Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2017

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
200.354.518/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:87 BWArt. 1:95 BWArt. 1:96 BWArt. 3:185 BWArt. 129 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap met vergoedingsrecht en toedeling onroerend goed

Partijen zijn in 2000 gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen en hebben in 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank heeft in 2025 de echtscheiding uitgesproken en de gemeenschap verdeeld, maar partijen zijn het niet eens over de wijze van verdeling van de woning, het appartement, het vergoedingsrecht van de man, de schilderijen, de boot, de inboedel en de vaste lasten.

In hoger beroep en zelfstandig hoger beroep hebben partijen grieven ingediend, waarvan het hof een groot deel buiten beschouwing laat wegens strijd met de tweeconclusieregel. Het hof gelast de wijze van verdeling van de woning en het appartement met een spoorboekje, waarbij de vrouw eerst de gelegenheid krijgt de woning over te nemen en daarna de man, en het appartement aan de man wordt toegedeeld tegen de vrije verkoopwaarde.

Het hof stelt vast dat de man recht heeft op een vergoedingsrecht van €132.725,86 wegens aflossing van de hypotheek met privévermogen uit een nalatenschap onder uitsluitingsclausule. Het hof wijst het verzoek van de man af om een nominale vergoeding toe te kennen voor het resterende deel van de erfenis. Verder wijst het hof het verzoek van de vrouw af om de boot opnieuw te verdelen en bekrachtigt het hof de verdeling van de schilderijen en de afgifte van de inboedel aan de man.

De woonlasten van de man worden niet gezamenlijk gedragen na de echtscheiding. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de wijze van verdeling van woning, appartement en vergoedingsrecht betreft en wordt opnieuw vastgesteld door het hof.

Uitkomst: Het hof gelast de wijze van verdeling van woning en appartement met een spoorboekje en stelt het vergoedingsrecht van de man vast op €132.725,86.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.518/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 232740 en 242137)
beschikking van 2 april 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in het hoger beroep,
verweerder in het zelfstandig hoger beroep,
advocaat: mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed te Groningen,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in het hoger beroep,
verzoekster in het zelfstandig hoger beroep,
advocaat: mr. M.H. Heeg te Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 6 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, die is verbeterd bij herstelbeschikking van 30 juni 2025.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 6 mei 2025;
- een journaalbericht namens de man van 15 mei 2025 met bijlage(n);
- een e-mail namens de man van 27 mei 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 4 juni 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens zelfstandig hoger beroep met bijlage(n);
- een brief namens de vrouw van 3 juli 2025 met bijlage(n);
- een brief namens de man van 4 juli 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift in het zelfstandig hoger beroep met bijlage(n);
- een akte wijziging/aanvulling grief namens de vrouw met bijlage(n);
- een akte aanvulling/wijziging grieven namens de man met bijlage(n);
- een antwoordakte namens de vrouw met bijlage(n);
- een akte namens de man met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 5 februari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 6 februari 2026;
- een journaalbericht namens de man van 10 februari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 11 februari 2026.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 12 februari 2026 plaatsgevonden. Partijen waren daarbij met hun advocaten aanwezig.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn [in] 2000 gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen.
3.2.
De man heeft op 6 maart 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Beide partijen hebben in die procedure nevenverzoeken geformuleerd. De rechtbank heeft op 6 februari 2025 de echtscheiding uitgesproken en op de nevenverzoeken beslist. Het huwelijk van partijen is op 16 mei 2025 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de beschikking.
3.3.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft bij vonnis van 21 augustus 2025 de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking geschorst totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Tussen partijen is in geschil de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen die op 6 maart 2024 is ontbonden door indiening door de man van het verzoek tot echtscheiding. Meer in het bijzonder gaat het om de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan de [adres1] te [woonplaats2] (de woning) en het appartementsrecht aan de [adres2] te [woonplaats2] (het appartement), de hoogte van het vergoedingsrecht van de man, de verdeling van de schilderijen en de boot, de afgifte van de inboedel en de verdeling van de vaste lasten.
4.2.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking, voor zover in hoger beroep van belang, beslist:
gelast partijen hun huwelijksgemeenschap te verdelen op de wijze als in de overwegingen van deze beschikking is bepaald;
bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap ter grootte van
(90.000/494.000) x de te taxeren waarde van de voormalig echtelijke woning, welk bedrag de man moet ontvangen bij de notariële levering van de woning in geval van levering van de woning aan de vrouw of een derde;
bepaalt dat tot de datum van levering, de helft van alle vaste lasten van zowel de woning als het appartement, zijnde de premie voor de verzekering, de onroerendezaakbelasting, de kosten van onderhoud en de inboedel- en opstalverzekering voor rekening van partijen, ieder voor de helft komen;
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking voort te zetten;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten.
