Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2077

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
200.332.570
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:34 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating bewijslevering over wilsonbekwaamheid bij testament vader

In deze civiele zaak staat centraal of de vader van appellant wilsbekwaam was toen hij in 2016 zijn testament maakte, waarin hij appellant onterfde en zijn dochters als erfgenamen benoemde.

Appellant stelt dat zijn vader door een geestelijke stoornis, mede veroorzaakt door medicatie en ziekte, niet in staat was tot een redelijke waardering van zijn belangen en daardoor het testament nietig is. Hij baseert dit op het huisartsjournaal dat hallucinaties en ernstige vermoeidheid vermeldt. De tegenpartij betwist dit en wijst op eerdere eigenhandige wilsverklaringen van vader.

Het hof oordeelt dat appellant voldoende heeft gesteld om bewijs te mogen leveren over de wilsonbekwaamheid van vader, onder meer door het horen van getuigen zoals de huisarts en notaris. De verdere behandeling van het geschil wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd. Het hof geeft nadere instructies over de procedure voor het getuigenverhoor.

De beslissing is een tussenarrest waarin het hof appellant toelaat tot bewijslevering en de verdere beslissing aanhoudt. Dit arrest is gewezen door drie raadsheren en op 7 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hof staat toe dat appellant bewijs levert over de wilsonbekwaamheid van zijn vader bij het testament van 2016 en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.332.570
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 283653)
arrest van 7 april 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. C.A. Spekschoor
tegen

1.[geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )

die woont in [woonplaats2] (O)
2. [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] )
die woont in [woonplaats3]
advocaat: mr. R.M. Hendriksen

