ECLI:NL:GHARL:2026:1792

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.347.615
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:97 BWArt. 6:101 BWArt. 355 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over schadevergoeding bij onterechte ontbinding softwareovereenkomst en vrijwaringszaak

Qexpertise en Telindus zijn in geschil over de ontbinding van een overeenkomst waarbij Qexpertise het automatiseringsplatform van Telindus zou vervangen. Qexpertise heeft de overeenkomst onterecht ontbonden, waarna Telindus schadevergoeding vordert. Daarnaast is er een vrijwaringszaak tegen DAS, de rechtsbijstandsverzekeraar van Qexpertise, wegens onvoldoende advies.

Het hof bevestigt dat Qexpertise niet het recht had de overeenkomst te ontbinden en aansprakelijk is voor de schade van Telindus. De schadebegroting moet rekening houden met de hypothetische situatie waarin de overeenkomst onberispelijk was nagekomen. Het hof oordeelt dat het enkele feit dat het project niet is afgerond onvoldoende is om het causaal verband met de schade vast te stellen. De zaak wordt aangehouden voor nadere toelichting over de schadebegroting.

In de vrijwaringszaak oordeelt het hof dat DAS tekort is geschoten in haar verplichtingen, maar dat er geen causaal verband is tussen het verkeerde advies en de schade van Qexpertise. Het hoger beroep van DAS wordt gegrond verklaard en de zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing. Het hof geeft een voorlopig oordeel dat het exoneratiebeding tussen Qexpertise en Telindus niet onaanvaardbaar is.

Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en verwijst partijen voor nadere toelichting over schadebegroting en causaal verband; het beroep van DAS wordt gegrond verklaard wegens ontbreken causaal verband.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof hoofdzaak: 200.347.615, vrijwaringszaak: 200.344.995
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: hoofdzaak: 444025, vrijwaringszaak: 453507)
arrest van 24 maart 2026
in de hoofdzaak van:
EXPERTISE CONSULTANCY B.V.
die is gevestigd in Woerden
en hoger beroep heeft ingesteld
hierna: Qexpertise
advocaat: mr. A.A. Bos
tegen:
TELINDUS-ISIT B.V.
die is gevestigd in Utrecht
en ook hoger beroep heeft ingesteld
hierna: Telindus
advocaat: mr. J.O. de Wilde
en in de vrijwaringszaak van:
DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V.
die is gevestigd in Amsterdam
en hoger beroep heeft ingesteld
hierna: DAS
advocaat: mr. D.A. Pronk
tegen:
EXPERTISE CONSULTANCY B.V.
die is gevestigd in Woerden
hierna: Qexpertise
advocaat: mr. A.A. Bos

