Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1815

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.366.440
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 329 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging hoofdverblijfplaats en zorgregeling, ondertoezichtstelling kinderen uitgesproken

Het geschil betreft de hoofdverblijfplaats, zorgregeling en school- en sportkeuze van twee minderjarige kinderen na echtscheiding van de ouders. De moeder verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats van de jongste en aanpassing van de zorgregeling, alsmede vervangende toestemming voor school- en sportkeuze. De vader verzocht om bekrachtiging van de huidige regeling en vervangende toestemming voor andere sportverenigingen en scholen.

De rechtbank had de meeste verzoeken afgewezen en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding op nihil vastgesteld. In hoger beroep hebben beide ouders ingestemd met een ondertoezichtstelling van de kinderen vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en loyaliteitsproblemen. De raad voor de kinderbescherming adviseerde deze maatregel.

Het hof oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is en wijst het verzoek daartoe toe. De hoofdverblijfplaats van de jongste blijft bij de vader en de zorgregeling ongewijzigd. De verzoeken tot wijziging van school- en sportkeuze worden afgewezen vanwege het belang van continuïteit en het loyaliteitsconflict bij de kinderen. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en de overige verzoeken afgewezen.

Uitkomst: Het hof spreekt ondertoezichtstelling uit en bekrachtigt de rechtbankbeschikking over hoofdverblijfplaats en zorgregeling, wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.366.440 (ondertoezichtstelling)
200.360.569 (hoofdverblijfplaats, zorgregeling en
nevenverzoeken)
(zaaknummer rechtbank Gelderland 440935)
beschikking van 26 maart 2026
in de procedure met zaaknummer 200.360.569
[appellante],
wonende in [woonplaats1] , gemeente Wijchen,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A. van Oosten,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats2] , gemeente Nijmegen,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven
en in de procedure met zaaknummer 200.366.440
de raad voor de kinderbescherming, regio Gelderland(de raad) gevestigd in Arnhem
en
[moeder](de moeder),
wonende in [woonplaats1] , gemeente Wijchen,
advocaat: mr. A. van Oosten,
en
[vader](de vader),
wonende in [woonplaats2] , gemeente Nijmegen,
advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (hierna: de kinderrechter), van 20 januari 2025 en 25 september 2025, uitgesproken onder zaaknummer 440935. De beschikking van 25 september 2025 wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedures blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 22 oktober 2025;
- het verweerschrift, tevens incidenteel hoger beroep, met bijlagen;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, met bijlagen;
- een journaalbericht namens de moeder van 28 januari 2026;
- een journaalbericht namens de vader van 13 februari 2026, met bijlagen;
- een journaalbericht namens de moeder van 16 februari 2026, met bijlagen;
- een journaalbericht namens de vader van 17 februari 2026, met bijlagen.
2.2
De minderjarigen [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn op 23 februari 2026 naar het hof gekomen, waar zij hebben gesproken met een rechter van het hof, in het bijzijn van een griffier.
2.3
De mondelinge behandeling in beide procedures heeft op 27 februari 2026 plaatsgevonden. De ouders waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) aanwezig.
2.4
Na de mondelinge behandeling zijn, met toestemming van het hof, de volgende stukken ingediend:
- het (schriftelijke) verzoek van 2 maart 2026 van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen;
- het journaalbericht namens de vader van 3 maart 2026 met een bijlage.
- het journaalbericht namens de moeder van 5 maart 2026 met een bijlage.

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de moeder en de vader is [in] 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 31 december 2021 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2013;
- [minderjarige2] , geboren [in] 2016,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.3
In het van de echtscheidingsbeschikking deel uitmakende ouderschapsplan van 14 december 2021 zijn de ouders, onder meer, overeengekomen:
- dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] bij de moeder en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] bij
de vader zal zijn;
- een zorg- en contactregeling, waarbij de kinderen acht van de veertien dagen bij de moeder
en de overige zes dagen bij de vader zijn, alsmede een vakantieregeling;
- dat met ingang van 1 december 2021 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding *de vader aan de moeder voor [minderjarige1] € 192,- per maand betaalt;
*de moeder aan de vader voor [minderjarige2] € 49,- per maand betaalt, zodat per saldo de vader aan de moeder € 143,- per maand voldoet, te indexeren met ingang van 1 januari 2023.
