Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2233

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.346.582
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 195 Rv oud
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over dekking stormschade en constructiefoutverzekering bedrijfspand

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de schade aan het platte dak van een bedrijfspand, ontstaan in mei 2022, gedekt is onder een afgesloten schadeverzekering bij ASR na stormschade in februari 2020.

De verzekerde, samen met familie eigenaar van het pand, stelt dat vocht dat tijdens de stormen in 2020 is ingesloten, in 2022 is uitgelekt en daardoor nieuwe lekkages heeft veroorzaakt. ASR weigert dekking omdat de schade volgens haar het gevolg is van een langzaam proces en een constructiefout, namelijk het ontbreken van een dampremmende laag, wat uitgesloten is in de polis.

De rechtbank had de vorderingen van de verzekerde grotendeels toegewezen, maar ASR ging in hoger beroep. Het hof constateert dat de feiten en oorzaak van de schade onduidelijk zijn en benoemt een deskundige om de oorzaak van de lekkage en de relatie met de stormen te onderzoeken. Tevens oordeelt het hof dat het ontbreken van een dampremmende laag bij bouw of herstel geen constructiefout is die de dekking uitsluit.

Partijen krijgen gelegenheid om zich uit te laten over de benoeming van de deskundige en de te stellen vragen. Het hof houdt verdere beslissing aan totdat het deskundigenonderzoek is afgerond.

Uitkomst: Het hof benoemt een deskundige voor nader onderzoek en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.346.582
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 564294
arrest van 14 april 2026
in de zaak van
a.s.r. schadeverzekering N.V. (ASR)
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. P.C. Knijp
en
[geintimeerde] ( [geintimeerde] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. R. Bisschop

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
a.s.r. heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) op 10 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken en op 28 augustus 2024 heeft aangevuld. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 28 januari 2026 is gehouden waarbij aanvullende producties zijn overgelegd zoals vermeld in dat verslag
1.2.
Partijen hebben het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geintimeerde] is samen met twee familieleden eigenaar van een bedrijfspand in [woonplaats1] . [geintimeerde] heeft voor het bedrijfspand een schadeverzekering bij ASR afgesloten. In februari 2020 is tijdens slecht weer de dakbedekking uit de dakrand losgeraakt en omgeslagen, waardoor het dak moest worden hersteld. ASR heeft naar aanleiding hiervan de vastgestelde herstelkosten vergoed. In juni 2022 heeft [geintimeerde] bij ASR opnieuw schade aan het bedrijfspand gemeld als gevolg van daklekkage.
2.2.
Volgens [geintimeerde] is er sprake van een gedekt evenement onder de polis omdat in februari 2020 vocht is ingesloten en dat vocht bij temperatuurswisselingen in het voorjaar van 2022 is uitgelekt, met opnieuw lekkage tot gevolg. ASR heeft dekking geweigerd, omdat volgens haar ook zonder de regen in 2020 de lekkage van 2022 zou zijn ontstaan. Volgens ASR is de schade in 2022 veroorzaakt door een langzaam inwerkend proces waardoor geen sprake is van een gedekt evenement en is de schade veroorzaakt door een constructiefout wat van dekking is uitgesloten. Beide partijen wijzen op rapporten van ingeschakelde deskundigen. Voor zover sprake is van een gedekt evenement onder de verzekering verschillen partijen ook van mening over de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade.
2.3.
[geintimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd voor recht te verklaren dat de geleden schade uit de schadeclaim een verzekerde gebeurtenis is en gedekt door de polis en daarnaast gevorderd om ASR te veroordelen tot betaling van € 175.070,- (exclusief btw) aan herstelkosten, € 75.982,26 (exclusief btw) voor gederfde huurinkomsten en in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
2.4.
De rechtbank heeft deze vorderingen van [geintimeerde] voor een belangrijk deel toegewezen. De rechtbank heeft ASR veroordeeld tot betaling van € 169.020,- exclusief btw, € 75.982,26 exclusief btw en tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. In het vonnis is samengevat geoordeeld dat sprake is van een verzekerde gebeurtenis en dat de door [geintimeerde] opgegeven schade bestaande uit kosten van herstel en gederfde huurinkomsten grotendeels gedekt zijn onder de verzekering. De rechtbank heeft een bedrag aan € 6.050,- aan materiaal- en arbeidskosten van de dampremmende laag niet toegewezen, omdat deze kosten zijn aan te merken als verbetering in plaats van herstel.
2.5.
De bedoeling van het hoger beroep van ASR is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. De bedoeling van het (incidentele) hoger beroep van [geintimeerde] is dat ASR aanvullend wordt veroordeeld tot betaling van € 3.024,- voor kosten die [geintimeerde] heeft moeten maken. [geintimeerde] komt in hoger beroep niet op tegen het bedrag dat de rechtbank heeft afgewezen.
2.6.
Het hof kan nog geen definitieve beslissing nemen en is voornemens een deskundige te benoemen. Hierna zullen eerst de feiten worden vastgesteld en daarna wordt uitgelegd hoe het hof tot zijn oordeel komt.

