ECLI:NL:GHARL:2026:1793

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.349.522
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:166 BWArt. 25 RvArt. 150 RvArt. 159 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake onrechtmatige daad door diefstal en bedreiging bij wegnemen kunstwerken

In deze civiele zaak staat centraal of de actie van de geïntimeerden, waarbij zij kunstwerken uit de woning/galerie van appellant onder bedreiging van geweld hebben weggenomen, onrechtmatig jegens appellant is. De rechtbank had geoordeeld dat geen onrechtmatige daad was bewezen, mede omdat niet was vastgesteld dat de kunstwerken eigendom waren van appellant.

Het hof stelt vast dat de strafrechter de geïntimeerden onherroepelijk heeft veroordeeld voor diefstal in vereniging met bedreiging van geweld, wat de onrechtmatigheid van hun handelen bevestigt. Het hof oordeelt dat de actie in strijd was met het maatschappelijk verkeer en dat groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW Pro van toepassing is. Ook de geïntimeerde die niet fysiek aanwezig was, maar actief bij de planning betrokken was, draagt schuld.

De discussie over eigendom van de kunstwerken, met name die van een kunstenaar die een exclusiviteitsovereenkomst betwist en waarvan de handtekening mogelijk vervalst is, leidt tot aanhouding van het oordeel over schadevergoeding. Het hof staat appellant toe bewijs te leveren over eigendom en aanwezigheid van kunstwerken van derden op de actiedag. Verder bewijs wordt ook toegelaten voor investeringen in promotiemateriaal en galerie.

De zaak wordt aangehouden voor bewijsverrichtingen, waarbij getuigen zullen worden gehoord. Het hof wijst op de procedurele regels voor het getuigenverhoor en houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat de actie onrechtmatig was en groepsaansprakelijkheid geldt, maar houdt bewijsverrichtingen aan over eigendom en schadevergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.349.522
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 412571
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van:

1.[appellante1] GmbH ( [appellante1] )

die is gevestigd in [vestigingsplaats] ( [land] )
2. [appellant2] ( [appellant2] )
die woont in [woonplaats1]
hierna samen: [appellant] en apart [appellante1] respectievelijk [appellant2] (in mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. J.J.M. Cliteur
tegen

1.[geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )

die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. T.P. Timmers

2. [geintimeerde2] ( [geintimeerde2] )

die woont in [woonplaats3]
advocaat: mr. J.M.P. Schobbers-Deinum

3. [geïntimeerde3] ( [geïntimeerde3] )

die woont in [woonplaats4]
advocaat: mr. D.E. van Oeveren

4. [geïntimeerde4] ( [geïntimeerde4] )

die woont in [woonplaats5]
advocaat: mr. R.A.D. Koppelaar

5. [geïntimeerde5] ( [geïntimeerde5] )

die woont in [woonplaats6]
advocaat: mr. M.C.A. Geerts
hierna samen: [geïntimeerden] c.s.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 4 oktober 2023 (het tussenvonnis) en 18 september 2024 (het eindvonnis) tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memories van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 4 december 2025 is
gehouden.

2.Kern van de zaak

2.1
[appellant2] is een kunsthandelaar. [appellant2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [appellante1] . In zijn woning/galerie in [plaats] (hierna: de woning) waren kunstwerken aanwezig. Waaronder een aantal kunstwerken die zijn gemaakt door [geïntimeerde4] , [geïntimeerde3] en [geïntimeerde5] .
2.2
Op 5 mei 2022 hebben [geïntimeerde3] , [geïntimeerde4] , [geïntimeerde5] en [geintimeerde2] diverse kunstwerken uit de woning/galerie van [appellant] gehaald (hierna te noemen: de actie).
2.3
[geïntimeerden] c.s. zijn voor deze actie strafrechtelijk vervolgd. Zij zijn kort gezegd veroordeeld voor diefstal in vereniging met bedreiging van geweld, waarbij aan elk van hen een taakstraf van 240 uur is opgelegd. [geintimeerde2] heeft daarnaast, omdat hij ook is veroordeeld voor diefstal in vereniging met geweld en diefstal met geweld, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opgelegd gekregen. Deze strafvonnissen zijn inmiddels onherroepelijk geworden.
2.4
In deze zaak draait het allereerst om de vraag of de actie van [geïntimeerden] c.s. ten opzichte van [appellant] onrechtmatig is. [appellant] vordert onder meer teruggave van een aantal kunstwerken en schadevergoeding. [geïntimeerden] c.s. verweren zich daartegen.
2.5
[geïntimeerde3] en [geïntimeerde5] hebben tegenvorderingen ingesteld die erop neerkomen dat zij willen dat de beslagen die [appellant] ten laste van hen heeft gelegd, worden opgeheven. Verder vordert [geïntimeerde3] de teruggave van een aantal kunstwerken. [appellant] heeft zich tegen deze vorderingen verweerd.
2.6
De rechtbank heeft in haar eindvonnis de vorderingen [appellant] afgewezen en de vorderingen van [geïntimeerde3] en [geïntimeerde5] deels toegewezen.
2.7
Met die uitkomst is [appellant] het niet eens. Hij heeft daarom hoger beroep ingesteld. [geïntimeerden] c.s zijn het met het eindoordeel van de rechtbank eens.