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
In de hoofdzaak heeft QExpertise hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het eindvonnis dat de rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) op 22 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep in de hoofdzaak blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 21 augustus 2024
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens akte wijziging eis
  • de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 26 november 2025 is gehouden in zowel de hoofdzaak als de vrijwaring.
1.2.
In de vrijwaringszaak heeft DAS hoger beroep ingesteld bij het hof tegen het eindvonnis van 22 mei 2024 en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen die de rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep in de vrijwaringszaak blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 16 augustus 2024
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 26 november 2025 is gehouden in zowel de hoofdzaak als de vrijwaring.
2. De kern van de zaak, feiten, vorderingen, beslissingen tot nu toe en inzet van het hoger beroep
De kern van de beide zaken
2.1.
Qexpertise heeft een overeenkomst op grond waarvan zij het automatiseringsplatform van Telindus zou vervangen ten onrechte ontbonden, omdat zij dacht zo haar onbetaalde facturen te kunnen incasseren. Telindus heeft zich bij de beëindiging van de overeenkomst neergelegd onder voorbehoud van rechten. Zij heeft schadevergoeding gevorderd. In de hoofdzaak moet het hof beslissen welke schadevergoeding Qexpertise in verband met deze onrechtmatige ontbinding moet betalen en of er sprake is van eigen schuld bij Telindus.
2.2.
Qexpertise heeft zich in verband met de ontbinding bij haar rechtsbijstandsverzekeraar DAS gemeld. Die heeft haar niet goed geadviseerd en is daarom aansprakelijk. Het hof moet beslissen of de tekortkoming van DAS ook schade heeft veroorzaakt, of dat deze schade ook zonder het verkeerde advies van DAS zou zijn ontstaan.
2.3.
Het hof zal beslissen dat partijen zich in de hoofdzaak mogen uitlaten over de wijze waarop de schade begroot moet worden en over het causaal verband tussen de schade(posten) en de onterechte ontbinding. Het hof geeft ook een voorlopig oordeel over het beroep van Qexpertise op de aansprakelijkheidsbeperking in het contract met Telindus. In de hoofdzaak houdt het hof verder iedere beslissing aan. In de vrijwaringszaak zal het hof oordelen dat er geen oorzakelijk verband is tussen de door Qexpertise te lijden schade en het verkeerde advies van DAS, maar de beslissing aanhouden tot het te wijzen eindarrest.
De relevante feiten waar het hof vanuit gaat in beide zaken
2.4.
Telindus heeft in november 2015 met Qexpertise een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten op grond waarvan Qexpertise het verouderde automatiseringsplatform van Telindus zou vervangen met programmatuur gebaseerd op Exact-software (project Feniks). Dat project heeft meer tijd en geld gekost dan oorspronkelijk afgesproken.
2.5.
Qexpertise heeft op 14 november 2016 de overeenkomst met Telindus ontbonden vanwege onbetaalde facturen. Voordat Qexpertise de ontbindingsbrief verstuurde heeft zij begin november 2016 contact opgenomen met DAS. Zij heeft in een email van 3 november 2016 kort uitgelegd wat er volgens haar aan de hand was en aangekondigd dat zij voornemens was de overeenkomst met Telindus te ontbinden. Zij heeft in deze email aan DAS gevraagd om alvast (pro forma) een zaak aan te maken. Op 9 november 2016 heeft DAS bevestigd dat de rechtsbijstandsverzekering dekking biedt. Op 17 november 2016 heeft Qexpertise DAS bericht dat zij heeft ontbonden en aan DAS gevraagd “
het incasso/juridische traject” op te pakken. In dit bericht heeft Qexpertise ook laten weten dat de directeur van Qexpertise, [naam1] , gebeld is door de jurist van Telindus met het verzoek “
de ontbinding teniet te doen en de overeenkomst te laten bestaan” maar dat Qexpertise daartoe pas zou overgaan als er overeenstemming zou worden bereikt. Qexpertise heeft ook bericht dat Telindus zich tot Exact heeft gewend en dat waarschijnlijk een gesprek van beide partijen met Exact zou plaatsvinden. Op 18 november 2016 heeft DAS aan Qexpertise bericht dat zij het incassotraject in gang zou zetten maar dat het wellicht raadzaam zou zijn om de uitkomst van dit drie-partijen gesprek af te wachten.
2.6.
Op 23 november 2016 heeft Telindus aan Qexpertise geschreven dat zij uit de ontbinding afleidt dat Qexpertise niet bereid is de overeenkomst verder uit te voeren, zij zich bij de ontbinding neerlegt maar de juistheid van deze ontbinding betwist en zich alle rechten voorbehoudt. Deze brief heeft [naam1] dezelfde dag doorgestuurd aan DAS. Hij merkte daarbij op dat een bemiddelingsgesprek met Exact had plaatsgevonden en dat het advies van Exact was om met [naam2] , de managing director van Telindus, in gesprek te gaan. Namens DAS is op 24 november 2016 gereageerd met de mededeling dat op deze brief niet gereageerd hoefde te worden en dat het afwachten was of [naam2] bereid was om de kwestie in onderling overleg op te lossen. Op 24 november 2016 heeft [naam3] van Qexpertise aan [naam2] geschreven dat hij begrepen had dat [naam2] geen prijs stelde op een gesprek met Qexpertise en hem gevraagd dit te heroverwegen. Hij schreef ook dat hij werkte aan een voorstel waar beide partijen zich in zouden kunnen vinden en dat hij had begrepen dat de opzegging van het contract veel kwaad bloed had veroorzaakt, maar dat de huidige situatie alleen maar verliezers kende en dat hij hoopte dat [naam2] in zou gaan op zijn verzoek. Op 10 januari 2017 heeft de toenmalige raadsman van Qexpertise een brief aan Telindus gestuurd waarin hij schrijft dat Qexpertise bereid is de werkzaamheden af te ronden of, als Telindus dat niet wilde, wat inmiddels was gerealiseerd over te dragen, mits Telindus eerst de openstaande facturen zou betalen.
2.7.
Vanaf 25 november 2016 heeft Telindus gesproken met Exact over de mogelijkheden om het project af te maken. Op 19 december 2016 heeft Exact een rapport getiteld “
Korte analyse Telindus Implementatie Exact”gemaakt waarin zij onder andere concludeert:

Exact verbindt hier opvolgend de conclusie aan dat er minimaal drie zaken zijn die als blokkerend gekenmerkt worden om deze implementatie succesvol verder uit te voeren:
  • De eerder genoemde performance issues en verwachte performance issues in de omgeving van Telindus in de bestaande en beoogde oplossing. Performance issues in de huidige omgeving geven aan dat de gekozen oplossing niet optimaal kan werken. Toekomstige groei van gebruik van de omgeving zal hier een extra negatief effect op hebben
  • Het ontwikkelde serienummer maatwerk is vanuit Exact niet te ontwikkelen en te implementeren, daar dit een groot effect heeft op de gehele werking van de Exact programmatuur. Ook de standaard tooling voor maatwerk ontwikkeling, de Exact SDK, maakt een dergelijk maatwerk niet mogelijk;
  • Exact heeft niet de kennis en ervaring om de gehele oplossing te implementeren en te ondersteunen waarbij er, naast de software van Exact, een combinatie van derde partij software en maatwerk aanwezig is.”
Exact heeft aangegeven dat een scenario waarin de reeds ingerichte software zou worden afgerond door Exact of een derde of opnieuw gestart zou worden met een standaard inrichting maar dan met Exact niet als optie gezien konden worden.
2.8.
Telindus heeft ervoor gekozen het systeem van Qexpertise niet af te (laten) maken, maar heeft in plaats daarvan voor een geheel ander systeem gekozen (niet een Exact-systeem, maar een SaaS-systeem van een derde partij, mogelijk geworden door een gewijzigde beleidskeuze bij Telindus, zo bleek voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep).
De vorderingen van partijen
2.9.
In de hoofdzaak heeft Telindus bij de rechtbank in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat Qexpertise met het uitbrengen van de ontbindingsverklaring toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens Telindus. Telindus wil ook dat Qexpertise veroordeeld wordt om een schadevergoeding van € 1.897.248,81 aan Telindus te betalen, met rente en kosten. Qexpertise heeft in reconventie betaling gevorderd van € 85.315,29, met rente en kosten.
2.10.
In de vrijwaringszaak heeft Qexpertise gevorderd DAS te veroordelen tot betaling van datgene wat Qexpertise in de hoofdzaak aan Telindus zou moeten betalen, vermeerderd met rente en kosten.
Wat de rechtbank en dit hof in tussentijds appel hebben geoordeeld
2.11.
De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 4 december 2019 in de hoofdzaak (in conventie) geoordeeld dat Qexpertise op 14 november 2016 niet het recht had de overeenkomst te ontbinden en dat Qexpertise door dit toch te doen jegens Telindus tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen. In hetzelfde tussenvonnis heeft de rechtbank in de vrijwaringszaak geoordeeld dat Qexpertise haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft vervolgens bij tussenvonnis van 15 januari 2020 tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis van 4 december 2019 toegestaan.
2.12.
Zowel Qexpertise als Telindus hebben in de hoofdzaak tussentijds hoger beroep ingesteld. Telindus heeft daarbij in het tussentijds hoger beroep haar eis verminderd: naast de verklaring voor recht vorderde zij dat Qexpertise veroordeeld moest worden om € 1.233.301,84 te betalen, met wettelijke rente over factuurbedragen van € 727.596,40 vanaf de betalingsmomenten en over € 505.301,44 vanaf 15 november 2016 althans vanaf datum dagvaarding, althans dat Qexpertise veroordeeld moest worden om € 1.000.000 te betalen met wettelijke rente vanaf 15 november 2016, althans vanaf datum dagvaarding. In de vrijwaring is DAS in hoger beroep gekomen.
