Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1856

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
24/1474 t/m 24/1484
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 A.W.R.Art. 3.68 Wet IB 2001Artikel 8:36c, lid 2, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen

Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) over de jaren 2014 tot en met 2018. De Inspecteur had navorderingsaanslagen opgelegd naar aanleiding van een boekenonderzoek waarbij correcties werden aangebracht op diverse posten, waaronder betalingen aan derden, privégebruik auto en de kwalificatie van inkomsten van de echtgenote.

De rechtbank had de navorderingsaanslagen over 2014, 2015, 2017 en 2018 grotendeels bevestigd en de aanslagen over 2016 verminderd. Het hof bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat de Inspecteur terecht beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, gelet op de bevindingen uit het boekenonderzoek. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de correcties onterecht zijn, met name ten aanzien van de betalingen aan derden en het privégebruik van de auto.

Verder oordeelt het hof dat de werkzaamheden van de echtgenote niet leiden tot een hoger winstdeel voor belanghebbende, omdat geen sprake was van een samenwerkingsverband. Het bewijsaanbod van belanghebbende wordt gepasseerd wegens het ontbreken van tijdige en volledige bewijslevering. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en wijst vergoeding van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen blijven in stand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1474 t/m BK-ARN 24/1484
uitspraakdatum:
24 maart 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 juni 2024, nummers AWB 22/287, 22/288, 22/290, 22/291, 22/293 t/m 22/298 en 23/1749, ECLI:NL:RBGEL:2024:6161, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2014 tot en met 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur belastingrente in rekening gebracht. Voor het jaar 2018 heeft de Inspecteur een aanslag IB/PVV en ZVW opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2014, 2015 en 2017, alsmede het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2018 en - naar het Hof begrijpt - de aanslag ZVW 2018 ongegrond verklaard, de beroepen inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2016 gegrond verklaard, deze navorderingsaanslagen verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een bijdrage-inkomen ZVW van € 47.671 en de daarmee samenhangende beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De Rechtbank heeft de Inspecteur verder veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar en beroep en bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende het voor het beroep verschuldigde griffierecht dient te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft op 14 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Namens de Inspecteur is ter zitting verschenen mr. [naam] . Belanghebbende is zonder voorafgaande kennisgeving aan het Hof niet verschenen. De griffier heeft op 19 december 2025 om 12.36 uur een bericht in het digitale dossier van de gemachtigde van belanghebbende, mr. A.P. Flinterman, geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting. Op 19 december 2025 om 12.45 uur is volgens de loggegevens een kennisgeving van de plaatsing van dat bericht verzonden naar het door de gemachtigde van belanghebbende voor dat doel opgegeven e-mailadres. Gelet daarop wordt aangenomen dat het bericht door de gemachtigde van belanghebbende is ontvangen. [1] Bij brief van 15 januari 2026 (door het Hof ontvangen op 20 januari 2026) heeft de Inspecteur het Hof bericht dat Flinterman hem in reactie op de toezending van het verweerschrift heeft laten weten dat hij belanghebbende niet langer vertegenwoordigde. Desgevraagd heeft Flinterman dit op 20 januari 2026 ook telefonisch tegenover de griffier van het Hof bevestigd. Nu Flinterman het Hof niet eerder eigener beweging heeft bericht dat hij niet langer gemachtigd is en ook belanghebbende het Hof niet heeft geïnformeerd dat Flinterman hem niet langer vertegenwoordigt, gaat het Hof ervan uit dat Flinterman belanghebbende op 19 december 2025 (de datum van de uitnodiging voor de zitting) nog vertegenwoordigde en dat de uitnodiging belanghebbende via Flinterman heeft bereikt. Voor zover Flinterman belanghebbende niet van de zittingsdatum op de hoogte heeft gesteld, komt dit voor risico van belanghebbende. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is gehuwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote).
2.2.
Belanghebbende exploiteert een stoffeerdersbedrijf. De echtgenote verricht werkzaamheden voor de onderneming. De onderneming stond in de in geschil zijnde jaren 2014 tot en met 2018 in het register van de Kamer van Koophandel geregistreerd als eenmanszaak. Vanaf 1 januari 2022 staat de onderneming geregistreerd als vennootschap onder firma.
2.3.
Belanghebbende heeft in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2018 een belastbaar inkomen uit werk en woning, geheel bestaande uit een belastbare winst uit onderneming, aangegeven van respectievelijk nihil, € 13.664, € 20.989, € 57.461 en € 27.326. De bedragen zijn als volgt tot stand gekomen:
2014
2015
2016
2017
2018
Winst
2.628
27.821
31.686
74.096
39.055
Zelfstandigenaftrek
2.628
11.932
7.28
7.28
7.28
MKB-vrijstelling
-
2.225
3.417
9.355
4.449
Belastbare winst
13.664
20.989
57.461
27.326
2.4.
De aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2017 zijn conform de aangiften opgelegd.
2.5.
De Inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken januari 2014 tot en met december 2017. Gedurende het onderzoek is de controle uitgebreid naar de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2017. Dit onderzoek is gestart op 24 oktober 2018, de eerste dag ter plaatse is 27 november 2018 en het slotgesprek heeft plaatsgevonden op 22 maart 2019. De bevindingen zijn neergelegd in een controlerapport van 26 maart 2019.
2.6.
Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Inspecteur de betreffende navorderingsaanslagen opgelegd. De correcties hebben betrekking op balanscorrecties omzetbelasting, op privégebruik auto, op privé-uitgaven die als kosten in de administratie waren opgenomen (aanschaf tapijt en tabaksartikelen), op autokosten en op betalingen in verband met werk verricht door derden. De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag voor het jaar 2018 afgeweken van de ingediende aangifte. Dit alles heeft geleid tot de volgende bedragen aan winst uit onderneming:
2014
2015
2016
2017
2018
Winst
59.031
81.218
63.062
104.486
68.352
Zelfstandigenaftrek
7.28
7.28
7.28
7.28
7.28
MKB-vrijstelling
7.246
10.352
7.81
13.609
8.551
Belastbare winst
44.505
63.586
47.972
83.597
52.521