3.Feiten

Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van de feiten zoals de rechtbank die onder 2.1 tot en met 2.20 van het tussenvonnis heeft vastgesteld.

4.De beoordeling in hoger beroep

Omvang van het hoger beroep
4.1
In rechtsoverweging 6.11 van het tussenvonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] in verband met de “schadeclaim van [naam1] ” afgewezen. Daartegen heeft [appellant] niet kenbaar gegriefd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellant] desgevraagd bevestigd dat dit onderwerp geen deel uitmaakt van het hoger beroep. Wel heeft [appellant] de misgelopen (commissie over de) verkoopopbrengst van deze kunstvoorwerpen in zijn hoger beroep betrokken (dat zal het hof in rechtsoverweging 4.20 behandelen).
4.2
In rechtsoverweging 6.12 van het tussenvonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] met betrekking tot de kunstboeken van [naam2] afgewezen. Daartegen heeft [appellant] niet kenbaar gegriefd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellant] desgevraagd bevestigd dat dit onderwerp geen deel uitmaakt van het hoger beroep.
4.3
In rechtsoverweging 3.4 van het eindvonnis is de vordering van [geïntimeerde3] met betrekking de teruggave van “ [naam3] ” toegewezen. [appellant] heeft daartegen niet kenbaar gegriefd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellant] desgevraagd bevestigd dat dit onderwerp geen deel uitmaakt van het hoger beroep.
Onrechtmatige daad
4.4
De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] c.s. niet onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld. Volgens de rechtbank is niet komen vast te staan dat aan de vereisten van onrechtmatige daad dan wel groepsaansprakelijkheid is voldaan. Ten aanzien van de door [geïntimeerde4] vervaardigde kunstvoorwerpen is volgens de rechtbank niet komen vast te staan dat deze eigendom waren van [appellant] . Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de kunstvoorwerpen die door [geïntimeerde3] , [geïntimeerde5] en [naam2] zijn gemaakt. Aldus is niet gebleken dat er een inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant] is gemaakt, zodat van onrechtmatig handelen niet is gebleken, aldus de rechtbank (in onder meer r.o. 2.13 van het eindvonnis).
4.5
In hoger beroep komt [appellant] hier met meerdere grieven tegen op. Daarbij verwijt hij de rechtbank onder meer (in grief 1) dat zij geen, althans onvoldoende, aandacht aan de strafrechtelijke vervolging van [geïntimeerden] c.s. heeft besteed. De (inmiddels onherroepelijke) veroordeling(en) van [geïntimeerden] c.s. brengen mee dat de onrechtmatigheid van het handelen van [geïntimeerden] c.s. vaststaat.
Volgens [geïntimeerden] c.s. heeft [appellant] als grondslag voor zijn vorderingen slechts aangevoerd dat sprake is van een onrechtmatige daad vanwege de inbreuk op zijn eigendomsrecht. Nu niet is gebleken dat bij de actie eigensommen van [appellant] zijn meegenomen, faalt deze grondslag ook in hoger beroep. Andere grondslagen zijn niet aangevoerd.
4.6
De stellingen van [appellant] in hoger beroep die inhouden dat en waarom het handelen van [geïntimeerden] c.s. strafrechtelijk laakbaar is gebleken, kunnen naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat de actie volgens [appellant] (ook) in strijd komt met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dat is in overeenstemming met hetgeen op de mondelinge behandeling in hoger beroep aan de orde is gekomen en waarop [geïntimeerden] c.s. hebben gereageerd.
[appellant] heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het evident onrechtmatig is om, onder bedreiging van geweld en intimidatie, met het gebruik van een list zijn woning binnen te dringen en goederen mee te nemen. Daarbij speelt een rol dat het bovendien een gecoördineerde actie van [geïntimeerden] c.s. is geweest, waarbij zij getalsmatig (zeven man sterk) de overhand hadden en dat hebben ingezet om [appellant2] te beletten de woning/galerie te verlaten of zich met succes tegen de actie te verzetten. Dit heeft ongeveer veertig minuten geduurd, waarbij [appellant2] fysiek in bedwang werd gehouden nadat hij met een wielsleutel of een dergelijk voorwerp is geslagen, door hem vast te binden met tie-wraps en ducttape en hem onder een kleed te leggen. Daarbij is [appellant2] gewond geraakt, aldus [appellant] .
Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze stellingen dat [appellant] aan zijn vorderingen ook het handelen in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt ten grondslag heeft gelegd. Hij heeft die grondslag onderbouwd met een opsomming van de feiten en omstandigheden die tijdens de actie hebben plaatsvonden en [geïntimeerden] c.s. hebben zich ook tegen deze verwijten verweerd.
