ECLI:NL:GHARL:2026:2167

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
200.362.445/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13 EVRMArt. 14 WahvArt. 47 EU-handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen wegens appelverbod bij bagateldelict in verkeersboetezaak

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een verkeersboete van €26, opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had het beroep van de betrokkene gegrond verklaard tegen de beslissing van de officier van justitie, maar het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het hof overwoog dat artikel 14 van Pro de Wahv een appelverbod kent voor boetes onder de €110, waardoor hoger beroep niet mogelijk is bij dergelijke bagateldelicten. De betrokkene voerde aan dat dit appelverbod in strijd zou zijn met artikel 6 en Pro 13 EVRM en artikel 47 EU Pro-handvest, omdat het recht op een eerlijk proces en effectieve rechtsbescherming zou zijn geschonden. Het hof verwierp dit betoog en bevestigde dat het appelverbod niet in strijd is met deze internationale bepalingen.

Het hof benadrukte dat het recht op hoger beroep beperkt mag worden bij bagateldelicten en dat de sanctie van €26 duidelijk onder de appelgrens valt. De bezwaren van de betrokkene betroffen feitelijke en juridische beoordeling door de kantonrechter, wat geen grond is om het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het appelverbod bij een boete van €26.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.362.445/01
CJIB-nummer
: 265053004
Uitspraak d.d.
: 13 april 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 7 november 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
  • wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
  • wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 26,-.
3. De betrokkene voert aan, zo begrijpt het hof, dat het in artikel 14, eerste lid, van de Wahv neergelegde appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten omdat in deze zaak het recht op een eerlijk proces (artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) en het recht op een effectieve rechtsbescherming (artikel 13 EVRM Pro en artikel 47 EU Pro-handvest) zijn geschonden. Deze rechten zijn geschonden omdat de officier van justitie geen deugdelijke motivering heeft gegeven, de kantonrechter dit erkent maar niet corrigeert en daarnaast het kernargument van de betrokkene over de onvolledigheid van het meetsysteem negeert. Het hof heeft volgens de betrokkene de bevoegdheid – en plicht – om het beroep ontvankelijk te verklaren om rechtsongelijkheid te voorkomen.
4. In artikel 6 en Pro artikel 13 van Pro het EVRM is, kort samengevat, bepaald dat iedereen recht heeft op een eerlijk proces en recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Artikel 47 van Pro het EU-handvest is hierop gebaseerd en komt qua strekking overeen.
5. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het appelverbod als zodanig niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Deze bepalingen geven geen onbeperkt recht op inhoudelijke behandeling van een zaak in hoger beroep. In bepaalde gevallen is met de behandeling van de zaak door de officier van justitie en de kantonrechter voldoende uitvoering gegeven aan de hiervoor genoemde rechten. In een eerdere arresten heeft het hof hierover geoordeeld (vgl. het arrest van het hof van 14 september 2023, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:7728).
6. Het recht op hoger beroep mag worden beperkt als sprake is van bagateldelicten, wat wil zeggen dat het gaat om een kleine geldsom. In het geval van gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv, met een sanctiebedrag onder de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv (€ 110,-), moeten deze als bagateldelicten worden gekwalificeerd. Dat het recht op hoger beroep tegen beslissingen waarbij een sanctie is opgelegd van niet meer dan € 110,- is uitgesloten, is daarom niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Er kan ook niet worden geoordeeld dat sprake is van rechtsongelijkheid die niet is toegestaan.
7. In deze zaak gaat het om een sanctiebedrag van € 26,-. Dit moet worden aangemerkt als bagateldelict. Het appelverbod is in beginsel van toepassing. De bezwaren die de betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd komen er in de kern op neer dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen. Dat is geen reden om het appelverbod buiten toepassing te laten.
8. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.