde2] gemaakte vergelijkingen met de zonneschermen van gebouw C een ander beeld hadden van die terrasoverkapping. [appellanten] hebben immers niet uitgelegd waarom dat zou kunnen worden tegengeworpen aan [geintimeerden 3 en 4] Het hof hoeft daarom niet in te gaan op of en welke vergelijking [geintimeerde2] precies heeft gemaakt toen zij het formulier ter ondertekening voorlegde aan [appellant1] , [appellant3] en [naam1] , waarover zij verschillend hebben verklaard. Het hof merkt in dat verband evenwel nog op dat enerzijds voorstelbaar is dat [appellanten] vinden dat zij en [naam1] door eventuele verwijzingen van [geintimeerde2] naar zonneschermen van het C-gebouw op het verkeerde been zijn gezet, maar dat anderzijds op grond van de tekst op het formulier ook viel te begrijpen dat het ging om het type terrasoverkapping waarvoor in 2013 al toestemming aan [geintimeerde2] was gegeven en waaraan zij meer aandacht hadden kunnen geven. Dat geldt te meer voor [appellant3] en [naam1] die aanwezig waren op de vergadering van 4 april 2013 waar over die terrasoverkapping uitgebreid is gesproken en niet is weersproken dat [geintimeerde2] hun documentatie van de overkapping heeft voorgehouden voordat zij het formulier tekenden.
Tussenconclusie
2.13.
[appellanten] zijn niet geslaagd in het leveren van het aan hen opgedragen bewijs. Het moet er daarom voor worden gehouden dat door de vergadering van eigenaars aan [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] toestemming is gegeven voor het plaatsen van een terrasoverkapping in de uitvoering die op de vergadering van 4 april 2013 is besproken. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de door [geintimeerden 2, 3 en 4] gerealiseerde terrasoverkappingen daaraan beantwoorden. [appellanten] kunnen daarom niet van de VvE verlangen dat zij tegen [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] optreedt omdat de toestemming voor de geplaatste terrasoverkappingen zou ontbreken. In het tussenarrest (3.20) heeft het hof al geoordeeld dat van de VvE ook niet kan worden gevergd dat zij optreedt tegen [geintimeerden 2, 3 en 4] omdat de overkappingen zijn gerealiseerd zonder de daarvoor vereiste publiekrechtelijke vergunningen. Hiervoor was redengevend dat het college van B&W van [woonplaats1] voor het plaatsen van de overkappingen een tijdelijke omgevingsvergunning had verleend. Het hof merkt in dit verband nog op dat [geintimeerden 2, 3 en 4] bij brief van 9 oktober 2024 als productie 12 nog een beschikking van de gemeente [woonplaats1] van 22 juli 2024 inzake de verlening van een permanente omgevingsvergunning hebben overgelegd, maar dat zij daaraan geen conclusies hebben verbonden zodat het hof daar aan voorbij gaat. Het voorgaande betekent dat het hof evenals de rechtbank de vorderingen van [appellanten] tegen de VvE zal afwijzen.
De vorderingen tegen [geintimeerden 2, 3 en 4]
2.14.
[appellanten] willen dat [geintimeerden 2, 3 en 4] worden veroordeeld hun terrasoverkappingen, althans daarvan de reflecterende doeken, te verwijderen omdat die onrechtmatige hinder opleveren. Volgens [appellanten] ontnemen de terrasoverkappingen het volledige zicht van (thans nog) [appellant1] en het gedeeltelijke zicht van (voorheen) [appellant3] op de gemeenschappelijke tuin. Ook geeft het witte doek van de terrasoverkappingen hinderlijke lichtreflectie. [appellanten] beroepen zich in dit verband op artikel 5:37 BW Pro (dat bepaalt dat een eigenaar geen onrechtmatige hinder mag toebrengen aan eigenaars van andere erven), op artikel 2 lid 2 van Pro het reglement (dat bepaalt dat een eigenaar geen onredelijke hinder aan de andere eigenaars mag toebrengen) en op artikel 2 lid 1 van Pro het reglement (dat bepaalt dat de eigenaars zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar moeten gedragen). Het hof zal ook deze vorderingen van [appellanten] afwijzen om de navolgende redenen.
2.15.
De wetgever heeft met artikel 5:130 BW Pro voorzien in een eenvoudige procedure voor het geval één van de eigenaren van een appartement een besluit van de vergadering van eigenaren wil aanvechten omdat hij vindt dat het besluit in strijd is met de wet of het reglement of zijn belangen op onredelijke wijze aantast. Die procedure moet binnen een maand aanhangig worden gemaakt. [1] De ratio van deze regeling is gelegen in het belang van alle betrokken eigenaren om binnen korte tijd zekerheid te verkrijgen omtrent de geldigheid van het besluit van de vergadering. Daarmee valt in beginsel niet te verenigen dat [appellanten] alsnog, buiten de procedure van artikel 5:130 BW Pro, de geldigheid van de besluiten aantasten met de stelling dat de overeenkomstig de genomen besluiten gerealiseerde terrasoverkappingen hun hinder bezorgen. Weliswaar valt niet uit te sluiten dat de omstandigheden van het geval kunnen maken dat ook met de gegeven toestemming de terrasoverkappingen onrechtmatige hinder opleveren of dat een beroep op die toestemming onaanvaardbaar is, bijvoorbeeld als de mate van de ondervonden hinder bij het geven van de toestemming redelijkerwijs niet voorzienbaar was, maar dergelijke omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Hierop stuiten de vorderingen van [appellanten] tegen [geintimeerden 2, 3 en 4] af.
De conclusie
2.16.
Het hoger beroep van [appellanten] slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de door de VvE c.s. te betalen getuigentaxe, die het hof gelijkelijk over de VvE en [geintimeerden 2, 3 en 4] zal verdelen, en de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [2]
2.17.
De VvE heeft gevorderd dat het arrest van het hof ook ten uitvoer kan worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). Daartegen hebben [appellanten] geen verweer gevoerd zodat het hof ten aanzien van de VvE de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 16 juni 2021;
3.2.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de proceskosten van de VvE, tot op heden begroot op:
€ 783 aan griffierecht
€ 3.870 aan salaris van de advocaat van de VvE (3 procespunten x het toepasselijke tarief II)
€ 12,50 aan verschotten (getuigentaxe);
3.3.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de proceskosten van [geintimeerden 2, 3 en 4] , tot op heden begroot op:
€ 343 aan griffierecht
€ 3.870 aan salaris van de advocaat van [geintimeerden 2, 3 en 4] (3 procespunten x het toepasselijke tarief II)
€ 12,50 aan verschotten (getuigentaxe);
3.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
3.5.
verklaart de proceskostenveroordeling in 3.2 uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, F.J. de Vries en M. Wallart, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 7 mei 1971, NJ 1973/15.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.