Hoe dan ook rechtvaardigen de door [appellant] aangevoerde feiten het ingeroepen rechtsgevolg op de hier bedoelde rechtsgrond, zodat het hof -voor zover al nodig- de rechtsgronden in dit opzicht aanvult (artikel 25 Rv Pro).
4.7
Bij de beoordeling van deze grondslag stelt het hof het volgende voorop.
De meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland heeft ten aanzien van [geïntimeerden] c.s. telkens (in elk geval) bewezen verklaard:
“op 5 mei 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, uit een woning gelegen
aan de (…..), schilderijen en beelden, die geheel of ten dele aan [appellant2]
toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te
eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld
tegen voornoemde [appellant] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te
maken, door;
- van te voren een plan van aanpak te maken en dit plan meermalen door te spreken en
- naar de woning van voornoemde [appellant] te gaan en
- nadat door medeverdachte[geïntimeerden] c.s. , hof]
de deur van de woning werd geopend, voornoemde
woning binnen te dringen en
- dreigend in de buurt van voornoemde [appellant] te gaan staan en voornoemde [appellant]
gedurende een periode van ongeveer 40 minuten in bedwang te houden en
- voornoemde [appellant] te beletten om weg te gaan en zich te verplaatsen en te handelen
tegen verdachte en zijn mededaders.”
Daarbij is van belang dat de strafkamer van de rechtbank ten aanzien van alle verdachten ( [geïntimeerden] c.s. ) tot de conclusie is gekomen dat de diefstal betrekking had op zowel de kunstwerken van [geïntimeerde3] , [geïntimeerde5] en [geïntimeerde4] alsmede op de overige kunstwerken die uit de woning van [appellant] zijn meegenomen.
Het in de memories van antwoord gevoerde verweer van [geïntimeerde3] , [geïntimeerde5] en [geïntimeerde4] dat zij (elk) alleen zijn veroordeeld voor de diefstal van hun eigen werken en het verweer van de overige geïntimeerden dat zij alleen zijn veroordeeld ten aanzien van de diefstal met betrekking tot de werken van [geïntimeerde3] , [geïntimeerde5] en [geïntimeerde4] , wordt daarom verworpen. [geïntimeerden] c.s. zijn elk veroordeeld voor zowel de diefstal van de werken van [geïntimeerde3] , [geïntimeerde5] en [geïntimeerde4] als ten aanzien van de diefstal van de andere kunstwerken die uit de woning van [appellant] zijn meegenomen. Het hof zal verder spreken van: alle kunstwerken.
4.8
[geïntimeerden] c.s. zijn, bij vonnissen op tegenspraak, zoals hiervoor onder 4.7 vermeld, in elk geval veroordeeld tot een taakstraf. Deze vonnissen zijn in kracht van gewijsde gegaan, omdat [geïntimeerden] c.s. geen hoger beroep hebben ingesteld.
4.9
De strafrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] c.s. :
  • op 5 mei 2022 onder (het voorafgaan en vergezeld van) bedreiging van geweld kunstwerken uit de woning van [appellant] hebben weggehaald;
  • door die woning binnen te dringen;
  • en dreigend in de buurt van [appellant2] te gaan staan en hem gedurende een periode van 40 minuten in bedwang te houden en
  • hem te beletten weg te gaan, zich te verplaatsen en te handelen tegen [geïntimeerden] c.s.
Door [geïntimeerden] c.s. is dit in hoger beroep ook niet langer betwist, althans hebben zij daartegenover geen voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat de gang van zaken bij de actie op 5 mei 2022 een andere zou zijn geweest. Daarmee hebben zij de feiten en omstandigheden waarop de strafvonnissen tegen elk van hen berusten niet concreet weerlegd.
4.1
Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een handelen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. De brute wijze waarop [geïntimeerden] c.s. tijdens de actie de kunstwerken hebben weggehaald, is in velerlei opzichten onzorgvuldig jegens [appellant] . Het overval karakter van de actie in combinatie met de bewezen verklaarde bedreiging met geweld tegen en de vrijheidsberoving van [appellant2] staat in geen verhouding met de (gestelde) vrees bij [geïntimeerden] c.s. dat zij hun bezittingen en investeringen niet terug zouden krijgen van [appellant] . Het had in dat kader op de weg van [geïntimeerden] c.s. gelegen om via justitie, een advocaat of deurwaarder hun (gestelde) rechten op [appellant] geldend te maken. Door het recht in eigen hand te nemen, op een brute wijze, hebben [geïntimeerden] c.s. het maatschappelijk betamelijke ruim overschreden. Een aantal van hen heeft daarvan ook spijt, zoals tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken.