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de correcties ‘betalingen in verband met werk verricht door derden’ terecht zijn, of de inkomsten van de echtgenote voor haar werkzaamheden in de onderneming terecht zijn gekwalificeerd als loon uit dienstbetrekking in plaats van (tot een hoger bedrag) als winst uit onderneming en of belanghebbende in de in geschil zijnde jaren een dotatie aan de fiscale oudedagsreserve kon doen.
3.2.
In beroep was eveneens in geschil of (met betrekking tot de navorderingsaanslagen) de Inspecteur beschikte over een nieuw feit en of de correctie wegens privégebruik auto terecht was.

4.Beoordeling van het geschil

Nieuw feit
4.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep het volgende gesteld:
“2. Het hoge beroepschrift bevat de volgende onderdelen:
A: Is er sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, maar ook nieuwe feiten die leiden tot een vermindering van de aanslagen moeten worden meegenomen. Dat is door de rechtbank misken[d].
(…)
A.
Nieuw Feit in de zin van artikel 16 A.W.R.
3. Er is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt omdat pas bij een boekenonderzoek is gebleken dat er werk door derden is verricht waarvan de namen en adressen niet bekend zijn.”
4.2.
Voor zover belanghebbende met het bovenstaande zijn in beroep ingenomen stelling dat de Inspecteur niet beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit niet ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk heeft ingetrokken, oordeelt het Hof als volgt. De Rechtbank heeft in de onderdelen 12 tot en met 14 van haar uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Inspecteur beschikte over een nieuw feit en dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim. Het Hof neemt deze oordelen en gronden van de Rechtbank over en maakt die tot de zijne.
4.3.
Het Hof voegt hieraan toe dat belanghebbende in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd waarom geen sprake zou zijn van een nieuw feit en dat tijdens het boekenonderzoek is gebleken dat aanzienlijke bedragen in contanten zijn uitbetaald aan derden die werk zouden hebben verricht, zonder dat een kasadministratie is bijgehouden en zonder dat met betrekking tot deze betalingen persoonsgegevens in de administratie zijn opgenomen. Verder zijn privéuitgaven (voor een tapijt en tabakswaren) als kosten geboekt en waren van de geboekte autokosten geen facturen beschikbaar. Belanghebbende heeft deze bevindingen niet weersproken, zodat naar het oordeel van het Hof tijdens het boekenonderzoek nieuwe feiten naar voren zijn gekomen die navordering rechtvaardigen.
Privégebruik auto (2014-2017)
4.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep de in beroep ingenomen stelling dat ten onrechte een correctie wegens privégebruik auto plaats heeft gevonden niet herhaald, maar ook niet ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk ingetrokken. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur deze correctie terecht en tot een juist bedrag heeft opgenomen, nu belanghebbende, op wie de bewijslast rust, geen stukken ter onderbouwing van zijn stelling heeft overgelegd en daarom niet gebleken is dat de auto in die jaren op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.
Werkzaamheden van de echtgenote
4.5.
De Rechtbank heeft in de onderdelen 22 tot en met 25 van haar uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor 1 januari 2022 sprake was van een samenwerkingsverband tussen belanghebbende en zijn echtgenote. Het Hof neemt dit oordeel en de door de Rechtbank gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat tussen belanghebbende en zijn echtgenote geen gezagsverhouding zou bestaan, brengt, anders dan belanghebbende stelt, niet mee dat de echtgenote als ondernemer gerechtigd is tot een aandeel van 50% in de winst van de onderneming.
Betalingen in verband met werk verricht door derden
4.6.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat deze zakelijk zijn. Op belanghebbende rust de bewijslast hiervoor. De enkele omstandigheid dat uit de bankafschriften volgt dat bedragen naar derden zijn overgeboekt, is niet voldoende om de kosten voor de onderneming en de zakelijkheid daarvan aannemelijk te maken. Naar het oordeel van het Hof zijn deze kosten dan ook terecht gecorrigeerd.