3.4
In de beschikking van 15 juni 2022 heeft de kinderrechter de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] , de zorgregeling en de kinderalimentatie te wijzigen en daarnaast de verzoeken van de moeder met betrekking tot verkrijgen van vervangende toestemming voor vakantie, aanvraag identiteitsbewijs, aanmelding andere school en Covid-19-vaccinatie, afgewezen.
De procedure bij de rechtbank in eerste aanleg
3.5
De moeder heeft de rechtbank verzocht om:
I. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] bij haar te bepalen;
II. de zorgregeling te wijzigen;
III. haar vervangende toestemming te verlenen om de kinderen in te schrijven op
Basisschool [basisschool1] in [woonplaats1] ;
IV. haar vervangende toestemming te verlenen om Lukas aan te melden bij de
voetbalvereniging [voetbalvereniging1] (in [plaats1] );
V. de kinderalimentatie te wijzigen.
3.6
De vader heeft daarop verweer gevoerd en als zelfstandig verzoek verzocht om:
I. hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige2] in te schrijven bij
voetbalvereniging [voetbalvereniging2] in [woonplaats2] ;
II. hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige1] in te schrijven bij de scouting in
[plaats2] dan wel bij de atletiekvereniging in [plaats2] ;
III. de kinderalimentatie op nihil vast te stellen;
IV. de moeder te veroordelen in de kosten van dat geding.
3.7
In de tussenbeschikking van 20 januari 2025 heeft de kinderrechter:
- het verzoek van de moeder onder IV afgewezen;
- de verzoeken van de vader onder I en II afgewezen;
- de beslissing op de overige verzoeken aangehouden en
- de raad verzocht om te onderzoeken, te rapporteren en te adviseren over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] en de zorgregeling ten aanzien van beide kinderen.
3.8
De raad heeft in zijn rapport van 11 juni 2025 de kinderrechter geadviseerd om geen wijziging aan te brengen in de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] en in de zorgregeling.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter:
- het ouderschapsplan van 14 december 2021 gewijzigd en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 25 september 2025 vastgesteld op nihil;
- het meer of anders verzochte afgewezen en
- bepaald dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en voor zover nodig ook van de beschikking van 20 januari 2025. Zij verzoekt beide beschikkingen te vernietigen en haar verzoeken alsnog toe te wijzen, met inachtneming van wat zij bij randnummer 19 van haar beroepschrift heeft geschreven over het lopende schooljaar van [minderjarige2] ; zij vraagt vervangende toestemming om [minderjarige2] aan te melden op de basisschool [basisschool1] in [woonplaats1] .
Daarnaast verzoekt zij het hof haar vervangende toestemming te verlenen voor de aanmelding van [minderjarige1] als eerstejaarsleerling bij [middelbare school1] in [plaats2] , voor de aanmelding van [minderjarige2] bij tennisvereniging [tennisvereniging] in [woonplaats1] en voor zijn afmelding bij voetbalvereniging [voetbalvereniging2] in [woonplaats2] .
4.3
De vader heeft verweer gevoerd en gevraagd om de beschikking van 25 september 2025 te bekrachtigen en waar nodig ook de beschikking van 20 januari 2025 voor zover in appel bestreden, en de om verzoeken van de moeder af te wijzen. Hij verzoekt het hof hem vervangende toestemming te verlenen voor de aanmelding van [minderjarige1] bij het [middelbare school2] in [plaats3] en [middelbare school3] in [plaats3] waarbij [minderjarige1] de beslissende keuze kan maken en om, waar nodig, [minderjarige2] aan te melden bij een tennisvereniging, althans een beslissing te geven die het hof juist acht.