3.De vaststaande feiten

3.1.
Voor de feiten verwijst het hof naar rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.4 van het vonnis. In hoger beroep zijn (ook) de volgende feiten van belang.
3.2.
[geintimeerde] is samen met twee familieleden eigenaar van een (verhuurd) bedrijfspand in [woonplaats1] dat uit twee delen bestaat. Het voorste deel is voorzien van twee schaaldaken en het achterste deel is voorzien van een stalen platdakconstructie. Dat deel van het bedrijfspand is in 1992/1993 gebouwd. In het voorste deel bevond zich een kringloopwinkel. Het achterste deel werd gebruikt voor laden en lossen en voor opslag. Daarnaast was daar een kleding sorteerruimte en een kleine werkplaats. Het gaat in deze zaak om het platte dak van het achterste deel.
3.3.
Het platte dak van het bedrijfspand betreft een gesloten dakbedekkingsconstructie. Schematisch bestond de dakconstructie van het bedrijfspand in januari 2020 uit de volgende lagen:
3.4.
De bitumen dakbedekking is gebrand op het isolatiemateriaal van het dak door middel van een cacheerlaag en het isolatiemateriaal is door middel van dakparkers (schroeven) vastgezet op de golvende stalen dakplaat. Het geheel ligt op stalen dakliggers.
3.5.
[geintimeerde] heeft in 2008 voor het bedrijfspand een schadeverzekering bij ASR afgesloten. In artikelen 1 en 2 van de polisvoorwaarden is onder meer het volgende vermeld:
3.6.
In de tabel bij artikel 2 staan Pro onder andere storm als verzekerde gebeurtenissen opgenomen, waarbij in de rechterkolom beperkingen op de dekking zijn omschreven:
3.7.
In artikelen 4.1 en 4.3 is over de te vergoeden schade onder meer het volgende bepaald:
(...)
(...)
3.8.
Op 9 februari 2020 is de dakbedekking van het achterste gedeelte van het pand tijdens een storm uit de dakrand losgetrokken. Op 12 februari 2020 heeft een gedeeltelijke noodreparatie plaatsgevonden. Op 16 februari 2020 is een gedeelte van de dakbedekking tijdens harde wind opnieuw losgekomen. Het betrof het deel dat nog niet voorzien was van de noodreparatie. Toen is er ook een stuk dakbedekking omgeslagen. Er is toen regenwater in het dak gekomen. Dit is gebeurd bij het dakgebied dat hieronder geel is omkaderd:
3.9.
Voor ASR heeft een schade-expert van Crawford & Company (hierna: Crawford) de schade bekeken. Hiervan is een rapport van 7 juli 2020 opgesteld. De schade-expert van Crawford heeft samen met [geintimeerde] en de dakdekker van [geintimeerde] ( [dakwerkbedrijf1] , hierna: [dakwerkbedrijf1] ) het dak geïnspecteerd, waarbij de dakdekker verschillende insnijdingen heeft gemaakt. Er is toen geconstateerd dat sprake was van delaminatie, wat betekent dat de lagen perliet en bitumen niet meer aan elkaar verkleefd zijn. Verder is in het rapport van Crawford onder meer het volgende vermeld:
(...)
Toedracht/oorzaak
Op 9 februari 2020 is tijdens een heersende harde wind, gepaard gaande met windsnelheden van meer dan 14 m/s, de dakbedekking van het achterste gedeelte ernstig beschadigd. Dit werd door de huurder van het pand de volgende morgen ontdekt naar aanleiding van een lekkage.
Op 12 februari 2020 hebben wij geconstateerd dat het achterste gedeelte over de volle breedte en circa 15 meter uit de dakrand was losgetrokken en de totale oppervlakte zichtbaar los was geweest.
Met verzekerde en diens dakdekker werd besproken om zo spoedig mogelijk het losgetrokken gedeelte langs de dakrand voor nood door te parkeren (...). Door de slechte weersomstandigheden in die week heeft de dakdekker slechts een gedeelte van deze werkzaamheden kunnen uitvoeren.
Op 16 februari 2020 was er weer sprake van een harde wind met eveneens windsnelheden van meer dan 14 m/s. Daarbij is de dakbedekking langs de dakrand, over het achterste gedeelte wat nog niet was doorgeparkerd, losgetrokken en omgeslagen waardoor het regenwater naar binnen is gedrongen.
Dit werd de volgende dag (...) ontdekt. Dezelfde dag is het dakdekkersbedrijf gestart met de nodige bereddingsmaatregelen.
Omvang van de schade
Op 12 februari 2020 hebben wij geconstateerd dat het achterste gedeelte over de volle breedte en circa 15 meter uit de dakrand was losgetrokken en de totale oppervlakte zichtbaar los was geweest.
Op ons verzoek heeft het door verzekerde ingeschakelde dakdekkersbedrijf over het resterende dak verschillende insnijdingen gemaakt waaruit is gebleken dat de dakbedekking dusdanig goed gehecht had op de isolatieplaten dat deze waren gede-lamineerd.
