ECLI:NL:GHARL:2026:1798

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.353.137
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BWArt. 3:273 BWArt. 3:316 BWArt. 6:236 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verjaring en specificatie van kosten restvordering hypotheek na uitwinning

In deze civiele zaak staat centraal of de restvordering van ABN AMRO na uitwinning van een hypotheek was verjaard en of de bank voldoende inzicht heeft gegeven in de kosten die zij in rekening bracht. De appellant betoogde dat de vordering verjaard was en dat het loonbeslag onrechtmatig was gelegd en voortgezet. De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar was gestart na het tenietgaan van het hypotheekrecht en dat ABN AMRO de verjaring tijdig had gestuit met exploten en loonbeslag.

Het hof bevestigde dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro vanaf de dag na het tenietgaan van het hypotheekrecht loopt, hier globaal eind maart 2012. De stuiting door betekening van exploten op het kantoor van de notaris, conform de woonplaatskeuze in de hypotheekakte, en de maandelijkse inhoudingen onder het loonbeslag vanaf januari 2017 waren rechtsgeldig en voldoende om de verjaring te stuiten.

Wel oordeelde het hof dat ABN AMRO niet voldoende had gespecificeerd en onderbouwd welke kosten zij naast de hoofdsom en rente in rekening bracht. De bank had volstaan met totaalbedragen zonder inzicht in de samenstelling, ondanks verzoeken van appellant. Hierdoor kon appellant de vordering niet beoordelen of betwisten. Het hof bepaalde dat ABN AMRO het teveel geïnde bedrag aan appellant moet terugbetalen en een gemotiveerde opgave moet verstrekken.

De overige vorderingen van appellant werden afgewezen, en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad en vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2024.

Uitkomst: De vordering van ABN AMRO is niet verjaard, maar de bank moet teveel geïnde bedragen terugbetalen wegens onvoldoende specificatie van kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.137
zaaknummer rechtbank 577189
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [plaats] ( [land1] )
advocaat: mr. S.N. Peijnenburg
hierna: [appellant]
en
ABN AMRO Hypotheken Groep B.V.
die is gevestigd in Amersfoort
advocaat: mr. A.J.H. Peters
hierna: ABN AMRO

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 11 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 4 februari 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] vindt dat ABN AMRO onrechtmatig loonbeslag heeft gelegd omdat de vordering van ABN AMRO op dat moment al was verjaard. [appellant] vindt ook (subsidiair) dat ABN AMRO voor een te hoog bedrag loonbeslag heeft gelegd en ten onrechte niet heeft verantwoord waarop dat bedrag is gebaseerd.
2.2.
[appellant] heeft bij de rechtbank onder meer gevorderd dat – kort samengevat – voor recht wordt verklaard dat ABN AMRO onrechtmatig loonbeslag heeft gelegd en gehandhaafd, en dat [appellant] terecht een beroep op verjaring heeft gedaan. [appellant] heeft ook gevorderd dat ABN AMRO aan [appellant] het bedrag moet (terug)betalen dat zij op grond van het loonbeslag heeft ontvangen en dat ABN AMRO wordt bevolen om de werkgever van [appellant] te informeren dat het loonbeslag is opgeheven.
2.3.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. [appellant] heeft in hoger beroep zijn vorderingen gewijzigd. De vorderingen van [appellant] in dit hoger beroep komen op het volgende neer:
  • verklaring voor recht dat [appellant] terecht een beroep op verjaring heeft gedaan en dat ABN AMRO zonder rechtsgrond het loonbeslag heeft voortgezet;
  • veroordeling van ABN AMRO om alle inhoudingen onder het loonbeslag aan [appellant] (terug) te betalen en verklaring voor recht dat ABN AMRO daarbij geen beroep op verrekening kan doen;
  • verstrekking door ABN AMRO van een gemotiveerde opgave van het door haar aan [appellant] te restitueren bedrag;
  • veroordeling van ABN AMRO tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis van de rechtbank heeft ontvangen;
  • veroordeling van ABN AMRO in de kosten van deze procedure.
2.4.