4.3.
De man is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt, na wijziging van zijn verzoeken, kort samengevat: voor de waardering van het appartementsrecht aan de [adres2] uit te gaan van de waarde in verhuurde staat, zijn vergoedingsrecht wegens inbreng van privégelden vast te stellen, te gelasten dat de vrouw de inboedel afgeeft die aan hem is toegedeeld, te bepalen dat de vrouw tot de verdeling van het onroerend goed de helft betaalt van de huur voor de woning die de man huurt en de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.
4.4.
De vrouw voert verweer en verzoekt de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit af te wijzen. De vrouw is op haar beurt met acht grieven zelfstandig in hoger beroep gekomen. Haar verzoeken zien kort gezegd op de wijze van verdeling van de woning aan de [adres1] en het appartementsrecht aan de [adres2] , de verdeling van de schilderijen, de vergoedingsvordering van de man en de verdeling van de kajuitzeilboot.
4.5.
De man voert verweer en verzoekt de vrouw in haar zelfstandig beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans dit af te wijzen.
4.6.
Het hof zal de grieven in hoger beroep en zelfstandig hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5.De motivering van de beslissing

Intrekking grieven, nieuwe grieven en wijziging verzoeken: de tweeconclusieregel
5.1.
De man heeft in het verweerschrift tegen het zelfstandig hoger beroep zijn grieven ingetrokken voor zover deze zien op het oordeel van de rechtbank dat de vrouw als eerste de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of zij de woning kan overnemen en het niet-opnemen van een anti-speculatiebeding bij toedeling van de woning aan de vrouw. Bij akte van 24 december 2025 heeft de man de intrekking van deze grieven weer ongedaan gemaakt, zijn grieven en verzoeken gewijzigd en nieuwe grieven aangevoerd. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt wegens strijd met de goede procesorde.
5.2.
Het hof zal moeten oordelen of op deze nieuwe en gewijzigde verzoeken kan worden beslist. Het hof merkt daarbij op dat ook een verandering of vermeerdering van eis (of verzoek) als grief moet worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat de nieuwe en gewijzigde verzoeken strijdig zijn met artikel 347 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van dit artikel moeten alle grieven in hoger beroep in de memorie van grieven dan wel memorie van antwoord worden aangevoerd (de twee-conclusie-regel). In beginsel mag de rechter in hoger beroep geen acht slaan op grieven die pas na de uitwisseling van de conclusies worden aangevoerd. Deze twee-conclusie-regel geldt op grond van artikel 278 Rv Pro en artikel 359 Rv Pro ook in verzoekschriftprocedures. Dit komt erop neer dat in beginsel alle gronden van het hoger beroep moeten worden aangevoerd in het hoger beroepschrift en het verweerschrift in hoger beroep.
5.3.
Het intrekken van een verzoek mag op grond van artikel 129 Rv Pro in samenhang met artikel 353 Rv Pro zolang nog geen eindbeschikking is gegeven. Als het verzoek daarna opnieuw wordt gedaan, betreft dat een nieuwe grief. De verzoeken van de man onder I, II, III, IV en VI zijn nieuwe verzoeken die het hof buiten beschouwing laat. Uit het door de man aangevoerde kan niet worden afgeleid dat een van de in de jurisprudentie ontwikkelde uitzonderingen op de in beginsel strakke regel zich voordoet. Vast staat dat de vrouw niet heeft ingestemd met de wijziging van de verzoeken en de nieuwe grieven. Anders dan de man stelt, zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gebleken waardoor de verzoeken niet eerder gedaan hadden kunnen worden. Dat een kort geding is gevoerd om de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit was een voorzienbaar gevolg van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking. Daar had in hoger beroep op geanticipeerd kunnen worden. Dat geldt ook voor het tijdsverloop, dat bovendien (mede) door de man is veroorzaakt door het instellen van het hoger beroep. De gewijzigde verzoeken onder VII en VIII kunnen worden aangemerkt als een precisering van de grieven vier en zes in het beroepschrift. Het hof kan daarmee wel rekening houden in zijn beslissing.
5.4.
De vrouw heeft op haar beurt ook haar verzoek gewijzigd en een nieuwe grief geformuleerd door een vergoeding te vragen voor het gebruik van de boot. Ook dit verzoek is in strijd met de twee-conclusie-regel en zal buiten beschouwing worden gelaten. De vrouw heeft immers al in haar zelfstandig beroep gevraagd om de boot aan de man toe te delen. Zij had op dat moment ook om een gebruiksvergoeding kunnen vragen. Het gewijzigde verzoek van de vrouw met betrekking tot de toedeling van de woning aan de [adres1] kan het hof in de beoordeling betrekken omdat dit een precisering is van bij het zelfstandig hoger beroep naar voren gebrachte grieven.