4.11
Dat betekent dat het hoger beroep van [appellant] slaagt, in die zin dat de actie jegens [appellant] onrechtmatig is. Deze actie kan ook aan [geïntimeerden] c.s. worden toegerekend, in de zin van artikel 6:162, lid 3 BW. Het betrof een gecoördineerde en goed voorbereide actie, met als doel om kunstwerken bij [appellant] weg te halen, zoals [geïntimeerden] c.s. ook erkennen. Daaraan hebben zij schuld.
Dat het niet de bedoeling is geweest, zoals enkele van geïntimeerden stellen, om [appellant2] zijn vrijheid te benemen, vast te binden en hem aldus te traumatiseren en het evenmin de bedoeling was om meer kunstwerken mee te nemen dan aan elk van de kunstenaars toebehoorden, doet aan die toerekening niet af. Door de actie zo in te zetten, hebben [geïntimeerden] c.s. in ieder geval het risico genomen dat een en ander uit de hand zou lopen. Dat komt naar verkeersopvattingen evenzeer voor hun rekening.
Groepsaansprakelijkheid
4.12
In artikel 6:166 BW Pro is bepaald dat groepsleden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door één van hen toegebrachte schade. Het gaat hier om aansprakelijkheid voor een eigen onrechtmatige daad die daaruit bestaat dat een persoon heeft deelgenomen aan gedragingen in groepsverband waarvan de kans op het toebrengen van schade hem van zijn deelneming aan de gemeenschappelijke gedragingen had behoren te weerhouden. Of sprake is van handelen in groepsverband moet objectief en subjectief vastgesteld worden. Dat betekent dat de individuele deelnemer zelf daadwerkelijk een bijdrage moet hebben geleverd aan de gedragingen die het gevaar voor schade hebben doen ontstaan, wat niet betekent dat hij zelf daadwerkelijk aan het toebrengen van de schade moet hebben meegewerkt, en er moet sprake zijn van een bewust gezamenlijk optreden van de verschillende deelnemers, waarbij opzet gericht op het toebrengen van de schade niet is vereist. Bij de beoordeling van de vraag of de groepsdeelnemer zich van deelneming aan de gemeenschappelijke gedragingen had behoren te weerhouden, is relevant dat de groepsdeelnemer de kans op het toebrengen van de schade (zoals deze is toegebracht) had behoren te voorzien. De gezamenlijkheid van het handelen moet bovendien de kans op schade hebben verhoogd (door het ontstaan van een sfeer die het gevaar oproept of vergroot) en de deelnemers moeten deze kans bewust hebben aanvaard. Ook is vereist dat het gedrag van de deelnemer hem als een onrechtmatige daad kan worden toegerekend. Tot slot moet de handeling waardoor de schade de facto wordt toegebracht, een onrechtmatige daad jegens de gelaedeerde opleveren.
4.13
Door [geïntimeerden] c.s. is niet betwist dat het doel van de actie was om de eigen kunst van de kunstenaars terug te halen. Dat hebben zij ook tijdens de zitting bij dit hof bevestigd. De actie was het resultaat van een goed voorbereid en gericht gezamenlijk plan van [geïntimeerden] c.s. Doel van dat plan was -aldus gezegd- om de kunst van de drie kunstenaars terug te halen. Door deze actie zo op te zetten, met een overmacht van mensen de woning van [appellant] binnen te treden, behoorden [geïntimeerden] c.s. in elk geval te begrijpen dat daarmee het risico bestond dat de drie kunstenaars ( [geïntimeerde3] , [geïntimeerde5] en [geïntimeerde4] ) niet alleen hun eigen kunst zouden meenemen, maar ook de kunst van de andere kunstenaars in de groep en andere kunstwerken die zich in de woning bevonden. Tevens hebben zij aldus het risico genomen dat door de overmacht aan personen die aan deze actie mee hebben gedaan, het listige karakter daarvan en de bedreiging met geweld, de actie uit de hand zou lopen, zoals ook is gebeurd. Dat had [geïntimeerden] c.s. van de deelname aan deze actie moeten weerhouden, Dat niet kan worden vastgesteld wie precies welk aandeel in de actie had en wie precies wat uit de woning heeft meegenomen, is daarbij niet van belang. Het risico dat meer zou worden meegenomen dan per kunstenaar alleen zijn eigen kunst, vloeit immers voort uit de vormgeving van de gezamenlijke actie waarbij [geïntimeerden] c.s. het risico voor lief hebben genomen dat er meer of andere goederen zouden worden meegenomen dan waarvoor de actie oorspronkelijk was bedoeld. Ook dat risico heeft hen ook niet weerhouden van het meedoen aan die actie.
Dat gaat echter niet zover dat zij daarmee ook het risico hebben genomen dat andere goederen dan kunstwerken (zoals bijvoorbeeld de telefoon, aktetas e.d. van [appellant] zouden worden weggenomen). Daarop was de actie duidelijk niet gericht.
4.14