Het totale dakoppervlak dient te worden geëgaliseerd waarna de bestaande dakbedekking moet worden doorgeparkerd en voorzien van een nieuwe toplaag.
(...)
3.10.
[dakwerkbedrijf1] heeft het dak hersteld door de oude, bestaande dakbedekking en isolatie terug te plaatsen (vast te parkeren) en van een extra laag dakbedekking (dakleer/bitumen) te voorzien. De hiermee gemoeide herstelkosten heeft ASR vergoed.
3.11.
In mei 2022 is het dak op verschillende plaatsen gaan lekken. Nadat [geintimeerde] via zijn assurantietussenpersoon de schade bij ASR heeft gemeld is een schade-expert van Crawford opnieuw gaan kijken. In zowel het voorlopig rapport van Crawford van 18 juli 2022 als het definitieve rapport van 28 september 2022 staat dat naar de mening van Crawford de oorzaak is terug te voeren naar het inregenen van water tijdens de stormen van 9 en 16 februari 2020.
3.12.
[geintimeerde] heeft intussen voor het herstel bij twee bedrijven een offerte opgevraagd, waaronder bij Technodak B.V. (hierna: Technodak). Technodak heeft in verband hiermee op 19 juli 2022 het dak geïnspecteerd en op drie plekken een insnijding gemaakt. Daarbij is geconstateerd dat op alle drie plekken de bestaande isolatie is doordrenkt met vocht en dat door het vocht de onderconstructie (stalen dakplaat) is aangetast tot corrosie aan toe. Ook het andere bedrijf ( [dakwerkbedrijf2] ) heeft het dak geïnspecteerd en heeft toen geconstateerd dat de dakparkers verroest zijn.
3.13.
Op 10 augustus 2022 heeft ASR [geintimeerde] laten weten dat zij van plan is de schadeclaim af te wijzen omdat de schade in haar optiek te maken heeft met een onjuist herstel van het dak door [dakwerkbedrijf1] .
3.14.
Daarnaast heeft ASR Adviesbureau [ASRdeskundige] B.V. (hierna: [ASRdeskundige] ) ingeschakeld om de oorzaak van de schade te onderzoeken. [ASRdeskundige] heeft een bureaustudie verricht en is niet ter plaatse geweest. In het rapport van [ASRdeskundige] van 4 oktober 2022 staat onder meer dat door het ontbreken van een dampremmende laag in de dakconstructie inwendige condensatie is opgetreden en dat deze condensatie al vele jaren optreedt, maar pas tot lekkage heeft geleid toen het bedrijfspand niet meer werd verwarmd en geventileerd nadat de huurder het pand heeft verlaten. De oorzaak van de lekkage is daarmee inwendige condensatie onder de dakbedekking. In het rapport zijn verder de volgende antwoorden van [geintimeerde] op door [ASRdeskundige] gestelde vragen weergegeven:
3.15.
In een brief van 21 oktober 2022 heeft ASR [geintimeerde] definitief laten weten dat de schade van mei 2022 geen gedekt evenement is en daarom niet wordt vergoed, waarbij wordt verwezen naar het rapport van [ASRdeskundige] . In de brief staat als reden voor de dekkingsweigering dat een dampremmende laag ontbreekt waardoor waterdamp is gaan condenseren en dat ook al voor februari 2020 sprake was van een vochtig milieu.
3.16.
[geintimeerde] heeft een contra-expertise laten uitvoeren door BDA Dak- en Geveladvies B.V. (hierna: BDA). BDA heeft twee insnijdingen gemaakt tijdens het onderzoek. In het rapport van BDA van 13 januari 2023 staat dat de tweede schade hoofdzakelijk is veroorzaakt door het inregenen tijdens de storm van februari 2020. In dit rapport is onder meer vermeld:
(...) Op basis van de aangeleverde gegevens en mededelingen blijkt dat tijdens en na het ontstaan van de windgerelateerde schades er een forse hoeveelheid water in de dakbedekkingsconstructie en cannelures terecht is gekomen. Door het terugklappen van de oorspronkelijke dakbedekking en het hierna overlagen van het dakvlak is dit vocht opgesloten in de dakbedekkingsconstructie en zal door vochtinfiltratie in het isolatiemateriaal de warmteweerstand fors zijn teruggelopen.
Bij bepaalde omstandigheden, waarbij er in deze situatie een dauwpunt ontstaat in de thermische isolatie, kan mogelijk extra condensvorming ontstaan. De hoeveelheid is met de beschikbare programmatuur niet te berekenen. Dit wordt echter niet als hoofdoorzaak gezien van de gemelde lekkages.
De hoofdzakelijke oorzaak ligt in beginsel bij het toetredende water in de dakbedekkingsconstructie ten tijde van het ontstaan van de windgerelateerde schade.
Door wisselingen van het binnenklimaat in combinatie met andere factoren, zoals de
buitentemperatuur en windbelasting of door interne winddruk, doordat gevelopeningen langere tijd openstaan, kan het toegetreden water tot lekkages leiden. (...)