Het hof zal beslissen dat de vordering van ABN AMRO niet is verjaard, maar dat ABN AMRO niet voldoende heeft verantwoord en onderbouwd welke kosten zij, naast de hoofdsom en de rente van de lening, in het kader van het loonbeslag voor rekening van [appellant] heeft geïnd. Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank om deze redenen deels in stand en beslist voor een deel anders.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in het vonnis van 11 december 2024 (onderdelen 2.2. tot en met 2.5.) en de aanvullende feiten die het hof hierna vaststelt. Samengevat komt de feitelijke gang van zaken die tot het onderhavige geschil heeft geleid op het volgende neer.
3.2.
[appellant] heeft op 1 september 2006 een geldlening van € 151.000,00 afgesloten bij ABN AMRO voor de financiering van de aankoop van een appartement en voor het aflossen van een andere lening. Als zekerheid voor de terugbetaling van de lening is een eerste recht van hypotheek gevestigd op het appartementsrecht. De koopsom voor het appartement bedroeg € 125.000,00. De geldleningsovereenkomst en de vestiging van deze hypotheek zijn vastgelegd in een notariële akte van 1 september 2006, waarin wordt verwezen naar een wederzijds ondertekende offerte en naar algemene leningsvoorwaarden.
3.3.
ABN AMRO, handelend onder de naam Florius Hypotheken, heeft [appellant] in een brief van 3 augustus 2011 geschreven dat op die datum de achterstand van de hypothecaire geldlening € 8.343,54 bedroeg.
3.4.
ABN AMRO, vertegenwoordigd door HypoCasso, heeft [appellant] in een brief van 30 september 2011 geschreven dat op die datum de achterstand van de hypothecaire geldlening € 8.343,54 bedroeg. Zij heeft in die brief de hypothecaire lening opgezegd en heeft [appellant] gesommeerd om binnen zeven dagen “
de totale vordering” over te maken. In deze brief staat:

De totale vordering bedraagt€ 159343,54, waarvan:

Betalingsachterstand€ 8.343,54

Boete vervroegde aflossing:PM”.
In die brief van 30 september 2011 is namens ABN AMRO aangekondigd dat zij bij gebreke aan tijdige betaling genoodzaakt is om tot openbare verkoop van het appartement over te gaan en dat de hieraan verbonden kosten voor rekening van [appellant] komen.
3.5.
Het appartement is in opdracht van ABN AMRO op 14 september 2011 in het openbaar geveild met als hoogste bod € 69.000,00, maar ABN AMRO heeft blijkens het proces-verbaal van veiling verklaard na beraad niet tot gunning van het appartement over te gaan.
3.6.
[appellant] heeft ABN AMRO bij brief van 20 december 2011 geschreven dat hij de kosten die worden gevorderd voor het opzeggen van de hypotheek betwist en dat de bank niet heeft voldaan aan zijn verzoeken om de kosten te onderbouwen.
3.7.
In de periode december 2011 tot en met april 2012 is gecorrespondeerd tussen Sociaal.nl Schuldsanering namens [appellant] enerzijds en HypoCasso namens ABN AMRO anderzijds over een mogelijke schuldsaneringsregeling voor [appellant] . HypoCasso heeft aan Sociaal.nl in een brief van 2 januari 2012 desgevraagd geschreven dat de vordering van ABN AMRO € 151.000,00 bedroeg en dat er een achterstand in termijnbetaling (inclusief bijkomende kosten) bestond van € 14.652,42.
3.8.
Het appartement is in opdracht van ABN AMRO op 15 februari 2012 in het openbaar geveild met als hoogste bod € 61.000,00 en met als koopprijs – na afmijning –€ 63.000,00.
3.9.
ABN AMRO heeft in een brief van 17 februari 2012 gereageerd op een verzoek van [appellant] om een overzicht van de lening te verschaffen. In de bijlage bij die brief staat als hoogte van de lening per 17 februari 2012 onder “
Vermogensopbouw” € 151.000,00, onder “
Nog niet door ons ontvangen bedragen” € 17.831,03 en onder “
Per 17 februari 2012 moet u terugbetalen” € 168.831,03.
3.10.