Dit betekent dat [geïntimeerden] c.s. op grond van artikel 6:162 in Pro verbinding met artikel 6:166 BW Pro in groepsverband onrechtmatig hebben gehandeld en daarmee aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant] als gevolg van de actie heeft geleden. Ook hiervoor geldt dat deze onrechtmatigheid hen individueel kan worden toegerekend. Het hof verwijst naar wat het daarover hiervoor heeft overwogen.
4.15
Dat geldt ook ten aanzien [geïntimeerden] . Zij was weliswaar niet aanwezig bij de actie zelf, maar heeft onvoldoende weersproken dat zij bij het plannen van de actie een actieve rol heeft gespeeld. Zij heeft veelvuldig zowel een op een telefonisch contact gehad met de andere geïntimeerden en ook is zij aanwezig geweest bij de bijeenkomst(en) waarbij de actie werd voorbereid. Ook heeft zij de andere geïntimeerden aanwijzingen gegeven over de lay-out en inrichting van de woning van [appellant] , ten behoeve van een spoedig verloop van de actie. Ook bij [geïntimeerden] is daarom sprake van schuld.
4.16
Bij deze stand van zaken, kan in het midden blijven of de actie ook een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [appellant] .
Schade
4.17
Vervolgens moet worden beoordeeld of de door [appellant] in dit geding gevorderde schade in een causaal verband staat met het onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] c.s.
[appellant] heeft schadevergoeding gevorderd met betrekking tot van elkaar te onderscheiden bij de actie weggenomen goederen:
1. Gemiste inkomsten door wegnemen kunstwerken die geen eigendom van [appellant] waren;
2. Waarde van weggenomen kunstwerken die eigendom van [appellant] waren, te onderscheiden naar
a. kunstwerken gemaakt door [geïntimeerde4] en
b. kunstwerken gemaakt door derden;
3. Waarde van weggenomen overige goederen;
4. Tevergeefs gedane investeringen in promotiemateriaal en galerie/woning.
Ad 3: waarde van weggenomen overige goederen
4.18
De strafrechter heeft geoordeeld dat de diefstal van de andere goederen, zoals de laptop, kunstboeken, telefoon en een aktetas niet bewezen is verklaard. Het Openbaar Ministerie heeft volgens de rechtbank niet kunnen bewijzen dat [geïntimeerden] c.s. daarbij betrokken waren. Die vonnissen zijn ook op dit onderdeel onherroepelijk.
Het had op de weg van [appellant] gelegen om in deze civiele procedure voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat [geïntimeerden] c.s. zich wel schuldig hebben gemaakt aan het wegnemen van deze goederen uit de woning van [appellant] . Dat heeft hij niet gedaan. Ook overigens is in deze zaak niet gebleken dat [geïntimeerden] c.s. betrokken waren bij het wegnemen van deze goederen.
Ad 1:gemiste inkomsten door wegnemen kunstwerken die geen eigendom van [appellant] waren
4.19
Onderdeel van de door [appellant] gevorderde schade heeft betrekking op de kunstwerken van [geïntimeerde3] en [geïntimeerde5] , die bij de actie uit de woning van [appellant] zijn weggenomen. De schade bestaat volgens [appellant] ook uit de door hem misgelopen winst doordat hij de kunstwerken, die weliswaar aan [geïntimeerde3] en [geïntimeerde5] toebehoorden, niet meer kon verkopen en hij aldus zijn commissie daarover is misgelopen.
Volgens [geïntimeerde3] en [geïntimeerde5] zijn de kunstwerken hen steeds blijven toebehoren en ontbreekt in ieder geval het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gevorderde schade.
4.2
De rechtbank heeft in (r.o. 6.11 van) het tussenvonnis geoordeeld dat het wegnemen van de kunstwerken van [geïntimeerde3] en [geïntimeerde5] geen inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant] vormt, nu deze kunstwerken beide kunstenaars zelf toebehoorden. Op bladzijde 2 van zijn memorie van grieven heeft [appellant] aangegeven niet op te komen tegen dit oordeel van de rechtbank.
Ook als de onrechtmatigheid van het terugnemen van deze werken wordt aangenomen, kan echter de vordering van [appellant] (die ziet op de gemiste marge) niet worden toegewezen. [appellant] heeft namelijk onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om het oordeel te rechtvaardigen dat hij zijn werkzaamheden voor [geïntimeerde3] en [geïntimeerde5] had kunnen voortzetten als de actie niet had plaatsgehad. Zo heeft hij bijvoorbeeld niet aangevoerd dat de kunstenaars met [appellant] hadden afgesproken dat de consignatie/bewaarneming voor een bepaalde periode zou zijn en zij in die periode niet over hun eigendommen konden beschikken. Ook voor het overige stelt [appellant] onvoldoende om aan te nemen dat hij met instemming van de kunstenaars de gestelde marge had kunnen maken als de actie niet had plaatsgehad. Die instemming met de voortzetting van zijn werkzaamheden is namelijk niet uit de gesloten overeenkomsten af te leiden en is ook anderszins niet gebleken. In de gang van zaken kan eerder aanleiding worden gevonden om aan te nemen dat de kunstenaars daarmee juist niét zouden hebben ingestemd. [appellant] heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat bij gebrek aan instemming de kunstenaars een zodanige opzegtermijn hadden moeten hanteren dat hij daarbinnen, anders dan in de periode voor de actie, er wel in geslaagd zou zijn om werken van de kunstenaars te verkopen en de gestelde marge te maken. Het hof acht daarom de mogelijkheid van schade in dit opzicht onvoldoende aannemelijk.
