Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1814

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.360.365
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging partneralimentatie en vaststelling ingangsdatum en draagkracht in hoger beroep

De vrouw en de man zijn gescheiden en hebben in 2020 een echtscheidingsconvenant gesloten waarin partneralimentatie is vastgesteld. De man heeft een verzoek ingediend tot verlaging van de alimentatie vanwege gewijzigde omstandigheden, waaronder het hogere inkomen van de vrouw en zijn gebruik van het Generatiepact. De rechtbank heeft de alimentatie verlaagd met ingang van 1 september 2023 en bepaald dat de vrouw te veel betaalde bedragen moet terugbetalen.

De vrouw is in hoger beroep gegaan tegen de ingangsdatum, de terugbetalingsverplichting, de vastgestelde behoefte en resterende behoefte, en de draagkracht van de man. Het hof overweegt dat de vrouw bekend was met de herberekening van de alimentatie in de zomer van 2023 en dat de ingangsdatum van 1 september 2023 daarom terecht is vastgesteld. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat zij niet in staat is haar inkomen te herstellen, waardoor het hof uitgaat van een fictief inkomen.

De draagkracht van de man wordt vastgesteld op basis van zijn jaaropgave 2023, waarbij het hof het gebruik van het Generatiepact niet als inkomensverlies erkent. De woonlasten worden forfaitair berekend. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt de partneralimentatie met ingang van 1 september 2023 op € 1.453,- bruto per maand, oplopend tot € 1.719,- bruto per maand per 1 januari 2026. De vrouw moet de te veel betaalde alimentatie terugbetalen.

Uitkomst: Het hof wijzigt de partneralimentatie met ingang van 1 september 2023 en bepaalt dat de vrouw te veel betaalde alimentatie moet terugbetalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.365
(zaaknummer rechtbank Gelderland 448873)
beschikking van 26 maart 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R. Vonk,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W. Vahl.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 juli 2025, uitgesproken onder zaaknummer 448873 (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 oktober 2025;
- het verweerschrift en
- een journaalbericht namens de vrouw van 5 januari 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
De vrouw en de man zijn met elkaar getrouwd geweest.
3.2
Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding vastgelegd in een echtscheidingsconvenant dat zij op 11 november 2020 hebben ondertekend. In artikel 1 staat Pro:

(…)
1.
De verplichting tot levensonderhoud
1.1.
Gelet op de inkomenspositie van de man ten tijde van het ondertekenen van dit convenant en de daaruit voortvloeiende draagkracht enerzijds en op de behoefte van de vrouw anderzijds zal de man ingang van 1 november 2020 bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.081,00 bruto per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling maandelijks aan haar zal worden voldaan.
1.2.
De in artikel 1.1. bepaalde alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijk indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2021.
(…)
3.3
Na indexatie bedraagt de partneralimentatie in 2025 € 2.554,- bruto per maand en in 2026 € 2.671,84 bruto per maand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie gewijzigd en bepaald dat deze partneralimentatie vanaf
1 september 2023 € 1.357,- bruto per maand bedraagt, vanaf 1 januari 2024 € 1.441,15 bruto per maand en vanaf 1 januari 2025 € 1.534,80 bruto per maand. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de vanaf 1 september 2023 te veel betaalde partneralimentatie aan
de man moet terugbetalen.
4.2
De vrouw is, al is de opbouw van het beroepschrift wat minder voor de hand liggend, kennelijk met één algemene grief, verdeeld in vijf deelgrieven (waarvan één voorwaardelijk is) in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw is het – samengevat – niet eens met het oordeel van de rechtbank over de ingangsdatum en de terugbetalingsverplichting, de behoefte en het inkomen van de vrouw en de draagkracht van de man. De (deel)grieven zullen hierna waar mogelijk en nodig gezamenlijk worden besproken. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man om verlaging van de alimentatie af te wijzen, behoudens voor de periode 14 maart 2025/29 april 2025, in welke periode de alimentatieverplichting van de man tijdelijk verlaagd wordt naar een bedrag van € 2.119,- bruto per maand.
4.3
De man voert verweer en hij vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het verweer van de man komt hierna voor zover nodig bij de bespreking van de grieven aan de orde.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1
De rechter kan de partneralimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn
gewijzigd. [1] Daarbij moet de rechter, voor zover partijen het daarover niet met elkaar eens zijn, oordelen over de ingangsdatum van de wijziging, de behoefte en de resterende behoefte van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige.
Wijziging van omstandigheden
5.2
Tussen partijen is niet in geschil dat de omstandigheden zijn gewijzigd, omdat de vrouw inmiddels een hoger eigen inkomen heeft dan tijdens het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant.
