Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2354

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/13
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 10.21 Wet milieubeheerArt. 10.22 Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing kwijtschelding afvalstoffenheffing ledigingen

Belanghebbende is aangeslagen voor afvalstoffenheffing over de periode 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022, specifiek voor negen ledigingen van een container voor huishoudelijk afval. Voor het vaste tarief van 2022 was kwijtschelding verleend, maar niet voor de aanslag ledigingen. Na een bezwaarprocedure en een ongegrondverklaring door de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de afwijzing van kwijtschelding van de aanslag ledigingen.

Tijdens de zitting op 24 maart 2026 was belanghebbende niet aanwezig, ondanks tijdige kennisgeving. Het hof constateert dat het hoger beroep zich uitsluitend richt op de vraag of kwijtschelding van de aanslag ledigingen kan worden toegekend. De rechtbank had geoordeeld dat zij niet bevoegd was om over kwijtschelding te oordelen, en het hof bevestigt dit oordeel.

Het hof overweegt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk hoeft te worden verklaard indien het geen betere positie voor belanghebbende kan opleveren, maar aangezien belanghebbende geen gronden tegen de aanslag heeft aangevoerd, wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. Het hof benadrukt dat de invorderingsambtenaar bevoegd is om kwijtschelding te verlenen en dat tegen een afwijzing daarvan administratief beroep openstaat, waartegen de burgerlijke rechter bevoegd is. Het hoger beroep bij het hof is niet geschikt voor beoordeling van kwijtschelding.

Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak is op 14 april 2026 in het openbaar gedaan door voorzitter G.B.A. Brummer, met griffier K. de Jong-Braaksma.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 25/13
uitspraakdatum: 14 april 2026
Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 december 2024, nummer LEE 22/3944 in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaar van de
gemeente Westerwolde(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 een aanslag, voor ledigingen, in de afvalstoffenheffing opgelegd van € 22,05.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen de uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij is verschenen en gehoord namens de heffingsambtenaar mr. [naam1] . Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. De griffier heeft op 3 maart 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij zij is uitgenodigd voor de zitting. Van de plaatsing van dit bericht in het digitale dossier is volgens de – bij deze uitspraak gevoegde – loggegevens op 3 maart 2026 om 13:09 uur een kennisgeving verzonden aan het door belanghebbende voor dat doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), op 3 maart 2026.
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is gebruiker van het perceel [adres] te [woonplaats] , ter zake
waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
2.2.
Aan belanghebbende is voor de periode 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd ter zake van de op die periode betrekking hebbende ledigingen van een container bestemd voor huishoudelijke afvalstoffen, hierna te noemen ‘aanslag ledigingen’. Het aantal ledigingen in voormelde periode is 9. Het van toepassing zijnde tarief is € 2,45 per lediging.
2.3.
Naast de onderhavige aanslag is belanghebbende voor 2022 ook aangeslagen in de afvalstoffenheffing naar het jaarlijkse (vaste) tarief. Voor deze aanslag (hierna te noemen: aanslag vast tarief) is haar kwijtschelding verleend, voor de aanslag ledigingen niet.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor kwijtschelding van de aanslag ledigingen.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De Rechtbank heeft in eerste aanleg beoordeeld of de aanslag ledigingen terecht is opgelegd. Zij heeft geconcludeerd dat die aanslag overeenkomstig de Verordening afvalstoffenheffing gemeente Westerwolde 2022 en de daarbij behorende tarieventabel is vastgesteld. Daarnaast heeft de Rechtbank geoordeeld dat zij de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor kwijtschelding van de aanslag ledigingen niet kan beoordelen, omdat zij daartoe niet bevoegd is.
4.2.
Belanghebbende heeft in haar hogerberoepschrift uitdrukkelijk geschreven dat zij naast de kwijtschelding van de aanslag vast tarief ook kwijtschelding wil van de aanslag ledigingen. Hoewel zij had aangekondigd haar hoger beroep later aan te vullen, heeft zij geen andere gronden aangevoerd dan voormelde grond. In geschil is dus alleen de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor kwijtschelding van de aanslag ledigingen.
4.3.
Hoewel belanghebbende in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen de aanslag, moet, anders dan de heffingsambtenaar meent, niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege blijven, nu niet gezegd kan worden dat dit, ongeacht de gronden waarop het steunt, belanghebbende niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot de aanslag (vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878). Nu belanghebbende (uiteindelijk) geen gronden heeft aangevoerd tegen de aanslag, dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.
4.3.
Het Hof merkt op dat de invorderingsambtenaar bevoegd is kwijtschelding te verlenen. Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen kan geen beroep bij de belastingrechter worden ingesteld tegen een eventueel kwijtscheldingsbesluit dat is genomen door deze invorderingsambtenaar. Het Hof is dus niet bevoegd om het in hoger beroep opgeworpen geschil van kwijtschelding te beoordelen. Indien de invorderingsambtenaar een verzoek tot kwijtschelding afwijst, staat tegen die beschikking zogenoemd administratief beroep open. Tegen een ongegrondverklaring van dat beroep kan uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden opgekomen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.