Sociaal.nl schreef in het kader van de beoogde schuldsaneringsregeling op 29 februari 2012 aan HypoCasso dat zij de vordering van ABN AMRO op [appellant] onder “
Concurrente vorderingen” had opgenomen voor een bedrag van € 102.652,42 en dat zij een schuldregeling voorstelde voor de duur van maximaal 36 maanden met betaling van € 23.402,70 (dat wil zeggen 23% van de door Sociaal.nl vermelde vordering van € 102.652,42). HypoCasso heeft Sociaal.nl in een brief van 4 april 2012 meegedeeld dat ABN AMRO niet akkoord was met dat voorstel. Sociaal.nl schreef HypoCasso in een brief van 25 april 2012 dat zij de schuldsaneringsovereenkomst met [appellant] heeft moeten beëindigen omdat niet alle schuldeisers akkoord waren gegaan met het voorgestelde minnelijke traject.
3.11.
ABN AMRO heeft voor of op 28 maart 2012 de koopprijs ontvangen en de koper van het appartement kwijting verleend, zo blijkt uit een notariële akte van die datum.
3.12.
In een notariële akte van 2 juli 2012 is vastgelegd dat de hypotheek is vervallen.
3.13.
Op verzoek van ABN AMRO is op 31 mei 2016 bij deurwaardersexploot de notariële akte van 1 september 2006 betekend aan het adres van de notaris die die akte in september 2006 heeft verleden. In dat betekeningsexploot is aan [appellant] bevel gedaan om aan de deurwaarder te betalen € 108.652,62, omschreven als “
Restant verschuldigde voortvloeiend uit de notariële akte van geldlening”, verhoogd met € 92,48 kosten voor dat exploot.
3.14.
Op 24 januari 2017 heeft ABN AMRO executoriaal loonbeslag laten leggen op al hetgeen de toenmalig werkgever van [appellant] aan [appellant] verschuldigd was, tot een bedrag van € 108.904,37. Op 31 januari 2017 is dit exploot overbetekend aan [appellant] op het adres van de notaris die de akte van september 2006 heeft verleden.
3.15.
In de periode tussen januari 2017 en juli 2024 is het door ABN AMRO gevorderde bedrag voldaan door middel van de afdrachten onder het loonbeslag.
De vordering van ABN AMRO was ten tijde van uitwinning niet verjaard
3.16.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van ABN AMRO op [appellant] ten tijde van de uitwinning door middel van het loonbeslag niet was verjaard, op grond van de volgende overwegingen. De wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar van de vordering van ABN AMRO uit hoofde van de restschuld (dat wil zeggen de vordering die resteerde na uitwinning van de hypotheek) is gestart de dag nadat het hypotheekrecht is tenietgegaan, omstreeks eind februari /begin maart 2012. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ABN AMRO die verjaring tijdig en rechtsgeldig gestuit door betekening van de notariële akte van geldlening met een bevel tot betaling op 31 mei 2016, door overbetekening van het loonbeslag op 31 januari 2017 en door de maandelijkse inhoudingen op grond van dat loonbeslag.
Start verjaringstermijn maart 2012
3.17.
Er is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de wettelijke verjaringstermijn voor de vordering van ABN AMRO uit hoofde van de restschuld op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro vijf jaar is en dat die verjaringstermijn is gestart de dag nadat het hypotheekrecht is tenietgegaan, omstreeks eind februari /begin maart 2012. Het hof gaat daarom hierna uit van deze globale startdatum en van een verjaringstermijn van vijf jaar.
3.18.
Het oordeel van de rechtbank over deze globale startdatum wordt bevestigd door de akte kwijting kooppenningen van 28 maart 2012, die in dit hoger beroep is ingebracht. De verjaringstermijn voor de vordering van ABN AMRO uit hoofde van de restschuld op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro loopt vanaf de dag volgend op die waarop het hypotheekrecht is tenietgegaan. [1] Hypotheken die rusten op een executoriaal verkocht goed gaan teniet door de levering en de voldoening van de koopprijs, aldus artikel 3:273 lid 1 BW Pro. Uit de akte van 28 maart 2012 blijkt dat ABN AMRO op 28 maart 2012 de koopprijs voor het appartement heeft ontvangen, waarmee de voorwaarde voor de levering van het appartement aan de koper was vervuld (aldus het proces-verbaal van veiling en gunning van 15 februari 2012). Een en ander bevestigt dat de wettelijke verjaringstermijn voor de vordering van ABN AMRO uit hoofde van de restschuld, in lijn met het oordeel van de rechtbank, niet eerder dan in de loop van – of eind maart 2012 is gestart.
Tijdige stuiting van verjaring in 2016 en 2017 door deurwaardersexploten
3.19.
