ECLI:NL:GHARL:2026:2014

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
200.364.637/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b FwArt. 15c FwArt. 315 FwArt. 349a lid 2 FwArt. 354 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling met toekenning van de schone lei bevestigd

De schuldenaar werd toegelaten tot de schuldsaneringsregeling na vernietiging van een eerdere afwijzing. Een eerste schuldsaneringstraject werd tussentijds beëindigd wegens benadeling van schuldeisers door een detacheringsconstructie en het niet ontvangen van vergoeding voor gebruik van bedrijfsmiddelen.

Na faillissement en een vaststellingsovereenkomst met nabetalingen werd het faillissement opgeheven en een nieuwe schuldsaneringsregeling uitgesproken met een verkorte looptijd van drie maanden. De bewindvoerder diende een eindverslag in en de rechtbank beëindigde de regeling met toekenning van de schone lei, omdat de schuldenaar niet tekort was geschoten in zijn verplichtingen.

Schuldeisers stelden hoger beroep in tegen deze beslissing en tegen eerdere besluiten, maar het hof verklaarde hen niet ontvankelijk voor het beroep tegen eerdere vonnissen en beschikkingen. Het hof oordeelde dat alleen de nakoming van verplichtingen tijdens de huidige regeling relevant is voor de beoordeling van de schone lei.

De stellingen van schuldeisers over onjuiste vaststelling van het vrij te laten bedrag en onvoldoende afdracht werden onvoldoende onderbouwd. De bewindvoerder had de financiële stukken toegelicht en het hof vond geen aanwijzingen voor fouten. De rechtbankbeslissing werd bekrachtigd en de schuldenaar kreeg de schone lei toegekend.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling met toekenning van de schone lei aan de schuldenaar en verklaart het beroep van schuldeisers niet ontvankelijk voor eerdere besluiten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer 200.364.637/01
(zaaknummer rechtbank C/18/25/228 R)
arrest van 2 april 2026
inzake

1.[appellant1]

2. [appellante2]
die wonen in [woonplaats1]
schuldeisers
hierna te noemen:
[appellanten] c.s.
advocaat: mr. R.H.G.M. Kerckhoffs
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
saniet
hierna te noemen: [geïntimeerde]
advocaat: mr. A.L.S. Verhoog

1.Het verloop van de procedure

1.1
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de rechtbank), heeft in een vonnis van 7 september 2022 het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling van [geïntimeerde] afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld. In een arrest van 3 november 2022 heeft dit hof het vonnis vernietigd en is [geïntimeerde] toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
1.2
Op 26 april 2024 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd op verzoek van [appellanten] c.s. en is [geïntimeerde] in staat van faillissement verklaard. Dit vonnis is door het hof bekrachtigd in een arrest van 27 juni 2024.
1.3
In een beschikking van de rechtbank van 28 augustus 2024 is op verzoek van [appellanten] c.s. de curator, mr. R.P. van Boven , ontslagen en is mr. S. Veenema-Bruinsma benoemd tot opvolgend curator.
1.4
Op 26 mei 2025 heeft [geïntimeerde] een verzoekschrift ex artikel 15b van de Faillissementswet ingediend. In een brief van diezelfde datum heeft de curator positief advies uitgebracht over het omzettingsverzoek.
1.5
De rechtbank heeft op 30 juli 2025 het faillissement van [geïntimeerde] opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de schuldsaneringsregeling, waarbij mr. [naam1] tot rechter-commissaris is benoemd en mevrouw [naam2] is aangesteld tot bewindvoerder.
1.6
In een beschikking van de rechter-commissaris van 26 september 2025 is de looptijd van de schuldsaneringsregeling verkort en is de termijn van de schuldsaneringsregeling vastgesteld op drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van de schuldsaneringsregeling.
1.7
De bewindvoerder heeft op 27 oktober 2025 een eindverslag ingediend.
1.8
Op 26 november 2025 heeft een verificatievergadering inzake de schuldsaneringsregeling van [geïntimeerde] plaatsgevonden. Tijdens de vergadering heeft de rechter-commissaris meegedeeld de rechtbank te zullen verzoeken een datum te bepalen voor een zitting waarop de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zal worden behandeld. De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist. [appellanten] c.s. hebben een verweerschrift ingediend tegen het beëindigen van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar met een schone lei. [geïntimeerde] heeft daarop gereageerd.
1.9
In een vonnis van 28 januari 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat [geïntimeerde] niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling beëindigd met toekenning van de zogenoemde schone lei.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
In een beroepschrift, ontvangen door de griffie van het hof op 4 februari 2026, hebben [appellanten] c.s. verzocht het vonnis van 28 januari 2026 te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling van [geïntimeerde] wordt beëindigd zonder toekenning van de schone lei, dan wel een nadere beoordeling te gelasten van de daadwerkelijke afdracht, nabetalingen en leefruimte van de schuldenaar.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder:
- het V8-formulier met bijlagen aan de zijde van [appellanten] c.s. van 6 februari 2026;
- een brief met bijlagen aan de zijde van [appellanten] c.s. van 4 maart 2026;
- een brief met bijlagen van de bewindvoerder van 16 maart 2026;
- een verweerschrift met bijlagen aan de zijde van [geïntimeerde] van 19 maart 2026;
- het V6-formulier met bijlagen aan de zijde van [appellanten] c.s. van 20 maart 2026;
- het V6-formulier met bijlagen aan de zijde van [appellanten] c.s. van 24 maart 2026.
2.3
In een V8-formulier van 23 maart 2026 heeft mr. Kerckhoffs bezwaar gemaakt tegen de indiening van het verweerschrift zijdens [geïntimeerde] . Door mr. Verhoog is op dezelfde datum gereageerd op dit bezwaar. Het hof heeft partijen laten weten dat het verweerschrift tijdig is ingediend en daarmee tot de processtukken behoort.
2.4
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026, waarbij aanwezig waren [appellant1] , mr. Kerckhoffs, [geïntimeerde] , mr. Verhoog en de bewindvoerder. [appellante2] was niet aanwezig.
2.5
Mr. Verhoog heeft op de mondelinge behandeling opgemerkt dat hij de brief met bijlagen van 4 maart 2026 niet heeft ontvangen. Het hof heeft daarop de inhoud van de brief aan partijen medegedeeld. Vervolgens heeft het hof geconstateerd dat de bijlagen al in het procesdossier aanwezig waren, dan wel bekend waren bij [geïntimeerde] . Mr. Verhoog heeft daarop verklaard geen bezwaar te hebben tegen deze brief en de bijbehorende producties.