3.17.
Zowel [ASRdeskundige] als BDA hebben vervolgens nog aanvullende zienswijzen over de schadeoorzaak gegeven.
3.18.
In een bericht van [ASRdeskundige] van 21 april 2023 is onder meer vermeld:
(...) [ASRdeskundige] kan niet uitsluiten dat water dat in 2020 in de dakconstructie is toegetreden, een bijdrage aan de lekkage in 2022 heeft gehad, maar deze bijdrage zal van ondergeschikt belang zijn geweest. Er zijn overigens goede redenen waarom het in 2020 toegetreden water niet de hoofdoorzaak voor lekkage in mei/juni 2022 kan zijn geweest. Ten eerste is de onderconstructie niet waterdicht en zou de lekkage dan al vanaf 2020 zijn opgetreden. Bovendien is de hoeveelheid water die in 2020 is toegetreden, beperkt en zou dit al voor mei 2022 zijn weggelekt. (...)
3.19.
In een brief van BDA van 8 september 2023 is onder meer vermeld:
(...) De passage uit het advies van adviesbureau [ASRdeskundige] waarin wordt gesteld dat het ontbreken van een dampremmende laag de (hoofd)oorzaak is van de optredende lekkages, is naar onze mening niet juist. Er ontstaat weliswaar een forse hoeveelheid inwendige condensatie, echter is de drogingscapaciteit circa drie maal zo hoog. Dit zou in de praktijk betekenen dat na een langere koude periode structureel sprake geweest zou moeten zijn van condens-lekkages. Zoals hiervoor omschreven, is door de heer [geintimeerde] aangegeven dat dit niet het geval was in het verleden. Wel is het zo dat door het toetreden van water nadat de dakbedekking is opgewaaid een natte tot vochtige isolatie is ingesloten na het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden. Hierdoor zal een verminderende thermische en een nadelige bouwfysische werking kunnen ontstaan waardoor overmatige en/of aanvullende condensvorming kan ontstaan. (...)
3.20.
In een brief van [ASRdeskundige] van 15 februari 2024 is onder meer vermeld:
(...) Zowel BDA als [ASRdeskundige] zijn van mening dat er in het onderhavige dak forse inwendige condensatie kan ontstaan, dat hierdoor delaminatie aan de bovenzijde van de isolatielaag kan ontstaan en dat dit kan leiden tot wind-gerelateerde schade.
In tegenstelling tot [ASRdeskundige] , komt BDA tot de conclusie dat niet deze inwendige condensatie lekkage veroorzaakt, maar dat dit (uitsluitend) het gevolg is van het binnendringen van water in februari 2020, toen schade aan de dakbedekking is ontstaan. Door BDA is echter niet aangetoond waar dit water naar binnen is gekomen, hoeveel water dit is geweest, hoe dit water zich over het gehele dakvlak heeft kunnen verspreiden, of dit water in het isolatiepakket kon worden opgeslagen en waarom dit water niet eerder dan ca. 2 jaar na de schade in 2020 is uitgetreden en lekkage veroorzaakte. (...)
Dat de inwendige condensatie in het verleden niet tot lekkage heeft geleid, kan worden verklaard door veranderde klimatologische omstandigheden in de bedrijfshal na de verhuizing van de kringloopwinkel Het Goed. Waarschijnlijk heeft de droging, die anders door het verwarmen en ventileren van de bedrijfshal optrad, sindsdien niet plaatsgevonden. Hierdoor heeft zich meer condenswater onder de dakbedekking verzameld en lekte dat sinds mei/juni 2022 naar beneden.
(...)
[ASRdeskundige] kan niet uitsluiten dat het toetreden van water in 2020
een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van lekkage, maar is van mening dat dit niet de oorzaak van de schade is. [ASRdeskundige] heeft hiervoor de volgende redenen:
- Uit de berekening van Soprema [een in opdracht van [dakwerkbedrijf1] door Soprema Center gemaakte condensatieberekening van 15 juli 2022; het hof] blijkt, dat inwendige condensatie optreedt;
- Er is sprake van ernstige corrosie van de stalen dakplaten, zowel aan de bovenzijde als in de cannelures. [ASRdeskundige] acht het zeer onwaarschijnlijk dat deze corrosie in een periode van enkele maanden in 2022, namelijk vanaf het moment dat de lekkage volgens [geintimeerde] is begonnen tot de gemaakte insnijdingen, heeft kunnen ontstaan. Deze corrosie duidt op blootstelling aan vocht van de stalen dakplaten over meerdere jaren temeer omdat de dakplaten zijn voorzien van een zinklaag;
- Dat er wind-gerelateerde schade is ontstaan tijdens harde wind (windkracht 7 op basis van de door het KNMI opgegeven uurgemiddelde windsnelheid) op 9 februari 2020 en niet bij de veel krachtiger wind in bijvoorbeeld 2002, duidt op een duurzaamheidsprobleem van de dakconstructie. Niet de wind op 9 februari 2020, maar de in februari 2020 waargenomen delaminatie is de oorzaak van de schade (...). Deze delaminatie moet het gevolg zijn geweest van jarenlange inwendige condensatie;
(...)