5.5.
Het hof zal op grond van het voorgaande de nadere aktes en antwoordaktes van partijen, waarbij zij nieuwe grieven naar voren brengen en over en weer reageren op elkaars standpunten, buiten beschouwing laten. Het hof zal alleen acht slaan op het beroepschrift, het verweerschrift met zelfstandig hoger beroep en het verweerschrift op het zelfstandig hoger beroep. Het hof houdt wel rekening met de producties die daarna in het geding zijn gebracht voor zover deze in overeenstemming met het procesreglement uiterlijk tien dagen voor de zitting zijn overgelegd.
5.6.
Het hof bespreekt hieronder de resterende verzoeken die partijen in hoger beroep aan het hof hebben voorgelegd. Hierbij neemt het hof tot uitgangspunt dat de rechter op de voet van artikel 3:185 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) de wijze van verdeling van een gemeenschap gelast dan wel de verdeling vaststelt als deelgenoten over de verdeling geen overeenstemming kunnen bereiken. Daarbij houdt de rechter naar billijkheid rekening met de belangen van partijen en, als dat aan de orde is, met het algemeen belang. Daarbij is de rechter die de verdeling vaststelt niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht en behoeft hij niet (expliciet) in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.
De woning aan de [adres1] in [woonplaats2]
5.7.
De vrouw heeft verzocht haar een termijn te geven van drie maanden nadat de beschikking van het hof in kracht van gewijsde is gegaan om de man te berichten of zij de woning kan overnemen, waarbij de levering vervolgens binnen een maand na afloop van die drie maanden dient plaats te vinden onder de voorwaarde dat op dat moment ook de levering van het appartement aan de man of een derde plaatsvindt. De man vindt dat de levering van de woning zo snel mogelijk moet plaatsvinden, omdat hij nog steeds meebetaalt aan de lasten van de woning. Volgens hem is het voor de notariële levering niet nodig dat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Hij meent dat een maand na de beschikking van het hof voldoende tijd is voor de vrouw om te onderzoeken of zij de woning kan overnemen en deze geleverd te krijgen.
5.8.
Het hof stelt voorop dat de vrouw heeft verzocht de wijze van verdeling te gelasten met toepassing van een spoorboekje, in plaats van de verdeling vast te stellen, ondanks dat de waarde van de woning inmiddels bekend is. De woning is op 14 mei 2025 getaxeerd op € 815.000,- door Lieberom makelaars. Deze taxatie is niet in geschil. De man heeft ingestemd met het gelasten van de wijze van verdeling. Het hof zal partijen daarin volgen en de wijze van verdeling gelasten met een ‘spoorboekje’ zoals is verzocht. Daarbij zal eerst de vrouw de gelegenheid krijgen de woning voor het getaxeerde bedrag van € 815.000,- toegedeeld te krijgen en vervolgens de man. Zoals hiervoor is overwogen is het (hernieuwde) verzoek van de man om hem als eerste de gelegenheid te geven de woning over te nemen te laat ingediend. Het hof acht het wel redelijk om de man die gelegenheid te geven als de vrouw de woning niet over kan nemen. Als ook dat niet lukt zal de woning moeten worden verkocht. Partijen zijn het er verder over eens dat de levering van de woning gelijktijdig moet plaatsvinden met de levering van het appartement zodat partijen hun vorderingen over en weer kunnen verrekenen. Partijen verschillen alleen van mening over de termijn die de vrouw gegund moet worden om de woning toegedeeld te krijgen. De vrouw moet een hypothecaire geldlening afsluiten om de overbedelingssom bij toedeling van de woning aan haar te kunnen financieren. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij die pas kan krijgen als er sprake is van een onherroepelijke uitspraak over de verdeling en de hoogte van de overbedelingssom. De vrouw heeft e-mailberichten overgelegd van verschillende hypotheekadviseurs waaruit dit blijkt. Dat betekent dat het hof de termijn pas zal laten ingaan na het moment waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof is van oordeel dat vervolgens een termijn van een maand voldoende is om de notariële levering te realiseren. De echtscheidingsbeschikking is inmiddels ingeschreven en de woning is getaxeerd. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij de toedeling van de woning kan financieren. Vanaf het moment dat de beschikking is gegeven kan de vrouw de benodigde financiering regelen omdat met deze beschikking duidelijk is welke overbedelingssom de vrouw aan de man moet voldoen.