[appellant] voert in dit hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte stuitende werking heeft toegekend aan de exploten van 31 mei 2016 en 31 januari 2017, die zijn betekend aan het adres van de notaris die de hypotheekakte in september 2006 heeft verleden. Het hof onderschrijft echter het oordeel van de rechtbank dat [appellant] voor de tenuitvoerlegging van die akte woonplaats heeft gekozen op het kantoor van de notaris, dat de betrokken exploten rechtsgeldig op dat kantoor zijn betekend en dat deze exploten in mei 2016 en in januari 2017 de verjaring van de vordering van ABN AMRO op grond van de restschuld tijdig hebben gestuit. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging.
3.20.
In de akte van 1 september 2006 is de volgende bepaling opgenomen:

Partijen verklaarden voor de tenuitvoerlegging van deze Akte woonplaats te kiezen ten kantore van de notaris, bewaarder van deze akte“.
Er is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit deze bewoordingen kan worden afgeleid dat de woonplaatskeuze niet is beperkt tot de inschrijving van de akte, maar dat deze ook betrekking heeft op andere handelingen waarbij het gaat om tenuitvoerlegging van deze akte. De geldleningsovereenkomst, waarop de restschuld van ABN AMRO is gebaseerd, is onderdeel van de akte. De woonplaatskeuze geldt dus ook voor betekeningen met betrekking tot de geldleningsovereenkomst, zoals de exploten van 31 mei 2016 en 31 januari 2017.
3.21.
[appellant] voert in dit verband aan dat de woonplaatskeuze een algemene voorwaarde is die op grond van artikel 6:236 BW Pro als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt. Het hof volgt dit standpunt van [appellant] niet. In artikel 6:236 BW Pro staat een opsomming van in algemene voorwaarden voorkomende bedingen die als onredelijk bezwarend worden aangemerkt (de “
zwarte lijst”). In die opsomming is onder m. opgenomen een beding:

waarbij een wederpartij die bij het aangaan van de overeenkomst werkelijke woonplaats in een gemeente in Nederland heeft, woonplaats kiest anders dan voor het geval zij te eniger tijd geen bekende werkelijke woonplaats in die gemeente zal hebben, tenzij de overeenkomst betrekking heeft op een registergoed en woonplaats ten kantore van een notaris wordt gekozen”.
3.22.
[appellant] voert aan dat de in artikel 6:236 BW Pro onder m. genoemde uitzondering (
“tenzij de overeenkomst betrekking heeft op een registergoed en woonplaats ten kantore van een notaris wordt gekozen”) in dit geval niet van toepassing is, omdat een hypotheek geen registergoed is. Het hof volgt dit betoog van [appellant] niet. De uitzondering in artikel 6:236 BW Pro onder m. geldt als de overeenkomst betrekking heeft op een registergoed. De akte van 1 september 2006 en de daarin opgenomen en bijgesloten overeenkomst tussen [appellant] en ABN AMRO hebben betrekking op een registergoed, namelijk het appartement waarvoor de financiering grotendeels werd verschaft en waarop het hypotheekrecht werd gevestigd. Om deze reden geldt voor deze woonplaatskeuze niet de wettelijke aanname dat deze onredelijk bezwarend is.
Woonplaatskeuze is niet vervallen
3.23.
[appellant] voert aan dat de hypotheek op 2 juli 2012 is doorgehaald, dat daarmee de rechtsverhouding dienaangaande (naar het hof aanneemt: de rechtsverhouding tussen [appellant] en ABN AMRO) geheel is vervallen en dat daarom de woonplaatskeuze in de vervallen akte niet in stand is gebleven. Het hof volgt dit standpunt van [appellant] niet om de volgende redenen.
3.24.