1.Het verdere procesverloop in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 26 augustus 2025 heeft op 24 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn broer en zussen. Hun ouders zijn overleden; vader [in] 2016 en moeder op 13 december 2021. Beide ouders hebben [in] 2016 een (gelijkluidend) testament gemaakt; die testamenten zijn verleden door een kandidaat-notaris als waarnemer van de notaris. Vader heeft zijn testament ondertekend om 10:32 uur en is in de avond van diezelfde dag overleden.
2.2.
Beide ouders hebben in hun testament verklaard:
5. Considerans
Ik verzoek mijn dierbaren de inhoud en de strekking van dit testament te respecteren.
Het mijn wens is dat mijn kinderen zoveel mogelijk gelijk zullen verkrijgen van mij en mijn
echtgenoot.
Mijn zoon heeft gedurende het leven van mij en mijn echtgenoot regelmatig bedragen
ontvangen die zijn zusters niet hebben gehad. Deze door omstandigheden ontstane
ongelijkheid wil ik met deze uiterste wilsbeschikkingen zoveel mogelijk willen rectificeren. Deze wens komt tot uitdrukking in het hierna vermelde.
Vervolgens hebben zij elkaar en hun dochters als erfgenaam benoemd en [appellant] uitgesloten van erfopvolging.
2.3.
[appellant] heeft zijn zussen gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaard dat (de uiterste wilsbeschikkingen in) het testament van zijn vader nietig is/zijn vanwege wilsonbekwaamheid of een andere rechtsgrond. Hij heeft ook gevorderd dat de rechtbank zijn zussen veroordeelt door hem genoemde stukken en informatie aan hem te verstrekken en daaraan een dwangsom te verbinden.
2.4.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Zijn grieven 1-3 richten zich tegen de afwijzing van de verklaring voor recht die hij heeft gevorderd en zijn grief 4 tegen de afwijzing van zijn vordering om het verstrekken van stukken en informatie.
2.5.
Het hof zal beslissen dat [appellant] bewijs mag leveren van zijn stelling dat de uiterste wilsbeschikkingen in het testament van zijn vader nietig zijn vanwege wilsonbekwaamheid en licht dat hierna toe. Het hof zal de behandeling van grief 4 over het verstrekken van stukken en informatie aanhouden totdat na bewijslevering op die stelling is beslist.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Grieven 1-3: was vader wilsbekwaam toen hij zijn testament maakte?
3.1.
[appellant] stelt dat zijn vader toen hij [in] 2016 zijn testament maakte zijn wil niet meer kon bepalen en dat de uiterste wilsbeschikkingen in dat testament nietig zijn vanwege wilsonbekwaamheid. [appellant] verwijst naar het journaal van de huisarts van vader over het verloop vanaf [datum] 2016 tot [in] 2016. Daaruit blijkt volgens [appellant] dat vader vanaf [datum] 2016 aan de morfinepomp is aangesloten om de pijn te verzachten waarbij Fentanyl is toegediend. Op [datum] 2016 geeft de huisarts aan dat niet veel slechter kan. Vader heeft pijn en slaapt veel. Het gaat helaas "steeds slechter". De huisarts constateert dat vader vermoeid en emotioneel was. Vader is drie keer uit bed gekomen en is onrustig. Vader kan bijna niet meer lopen en valt dan achterover. Vader was aan het hallucineren, hij zag dingen die er niet waren. Zo zag hij donkere mannen in de keuken staan die aan het koken waren. Ook zag vader slakken lopen op de kamerplanten bij hem thuis, maar dat waren bloemknoppen. Vader wilde op het looprek gaan staan, omdat er beestjes in de woonkamer liepen. [appellant] vraagt zich verder af of de kandidaat-notaris zich wel ervan heeft overtuigd dat vader wilsbekwaam was. [appellant] biedt aan zijn stelling te bewijzen, onder meer door het horen van de huisarts, de notaris en de kandidaat-notaris als getuigen. [appellant] heeft naar voren gebracht dat hij en zijn zussen met vader en moeder medio 2015 bij elkaar zijn gekomen bij de ouders thuis en hebben besproken dat als moeder kwam te overlijden alles door drieën zou worden verdeeld. [appellant] heeft dit op de mondelinge behandeling bij het hof herhaald en gezegd dat vader, moeder, [appellant] en zijn zussen in augustus of september 2015 thuis aan het gebak zaten en dat vader toen heeft gevraagd of hij € 12.500 van de erfenis van [appellant] af moest halen en dat de zussen toen hebben gezegd ‘nee, we trekken alles gelijk’.
3.2.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betwisten de stelling van [appellant] dat vader niet wilsbekwaam was toen hij zijn testament maakte. Zij wijzen er verder op dat vader op 12 december 2015 al
eigenhandig zijn laatste wil heeft uitgewerkt in een word-document, waarin staat:
“(…) Zoon [appellant] wordt onterft, hij heeft nergens recht op, zowel geld als inboedel.
[appellant] en zijn vrouw hebben hun deel dubbel en dwars gekregen en afgenomen van bovengenoemde. Zij willen ook niet dat na hun dood, [appellant] en zijn vrouw in het huis aan de [adres] te [plaats] komen te wonen.
(…)
Mevr. [naam] mag tijdens haar leven geen geld, inboedel of iets
dergelijks geven aan haar zoon.
(…)
Naar overlijden van [naam] gaat het huis, inboedel en alle aanwezige geld naar de dochters [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] .”
Het beoordelingskader: artikel 3:33 en Pro 34 BW
3.3.
Het gaat hier om de vraag of [in] 2016 de wil van vader aan de door hem in zijn testament opgenomen verklaringen ontbrak en of daardoor de uiterste wilsbeschikkingen die hij daarin heeft gemaakt nietig zijn. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van artikel 3:34 lid 1 BW Pro.