Het appartementsrecht aan de [adres2]
5.9.
Niet ter discussie staat dat het appartement aan de man moet worden toegedeeld. Partijen zijn het echter niet eens over de waarde waarvoor het aan de man moet worden toegedeeld. De man is van mening dat uitgegaan dient te worden van de waarde in verhuurde staat op de datum van de beschikking van de rechtbank. Hij stelt daartoe dat het appartement werd verhuurd aan de dochters van partijen. De vrouw stelt dat de dochters geen gebruik meer maken van het appartement en dat er geen sprake is van zakelijke verhuur. Volgens de man heeft zich inmiddels echter een nieuwe huurder aangediend. Het appartement dient voor belegging en moet daarom in verhuurde staat worden getaxeerd.
5.10.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het appartement moet worden verdeeld tegen de vrije verkoopwaarde. Partijen hebben het appartement gekocht met als doel privégebruik, en niet voor zakelijke verhuur. Het privégebruik betrof de bewoning door hun dochters. Zij betaalden daar eerst geen vergoeding voor. Pas nadat de oudste dochter van partijen is gaan werken, is een huurcontract voor haar opgesteld. Op grond daarvan ontving de oudste dochter huurtoeslag. Zij betaalde echter niet de in het huurcontract genoemde huur, maar een onkostenvergoeding van € 200,- per maand. De jongste dochter betaalde niets. Er was daarom geen sprake van een commerciële marktconforme huur. Inmiddels is bovendien gebleken dat het appartement niet meer wordt gebruikt door de dochters van partijen. Dat betekent dat de man er ook voor zou kunnen kiezen het appartement vrij van verhuur te verkopen na toedeling. Overigens staat het hem ook vrij het appartement opnieuw te verhuren.
5.11.
Het appartement is op 13 mei 2025 getaxeerd op € 265.000,- tegen de vrije verkoopwaarde. Het hof komt dan niet toe aan het verzoek van de vrouw een nieuwe taxatie te laten uitvoeren. Het hof zal, zoals de rechtbank heeft gedaan, de wijze van verdeling gelasten en bepalen dat de man tot uiterlijk een maand na het onherroepelijk worden van de beschikking de gelegenheid krijgt het appartement toegedeeld te krijgen. Deze termijn is gelijk aan de termijn voor toedeling van de woning aan de vrouw. Het hof zal verder bepalen dat het appartement wordt verkocht als de toedeling niet binnen een maand de genoemde maand wordt bewerkstelligd.
5.12.
Het hof komt niet toe aan de grief van de vrouw om bij toedeling van het appartement aan de man een anti-speculatiebeding op te nemen, omdat dit een voorwaardelijke grief betrof. Voor een dergelijk anti-speculatiebeding bestaat overigens ook geen juridische grondslag.
Het vergoedingsrecht
5.13.
De man stelt dat hij in 2021 een erfenis heeft ontvangen onder uitsluitingsclausule ter hoogte van € 136.725,-. Daarvan heeft hij € 80.449,79 afgelost op de hypotheek. Hij heeft op grond daarvan een vergoedingsrecht ter hoogte van deze aflossing te vermeerderen met het rendement (beleggingsleer), zo stelt hij. De woning is inmiddels getaxeerd op € 815.000,-. Het vergoedingsrecht komt dan volgens de man op (€ 80.449,- + € 52.276,86 =) € 132.725,86. Daarnaast heeft hij nog recht op een nominale vergoeding voor het restant van de erfenis van (€ 136.725 - € 80.449,79 =) € 56.275,21. In totaal heeft hij dan ook recht op een vergoeding van (€ 132.725,86 + € 56.275,21 =) € 189.001,07 van de gemeenschap, aldus de man.
5.14.
De vrouw betwist het vergoedingsrecht van de man. Zij heeft zelfstandig gegriefd tegen de toewijzing van het vergoedingsrecht door de rechtbank, meer in het bijzonder tegen de toepassing van de beleggingsleer. Zij is van mening dat het geld van de nalatenschap niet meer identificeerbaar is, omdat het gestort is op een gemeenschappelijke rekening. Het geld is daarmee de poort van de gemeenschap gepasseerd. Het geld waarmee de hypotheek is afgelost zou dus ook geld van de gemeenschap kunnen zijn. De man zou dan hooguit recht hebben op een nominale vergoeding. De vrouw is bovendien van mening dat rekening moet worden gehouden met de erfbelasting die de man heeft moeten betalen. Die moet volgens de vrouw in mindering worden gebracht op het vergoedingsrecht. Als komt vast te staan dat de man uit zijn privévermogen heeft afgelost op de hypotheek, geldt voor het resterende bedrag dat de man dit heeft aangewend voor de aankoop van aandelen. Daarover hebben partijen afgesproken dat zij de waarde daarvan zouden verdelen. Dat betekent volgens de vrouw dat de man geen recht meer heeft op vergoeding van het geïnvesteerde bedrag. Dat recht heeft hij prijsgegeven.