[ASRdeskundige] heeft aanvullende informatie beschikbaar gekregen vanuit het archief van de gemeente [woonplaats1] (...). Op basis van deze gegevens wordt geconcludeerd dat de dakplaten in lengterichting niet onder afschot liggen. (...)
Op 16 februari 2020 is een deel van de dakbedekking omgeslagen, over het achterste gedeelte wat toen nog niet was doorgeparkerd. Het oppervlak is niet nader in de dagvaarding gespecificeerd, maar naar verwachting bevindt dit deel zich binnen het geel omkaderde deel van figuur 1 in [ASRdeskundige] notitie d.d. 04-10-2022, omdat dit deel als eerste voorzien werd van een extra laag dakbedekking.
Met het bovenstaande als uitgangspunt, is het niet aannemelijk dat het isolatiemateriaal over het gehele dakoppervlak in de periode februari 2020 tot mei 2022 beschadigd kon raken ten gevolge van vocht afkomstig uit de regeninval in 2020. Omdat de dakplaten niet onder afschot liggen, zal water dat zich op een stalen dakplaat ter plaatse van een overlap tussen de dakplaten (kopnaad) of een schroefgat bevindt, naar beneden lekken. Omdat er sprake is van 8 velden met een overspanning van ca. 5,4 m, zijn naar verwachting tweevelds daklaten toegepast. De eerste plaatnaad vanaf de achtergevel bevindt zich dan binnen 11 m vanaf de achtergevel. De lengte van de bedrijfshal bedraagt ca. 43 m. Het is daarom niet aannemelijk dat het water dat nabij de achtergevel van het pand is toegetreden, zich zal hebben verplaatst over de gehele dakoppervlak. Daarmee is het ook niet aannemelijk dat dit toegetreden water over het gehele dakoppervlak lekkage en/of schade aan het isolatiemateriaal kon veroorzaken. (...)

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Het juridisch kader
4.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van een gedekt evenement onder de verzekering, of sprake is van een uitsluiting en welk bedrag aan schade voor herstelkosten en gederfde huurinkomsten (eventueel) voor vergoeding in aanmerking komt. Op [geintimeerde] die als verzekerde aanspraak maakt op een verzekeringsuitkering rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit volgt dat zich een verzekerd evenement heeft voorgedaan dat is gedekt onder de polis en dat er een schade-uitkering is verschuldigd tot het door hem gevorderde bedrag. Op ASR rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit kan worden afgeleid dat deze dekking vanwege een contractuele uitsluiting vervalt.
4.2.
Voor de beantwoording van deze geschilpunten moeten de betreffende polisvoorwaarden worden uitgelegd. Omdat er in dit geval niet is onderhandeld over de polisvoorwaarden, is de uitleg hiervan met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. [1]
De vraag of sprake is van een gedekt evenement
4.3.
Uit de bewoordingen van de polis (“
u bent verzekerd voor schade door storm”) volgt dat schade die wordt toegebracht door storm is gedekt. Uit de polisvoorwaarden blijkt verder dat met “storm” een wind van ten minste 14 meter per seconde wordt bedoeld. Hoewel ASR het punt maakt dat er geen sprake was van storm op de schaal van Beaufort, zijn partijen het erover eens dat er op zowel 9 als 16 februari 2020 sprake was van een windsnelheid van 14 meter per seconde (windkracht 7 of hoger). Daarmee was dus op beide momenten sprake van een storm in de zin van de polis. De vraag is of de in 2022 ontstane schade kan worden beschouwd als een gevolg van de stormen van 9 en 16 februari 2020. [geintimeerde] stelt dat dit het geval is. Bij de stormen in 2020 heeft volgens [geintimeerde] regenwater het isolatiemateriaal bereikt, is dit vocht ingesloten geraakt en is dit vocht vervolgens in het voorjaar van 2022, bij temperatuurswisselingen, uitgelekt. [geintimeerde] wijst ter onderbouwing hiervan erop dat uit de rapporten van BDA, Crawford en Technodak volgt dat de lekkages aan het dak in mei 2022 het direct gevolg zijn van de stormen in februari 2020.
4.4.