3.4.
Artikel 3:34 lid 1 BW Pro volgt op art. 3:33 BW Pro, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende wil vereist. Artikel 3:34 lid 1 BW Pro luidt als volgt:
“Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.”De tweede zin van lid 2 van artikel 3:34 BW Pro bepaalt dat het ontbreken van de wil een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen is gericht, zoals uiterste wilsbeschikkingen, nietig maakt.
3.5.
Wie zich zoals [appellant] erop beroept dat bij vader in verband met een stoornis van diens geestesvermogens de wil tot het opmaken van de uiterste wilsbeschikking ontbrak, zal - gelet op de bewijsvermoedens van art. 3:34 lid 1 BW Pro (“geacht te ontbreken”) - ermee kunnen volstaan te stellen en zo nodig te bewijzen dat (a) erflater ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking leed aan een geestelijke stoornis en (b) voorts dat deze stoornis toen een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen belette ofwel dat de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis is gedaan.
3.6.
De grieven 1-3 komen erop neer dat [appellant] - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - voldoende stelt om te worden toegelaten te bewijzen dat vader bij het maken van zijn testament [in] 2016 wilsonbekwaam was vanwege een geestelijke stoornis en dat daardoor de door hem in dat testament gemaakte uiterste wilsbeschikkingen, in het bijzonder de onterving van [appellant] , nietig zijn. In de regel zal [appellant] aan zijn stelplicht voldoen door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt. [1]
3.7.
[appellant] heeft zijn stelling dat vaders geestvermogens [in] 2016 gestoord waren en dat die stoornis een redelijke waardering belette van de belangen die bij zijn uiterste wilsbeschikkingen waren betrokken onderbouwd met het journaal van de huisarts. Dat journaal ondersteunt zijn stelling. Dat op zich is voldoende om vast te stellen dat [appellant] aan zijn stelplicht heeft voldaan. Daar komt nog bij dat [geïntimeerde2] op de mondelinge behandeling niet in staat bleek de vragen van het hof over de gang van zaken op 4 en [in] 2016 adequaat te beantwoorden. Zij verwees voor antwoorden op die vragen vooral naar haar zus [geïntimeerde1] die echter op die mondelinge behandeling niet aanwezig was. Daardoor bleef onduidelijk wat er precies op 4 en [in] 2016 is gebeurd.
3.8.
De feiten die [appellant] wil bewijzen zijn relevant voor de beoordeling van zijn vorderingen. Als komt vast te staan dat sprake was van een stoornis van vaders geestvermogens die een redelijke waardering van de betrokken belangen belette leidt dat ertoe dat de onterving van [appellant] nietig is.
3.9.
Zijn bewijsaanbod is ook voldoende specifiek.
3.10.
Hij heeft aangeboden de notaris en de kandidaat-notaris als getuigen te doen horen omdat hij wil aantonen dat de notaris en de kandidaat-notaris zich onvoldoende ervan hebben overtuigd dat erflater ook werkelijk wilde wat hij in zijn testament heeft verklaard. Daarvoor is ook wel aanleiding. De notaris heeft op vragen van de advocaat van de zussen geantwoord:
“Zoals u weet moet een notaris een zorgvuldig onderzoek doen of een cliënt in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. De notaris zal bij dit onderzoek onder meer beoordelen of de cliënt de (betekenis van betreffende) informatie begrijpt. Indien de notaris tot een positief oordeel komt en er geen aanleiding is tot een nader onderzoek kan en zal een akte ondertekend (kunnen) worden.
U begrijpt dat ik op overige inhoudelijke vragen niet kan antwoorden.”
Dat antwoord is heel algemeen en zegt nog niets over de concrete gang van zaken rond het maken van het testament van vader [in] 2016.
3.11.
[appellant] heeft verder aangeboden de huisarts te doen horen als getuige, omdat zij vader op zijn sterfbed heeft begeleid en kan toelichten wat zij in haar journaal van de laatste dagen van vader heeft vermeld.
3.12.
Dat vader op 12 december 2015 zelf zou hebben opgeschreven dat [appellant] wordt onterfd betekent nog niet dat de onterving [in] 2016 geldig is. In dit geding gaat het immers om de vraag of hij [in] 2016 wilsbekwaam was.
slotsom
3.13.
De slotsom is dat het hof [appellant] zal toelaten zijn stelling te bewijzen.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
4.1.
Het hof laat [appellant] toe te bewijzen dat vaders geestvermogens [in] 2016 gestoord waren en dat die stoornis een redelijke waardering belette van de belangen die bij zijn uiterste wilsbeschikkingen waren betrokken.
4.2.
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. M.H.F. van Vugt de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
4.3.
[appellant] moet op dinsdag 21 april 2026 (roldatum) laten weten hoeveel getuigen hij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
4.4.
[appellant] moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij/wederpartijen en de griffier van het hof opgeven.
4.5.
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen.
4.6.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, J.H. Lieber en R. Prakke-Nieuwenhuizen en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.

Voetnoten

1.HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, rov. 3.6.