5.15.
Het hof stelt voorop dat de vrouw erkent dat de man uit een nalatenschap onder uitsluitingsclausule een bedrag heeft ontvangen van € 136.725,-. Dit geld behoorde dus tot het privévermogen van de man en viel niet in de gemeenschap van goederen. Het hof is, anders dan de vrouw, van oordeel dat dit geld niet door vermenging tot het gemeenschapsvermogen is gaan behoren, enkel door het feit dat dit op een gemeenschappelijke rekening is gestort. Daarvoor acht het hof de volgende feiten en omstandigheden relevant. Uit de bankafschriften, die door de vrouw in het geding zijn gebracht, blijkt dat de erfenis in drie delen is overgemaakt op een privérekening die op naam van beide partijen staat en die eindigt op de cijfers 356. Op 14 maart 2021 is € 50.000,- overgemaakt met de omschrijving: ‘Afhandelen erfenis naar erik deel 1/3’. Op 15 maart 2021 is naar deze rekening nog eens € 50.000, - overgemaakt met de omschrijving: ‘Afhandelen erfenis naar erik deel 2’. Op 19 maart 2021 is tot slot € 36.725, - overgemaakt op dezelfde gezamenlijke rekening met omschrijving: ‘Afhandelen erfenis naar erik’. In totaal is dus € 136.725,- overgemaakt ter zake van de erfenis op de gezamenlijke rekening die eindigt met de cijfers 356. Van deze rekening is dit bedrag vervolgens overgeboekt naar een gezamenlijke spaarrekening die eindigt met de cijfers 586. Dat is als volgt gegaan. Op 15 maart 2021 is € 100.000,- overgeboekt met de omschrijving: ‘Overboeking’. Dit is dus op dezelfde dag gedaan als waarop het tweede deel van de erfenis van € 50.000,- is overgeboekt naar de rekening van partijen met de cijfers 356 en een dag na de eerste overboeking van € 50.000,-. Op 19 maart 2021 is vervolgens € 36.725,- overgeboekt naar de gezamenlijke spaarrekening. Dat is op dezelfde dag als waarop dit bedrag is ontvangen. Uit het Financieel Jaaroverzicht 2020 van de bankrekeningen van partijen blijkt dat op 31 december 2020 op de spaarrekening eindigend op de cijfers 586 een saldo stond van € 4.000,99. Dit bedrag is in vergelijking met het uit de erfenis bijgestorte bedrag van in totaal € 136.725,- zodanig beperkt, dat de bijstorting op dat moment naar het oordeel van het hof traceerbaar en identificeerbaar blijft en niet tot de gemeenschap van goederen is gaan behoren. Dit is een andere situatie dan die van de casus die speelde in het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 [1] . Daar stond niet ter discussie dat de schenkingen onder uitsluitingsclausule die gestort waren op de gemeenschappelijke rekening door vermenging tot het gemeenschapsvermogen waren gaan behoren. Dat is hier naar het oordeel van het hof niet het geval. De vraag is vervolgens waar deze erfenis aan is besteed. Vaststaat dat partijen de hypotheek op de echtelijke woning aan de [adres1] hebben afgelost. Daarvoor is op 10 april 2021 € 80.449,79 van de gezamenlijke spaarrekening met de cijfers 586 overgeboekt op de gezamenlijke privérekening met de cijfers 356 met de omschrijving: ‘Hypotheek overboeken’. Op dezelfde dag is dit bedrag overgeboekt naar Nationale Nederlanden waar de hypotheek liep. Deze aflossing heeft dus plaatsgevonden kort nadat de man zijn erfenis onder uitsluitingsclausule had ontvangen.
5.16.
Gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken is het hof van oordeel dat de hypotheek is afgelost met privévermogen van de man. Partijen hebben bovendien verklaard dat zij hadden afgesproken de hypotheek af te lossen van de erfenis van de man omdat zij dit een mooie gedachte en bestemming vonden. Dat partijen de hypotheek van hun gezamenlijke spaargeld hebben afgelost, zoals de vrouw stelt, is niet komen vast te staan. Verder is niet aannemelijk gemaakt en bovendien niet relevant dat partijen de hypotheek van hun gezamenlijke spaargeld hadden kunnen aflossen, omdat juist is aangetoond dat partijen daarvoor de erfenis van de man wilden aanwenden en dat feitelijk ook hebben gedaan. Dat de vrouw aangeeft dat zij nu tot de conclusie komt dat als zij had geweten dat de beleggingsleer van toepassing was, zij het geld niet deze bestemming zou hebben gegeven maar daarvoor gemeenschappelijke middelen zou hebben aangewend, maakt het oordeel ook niet anders. Vast blijft immers staan dat juist aan het geërfde geld deze bestemming is gegeven. Onwetendheid met de wettelijke bepalingen omtrent vergoedingsrechten brengt hier niet mee dat deze daarom niet geldig zouden zijn.
5.17.
Omdat vaststaat dat de man met zijn privévermogen een gemeenschapsschuld heeft afgelost, heeft hij recht op een vergoeding van de gemeenschap (een reprise) op grond van artikel 1:96 lid 4 BW Pro. Daarin is immers bepaald dat de echtgenoot uit wiens vermogen een schuld van de gemeenschap is voldaan, recht heeft op een vergoeding uit de goederen van de gemeenschap. Dit vergoedingsrecht wordt vervolgens berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 en Pro lid 3 BW aangezien het vergoedingsrecht na 1 januari 2012 is ontstaan.
5.18.
Ter zake van aflossingen van schulden aangegaan voor de eerdere verwerving van een goed geldt volgens de wetsgeschiedenis - ondanks de letterlijke wettekst van artikel 1:87 lid 2 onder Pro b BW - het bepaalde in artikel 1:87 lid 2 sub Pro a. De waarde van het goed ten tijde van de aflossing speelt dan geen rol. De man heeft aangevoerd dat de hoogte van de vergoeding in dit geval moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 1:87 lid 2 sub b BW Pro. In dat geval speelt de waarde van het goed ten tijde van de aflossing een rol, en niet de waarde ten tijde van de verwerving. Deze berekeningsmethodiek wordt door de vrouw ook gevolgd. Het hof zal daar dan ook van uitgaan. De man heeft onbetwist gesteld dat de waarde van de woning op het moment van de aflossing gesteld kan worden op € 494.000,-. Partijen zijn het er ook over eens dat de waarde van de woning ter berekening van de vergoeding gesteld moet worden op € 815.000,-. Het vergoedingsrecht van de man in verband met aflossing van de hypotheek bedraagt dan: aflossing/waarde goed tijdstip aflossing x waarde goed tijdstip vergoeding. Dit komt neer op 80.499,79/494.000 x 815.000 = € 132.725,86.
5.19.
Het hof komt vervolgens toe aan de vraag of de man recht heeft op een vergoeding van het resterende bedrag van de erfenis ter hoogte van € 56.275,21. Tussen partijen is niet in geschil dat de man van de erfenis een aandelenpakket heeft gekocht. Op grond van de regels van de zaaksvervanging, artikel 1:95 lid 1 BW Pro, is het aandelenpakket buiten de gemeenschap gebleven en zijn de aandelen tot het privévermogen van de man gaan behoren. Om die reden heeft de man zich in eerste aanleg ook op het standpunt gesteld dat de aandelen hem toekwamen. Partijen zijn echter vervolgens overeengekomen dat zij de aandelen zouden verkopen en de opbrengst zouden delen. Aan deze afspraak hebben zij ook uitvoering gegeven. De man kan daar niet op terugkomen. Hij heeft daarmee zijn recht op de aandelen prijsgegeven en heeft ook geen recht op een vergoeding voor het geïnvesteerde bedrag. Pas op de zitting heeft de man het standpunt ingenomen dat hij niet het resterende bedrag van de erfenis, maar slechts € 10.000,- tot € 20.000, - aan de aandelen heeft besteed. Dat zou betekenen dat er nog een bedrag van € 46.275,- tot € 36.275, - zou resteren van de erfenis. De man heeft dit echter op geen enkele manier aangetoond. Hij heeft geen stukken overgelegd van het aandelenpakket waaruit de hoogte van de investering blijkt. Bovendien heeft de vrouw gesteld dat de aanslag erfbelasting nog van het geërfde bedrag dient te worden afgetrokken. Hoewel de man aanvankelijk heeft gesteld dat deze belasting inderdaad is betaald uit het gezinsinkomen, is hij daar later weer op teruggekomen. Het had op de weg van de man gelegen om alsnog aan te tonen dat de erfbelasting al in mindering was gebracht op de aan hem uitbetaalde delen. Dat heeft hij nagelaten. Het hof wijst het verzoek van de man om hem een nominaal vergoedingsrecht toe te kennen van € 56.275,21 af.