In de akte doorhaling hypotheek van 2 juli 2012, waarop [appellant] zijn standpunt baseert, staat dat de hypotheek is vervallen doordat ABN AMRO daarvan afstand heeft gedaan. ABN AMRO heeft deze afstand gedaan in het kader van de overdracht van het appartement en betaling aan haar van de koopsom voor het appartement. In de akte staat niet dat ABN AMRO tegenover [appellant] afstand heeft gedaan van haar vordering die resteerde na ontvangst van deze koopprijs. Evenmin staat in die akte dat de rechtsverhouding tussen ABN AMRO en [appellant] zou zijn vervallen. Het hof merkt daarbij ook op dat [appellant] geen partij is bij deze akte en hij daarom niet rechtstreeks een recht of aanspraak daaraan kan ontlenen. Het hof onderschrijft daarnaast in dit verband de overwegingen van de rechtbank, dat de stelling van [appellant] dat hij ervan mocht uitgaan dat geen restschuld meer bestond na doorhaling van de hypotheek niet geloofwaardig is. [appellant] was er immers mee bekend dat het appartement was geveild voor € 63.000,00, terwijl de hypothecaire geldlening € 151.000,00 in hoofdsom bedroeg. Dat [appellant] wist dat na veilingverkoop nog een aanzienlijke schuld resteerde wordt bevestigd door de correspondentie begin 2012 tussen Sociaal.nl, de toenmalig schuldhulpverlener van [appellant] , en HypoCasso namens ABN AMRO in het kader van een minnelijk voorstel. Sociaal.nl heeft toen namens [appellant] een minnelijk voorstel gedaan, kennelijk uitgaande van de door ABN AMRO opgegeven vordering (€ 165.652,42) waarop de opbrengst van de veiling van het appartement (€ 63.000,00) in mindering is gebracht.
Geen tekortschietende zorgplicht ABN AMRO
3.25.
[appellant] voert aan dat ABN AMRO beschikte over de contactgegevens van [appellant] , maar dat zij die gegevens niet heeft benut om de verjaring te stuiten. [appellant] verbindt daaraan de conclusie dat de wel door ABN AMRO verrichte handelingen geen stuiting van verjaring met zich mee brengen. Het hof volgt deze stellingname van [appellant] niet, om de volgende redenen.
3.26.
Volgens de algemene bepalingen die op de hypothecaire geldlening van toepassing zijn, was [appellant] verplicht om ABN AMRO binnen veertien dagen schriftelijk kennis te geven van elke wijziging in zijn adres. ABN AMRO voert aan dat [appellant] haar vanaf 2012 niet op de hoogte heeft gehouden van adreswijzigingen. [appellant] heeft daartegenover niet gesteld en niet onderbouwd dat hij adreswijzigingen wel aan ABN AMRO heeft doorgegeven. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] daarover verklaard dat hij dan de bank heel veel had moeten informeren en dat hij daarmee veel onduidelijkheid zou hebben gecreëerd. Dit is niet een valide reden om deze verplichting niet na te komen. Het hof gaat er daarom hierna vanuit dat [appellant] ABN AMRO niet op de hoogte heeft gehouden van zijn adreswijzigingen. ABN AMRO heeft daarnaast onweersproken naar voren gebracht dat zij in 2015 twee brieven heeft gestuurd naar [appellant] op een adres in [land2] dat op dat moment in het Kadaster aan [appellant] was gekoppeld, waarvan één aangetekend die niet door [appellant] is afgehaald. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat hij in die periode op dat adres woonde. Gezien deze feiten en omstandigheden kan [appellant] zich er niet gerechtvaardigd op beroepen dat ABN AMRO niet of onvoldoende heeft geverifieerd of de stuitingshandelingen hem hebben bereikt.
Periodieke inningen vanaf januari 2017 zijn stuitingshandelingen
3.27.
[appellant] heeft een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat door de maandelijkse inhoudingen op het salaris van [appellant] onder het loonbeslag - dus in de periode januari 2017 tot juli 2024 - iedere maand sprake was van een daad van rechtsvervolging, en dus stuiting van verjaring. [appellant] voert daarvoor aan dat door zulke inhoudingen niet aan de wettelijke voorwaarden van een stuitingshandeling wordt voldaan, te weten geen handelen van de schuldeiser richting de schuldenaar maar een nalaten/stilzitten richting de derde-beslagene. Het hof volgt dit standpunt van [appellant] niet, om de volgende redenen.
3.28.