4.4
De moeder heeft verweer gevoerd in het door de vader ingestelde incidenteel hoger beroep. Zij vraagt het hof om de desbetreffende verzoeken van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

De ondertoezichtstelling (zaaknummer 200.366.440)
Wat staat in de wet?
5.1
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de rechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. [1]
Het verzoek van de raad en de mening van de ouders.
5.2
De raad heeft op de zitting van het hof mondeling verzocht de kinderen voor een jaar onder toezicht te stellen. Beide ouders hebben vervolgens op de zitting ingestemd met de verzochte ondertoezichtstelling.
5.3
Op 2 maart 2026 heeft de raad het verzoek op schrift gesteld en aan het hof gestuurd, met een kopie aan de belanghebbenden. De raad heeft verzocht om de ondertoezichtstelling te laten uitvoeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, locatie Nijmegen (de GI).
De raad heeft in zijn verzoek opgeschreven dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, dat zij klem zitten en dat zij met loyaliteitsproblemen lijken te kampen. Het lukt de ouders niet om belangrijke beslissingen over de kinderen samen te nemen. Gebleken is dat de eerder, door de raad aan de ouders in dat verband, geadviseerde hulpverlening niet van de grond is gekomen. Daardoor is er ook geen hulpverlening voor de kinderen ingezet, die geen neutrale plek hebben om hun zorgen te bespreken. Omdat hulpverlening op vrijwillige basis niet is gelukt, is volgens de raad het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling hier noodzakelijk, waarbij de GI in het belang van de kinderen regie kan voeren.
De overwegingen van het hof
5.4
Het hof onderschrijft de zorgen en is het met de ouders en de raad eens dat zo snel mogelijk hulpverlening nodig is, in de vorm van een jeugdbeschermer die regie gaat voeren. Tijdens de zitting hebben de beide ouders ermee ingestemd dat het hof, en niet de kinderrechter, de beslissing neemt om de kinderen onder toezicht te stellen. Dit is te zien als ‘prorogatie’ in die zin dat partijen het erover eens zijn dat dit geschil meteen aan de
hogerberoepsrechter wordt voorgelegd [2] .
5.5
Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat de vraag of een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld niet ter vrije bepaling staat van partijen, zoals bedoeld in artikel 329 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering en dat prorogatie niet is toegestaan. [3] De vraag is daarnaast of de raad dit verzoek voor het eerst in hoger beroep kan doen [4] .
5.6
Het hof zal de ondertoezichtstelling toch uitspreken. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat er een ondertoezichtstelling moet komen, en dat voortvarendheid is geboden in het belang van beide kinderen. De reden dat prorogatie niet is toegestaan hangt samen met de gedachte dat een ondertoezichtstelling een grote inbreuk betekent op het leven van de met gezag belaste ouders en de kinderen. Het gaat, met andere woorden, om bescherming van het familieleven.
In dit geval weegt het hof mee dat beide ouders bij het hof uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat zij de ondertoezichtstelling willen. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof zich hiervan vergewist. De zitting is onderbroken geweest opdat de ouders met hun advocaat konden overleggen. Het hof is van oordeel dat de belangen van de kinderen vereisen dat de ondertoezichtstelling zo snel mogelijk wordt uitgesproken. Aan alle (overige) in artikel 1:255 BW Pro genoemde gronden is voldaan. De GI heeft zich bereid verklaard de ondertoezichtstelling uit te voeren.
5.7
Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de raad toewijzen en de kinderen onder toezicht stellen van Jeugdbescherming Gelderland, locatie Nijmegen, met ingang van 26 maart 2026 tot 26 maart 2027.