Nalatenschap van de vader van de vrouw
5.20.
De man heeft het hof verzocht te bepalen dat de nalatenschap van de vader van de vrouw tot de gemeenschap van goederen behoort. De vrouw heeft verweer gevoerd en gesteld dat deze nalatenschap al in 1971 is opengevallen. De nalatenschap is volgens de vrouw verdeeld. Zij heeft ƒ 1.500,- ontvangen toen zij nog maar vijf jaar oud was. Dit bedrag was toen partijen in het huwelijk traden al verteerd. Voor het geval dat niet zo zou zijn, stelt de vrouw dat de nalatenschap inmiddels is verdeeld met de verdeling van de banksaldi.
5.21.
Het hof wijst het verzoek van de man af. De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende gesteld dat er aan de zijde van de vrouw (nog) een onverdeelde nalatenschap is die tot de gemeenschap van partijen behoort.
Schilderijen
5.22.
De vrouw is het niet eens met de verdeling van de schilderijen. Zij wil het schilderij van Scholte-Albers toegedeeld krijgen omdat het in de woning past, zij eraan gehecht is en het haar herinnert aan waar zij vandaan komt. Het schilderij van Benniks is gemaakt door een vriendin van de man. Zij vindt het ongelukkig dat zij juist dit schilderij toegedeeld heeft gekregen. De man stelt dat hij ook gehecht is aan het schilderij van Scholte-Albers. Hij heeft er lang naar gezocht. Hij vindt dat het aan hem moet worden toegedeeld omdat de vrouw het grootste deel van de inboedel toegedeeld heeft gekregen en het schilderij een bepaalde waarde heeft.
5.23.
Het hof is van oordeel dat de grief van de vrouw moet worden verworpen. Beide partijen verklaren dat zij gehecht zijn aan het schilderij van Scholte-Albers en niet of minder aan het schilderij van Benniks. De vrouw heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij het grootste deel van de inboedel toegedeeld heeft gekregen. Het hof acht het daarom redelijk dat de man het schilderij van Scholte-Albers toegedeeld krijgt, dat een hogere waarde vertegenwoordigd. De beschikking van de rechtbank zal daarom op dit punt worden bekrachtigd. Het staat de vrouw vrij het schilderij van Benniks eveneens aan de man af te geven als zij daar geen belang bij heeft, zoals zij op de zitting heeft verklaard.
Afgifte van de inboedel
5.24.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de inboedel die aan hem is toegedeeld moet worden afgegeven. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij daartoe bereid is.
5.25.
Het hof zal het verzoek van de man toewijzen. De rechtbank had de vrouw een termijn gegeven van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking om de woning en de daartoe behorende inboedel te gebruiken. Deze termijn is inmiddels verstreken
.Partijen moeten een afspraak maken wanneer de man de resterende inboedelgoederen bij de vrouw kan ophalen.
De boot
5.26.
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte de boot, een kajuitzeiljacht, niet in de verdeling heeft betrokken. Op de zitting heeft de man gesteld dat de boot in onderling overleg is verdeeld samen met de auto’s en dat de waarde tegen elkaar is weggestreept. De vrouw heeft op de zitting bevestigd dat er afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de boot en de auto’s. Zij is het er niet mee eens dat de waarde gelijk is aan de waarde van de auto die aan haar is toegedeeld. Aan de man is ook een auto toegedeeld. Zij stelt dat de man dan is overbedeeld.
5.27.
Het hof is van oordeel dat de boot al aan de man is toegedeeld. Beide partijen bevestigen dat zij daar afspraken over hebben gemaakt. De man heeft vanaf dat moment ook uitsluitend de kosten voor zijn rekening genomen. Dat de man daarbij is overbedeeld is door hem gemotiveerd betwist. Het hof wijst het verzoek van de vrouw daarom af.
De woonlasten
5.28.
De rechtbank heeft bepaald dat partijen alle vaste lasten van de onroerende zaken gezamenlijk zullen dragen tot het moment van de levering. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de woonlasten van zijn huurwoning daarin niet heeft betrokken. De vrouw is van mening dat er geen juridische grondslag is voor het delen van de woonlasten van de man.
5.29.