Ook is niet komen vast te staan dat de consignatieovereenkomsten [appellant] het recht gaven de kunstwerken namens de kunstenaars te verkopen en dat een eventuele verkoopmarge 15% zou bedragen. Deze vorderingen van [appellant] zijn door de rechtbank daarom terecht afgewezen.
Datzelfde geldt voor de vordering van [appellant] die ziet op de gemiste marge voor de door [naam1] vervaardigde kunstwerken. Deze kunstwerken zijn in januari 2023 teruggegeven aan [naam1] en hadden, zoals [geïntimeerden] c.s. terecht betogen, door [naam1] weer in consignatie kunnen worden gegeven aan [appellant] . Daarmee had [appellant] dan weer verkoopopbrengst/marge kunnen realiseren. Dat dat niet is gebeurd, kan niet aan [geïntimeerden] c.s. worden verweten en staat in ieder geval in de weg aan het causaal verband tussen het onrechtmatige handelen van [geïntimeerden] c.s. en deze door [appellant] gevorderde schade. [appellant] heeft dat onvoldoende gemotiveerd weersproken.
Ad 2a: kunstwerken [geïntimeerde4]
4.21
De schadevordering van [appellant] waar het gaat om de kunst die is gemaakt door [geïntimeerde4] , is gebaseerd op de stelling dat die kunst eigendom is van [appellant] . Dat zou voortvloeien uit de exclusiviteitsovereenkomst van 30 augustus 2019 en de door [geïntimeerde4] volgens [appellant] voor akkoord getekende overzichten. Volgens [appellant] blijkt daaruit dat [geïntimeerde4] de kunstwerken aan hem heeft overgedragen, als tegenprestatie voor zijn financiering.
[geïntimeerde4] heeft de ondertekening van de overeenkomst betwist. De handtekening die op de overeenkomst staat, is niet van hem, maar een vervalsing, aldus [geïntimeerde4] .
De rechtbank heeft naar aanleiding van dit verweer een handschriftdeskundige gevraagd een onderzoek uit te voeren. Deze deskundige heeft in zijn rapport geconcludeerd dat het waarschijnlijker is dat de betwiste handtekeningen vervalsingen zijn dan authentieke handtekeningen van [geïntimeerde4] . Op basis daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de overeenkomst geen dwingende bewijskracht toekomt. Omdat [appellant] geen andere concrete stellingen had ingenomen waaruit volgt dat de door [geïntimeerde4] gemaakte kunstvoorwerpen eigendom van [appellant] zijn geworden, heeft de rechtbank ook dit onderdeel van de vorderingen van [appellant] afgewezen.
Daartegen komt [appellant] in dit hoger beroep op.
4.22
Allereerst betoogt [appellant] dat hij ten onrechte met de stelplicht en de bewijslast van de overeenkomst en de daarin volgens hem opgenomen eigendomsoverdracht, is belast. Gezien de gewelddadige en voor hem traumatiserende actie bij het wegnemen van onder andere deze kunstwerken, is er alle reden om die bewijslast anders te verdelen.
Daarin volgt het hof hem niet. Dat de actie traumatisch is geweest voor [appellant] is meegewogen door de strafrechter en door dit hof in het onrechtmatigheidsoordeel. Er is geen aanleiding om dat ook te laten meewegen bij de verdeling van stelplicht en bewijslast waar het (de omvang van) de schade betreft. Het deelnemen van [geïntimeerde4] aan de actie staat in een te ver verwijderd verband tot het antwoord op de vraag of een overeenkomst door [geïntimeerde4] zou zijn ondertekend om op deze grond tot een andere verdeling van de bewijslast te komen.