5.8
Dit verzoek is niet besproken met [minderjarige1] en [minderjarige2] tijdens het gesprek dat het hof met hen had op 23 februari 2026. Het hof zal in de brief die het stuurt aan [minderjarige1] , deze beslissing wel aan hem meedelen en uitleggen. [minderjarige2] heeft tijdens genoemd gesprek gezegd dat hij de uitspraak van het hof van zijn moeder of van opa en oma wil horen. Het hof gaat ervan uit dat [minderjarige2] van (één van) hen ook een uitleg krijgt over de beslissing van de ondertoezichtstelling.
uitvoerbaar bij voorraad
5.9
De beslissing over de ondertoezichtstelling kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
De overige verzoeken (zaaknummer 200.360.569)
5.1
De ouders hebben overeenstemming bereikt over de schoolkeuze voor [minderjarige2] . Hij zal worden ingeschreven bij het [middelbare school1] in [plaats2] . Dat wil hij zelf het liefst en de vader heeft besloten hem daarin te volgen. Het hof vindt dat positief.
De beide ouders hebben hun verzoeken op dit punt, in berichten aan het hof van 3 resp. 5 maart 2026, ingetrokken zodat het hof daarover geen beslissing meer hoeft te nemen.
5.11
Tussen de ouders zijn nu nog in geschil: de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] , de zorgregeling (beide kinderen) en de keuze voor zowel de school als de sportclubs van [minderjarige2] .
Wat staat in de wet?
5.12
Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Hoe luiden de standpunten van de ouders?
5.13
De moeder stelt dat de huidige situatie bij haar en de kinderen voor veel onrust zorgt. Het lukt de vader en haar niet om op een goede manier met elkaar te communiceren en de voor de kinderen noodzakelijke beslissingen te nemen. Zij kunnen het moeilijk eens worden. Volgens de moeder zitten de kinderen klem. Zij denkt dat het beter is voor de kinderen als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] bij haar zal zijn en dat de zorgregeling zodanig wordt gewijzigd, dat de kinderen meer bij haar kunnen zijn. Het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding van de kinderen zou, net als ten tijde van het huwelijk van de ouders, ook nu weer bij haar moeten liggen. Daarnaast wil zij dat [minderjarige2] wordt ingeschreven op de basisschool [basisschool1] en bij de tennisvereniging [tennisvereniging] , beide in [woonplaats1] , en dat hij uitgeschreven wordt bij de voetbalvereniging in [woonplaats2] , omdat hij het daar niet naar zijn zin heeft. Volgens de moeder moet er rekening worden gehouden met de mening van de kinderen, die hetzelfde als zij willen.
5.14
De vader erkent dat de communicatie en de samenwerking tussen hem en de moeder moeizaam verloopt en dat er daardoor, met name bij de kinderen, veel onrust is. Dit probleem wordt volgens hem echter niet opgelost met de door de moeder verzochte wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] of van de zorgregeling. Er zou eerder goede hulpverlening moeten worden ingezet. De vader heeft de indruk dat de kinderen een negatief vaderbeeld hebben en dat zij daarin worden beïnvloed door de moeder en haar partner. Volgens de vader is er ook geen reden voor de wijziging van de basisschool van [minderjarige2] , omdat hij op de huidige school al jaren gewend is en daar vriendschappen heeft opgebouwd. De vader is van mening dat [minderjarige2] zijn voetbalactiviteiten in [woonplaats2] zou moeten voortzetten omdat hij er (nu weer) veel plezier aan beleeft. Als [minderjarige2] graag wil tennissen dan kan hij volgens de vader naast het voetballen ook tennissen bij een vereniging in [woonplaats2] . De vader vindt het belangrijk dat de kinderen niet bij dezelfde vereniging sporten, zodat zij ieder hun eigen sociale contacten kunnen onderhouden en zodat zij elkaar niet qua sportprestaties kunnen overtroeven.