Verjaring van een vordering zoals in dit geval kan worden gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, in dit geval ABN AMRO, die in de vereiste vorm geschiedt (artikel 3:316 lid 1 BW Pro). Zowel bij het instellen van een eis als bij een andere daad van rechtsvervolging in de zin van artikel 3:316 lid 1 BW Pro gaat het om een handeling die erop gericht is een vorderingsrecht geldend te maken. Onder een daad van rechtsvervolging wordt onder meer begrepen een daad van executie die in de vereiste vorm geschiedt. Niet alleen het leggen van een executoriaal loonbeslag zelf, maar ook de uitvoering daarvan door de periodieke inning van het door het beslag getroffen loon is van de zijde van ABN AMRO een daad van executie die erop is gericht om haar vorderingsrecht geldend te maken. Die periodieke inning is dan ook telkens een daad van rechtsvervolging zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 1 BW Pro. [2] Het oordeel van de rechtbank dat de maandelijkse inning uit hoofde van het executoriale loonbeslag een maandelijks terugkerende stuitingshandeling is, is dus juist. Daarop stuit de daartegen door [appellant] aangevoerde grief af.
Geen volmacht?
3.29.
[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat HypoCasso zonder volmacht namens ABN AMRO heeft opgetreden. [appellant] heeft daaraan echter geen kenbare consequentie voor de beoordeling van haar vorderingen aan verbonden, reden waarom het hof daaraan voorbij gaat.
Tussenconclusie: geen verjaring
3.30.
Het hof stelt op grond van bovenstaande overwegingen vast dat de vordering van ABN AMRO op [appellant] ten tijde van de uitwinning door middel van het loonbeslag niet was verjaard. ABN AMRO heeft verjaring van die vordering tijdig en rechtsgeldig gestuit door betekening van de notariële akte van geldlening met een bevel tot betaling op 31 mei 2016, door overbetekening van het loonbeslag op 31 januari 2017 en door de maandelijkse inhoudingen op grond van dat loonbeslag vanaf januari 2017. Om deze reden hoeft de vraag of ABN AMRO bevoegd zou zijn om de door haar geïnde bedragen te verrekenen met haar mogelijke vordering uit hoofde van een natuurlijke verbintenis niet aan de orde te komen.
BKR registratie
3.31.
[appellant] voert in zijn memorie van grieven aan dat in het register van BKR (Bureau Krediet Registratie) geen melding wordt gemaakt van een openstaande restschuld van hem aan ABN AMRO en dat de rechtbank ten onrechte geen rekening houdt met deze uitingen zijdens ABN AMRO. ABN AMRO voert daartegen aan dat haar vordering op [appellant] wel degelijk was opgenomen in het BKR-register en heeft uitdraaien daarvan, gedateerd 24 juli 2024 en 22 juli 2025, overgelegd. ABN AMRO heeft daarbij de manier van registratie toegelicht.
3.32.
Het hof volgt tegen deze achtergrond niet het standpunt van [appellant] dat uit de BKR-registratie blijkt dat ABN AMRO heeft erkend dat zij geen (rest)vordering op [appellant] heeft of dat ABN AMRO afstand van die (rest)vordering heeft gedaan. [appellant] heeft niet gesteld, en het is ook niet anderszins gebleken, dat hij aan deze registratie het vertrouwen heeft ontleend en redelijkerwijs heeft kunnen ontlenen dat ABN AMRO afstand heeft gedaan van haar (rest)vordering op hem.
ABN AMRO heeft bestanddelen van restschuld niet onderbouwd
3.33.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ABN AMRO na veiling van het appartement en ontvangst van de koopsom aanspraak heeft gemaakt op een bedrag in hoofdsom van € 108.406,20. Dat komt (na aftrek van het verschil tussen de hypotheeksom en de veilingopbrengst) neer op een achterstand in de termijnbetalingen plus kosten van € 20.406,20, aldus de rechtbank. De rechtbank overweegt dat een exacte berekening van deze bedragen in deze procedure ontbreekt, maar dat dit niet leidt tot de conclusie dat ABN AMRO heeft geveild zonder een vordering op [appellant] te hebben.
3.34.
[appellant] heeft een grief geformuleerd tegen deze overwegingen van de rechtbank. Hij voert aan dat ABN AMRO dit deel van de vordering niet heeft onderbouwd en dat om die reden de redelijkheid daarvan niet kan worden getoetst. [appellant] meent dat daarom ABN AMRO geen executiebevoegdheid toekomt, althans dat die beperkt is tot de wel aangetoonde restschuld, dat wil zeggen de oorspronkelijke € 151.000,00 minus de koopprijs van € 63.000,00, dus € 88.000,00.
3.35.