3.De beoordeling

de omvang van het hoger beroep
3.1
De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling van [geïntimeerde] beëindigd met toekenning van een ‘schone lei’, omdat niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling. [appellanten] c.s. zijn het niet eens met deze beslissing en hebben hoger beroep ingesteld.
3.2
Op de mondelinge behandeling is namens [appellanten] c.s. een toelichting gegeven op het beroepschrift. Mr. Kerkhoffs heeft daarbij verklaard dat het beroep zich niet alleen richt tegen het vonnis van 28 januari 2026 waarin de schone lei is verleend, maar ook tegen het omzettingsvonnis van 30 juli 2025 en de beschikking van de rechter-commissaris van 26 september 2025 waarin de looptijd van de schuldsaneringsregeling is verkort.
3.3
Het hof overweegt als volgt. Artikel 15c van de Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat tegen een vonnis, waarin het faillissement is opgeheven en de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, geen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld door schuldeisers of andere belanghebbenden. Uit de artikelen 349a lid 2 jo. 315 Fw volgt dat door schuldeisers die niet zelf hebben verzocht om een wijziging van de termijn geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beschikking van de rechter-commissaris waarin is besloten de termijn van de schuldsaneringsregeling te wijzigen (vgl. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3253). Gelet op deze bepalingen is het hof van oordeel dat het voor [appellanten] c.s. niet mogelijk is om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank van 30 juli 2025 en de beschikking van de rechter-commissaris van 26 september 2025. Het hof zal [appellanten] c.s. in zoverre niet-ontvankelijk verklaren en [appellant1] heeft bij zijn tweede grief dan ook geen belang.
3.4
[appellanten] c.s. zijn wel ontvankelijk in hun beroep tegen het vonnis van 28 januari 2026, waarin de rechtbank de schuldsaneringsregeling van [geïntimeerde] heeft beëindigd met toekenning van de ‘schone lei’. Het hof zal dit beroep hierna inhoudelijk beoordelen, nadat eerst de relevante feiten zijn vastgesteld.
de feiten
3.5
[geïntimeerde] is bij beslissing van dit hof op 7 september 2022 toegelaten tot de schuldsanering. Hij had op dat moment aanzienlijke schulden uit zijn eigen onderneming (bouw) waaronder een schuld aan [appellanten] c.s. van € 93.296,02. Het eerste schuldsaneringstraject van [geïntimeerde] is blijkens het vonnis van 26 april 2024, bekrachtigd bij arrest van 27 juni 2024, tussentijds beëindigd op grond van het oordeel dat [geïntimeerde] zijn schuldeisers heeft benadeeld. Redengevend voor deze beslissing was onder meer de omstandigheid dat [geïntimeerde] in het licht van toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling gebruik gemaakt heeft van een detacheringsconstructie. [geïntimeerde] heeft zich laten detacheren door een nieuw opgezette vennootschap, waarvan zijn echtgenote enig aandeelhouder en bestuurder was en die statutair gevestigd was op het woonadres van de schoonouders van [geïntimeerde] , bij een vennootschap waarvan [geïntimeerde] medebestuurder was. Deze constructie maakte het mogelijk dat [geïntimeerde] feitelijk zijn werk als bestuurder voortzette zonder dat hij daarvoor een reële vergoeding ontving, en dus dat inkomsten uit de onderneming buiten de boedel konden blijven. Daarnaast huurde [geïntimeerde] een terrein met loods dat hij deels in gebruik had gegeven aan zijn voormalige onderneming zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen.
3.6
Gedurende het faillissement hebben de curator, [geïntimeerde] en de in nr. 3.5 genoemde betrokken vennootschappen een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan aan de boedel een nabetaling over de jaren 2023 en 2024 heeft plaatsgevonden die zag op het achterstallig salaris van € 8.614,47 netto en een huurvergoeding van € 21.594,48. Verder zijn partijen onder meer overeengekomen dat vanaf 1 januari 2025 [geïntimeerde] een maandsalaris van € 4.666,67 ontvangt, overeenkomstig het wettelijke minimum-DGA-salaris.
3.7
In het vonnis van 30 juli 2025 heeft de rechtbank het omzettingsverzoek toegewezen en geoordeeld dat gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst de benadeling van de schuldeisers met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt en dat er geen andere feiten en omstandigheden zijn die aan omzetting in de weg staan.
3.8
[geïntimeerde] heeft een verzoek om looptijdverkorting ingediend bij de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft dit verzoek toegewezen en de looptijd verkort naar de minimale duur van drie maanden.
de inhoudelijke beoordeling
3.9
Het hof neemt het volgende als uitgangspunt. Artikel 354 lid 1 Fw Pro bepaalt dat aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling beoordeeld dient te worden of de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Is dat het geval, dan dient aan hem de schone lei te worden onthouden.
3.1
[appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat in het kader van deze beoordeling alle feiten en omstandigheden meegewogen moeten worden die zich hebben voorgedaan gedurende het gehele schuldsanerings- en faillissementstraject.
3.11
Het hof overweegt dat – anders dan [appellanten] c.s. bepleiten – artikel 354 lid 1 Fw Pro geen grondslag biedt voor de opvatting dat feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voorafgaand aan de looptijd van de tweede schuldsaneringsregeling relevant zijn voor de beoordeling of de schuldenaar in aanmerking komt voor de schone lei. Het gaat immers om de vraag of [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de huidige schuldsaneringsregeling. De door [appellanten] c.s. genoemde feiten en omstandigheden zijn door de rechtbank ook al getoetst in het kader van de beoordeling van het omzettingsverzoek. Hoewel het hof bij deze beslissing (en ook de beslissing tot verkorting van de looptijd naar de minimale termijn van drie maanden) zijn vraagtekens heeft, is het hof gebonden aan deze beslissingen gelet op het systeem van de wet.
3.12
Het hof zal hierna beoordelen of [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Bij de beoordeling gaat het hof uit van de feiten en omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan gedurende looptijd van 30 juli 2025 tot 30 oktober 2025. Anders dan [appellanten] c.s. menen, rust op [geïntimeerde] geen verzwaarde herstel- of inspanningsplicht bij de beoordeling of [geïntimeerde] de verplichtingen is nagekomen. Een dergelijke opvatting vindt geen steun in de wet of jurisprudentie.
3.13
[appellanten] c.s. zijn van mening dat de curator, en daarmee ook de bewindvoerder, een onjuist VTLB heeft vastgesteld en dat [geïntimeerde] gedurende de schuldsaneringsregeling te weinig heeft afgedragen. Het hof is van oordeel dat [appellanten] c.s. deze stelling onvoldoende hebben onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] . De bewindvoerder heeft de relevante (financiële) stukken overgelegd en daarop een toelichting gegeven. Het hof ziet geen aanwijzingen om aan te nemen dat de bewindvoerder een fout zou hebben gemaakt in de berekening van het VTLB. Bovendien is het VTLB vastgesteld door de rechter-commissaris. Ook de stelling van [appellanten] c.s. dat sprake zou zijn van een onverklaarbare verlaging van het boedelsaldo, is onvoldoende onderbouwd. De bewindvoerder heeft erop gewezen dat van het boedelsaldo in faillissement het salaris van de curator is betaald. De juistheid van dat salaris kan in dit hoger beroep niet worden beoordeeld.
de slotsom
3.14
Nu de bewindvoerder heeft verklaard dat [geïntimeerde] voor het overige ook heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, ziet het hof geen reden om hem de schone lei te onthouden. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellanten] c.s. niet ontvankelijk in hun beroep voor zover dit beroep zich richt tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juli 2025 en de beschikking van de rechter-commissaris van 26 september 2025;
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 januari 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.P. Lunter, J.H. Kuiper en E.F. Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2026.