De overwegingen van het hof
5.15
Het hof ziet op dit moment geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] en de zorgregeling ten aanzien van beide kinderen te wijzigen. Uit de stukken en naar aanleiding van wat in de kindgesprekken en tijdens de zitting is gezegd maakt het hof op dat er bij de kinderen mogelijk sprake is van een loyaliteitsprobleem en een situatie waarin zij klem zitten tussen de ouders. Beide ouders hebben verklaard dat de huidige situatie veel onrust bij de kinderen veroorzaakt. De vraag is waar het negatieve vaderbeeld bij de kinderen vandaan komt. In de stukken is te lezen dat er naar aanleiding van een IAG-traject (Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling) geen zorgen zijn gebleken in de opvoedsituatie bij de vader. Het hof is van oordeel dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats en van de zorgregeling op dit moment niet de angel uit het dieperliggende probleem van de bij de kinderen aanwezige loyaliteit en klemsituatie zullen halen. Het is nu eerst belangrijk dat de kinderen, die zorgelijke uitspraken doen en duidelijk last hebben van deze voor hen zeer ingewikkelde situatie, met een professionele vertrouwenspersoon kunnen spreken, waaraan zij ook behoefte hebben. In die zin kan naar verwachting de gezinsvoogd in het kader van de, vandaag door het hof uitgesproken, ondertoezichtstelling een belangrijke rol spelen. Mogelijk kan die gezinsvoogd ook onderzoeken of een wijziging van de hoofdverblijfplaats en van de zorgregeling op enig moment in het belang van de kinderen is.
5.16
Omdat uit het voorgaande volgt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] bij de vader ongewijzigd blijft, ziet het hof ook geen aanleiding om de moeder vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige2] op de basisschool [basisschool1] in [woonplaats1] , de woonplaats van de moeder, in te schrijven. Daarnaast is niet gebleken van doorslaggevende argumenten op grond waarvan [minderjarige2] het onderwijs op de huidige basisschool [basisschool2] in [woonplaats2] niet zou kunnen voortzetten. Voor de omstandigheid dat [minderjarige2] op laatstgenoemde school wordt gepest, zoals hij heeft verteld, moet zeker aandacht zijn, maar het hof ziet daarin geen aanleiding voor de door de moeder gewenste wijziging.
5.17
Het hof zal ook het verzoek van de moeder om [minderjarige2] te mogen uitschrijven bij de voetbalvereniging in [woonplaats2] en hem te mogen aanmelden bij de tennisvereniging [tennisvereniging] in haar woonplaats [woonplaats1] , afwijzen. Volgens de moeder wil [minderjarige2] in plaats van voetballen liever tennissen in [woonplaats1] . Volgens de vader heeft [minderjarige2] nu juist weer veel plezier in het voetballen. In het gesprek bij het hof heeft [minderjarige2] verteld dat hij niet zo veel zin meer heeft om te voetballen, maar dat hij eigenlijk het liefst zou willen ijshockeyen of kickboksen. In de tegenstrijdigheden in deze verklaringen van de ouders en van [minderjarige2] ziet het hof een bevestiging van het eerdergenoemde vermoeden van een loyaliteitsconflict bij [minderjarige2] . Het hof acht het van belang dat de gezinsvoogd ook ten aanzien van de sportkeuze helder kan krijgen wat de uiteindelijke (en échte) wens van [minderjarige2] is en dat de ouders hem daarin zullen volgen.
5.18
Zoals uit al het voorgaande volgt zal het hof de ondertoezichtstelling van de kinderen uitspreken, de bestreden beschikking - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - bekrachtigen en de overige verzoeken van de ouders afwijzen.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met nummer 200.366.440:
stelt de kinderen:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2013 en
- [minderjarige2] , geboren [in] 2016,
onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, locatie Nijmegen, met ingang van 26 maart 2026 tot 26 maart 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak met nummer 200.360.569
in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 25 september 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, P.B. Kamminga en C.M. Schönhagen, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 26 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en onder b Burgerlijk Wetboek
2.artikel 329 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering
4.artikel 362 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering