Belanghebbende is aangeslagen voor afvalstoffenheffing over de periode 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022, specifiek voor negen ledigingen van een container voor huishoudelijk afval. Voor het vaste tarief van 2022 was kwijtschelding verleend, maar niet voor de aanslag ledigingen. Na een bezwaarprocedure en een ongegrondverklaring door de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de afwijzing van kwijtschelding van de aanslag ledigingen.
Tijdens de zitting op 24 maart 2026 was belanghebbende niet aanwezig, ondanks tijdige kennisgeving. Het hof constateert dat het hoger beroep zich uitsluitend richt op de vraag of kwijtschelding van de aanslag ledigingen kan worden toegekend. De rechtbank had geoordeeld dat zij niet bevoegd was om over kwijtschelding te oordelen, en het hof bevestigt dit oordeel.
Het hof overweegt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk hoeft te worden verklaard indien het geen betere positie voor belanghebbende kan opleveren, maar aangezien belanghebbende geen gronden tegen de aanslag heeft aangevoerd, wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. Het hof benadrukt dat de invorderingsambtenaar bevoegd is om kwijtschelding te verlenen en dat tegen een afwijzing daarvan administratief beroep openstaat, waartegen de burgerlijke rechter bevoegd is. Het hoger beroep bij het hof is niet geschikt voor beoordeling van kwijtschelding.
Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak is op 14 april 2026 in het openbaar gedaan door voorzitter G.B.A. Brummer, met griffier K. de Jong-Braaksma.