Ingangsdatum en terugbetalingsverplichting
5.3
De rechter heeft grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum. [2] Maar, de rechter moet behoedzaam omgaan met de mogelijkheid om de wijziging van de partneralimentatie in te laten gaan op een eerdere datum dan de datum van zijn uitspraak, omdat dit kan leiden tot een verplichting tot terugbetaling van teveel ontvangen partneralimentatie.
5.4
De rechtbank heeft de ingangsdatum vastgesteld op 1 september 2023.
5.5
De vrouw is het hiermee niet eens. Dat de man in 2023 de vrouw op basis van de herberekening van het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) heeft gevraagd om de partneralimentatie te verlagen, wil niet zeggen dat de vrouw daarom in redelijkheid rekening moest houden met een verlaging per 1 september 2023. Er is, na de herberekening van het LBIO, in 2024 gecorrespondeerd tussen de advocaten van partijen waarin een bedrag werd genoemd van € 1.995,-. De reactie daarop van de man gaf geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de partneralimentatie lager zou worden dan dit bedrag. Vervolgens heeft de man in januari 2024 aangekondigd te gaan procederen, maar heeft hij pas op 14 maart 2025 een verzoekschrift ingediend. Als de partneralimentatie al wordt verlaagd, dan zou die verlaging daarom pas op 14 maart 2025 moeten ingaan, aldus de vrouw.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw, nadat het LBIO op verzoek van de man een herberekening had gemaakt, rekening kon houden met wijziging van de partneralimentatie. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over de ingangsdatum over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe. De vrouw heeft niet betwist dat partijen in de zomer van 2023 met elkaar in gesprek zijn gegaan over de herberekening van de partneralimentatie en dat de vrouw de brief van het LBIO voor 1 september 2023 heeft ontvangen. De vrouw was dus op dat moment al bekend met de vraag van de man om mee te werken aan verlaging van de partneralimentatie. Dat de man pas later, namelijk op 14 maart 2025, het verzoek tot verlaging van de partneralimentatie bij de rechtbank heeft ingediend, maakt het oordeel van het hof niet anders. De man heeft op de mondelinge behandeling aan het hof ook uitgelegd dat hij de beslissing om te procederen niet lichtvaardig wilde nemen. Het enkele tijdsverloop tussen de brief van het LBIO en de indiening van het wijzigingsverzoek maakt naar het oordeel van het hof in dit geval niet dat de vrouw geen rekening hoefde te houden met de wijziging met ingang van een eerdere datum. Het hof zal daarom, net als de rechtbank, 1 september 2023 als ingangsdatum hanteren. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw in staat wordt geacht om het te veel ontvangen bedrag aan partneralimentatie terug te betalen. Dit oordeel is in hoger beroep niet in geschil.
De behoefte van de vrouw
5.7
De rechter moet beoordelen welk bedrag de vrouw nodig heeft om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien (de behoefte).
5.8
De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw bepaald op € 2.081,- per maand in 2020 en, na indexatie, op € 2.258,- in 2023.
5.9
De vrouw is het hiermee niet eens. Zij stelt dat haar behoefte in 2020 moet worden vastgesteld op € 2.189,- netto per maand. Dit bedrag moet voor het eerst geïndexeerd worden per 1 januari 2021.
5.1
De man heeft aangegeven dat de door de vrouw voorgestane behoefte nagenoeg gelijk is aan de behoefte die het LBIO heeft aangehouden in zijn herberekening. Het is ook hem niet duidelijk hoe de rechtbank bij een andere behoefte is gekomen, aldus de man. Het hof zal daarom uitgaan van de behoefte van € 2.189,- netto per maand in 2020 en van € 2.376,- netto per maand in 2023 na indexatie.
De resterende behoefte van de vrouw
5.11
Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de vrouw in staat is om zelf in haar behoefte te voorzien. Als zij dat niet volledig kan en dat ook niet van haar kan worden verwacht, dan heeft zij een resterende behoefte (de behoeftigheid).
5.12
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw in staat moet worden geacht om het inkomen dat zij tot maart 2025 bij [naam] had te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw heeft erkend dat zij met haar medische beperkingen 24 uur per week kan werken en dat zij niet heeft onderbouwd dat het haar niet lukt om een geschikte baan te vinden door haar leeftijd. De rechtbank heeft berekend dat de vrouw bij een bruto jaarinkomen van € 19.092,- (dat zij bij [naam] had) een netto besteedbaar inkomen zou hebben van € 1.541,- per maand. De rechtbank heeft dit inkomen in mindering gebracht op de door de rechtbank berekende huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.258,- netto per maand, waarna een aanvullende behoefte van (€ 2.258 - € 1.541) € 717,- netto per maand resteert. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog inkomstenbelasting en een bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betalen. Daarom heeft de rechtbank dit netto bedrag gebruteerd tot € 1.357,- per maand.