4.7.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat met betrekking tot de bankbetalingen de gegevens van diegenen die de bedragen hebben ontvangen door de Inspecteur zijn te achterhalen en dat de Inspecteur aldus, door bij deze personen een derdenonderzoek te verrichten, bewijs kan bijbrengen voor de stelling dat deze betalingen zakelijk zijn. Naar het oordeel van het Hof miskent belanghebbende met deze stelling dat de bewijslast voor de stelling dat deze betalingen zakelijk zijn op hem rust.
Bewijsaanbod
4.8.
Belanghebbende heeft in hoger beroep bewijs aangeboden met betrekking tot de zakelijkheid van bepaalde betalingen. Naar het oordeel van het Hof moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat de zakelijkheid van de in de administratie als kosten of lasten opgenomen betalingen in beginsel moet blijken uit de administratie van de onderneming en dat, indien de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat de zakelijkheid niet blijkt uit de administratie, het bewijs voor de stelling dat deze betalingen zakelijk zijn op hem rust. Met betrekking tot dit bewijsaanbod acht het Hof verder het volgende van belang. Belanghebbende heeft eerst verklaard geen informatie te willen geven met betrekking tot de personen die werk voor hem hebben verricht. Daarna heeft belanghebbende in beroep bewijs aangeboden met betrekking tot deze kosten, doch dit bewijs niet (spontaan) bijgebracht. In de uitspraak van de Rechtbank is opgenomen dat belanghebbende alle kans heeft gehad het door hem bedoelde bewijs bij te brengen, maar dat belanghebbende dat, zonder daarvoor redenen aan te voeren, niet heeft gedaan. Belanghebbende heeft in hoger beroep dit oordeel van de Rechtbank niet bestreden, de bij de Rechtbank aangeboden informatie ook niet verstrekt, maar wederom bewijs aangeboden met betrekking tot de zakelijkheid van de kosten in verband met werk verricht door derden. Belanghebbende is ook bij de uitnodiging voor de zitting in hoger beroep gewezen op de mogelijkheid tot tien dagen voor de zitting (bewijs)stukken in te zenden. Belanghebbende heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en is zonder voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen. Het Hof passeert het bewijsaanbod, omdat het belang van een doelmatige procesgang gelet op hetgeen hiervoor in deze overweging is geschetst in dit geval zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij het alsnog overleggen van het aangeboden bewijs.
4.9.
Het Hof begrijpt uit de in het hogerberoepschrift opgenomen cijfermatige uitwerkingen van de standpunten van belanghebbende dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat hij in de jaren 2014 tot en met 2018 een deel van de winst kon toevoegen aan de fiscale oudedagsreserve. De Inspecteur stelt dat in deze jaren een toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve niet mogelijk was, omdat het ondernemingsvermogen in deze jaren negatief was. Belanghebbende heeft niet weersproken dat in de jaren 2014 tot en met 2018 het ondernemingsvermogen negatief was. Het is daarom niet aannemelijk geworden dat belanghebbende aan de in artikel 3.68 van de Wet IB 2001 (tekst 2014 - 2018) genoemde voorwaarden voldeed om in de jaren 2014 tot en met 2018 een toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve te doen.
4.10.
Het Hof leidt uit de cijfermatige uitwerking van de standpunten van belanghebbende in het hogerberoepschrift verder af dat belanghebbende zich ook op het standpunt stelt dat de Inspecteur ten onrechte autokosten voor een bedrag van € 1.391 (exclusief omzetbelasting), niet als kosten in aftrek heeft toegelaten. De Inspecteur stelt dat hij geen factuur heeft ontvangen van deze kosten en dat belanghebbende daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten betrekking hebben op de bedrijfsauto. De kosten kunnen daarom niet ten laste van de winst worden gebracht. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten zakelijke kosten betreffen die ten laste van de winst van de onderneming kunnen worden gebracht.
4.11.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op
24 maart 2026in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 8:36c, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie ook HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:160.