Los daarvan vloeit in de gegeven omstandigheden uit de redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van het hof evenmin een andere verdeling van de bewijslast voort. Daarvoor heeft [appellant] geen voldoende concrete omstandigheden gesteld. Onvoldoende vindt het hof daarvoor de proceshouding van [geïntimeerde4] in de strafrechtelijke en civiele procedure en de door [appellant] genoemde onjuistheden in zijn verklaringen. Dat klemt temeer nu daartegenover staat dat [appellant] heeft erkend de overeenkomst zelf geantedateerd te hebben (deze is niet van augustus 2019 maar uit 2020/2021). In het licht van die laatste omstandigheid lijkt het dus juist meer in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid om, in overeenstemming met de in artikel 150 Rv Pro neergelegde hoofdregel, stelplicht en bewijslast te laten rusten op [appellant] . Ook het door [appellant] overgelegde whatsappbericht van [geïntimeerde4] (productie 13 memorie van grieven) maakt dat niet anders, omdat daaruit niet is af te leiden dat de door [appellant] gestelde afspraken ook volgens [geïntimeerde4] zijn gemaakt en evenmin dat [geïntimeerde4] ermee instemde dat [appellant] een schriftelijke vastlegging van afspraken van een onjuiste datum zou voorzien. [appellant] heeft als de partij die de rechtsgevolgen van deze afspraak/ overeenkomst en daaruit voortvloeiende eigendom van de kunstwerken van [geïntimeerde4] inroept, daarvan de stelplicht en bewijslast. De door hem overgelegde overeenkomst van augustus 2019 heeft op grond van artikel 159 lid 1 Rv Pro in beginsel dwingende bewijskracht. Dat is echter niet het geval als de handtekening -zoals hier- stellig wordt betwist, althans niet zolang niet wordt bewezen van wie de ondertekening afkomstig is. Daarom heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast en op basis daarvan aan die overeenkomst dwingende bewijskracht ontzegd.
[geïntimeerde4] heeft in hoger beroep de stellige betwisting gehandhaafd: volgens hem is de handtekening onder de overeenkomst niet van hem, maar een vervalsing.
Volgens [appellant] mag het hof niet afgaan op het deskundigenbericht uit de eerste aanleg. Volgens hem is er sprake van een gebrekkige rapportage, was de deskundige niet onafhankelijk en heeft hij zich niet aan de procedureregels gehouden. Ook de (waarschijnlijkheids-)conclusie van de deskundige is onjuist, althans heeft minder waarde dan de rechtbank daaraan heeft toegekend.
4.23
Het hof deelt de kritiek van [appellant] op het deskundigenbericht niet. Het hof volgt [appellant] niet in het betoog dat de deskundige niet onafhankelijk zou zijn omdat hij kennis heeft genomen van de conclusie van antwoord van [geïntimeerde4] en niet van andere processtukken. De deskundige heeft op enig moment de processtukken (van de procedure bij de rechtbank) bij de advocaten van partijen opgevraagd. Gesteld noch gebleken is dat de advocaten dit verzoek niet hebben ontvangen.
De advocaat van [geïntimeerde4] heeft daarop de conclusie van antwoord (namens [geïntimeerde4] ) opgestuurd aan de deskundige. De advocaat van [appellant] heeft aan die vraag geen opvolging gegeven. Dat is een eigen keuze van de advocaat van [appellant] geweest, in weerwil van de opdracht in het tussenvonnis (onder 8.9 van het dictum) om de deskundige desgevraagd informatie te verschaffen. In ieder geval leidt het kennisnemen van de conclusie van antwoord niet tot de door [appellant] getrokken conclusie dat de deskundige niet onafhankelijk zou zijn.
De overige bezwaren van [appellant] tegen de deskundige en zijn rapport (met name dat dit zou
rammelen) zijn onvoldoende concreet onderbouwd en ten opzichte van de eerste aanleg ook niet aangevuld of nader onderbouwd, zodat het hof met de rechtbank van oordeel is dat de deskundige in zijn conclusies gevolgd kan worden. Het hof verwijst naar het eindvonnis (r.o. 2.8 tot en met 2.11) en maakt het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel tot het zijne.
4.24
Ook het verwijt dat het onderzoek van de deskundige de conclusie (het is waarschijnlijker dat de betwiste handtekeningen vervalsingen zijn dan authentieke handtekeningen van [geïntimeerde4] ) niet kan dragen en dat die conclusie in zichzelf onvoldoende is om aan de dwingende bewijskracht van de overeenkomst af te doen, neemt het hof niet over.
In het rapport wordt geen uitspraak gedaan over de waarschijnlijkheid van de geformuleerde hypothesen maar over de waarschijnlijkheid van de onderzoeksresultaten in het licht van beide hypothesen. De deskundige heeft in zijn rapport gebruik maakt van de zogeheten waarschijnlijkheidstrap, die er in gradatie (oplopend) als volgt uitziet:
- even waarschijnlijk
- iets waarschijnlijker
- waarschijnlijker
- veel waarschijnlijker
- zeer veel waarschijnlijker
- extreem veel waarschijnlijker.