ASR betwist gemotiveerd de door [geintimeerde] gestelde oorzaak van de schade. ASR voert hiervoor aan dat een gedegen onderbouwing van de door BDA vastgestelde schadeoorzaak ontbreekt. Op foto’s is ernstige aantasting van de stalen dakplaten door corrosie zichtbaar, wat erop wijst dat de dakconstructie al voor 2020 was aangetast door vocht. Daarnaast is het perliet isolatiemateriaal gedelamineerd van de dakbedekking, wat het gevolg is van langdurige blootstelling aan en vochtig milieu. Omdat de delaminatie van de gehele dakconstructie al in 2020 is geconstateerd moet er voorafgaand aan de storm in 2020 al sprake zijn geweest van een vochtig milieu. Dit verklaart ook dat de schade is opgetreden bij een niet extreem harde windstoot, terwijl dakconstructies van omliggende gebouwen gewoon bleven liggen. De regeninval in 2020 in een relatief klein deel van het dak (dat nog niet was doorgeparkerd) kan niet voor de delaminatie van de isolatie over het gehele dak hebben gezorgd en deze regenval kan zich niet door middel van de stalen dakplaten horizontaal over het gehele oppervlak hebben kunnen verplaatsen om vervolgens te condenseren, vanwege het golvende ontwerp van de stalen dakplaten en de lengte van de dakplaten, aldus steeds ASR Volgens ASR is de oorzaak van de schade in 2022 het ontbreken van een dampremmende laag in de dakconstructie van het bedrijfspand is, waardoor interne condensatie optreedt en waardoor condens in de binnenruimte van het pand de isolatielaag van het dak heeft kunnen binnendringen, wat vervolgens tot vocht heeft geleid.
4.5.
In reactie op deze betwisting heeft [geintimeerde] onder meer aangevoerd dat [ASRdeskundige] , anders dan BDO, slechts een bureaustudie heeft verricht. [ASRdeskundige] heeft onvoldoende rekening gehouden met de precieze plek op het dak waar in 2020 de regen is binnengekomen. Ook heeft [ASRdeskundige] niet verklaard waarom de lekkage zich pas in 2022 heeft gemanifesteerd. Volgens [geintimeerde] wijzen alle feiten erop dat het ontbreken van een dampremmende laag niet de oorzaak kan zijn van de lekkages die zich in het voorjaar van 2022 voordeden, waaronder dat zich gedurende bijna 30 jaren die zijn verstreken na de oprichting van het pand tot de stormen van februari 2020 geen lekkages hebben voorgedaan, ook niet in koude periodes. Ook de veronderstelling dat het pand vanaf medio april 2022 niet meer werd verwarmd en geventileerd vanwege het vertrek de voormalige huurder is volgens [geintimeerde] onjuist.
4.6.
Bij deze stand van zaken is voor de beantwoording van de vraag of de in 2022 ontstane schade kan worden beschouwd als een gevolg van de stormen van 9 en 16 februari 2020 deskundigenonderzoek nodig, een en ander op de wijze zoals hierna onder 4.18 wordt overwogen. Daarbij wordt opgemerkt dat het bij de dekkingsvraag erom gaat of de door [geintimeerde] gestelde schadeoorzaak kan worden vastgesteld, niet of een andere oorzaak kan worden uitgesloten of aangewezen. Wat betreft het gebruik gaat het hof, gelet wat [geintimeerde] hierover gemotiveerd naar voren heeft gebracht, ervan uit dat dit na het vertrek van de kringloopwinkel niet significant is gewijzigd. Met name is niet, zoals ASR heeft betoogd, komen vast te staan dat de achterste hal eerst behoorlijk werd verwarmd en na het vertrek van de kringloopwinkel niet meer en dat daardoor de lekkage is ontstaan. [geintimeerde] heeft erop gewezen dat gedurende de corona-periode de winkel langdurig dicht was en de achterste hal toen niet werd verwarmd. Er is toen geen lekkage opgetreden. Dit is door ASR niet bestreden, zodat de deskundige er bij zijn rapport vanuit kan gaan dat het gebruik van de achterste hal qua temperatuur en ventilatie niet noemenswaardig is gewijzigd.
4.7.
[geintimeerde] heeft er nog op gewezen dat zelfs als de lekkages zouden zijn veroorzaakt door het ontbreken van een dampremmende laag, ASR zou moeten uitkeren onder de polis. Daarin wordt hij niet gevolgd. In dat geval kan immers niet gezegd worden dat aan de dekkingsomschrijving is voldaan (schade door storm), althans dat heeft [geintimeerde] onvoldoende toegelicht.
De vraag of er sprake is van een uitsluiting
4.8.
Schade die is ontstaan door constructiefouten van of in het gebouw is in de polis van dekking uitgesloten, wat ook geldt voor constructiefouten die zijn ontstaan door installatie- of montagefouten. ASR beroept zich op deze uitsluiting en voert aan dat sprake is van een constructiefout door het ontbreken van een dampremmende laag in de dakconstructie. ASR wijst erop dat het ontbreken van de dampremmende laag bij de bouw van het pand in 1992/1993 een constructiefout oplevert omdat de gevolgen van het ontbreken hiervan binnen de branche op dat moment al bekend waren. Daarnaast levert het niet aanbrengen van een dampremmende laag bij de herstelwerkzaamheden in 2020 volgens ASR een constructiefout op. [geintimeerde] betwist gemotiveerd dat het ontbreken van een dampremmende laag bij de bouw of bij het herstel een constructiefout meebrengt.
4.9.