ABN AMRO heeft daartegen aangevoerd dat [appellant] in 2011 herhaaldelijk opgaves heeft ontvangen van de vordering van de bank en dat zij in twee veilingprocedures kosten heeft moeten maken. ABN AMRO voert in dat verband aan dat de opgave van de bank leidend is bij het bepalen van de omvang van de vordering en dat het aan [appellant] is om aan te tonen dat de opgaves niet juist zijn. Zij verwijst daarbij naar artikel 2.11 van de Algemene Bepalingen voor geldleningen, waarin staat:

Ten aanzien van het aan de geldgever verschuldigde zal de schuldenaar zich houden aan en genoegen nemen met de door de geldgever overeenkomstig zijn boeken verstrekte opgave. De opgave strekt gedurende de gehele looptijd van de lening tot bewijs voor het bedrag van de schuld. De schuldenaar heeft evenwel het recht om bij algehele voldoening of verhaal van de gehele schuld terug te vorderen hetgeen hij mocht bewijzen minder verschuldigd te zijn geweest dan hem ten laste werd gebracht”.
3.36.
Naar het oordeel van het hof heeft ABN AMRO tegenover [appellant] haar vordering, voor zover die de hoofdsom minus de koopprijs voor het appartement overstijgt, niet (voldoende) gespecificeerd en onderbouwd. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging.
3.37.
ABN AMRO heeft tegenover [appellant] niet inzichtelijk gemaakt uit welke bestanddelen het door ABN AMRO gevorderde bedrag bestaat, ondanks verzoeken daartoe van [appellant] . ABN AMRO heeft in haar informatievoorziening aan [appellant] , voor zover in onderhavige procedure is overgelegd, volstaan met het vermelden van totaalbedragen zonder onderbouwing, waardoor [appellant] niet in staat werd gesteld om het door ABN AMRO gevorderde en geïnde bedrag te beoordelen en zo mogelijk ter discussie te stellen. ABN AMRO heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat zij (ook) in deze procedure niet duidelijk heeft gemaakt waar de door haar in rekening gebrachte kosten, boven de hoofdsom, uit bestaan en zij niet heeft onderbouwd waar zij het in rekening brengen van deze kosten op baseert. ABN AMRO heeft daarover te weinig gesteld en evenmin een voldoende bewijsaanbod ter zake gedaan. Omdat ABN AMRO niet heeft gesteld op welk kostenbeding zij het in rekening brengen van deze kosten baseert, komt het hof niet toe aan (ambtshalve) onderzoek of een kostenbeding van ABN AMRO valt onder het bereik van Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten [3] en, als dit het geval is, of dat kostenbeding als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn moet worden aangemerkt. [4]
3.38.
De hiervoor geciteerde bepaling in de algemene voorwaarden waarnaar ABN AMRO wel verwijst maakt dit oordeel niet anders. Die bepaling komt er enerzijds op neer dat de administratie van ABN AMRO leidend is voor de bepaling van de omvang van het door de schuldenaar verschuldigde bedrag. Anderzijds houdt deze bepaling in dat ABN AMRO tegenover de schuldenaar, in dit geval [appellant] , inzichtelijk maakt uit welke bestanddelen het door ABN AMRO gevorderde bedrag bestaat. Die verantwoordelijkheid van ABN AMRO spreekt uit het gebruik van de term “
overeenkomstig zijn boeken verstrekte opgave” in de eerste volzin, waaruit blijkt dat ABN AMRO de schuldenaar een specificatie van de door haar in rekening gebrachte kosten moet verschaffen. Die verantwoordelijkheid spreekt ook uit de laatste volzin van deze bepaling, waaruit blijkt dat de schuldenaar de door ABN AMRO te verschaffen opgave moet kunnen toetsen en zo mogelijk weerleggen. Zoals hiervoor overwogen, heeft ABN AMRO [appellant] daartoe niet in staat gesteld.
3.39.
ABN AMRO heeft daarnaast aangevoerd dat [appellant] de vordering van ABN AMRO in 2012 heeft erkend voor een bedrag van € 102.652,42. Zij verwijst daarvoor naar de correspondentie tussen Sociaal.nl namens [appellant] en HypoCasso namens ABN AMRO in het kader van het schuldhulptraject. Naar het oordeel van het hof is in die correspondentie geen sprake geweest van erkenning door of namens [appellant] van verschuldigdheid van de totale door ABN AMRO gestelde vordering. Sociaal.nl schreef in haar brief aan HypoCasso van 29 februari 2012 dat de vordering van ABN AMRO in het overzicht van de schuldsituatie van [appellant] was opgenomen voor een bedrag van € 102.652,42 en deed in die brief een betalingsvoorstel van 23% tegen finale kwijting. HypoCasso schreef namens ABN AMRO in haar brief van 4 april 2012 dat zij niet akkoord was met dit voorstel. Voorafgaand aan deze correspondentie had [appellant] in een brief van 20 december 2011 ABN AMRO bovendien aangeschreven dat de bank niet had voldaan aan zijn verzoeken om de kosten te onderbouwen en dat hij de kosten die worden gevorderd voor het opzeggen van de hypotheek betwist.
