Uitspraak
hierna: “de vrouw”,
hierna: “de man”,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit;
- het arrest in het incident, uitgesproken op 1 juli 2025
- de memorie van antwoord
- de brief van de zijde van de man van 12 februari 2025 met enkele producties
2.De kern van de zaak met de feiten
3.De toelichting op de beslissing van het hof
a.) heeft in het convenant al verdeling plaatsgevonden van de “aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering”, waarbij de verzekering zonder verrekening van de waarde is toegedeeld aan de vrouw,
zal(onderstreping hof) worden toegedeeld aan de vrouw. De bewoordingen van de bepaling duiden er dus op dat de verdeling pas op een later moment zal plaatsvinden.
De beweerdelijke werkzaamheden zouden geheel of in elk geval in belangrijke mate zijn verricht door de (inwonende) dochter die de vrouw. Die heeft daarvoor met name in 2018/2019 al aan de vrouw gefactureerd. Op die facturen staat dat zij pas opeisbaar zijn bij “verkoop van de woning”. Dat wekt bevreemding, omdat het in 2018/2019 nog de bedoeling was dat de vrouw de woning zelf zou overnemen, zodat verkoop nog wel eens (heel) lang op zich zou kunnen laten wachten. Die facturen heeft de vrouw naar eigen zeggen ook nog steeds niet voldaan, zodat zij ook nog geen werkelijke kosten heeft gehad.
Verder is de vrouw onbetwist pas met de facturen is gekomen na de taxatie van de woning begin 2024, dus jaren nadat de (meeste) facturen aan haar verstrekt zouden zijn.
Het hof is van oordeel dat de vrouw geen voldoende duidelijke en begrijpelijke verklaring heeft gegeven voor het gegeven dat de facturen pas opeisbaar zouden zijn bij verkoop van de woning, en voor het feit dat de man pas vele jaren later over de facturen is geïnformeerd.
Een en ander doet twijfelen aan de stellingen van de vrouw over de gemaakte onderhoudskosten. Zij heeft haar stelling dat zij die kosten heeft gemaakt en dat de man die mede dient te dragen, daarmee ook onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
Het komt daarmee dus voor rekening van de vrouw dat zij de beweerdelijke werkzaamheden destijds ook niet met de man heeft besproken en dat die werkzaamheden geheel buiten hem om zijn verricht.
4.De beslissing
d. bepaalt dat partijen ieder gerechtigd zijn tot helft van de waarde van de levensverzekering per 30 april 2018 en dat het verschil tussen de waarde van de levensverzekering per 30 april 2018 en de waarde op de datum van beëindiging/afkoop van de levensverzekering aan de vrouw toekomt (positief danwel negatief), welk verschil door partijen zal worden verrekend bij de verdeling van de netto-opbrengst van de woning. De vrouw zal dus alleen gerechtigd zijn tot het eventuele positieve verschil tussen die waarde en de waarde op de dag van beëindiging. Indien het verschil negatief mocht zijn, dient de vrouw dat verschil te dragen in die zin dat het in mindering komt op haar helft van de waarde per 30 april 2018;