In de polisvoorwaarden is geen definitie gegeven van een “constructiefout van of in het gebouw”. Onder constructie wordt in de Van Dale verstaan het construeren, de bouw of de wijze waarop iets geconstrueerd is. Net zoals in het door partijen genoemde arrest van het hof Den Haag [2] is overwogen, is het hof van oordeel dat in het normale spraakgebruik constructiefouten betrekking hebben op fouten, gemaakt tijdens de constructie van het gebouw, dat wil zeggen bij het ontwerp van een bouwwerk en de uitvoering daarvan. In die fase krijgt de constructie van een gebouw immers gestalte. De fase van het ontwerp en bouw is ook het moment dat de constructie wordt getoetst, bijvoorbeeld voor het verkrijgen van een bouwvergunning en voor de oplevering. Uit de polisvoorwaarden valt niet af te leiden dat latere bouwregels kunnen meebrengen dat in een al bestaand gebouw een constructiefout aanwezig is.
4.10.
ASR stelt onder verwijzing naar het rapport van [ASRdeskundige] van 17 januari 2025 dat het omstreeks 1992/1993 gebruikelijk en in veel gevallen ook verplicht is dampremmende folie te gebruiken. In dit rapport wordt verwezen naar het BDA-dakboekje 1993. Volgens ASR geeft dit dakboekje een codificatie van wat op dat moment
state of the artwas, en bevat het geen volledige nieuwe inzichten. Ook heeft ASR op de mondelinge behandeling in hoger beroep gewezen op het BDA-dakboekje 1990.
4.11.
In het door ASR overgelegde BDA dakboekje 1990 staat dat het aanbrengen van een dampremmende laag in het algemeen niet noodzakelijk is maar dat wordt aanbevolen deze laag toch aan te brengen. In het BDA-dakboekje 1993 staat onder meer dat de eventuele noodzaak voor een dampremmende laag moet blijken uit een bouwfysische tekening. Verder wordt hierin opgemerkt dat op dakconstructies met een onderconstructie van geprofileerde stalen dakplaten de toepassing van een dampremmende laag afhankelijk is van de dampdiffusieweerstand van het toegepaste isolatiemateriaal. Ook staat in het boekje uit 1993 dat, omdat in veel gevallen niet is voorzien of de gebruiksbestemming van het gebouw wijzigt, met klem wordt geadviseerd hierop een voorschot te nemen en deze laag toch aan te brengen.
4.12.
Volgens [geintimeerde] is de verwijzing naar het BDA dakboekje uit 1990 in strijd met de tweeconclusieregel. Het hof volgt [geintimeerde] daarin niet. Hiermee wordt immers geen nieuw standpunt ingenomen, maar het al door ASR ingenomen standpunt voorzien van een aanvullende onderbouwing.
4.13.
Het hof is van oordeel dat het ontbreken van de dampremmende laag bij de bouw van het pand in 1992/1993 geen constructiefout oplevert. [geintimeerde] heeft er onbetwist op gewezen dat de gemeente voor de bouw van het bedrijfspand een bouwvergunning heeft afgegeven. Dat wijst erop dat het pand op dat moment voldeed aan de geldende bouwvoorschriften. Dit vormt een belangrijke aanwijzing dat het pand constructief bezien geen fout bevat. Afgezien van de omstandigheid dat het BDA-dakboekje 1993 dateert van ná de bouw van het bedrijfspand, kan uit beide boekjes niet worden afgeleid dat het nalaten van het aanbrengen van een dampremmende laag een constructiefout meebrengt. Uit de boekjes kan hooguit worden afgeleid dat het aanbrengen van een dergelijke laag wordt geadviseerd, maar dat is onvoldoende om te kunnen spreken van een (verplichtende) norm. Het kunnen aanwijzen van een dergelijke norm is wel vereist om van een fout te kunnen spreken.
4.14.
Een constructiefout ten tijde van de herstelwerkzaamheden in 2020 kan evenmin worden vastgesteld. ASR heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat bij herstel van schade aan een oud gebouw de verplichting bestaat om dat herstel te verrichten conform de dan geldende normen, bij gebreke waarvan alsnog sprake is van een constructiefout in de zin van de polisvoorwaarden. Het hof vindt steun voor dit oordeel in de gedragingen van de door ASR in 2020 ingeschakelde deskundige van Crawford. Hoewel op zijn verzoek destijds insnijdingen in het dak zijn gemaakt en dus aangenomen moet worden dat hij daarbij heeft geconstateerd dat een dampremmende laag ontbrak, heeft hij niettemin geconcludeerd dat het dak moest worden geëgaliseerd en voorzien van een nieuwe toplaag in plaats van te adviseren dat alsnog een dampremmende laag moest worden aangebracht. Hoewel ASR erop wijst dat Crawford is ingeschakeld om het schadebedrag vast te stellen, heeft deze deskundige zich in zijn rapport wel degelijk uitgelaten over de wijze van herstel. Voor zover ASR zich nu op het standpunt stelt dat de wijze van herstel leidt tot een gebrek of fout in de constructie, volgt het hof haar daarin niet. De omstandigheid dat de lekkage eerst plaatsvond in 2022 bij een constructie die al dateert uit 1993, geeft zonder nadere onderbouwing, die ASR niet heeft gegeven, ook geen grond om aan te nemen dat de opgetreden waterschade niet ‘plotseling en onvoorzien’ was.