Op basis van zijn onderzoek heeft de deskundige geconcludeerd dat het waarschijnlijker is dat de betwiste handtekeningen vervalsingen zijn van de handtekeningen van [geïntimeerde4] dan dat de betwiste handtekeningen authentieke handtekeningen zijn van [geïntimeerde4] . Daartoe heeft de deskundige onderzoek gedaan naar de betwiste handtekeningen en de referentiehandtekeningen van [geïntimeerde4] . Het hof vindt de materiaalbeoordeling (hoofdstuk 4 van het onderzoek), de resultaten van het vergelijkend onderzoek (hoofdstuk 5) en de interpretatie van de resultaten (hoofdstuk 6 van het rapport) overtuigend. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het deskundigenbericht voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat de conclusie van de deskundige wordt gedragen door zijn onderzoek. Dat het onderzoek leidt tot genoemd “waarschijnlijkheidsoordeel” en niet tot een hogere trap (zoals veel waarschijnlijker of zeer veel waarschijnlijker) doet niet af aan de betrouwbaarheid van de conclusies van de deskundige, maar is inherent aan de wijze van onderzoek en de beperkte beschikbaarheid van vergelijkingsmateriaal (zo heeft de deskundige niet kunnen beschikken over de proces-verbalen van aangifte en is de handtekening van [geïntimeerde4] in zijn paspoort van matige kwaliteit ). Dat zijn nu eenmaal de beperkingen van een onderzoek als dit.
Overigens heeft [appellant] noch in hoger beroep, noch in eerste aanleg van de gelegenheid gebruik gemaakt om een rapport van een eigen handschriftdeskundige over te leggen, waaruit zou blijken dat de door de rechtbank benoemde deskundige een verkeerde conclusie heeft getrokken. Onder verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank op dit onderdeel (r.o. 2.8 tot en met 2.11 van het eindvonnis) die het hof tot de zijne maakt, gaat het hof uit van de juistheid van het deskundigenrapport. Dat betekent dat niet kan worden uitgegaan van de dwingende bewijskracht van de overeenkomst.
4.25
Wel zal [appellant] (in het licht van zijn stellingen en bewijsaanbod) worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij met [geïntimeerde4] heeft afgesproken dat de (eigendoms-)rechten van de door [geïntimeerde4] gemaakte en nog te maken kunst aan [appellant] is of zal worden overgedragen.
Dit betekent dat het hof zijn verdere oordeel over dit onderdeel van de schadevorderingen jegens [geïntimeerden] c.s. zal aanhouden totdat de bewijsverrichtingen hebben plaatsgevonden.
Ad 2b: kunstwerken gemaakt door derden
4.26
Door [appellant] is gesteld dat bij de actie ook kunstwerken zijn weggehaald die zijn gemaakt door derden (in de zin van andere kunstenaars dan uit de groep [geïntimeerden] c.s. ). Hij heeft dit onder meer onderbouwd met een (als prod. 13 bij inleidende dagvaarding overgelegde) lijst van verdwenen kunstvoorwerpen en een taxatieverslag (prod. 12 bij inleidende dagvaarding). Door [geïntimeerden] c.s. is gemotiveerd betwist dat deze kunstwerken van derden op 5 mei 2022 (de dag van de actie) in de woning van [appellant] aanwezig waren en dat zij die hebben meegenomen tijdens de actie.
[appellant] zal daarom toegelaten worden tot het bewijs van de op 5 mei 2022 in zijn woning aanwezige kunstwerken gemaakt door derden, zoals opgesomd in de lijst van verdwenen kunstvoorwerpen (prod. 13), en van het wegnemen daarvan door [geïntimeerden] c.s.
Ook op dit onderdeel van de schadevorderingen houdt het hof zijn verdere oordeel aan totdat de bewijsverrichtingen hebben plaatsgevonden.
Ad 4: tevergeefs gedane investeringen in promotiemateriaal en galerie/woning
4.27
Op dit onderdeel van de schadevorderingen houdt het hof zijn verdere oordeel aan totdat de bewijsverrichtingen hebben plaatsgevonden.
Conclusie
4.28
Het hof laat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stellingen, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.25 en 4.26 van dit arrest en houdt zijn verdere oordeel aan.

5.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
5.1
Het hof laat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stellingen zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.25 en 4.26
5.2
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mevrouw mr. S.M. Evers de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
5.3
Op de roldatum van
21 april 2026moet de advocaat van [appellant] laten weten hoeveel partijen gehoord moeten worden en hun namen (in verband met de planning van de duur van het getuigenverhoor). Tevens moet [appellant] de verhinderdata doorgeven van partijen (inclusief die van de te horen getuigen) en van de advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
5.4
Het hof wenst dat de advocaten een week voor het getuigenverhoor hun vragen (schriftelijk) doorgeven aan de rechter-commissaris, in verband met een deugdelijke voorbereiding op de getuigenverhoren.
5.5
Een partij die ten behoeve van het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen.
5.6
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, D. Visser en M.B. Beekhoven van den Boezem en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026