5.13
De vrouw is het hiermee niet eens. Zij stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een fictief inkomen uit dienstverband. De vrouw is per 29 april 2025 aangewezen op een WW-uitkering. De vrouw zou graag weer aan het werk gaan, maar zij is en blijft beperkt in haar mogelijkheden. Daarbij heeft zij haar leeftijd tegen (63 jaar) alsmede het gegeven dat de vrouw geen specifieke opleiding heeft op grond waarvan zij (sneller) in aanmerking zal kunnen komen voor een baan. Daarom moet voor de berekening van haar inkomen per
29 april 2025 worden uitgegaan van haar werkelijke inkomen van € 1.495,59 per maand (WW-uitkering). Dan is haar resterende behoefte € 2.712,- bruto per maand, aldus de vrouw.
5.14
Het hof is – net als de rechtbank – van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht om haar inkomensverlies te herstellen. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe. De vrouw laat ook in hoger beroep niet zien wat zij heeft gedaan om aan werk te komen. De stelling dat haar leeftijd, haar (gebrek aan) opleiding en/of haar medische toestand haar beperken in het vinden van werk, heeft de vrouw – in het licht van de betwisting door de man – ook niet onderbouwd. Het hof zal daarom, net als de rechtbank, uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 19.092,- en een netto besteedbaar inkomen van € 1.541,- per maand. Het hof brengt dit bedrag in mindering op de behoefte van de vrouw van € 2.376,- (in 2023) waarna een behoefte van ( € 2.376 - € 1.541) € 835,- netto per maand resteert. Net als de rechtbank bruteert het hof dit bedrag, zodat de behoefte € 1.587,- bruto per maand bedraagt.
De draagkracht van de man
5.15
Ten slotte moet worden berekend in hoeverre de man in staat is om de resterende behoefte van de vrouw te betalen (de draagkracht).
5.16
De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op basis van zijn jaaropgave 2023 berekend. Bij een bruto jaarinkomen van € 68.167,- is het NBI van de man € 3.863,50. Op basis van de formule 60% [NBI - (NBI x 0,3 + € 1.175)] was de draagkracht van de man in 2023 € 917,- netto per maand wat neerkomt op € 1.453,- bruto per maand. De rechtbank heeft geen oordeel gegeven over de stelling van de vrouw dat bij de man moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van de forfaitaire woonlasten. Ook heeft de rechtbank niet geoordeeld over de stelling van de vrouw dat uit moet worden gegaan van een (fictief) hoger inkomen aan de zijde van de man, omdat hij er voor heeft gekozen slechts 80 % te werken. De rechtbank heeft overwogen dat de draagkracht (zonder een verhoging van het jaarinkomen met 10% zoals bepleit door de vrouw) van de man voldoende is om in de resterende behoefte van de vrouw te voorzien.
5.17
De vrouw is het hiermee niet eens. Zij stelt dat aan de zijde van de man moet worden uitgegaan van een hoger inkomen dan de rechtbank heeft gedaan. Als de man gebruik heeft gemaakt van een regeling waarbij hij 80 % werkt en maar 10 % van zijn loon inlevert, dan is dat een vermijdbaar en verwijtbaar inkomensverlies. Daarom moet bij de berekening van de draagkracht worden uitgegaan van een fulltime salaris. Volgens de man zou hij per saldo nog steeds fulltime werken, maar hiervan legt hij geen enkel bewijs over, aldus de vrouw. Uit de door de man overgelegde jaaropgaven (uit 2023 en 2024) blijkt namelijk niet of de man in die jaren fulltime of een parttime heeft gewerkt. De vrouw gaat daarom uit van een inkomen van minimaal € 75.000,- bruto per jaar. Ook moet worden gerekend met de werkelijke woonlasten van € 77,- per maand in plaats van de forfaitaire lasten, aldus de vrouw.
