Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2008

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/384
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-waarde vaststelling gemeente Vijfheerenlanden ongegrond verklaard

De heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak per 1 januari 2021 vast op €410.000 voor het jaar 2022. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar dit werd door de heffingsambtenaar gehandhaafd. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland, die het beroep ongegrond verklaarde.

Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de procedure gaf belanghebbende aan geen gebruik te willen maken van het recht op mondelinge behandeling, en de heffingsambtenaar reageerde niet op het verzoek van het hof om te verschijnen. Het hof besloot het onderzoek te sluiten en schriftelijk uitspraak te doen.

Belanghebbende stelde dat de heffingsambtenaar onrechtmatig andere vergelijkingsobjecten gebruikte in de bezwaarprocedure dan in de taxatiematrix, wat volgens hem een proceskostenvergoeding rechtvaardigde. Het hof verwierp dit standpunt, verwijzend naar vaste jurisprudentie die het gebruik van verschillende vergelijkingsobjecten in verschillende fasen toestaat. Ook werd geen vergoeding van immateriële schade toegekend ondanks overschrijding van de redelijke termijn, omdat belanghebbende dit niet had verzocht en de overschrijding voorzienbaar was.

Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak werd gedaan door raadsheer R.A.V. Boxem en griffier P.W.L. van den Bersselaar op 31 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/384
uitspraakdatum: 31 maart 2026
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2023, nummer UTR 23/64, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 410.000.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft op 6 februari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het Hof heeft partijen bij bericht van 23 juli 2025 gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Belanghebbende heeft verklaard van dat recht geen gebruik te willen maken. De heffingsambtenaar heeft binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft bij bericht van 27 januari 2026 aan partijen gemeld dat het gerechtshof het onderzoek heeft gesloten en dat zonder mondelinge behandeling schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.Overwegingen

2.1.
Belanghebbende stelt dat een veroordeling in de vergoeding van proceskosten op zijn plaats is omdat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar andere vergelijkingsobjecten heeft gebruikt dan in de taxatiematrix. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling. Nu het naar vaste jurisprudentie de heffingsambtenaar vrijstaat om in elke fase van de procedure nieuwe vergelijkingsobjecten te selecteren ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde kan niet met vrucht worden gesteld dat reeds omwille van het feit dat de heffingsambtenaar in enige fase andere vergelijkingsobjecten selecteert de heffingsambtenaar in een voorgaande fase niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat de door hem voorgestane waarde niet te hoog is vastgesteld. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
2.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn. Na het sluiten van het onderzoek op 27 januari 2026 is in hoger beroep de redelijke termijn overschreden. Omdat deze overschrijding vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting voorzienbaar was, zal het Hof niet ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toekennen. [1]
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

3.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
(P.W.L. van den Bersselaar) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.13.2.