De conclusie
3.40.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt deels, en wel voor wat betreft de omvang van de vordering waarvoor ABN AMRO het loonbeslag heeft uitgewonnen. Het hof zal daarom de vorderingen van [appellant] onder VI en VII deels toewijzen, en wel met de strekking dat:
 ABN AMRO aan hem moet betalen de inhoudingen die namens ABN AMRO zijn ontvangen uit hoofde van het loonbeslag voor zover die het saldo vormen van de volgende bestanddelen:
(i) het totale door ABN AMRO geïnde bedrag,
(ii) verminderd met € 88.000,00 (de hoofdsom van de hypothecaire lening minus de door ABN AMRO in 2012 ontvangen koopprijs van het appartement),
(iii) verminderd met de contractuele rente over het van tijd tot tijd uitstaande bedrag van de lening,
(iv) verminderd met de wettelijke beslagkosten, en
(v) vermeerderd met de wettelijke rente over het aldus door ABN AMRO aan [appellant] te betalen bedrag vanaf de dag van ontvangst door ABN AMRO tot aan de datum van betaling aan [appellant] ; en
 ABN AMRO binnen diezelfde periode een gemotiveerde opgave van het aldus aan [appellant] te betalen bedrag moet verstrekken.
3.41.
[appellant] heeft geen concrete reden aangevoerd waarom een dwangsom moet worden verbonden aan deze veroordeling, anders dan dat dit een prikkel tot nakoming zou vormen. Het hof ziet daarin in dit geval onvoldoende grond om dit deel van de vordering toe te wijzen.
3.42.
Het hof acht een termijn van twee weken ter voldoening door ABN AMRO aan deze veroordelingen onder de gegeven omstandigheden redelijk.
3.43.
Partijen hebben geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan de bewijsaanbiedingen gaat het hof daarom voorbij.
3.44.
Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het onderbouwen van de restschuld of over stuiting van de verjaring in geval de schuldenaar een consument is die geen BRP-adres heeft in Nederland, zoals [appellant] heeft verzocht.
3.45.
Het hof bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen. Om dezelfde reden wijst het hof de vordering van [appellant] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten niet toe.
3.46.
Gelet op deze uitkomst is de vordering van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen hij op grond van het bestreden vonnis aan ABN AMRO heeft betaald toewijsbaar.
3.47.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank van 11 december 2024 en beslist als volgt:
4.2.
veroordeelt ABN AMRO:
 Tot betaling aan [appellant] binnen twee weken na betekening van dit arrest van de inhoudingen die namens ABN AMRO zijn ontvangen uit hoofde van het loonbeslag voor zover die het saldo vormen van de volgende bestanddelen:
(i) het totale door ABN AMRO geïnde bedrag,
(ii) verminderd met € 88.000,00,
(iii) verminderd met de contractuele rente over het van tijd tot tijd uitstaande bedrag van de lening,
(iv) verminderd met de wettelijke beslagkosten, en
(v) vermeerderd met de wettelijke rente over het aldus door ABN AMRO aan [appellant] te betalen bedrag vanaf de dag van ontvangst door ABN AMRO tot aan de datum van betaling aan [appellant] ; en
 Aan [appellant] binnen twee weken na betekening van dit arrest een gemotiveerde opgave van het aldus te restitueren bedrag te verstrekken;
4.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
4.4.
veroordeelt ABN AMRO tot terugbetaling aan [appellant] van hetgeen [appellant] op grond van het vonnis van 11 december 2024 aan ABN AMRO heeft betaald;
4.5.
verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.J. van der Korst, H.L Wattel en J.G.B. Pikkemaat, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:231, rov. 3.9.
2.HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:231, rov. 2.4.
3.Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
4.HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691.