4.15.
Op de mondelinge behandeling heeft ASR nog naar voren gebracht dat ook wanneer een gebouw van bestemming verandert zoals dat gebeurde in 1995 moet worden gekeken of het gebouw nog voldoet aan de vereisten. ASR heeft echter niet voldoende concreet gemaakt dat en waarom er sprake is van een constructiefout als gevolg van een wijziging van bestemming in 1995. Bovendien heeft [geintimeerde] erop gewezen dat het bedrijfspand vanaf eind 2000 in gebruik genomen is door de kringloopwinkel en dat het rood omlijnde gedeelte (zie de afbeelding hiervoor in 3.8) van het bedrijfspand nooit als winkel is ingericht geweest. ASR heeft hier niet concreet op gereageerd. Dat er een relevante gebruikswijziging heeft plaatsgevonden, is dus niet gebleken.
4.16.
De conclusie is dat het subsidiaire beroep van ASR op de uitsluiting niet opgaat.
De vraag over de omvang van de eventueel te dekken schade
4.17.
Partijen verschillen ook van mening over de vraag tot welk bedrag schade gedekt is. [geintimeerde] heeft er bovendien nog op gewezen dat hij een consument is en dat artikel 4.1 moet worden getoetst aan de Richtlijn Oneerlijke bedingen. De beslissing over de omvang van de eventueel te dekken schade houdt het hof aan.
Hoe gaat het verder
4.18.
Het hof heeft het voornemen om een deskundige te benoemen. Het hof wil de deskundige verzoeken in ieder geval de volgende vragen te beantwoorden:
  • Kunt u, rekening houdend met de opbouw van het dak en de aangetroffen corrosie en delaminatie zoals die blijken uit de foto’s in de diverse rapporten, vaststellen of de in 2022 ontstane lekkage aan het dak is veroorzaakt door toegetreden regenwater tijdens de stormen in februari 2020? Kunt u toelichten hoe waarschijnlijk die oorzaak is? Indien u waarschijnlijk acht dat die stormen de oorzaak zijn van de lekkage: kunt u verklaren waarom die lekkage zich pas twee later heeft gemanifesteerd?
  • Is het mogelijk dat het regenwater dat in februari 2020 in een deel van het dak terecht is gekomen zich verder heeft verspreid in het isolatiemateriaal van het dak en, zo ja, hoe ver is die verspreiding gegaan? Graag hierbij mede rekening houden met de constructie van het dak?
  • Kunt u bij de beantwoording betrekken waar de insnijdingen in het dak zijn gedaan en als dat onvoldoende duidelijk is partijen hierover om nadere duidelijkheid (laten) vragen?
  • Wilt u bij de beantwoording zoveel mogelijk onderbouwen op welke gronden u tot uw antwoord bent gekomen?
  • Geeft het onderzoek verder nog aanleiding tot opmerkingen die voor de beslissing van dit geschil van belang kunnen zijn?
4.19.
Volgens de hoofdregel van artikel 195 Rv Pro oud zal het hof bij daadwerkelijke benoeming van de deskundige bepalen dat [geintimeerde] als eisende partij en de partij die de bewijslast draagt voor het onderwerp waarvoor deskundigenonderzoek nodig is het voorschot voor de kosten van de deskundige moeten dragen.
4.20.
Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voornemen van het hof om een deskundige te benoemen, over het specialisme en de persoon van de deskundige en de te stellen vragen. Het hof verzoekt partijen om tijdig met elkaar in overleg te treden over in ieder geval de persoon van de deskundige en zo mogelijk, gezamenlijk een persoon voor te dragen. Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt het hof partijen om in hun tevoren over en weer aan elkaar toe te zenden akten in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen persoon en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen, dan wel mee te delen dat partijen zich op dit punt refereren aan het oordeel van het hof. Partijen mogen zich bij genoemde akten ook uitlaten over de door het hof voorgestelde vragen en zelf vragen voorstellen.
4.21.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
verwijst de zaak naar de roldatum van 26 mei 2026 voor het nemen van een akte die partijen gelijktijdig mogen zoals overwogen in rechtsoverweging 4.20;
5.2.
bepaalt dat uiterlijk twee weken voorafgaande aan de hiervoor in 5.1 genoemde roldatum waarop de gelijktijdige akten zullen worden overgelegd, de advocaten elkaar de akten toezenden, zodat over en weer op de inhoud kan worden gereageerd door in de eigen akte een beknopte reactie op te nemen en bepaalt dat zonder instemming van de wederpartij het de advocaten niet vrij staat de tekst van hun akte te wijzigen (met uitzondering van de reactie) nadat deze is toegezonden aan de advocaat van de wederpartij;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Bakker, J. Sap en Th. Veling, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, NJ 2008/284.
2.gerechtshof Den Haag 20 september 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1749.