5.18
Het hof overweegt als volgt. De man stelt dat hij gebruik maakt van het Generatiepact: een regeling die hem in staat stelt om 80 % te werken, terwijl hij 90 % uitbetaald krijgt en 100 % pensioen opbouwt. Volgens de man is de bedoeling van deze regeling tweeledig: enerzijds om ruimte te maken voor jongere werknemers en anderzijds om ervoor te zorgen dat oudere werknemers gezond hun pensioen halen. Volgens de man moet hij wel gebruik maken van het Generatiepact, omdat hij lichamelijke klachten heeft. Dit strookt echter niet met zijn stelling dat hij mede vanwege zijn alimentatieverplichtingen overuren maakt om zijn inkomen aan te vullen tot 100 %: hij is dus, ondanks dat hij gebruik maakt van het Generatiepact, in staat om 100% van zijn inkomen te behouden. Het hof is dan ook van oordeel dat de man – in het licht van de betwisting van de vrouw – zijn stelling dat hij gebruik maakt en moet maken van het Generatiepact en dat dit leidt tot een verlies aan inkomen onvoldoende heeft onderbouwd.
Vervolgens is de vraag van welk inkomen het hof moet uitgaan bij de berekening van de draagkracht van de man. Volgens de vrouw moet het bedrag van de jaaropgave 2023 (€ 68.167,-) geëxtrapoleerd naar 100 % (€ 75.000,-). De man heeft echter aangevoerd dat in de jaaropgaven van 2023 (en 2024) al rekening is gehouden met zijn overuren waarmee hij zijn inkomen aanvult tot 100 %. Het salaris op de jaaropgaven is dus gelijk aan het fulltime salaris. Doorgaans geeft een jaaropgave alle inkomsten weer die een werknemer in dat jaar bij dezelfde werkgever heeft gerealiseerd. Het dan ook had op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling dat de door de man overgelegde jaaropgaven niet zijn gehele salaris weergeven nader te onderbouwen. Bij gebreke van die onderbouwing zal het hof aansluiten bij het salaris dat staat op de jaaropgave 2023.
5.19
Ten aanzien van de stellingen van de vrouw over de woonlasten overweegt het hof dat het uitgangspunt is dat in de draagkracht rekening wordt gehouden met de forfaitaire woonlasten (het woonbudget). Het hof ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De man heeft gesteld dat hij zijn woonlasten bewust laag heeft gehouden om partneralimentatie aan de vrouw te kunnen betalen: hij heeft een belangrijk deel van zijn vermogen gebruikt om zijn hypothecaire lasten aanzienlijk te verminderen. De vrouw heeft dat onvoldoende weersproken. Het hof is van oordeel dat wanneer in dit geval bij de berekening van de draagkracht van de man zou worden uitgegaan van de werkelijke woonlasten de man voor die aflossingen ‘gestraft’ zou worden. Zou hij niet hebben afgelost dan zou ook met de forfaitaire woonlasten rekening zijn gehouden.
5.2
Het hof hanteert dus dezelfde uitgangspunten voor de berekening van de draagkracht van de man als de rechtbank. Dit betekent dat bij een bruto jaarinkomen van € 68.167,- het NBI van de man € 3.863,50 is. Op basis van de formule 60% [NBI - (NBI x 0,3 + € 1.175)] was de draagkracht van de man in 2023 € 917,- netto per maand. Dat is € 1.453,- bruto per maand.
Conclusie
5.21
Het hof komt tot een hogere behoefte (€ 2.376,- netto per maand) en daardoor ook een hogere resterende behoefte dan de rechtbank (€ 835,- netto per maand en € 1.587,- bruto per maand). De draagkracht van de man is € 1.453,- bruto per maand. Dat betekent dat de hoogte van de partneralimentatie beperkt wordt door de draagkracht van de man.
5.22
Met ingang van 1 september 2023 stelt het hof de partneralimentatie vast op € 1.453,- bruto per maand. Na indexatie bedraagt de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2024 € 1.543,- bruto per maand, met ingang van 1 januari 2025 € 1.643,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 1.719,- bruto per maand.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven deels. Voor de leesbaarheid zal het hof de volledige bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7.Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de (resterende) behoefte van de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Het hof heeft de draagkracht van de man niet opnieuw berekend nu het hof de door de rechtbank vastgestelde draagkracht niet wijzigt.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 juli 2025, en opnieuw beschikkende:
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, zoals die is overeengekomen in het echtscheidingsconvenant dat zij op 11 november 2020 hebben ondertekend, en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 september 2023 een bedrag van € 1.453,- bruto per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen, met ingang van 1 januari 2024 € 1.543,- bruto per maand, met ingang van 1 januari 2025 € 1.643,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 1.719,- bruto per maand;
bepaalt dat de man de toekomstige termijnen van deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
bepaalt dat de vrouw de vanaf 1 september 2023 te veel betaalde partneralimentatie aan
de man moet terugbetalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, K.A.M. van Os-ten Have en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door de griffier, en is op 26 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:402 lid 2 BW Pro