Het hof is van oordeel dat partijen de lasten van de gemeenschap gezamenlijk moeten dragen zolang er nog geen verdeling heeft plaatsgevonden, tenzij partijen hierover andere afspraken hebben gemaakt. Op de zitting is gebleken dat partijen de eigenaarslasten van de onroerende zaken nog steeds gezamenlijk dragen. Dat partijen hebben afgesproken dat zij ook de huur van de man gezamenlijk zouden dragen, wordt door de vrouw erkend. Deze afspraak gold echter, volgens het overzicht dat als productie 16 door de man is overgelegd, slechts tot de uitspraak van de echtscheiding. Dat was op 6 februari 2025. Tot dat moment werd ook uitvoering gegeven aan die afspraak en werd de huur van de man gezamenlijk gedragen. Dat de vrouw ook daarna nog gehouden is aan deze afspraak heeft de man, gelet op de betwisting van de vrouw, onvoldoende aangetoond. Daar is overigens ook geen juridische grondslag voor. De man is uitsluitend huurder van de woning, zodat hij alleen de huur moet betalen. Het hof wijst dit verzoek van de man af.

6.Conclusie

6.1.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de volgende conclusie met betrekking tot de omvang van de gemeenschap voor zover die nog verdeeld moeten worden.
goederen:
a. de woning
€ 815.000,00
b. het appartement
€ 265.000,00
totaal
€ 1.080.000,00
schulden:
het vergoedingsrecht
€ 132.725,86
Totaal te verdelen
€ 947.274,14
Het saldo van de goederen en schulden van de gemeenschap is € 947.274,14. Hierin is elk van partijen gerechtigd voor de helft, ofwel voor een waarde van € 473.637,07. Aan de man komt daarnaast het vergoedingsrecht toe, zodat hij in totaal recht heeft op € 606.362,93.
6.2.
Bij toedeling van de woning aan de vrouw en het appartement aan de man wordt de vrouw overbedeeld. De vrouw moet in dat geval aan de man betalen € 815.000,- gedeeld door twee, is € 407.500,-. De man moet aan vrouw betalen € 265.000,- gedeeld door twee, is € 132.500,-. Het saldo door vrouw te voldoen is € 275.000,- vermeerderd met de helft van de vergoeding (€ 66.362,93) is € 341.362,93.
6.3.
Op grond van bovenstaande uitgangspunten kunnen partijen zelf uitrekenen wat over en weer moet worden betaald wanneer de man de woning krijgt toebedeeld of wanneer de woning wordt verkocht.

7.De slotsom

in het hoger beroep
7.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven met uitzondering van de grieven over de vergoeding en de afgifte van de inboedel. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen, behoudens voor zover het vergoeding en de afgifte van de inboedel betreft en beslissen als hierna opgenomen.
in het zelfstandig hoger beroep
7.2.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven, met uitzondering van de termijnen voor de toedeling van de woning en het appartementsrecht. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen, behoudens voor zover deze het spoorboekje betreft voor de gelaste wijze van verdeling van de woning en het appartementsrecht en beslissen als hierna vermeld.
7.3.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep en het zelfstandig hoger beroep:
8.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 6 februari 2025 voor zover het de wijze van verdeling van de woning aan de [adres1] te [woonplaats2] en het appartementsrecht aan de [adres2] te [woonplaats2] betreft, en het vergoedingsrecht van de man, en in zoverre opnieuw beschikkende:
8.2
gelast de wijze van verdeling van woning en het appartement als volgt:
de vrouw krijgt tot een maand na het onherroepelijk worden van deze uitspraak de gelegenheid de woning aan de [adres1] te [woonplaats2] tegen een waarde van € 815.000,- toegedeeld en geleverd te krijgen bij notariële akte;
als de vrouw de woning niet binnen de onder a) gestelde termijn kan of wil overnemen krijgt de man een maand de gelegenheid de woning voor € 815.000,- toegedeeld te krijgen;
als de man de woning niet wil of kan overnemen geven partijen binnen een week na de mededeling van de man opdracht aan de makelaar die de woning heeft getaxeerd om de woning te verkopen;
e man krijgt tot een maand na het onherroepelijk worden van deze uitspraak de gelegenheid het appartementsrecht aan de [adres2] te [woonplaats2] tegen een waarde van € 265.000,- toegedeeld en geleverd te krijgen bij notariële akte;
als de man het appartement niet wil of kan overnemen geven partijen binnen een week na de mededeling van de man opdracht aan de makelaar die het appartement heeft getaxeerd om dit te verkopen;
8.3
stelt het vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap vast op € 132.725,86, dan wel de vordering van de man op de vrouw op € 66.362,93;
8.4
bepaalt dat de vrouw de inboedel, die bij de bestreden beschikking aan de man is toegedeeld, aan de man dient af te geven voor zover deze nog niet in zijn bezit is;
8.5
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
8.6
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.7
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
8.9
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. C. Koopman en mr. C. Coster bijgestaan door mr. G.J. Rauw als griffier, en is op 2 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.