2.13.
Daarop heeft dit hof bij arrest van 21 juni 2022 (hierna: het tussenarrest) in de hoofdzaak het tussenvonnis van 4 december 2019 bekrachtigd. In de vrijwaring heeft dit hof geoordeeld dat DAS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen geldende verzekeringsovereenkomst en het vonnis vernietigd. Het hof heeft de zaken op grond van artikel 355 Rv Pro terugverwezen naar de rechtbank.
2.14.
De rechtbank heeft vervolgens bij eindvonnis op 22 mei 2024 in de hoofdzaak in conventie de door Telindus gevorderde verklaring voor recht afgewezen. maar wel Qexpertise veroordeeld om €898.412,14 aan Telindus te betalen met wettelijke rente vanaf 31 juli 2017. De reconventionele vorderingen van Qexpertise zijn afgewezen. In de vrijwaring heeft de rechtbank DAS veroordeeld om aan Qexpertise te betalen wat Qexpertise in de hoofdzaak aan Telindus moet betalen, waaronder de proceskosten in de hoofdzaak in conventie en reconventie.
De inzet van het hoger beroep
2.15.
Tegen haar veroordeling in de hoofdzaak komt Qexpertise in hoger beroep. Zij wil dat het eindvonnis vernietigd wordt, dat de vorderingen van Telindus alsnog worden afgewezen en de reconventionele vordering van Qexpertise alsnog wordt toegewezen en dat Telindus wordt veroordeeld om terug te betalen wat Qexpertise ter uitvoering van het vonnis betaald heeft. De memorie van grieven van Qexpertise bevat ten aanzien van die reconventionele vordering echter geen grieven en ook de vordering die zij in haar memorie van grieven formuleert ziet alleen op het afwijzen van de vordering van Telindus en terugbetaling van wat zij heeft voldaan ter uitvoering van het vonnis. Het hof begrijpt daaruit dat Qexpertise niet opkomt tegen de afwijzing van haar vorderingen in reconventie.
2.16.
Ook Telindus komt in de hoofdzaak in hoger beroep en wijzigt opnieuw haar eis. Zij wil dat het eindvonnis gedeeltelijk vernietigd wordt en dat Qexpertise veroordeeld wordt om € 1.230.024,58 te betalen, althans € 985.991,05, met wettelijke rente vanaf 14 november 2017 of 31 juli 2017, onder aftrek van wat Qexpertise ter uitvoering van het eindvonnis van de rechtbank heeft voldaan.
2.17.
In de vrijwaringszaak is DAS in hoger beroep gekomen. Zij wil dat de vorderingen van Qexpertise alsnog worden afgewezen en dat Qexpertise wordt veroordeeld om met rente terug te betalen wat DAS ter uitvoering van het vonnis heeft voldaan.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

In de hoofdzaak
De stand van zaken
3.1.
Dit hof heeft in het tussenarrest (rov. 3.6 en 3.7) geoordeeld dat Qexpertise op 14 november 2016 niet het recht had de overeenkomst met Telindus te ontbinden. Door dat toch te doen (en definitief te stoppen met het project) is zij tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van die overeenkomst. Voor de eventuele schade die Telindus ten gevolge van de vastgestelde tekortkoming heeft geleden is Qexpertise op grond van artikel 6:74 BW Pro aansprakelijk. Daartegen is geen cassatie ingesteld en dit staat dus tussen partijen vast. Telindus heeft zich niet op het standpunt gesteld dat de overeenkomst als ontbonden moet worden beschouwd en heeft geen nakoming van ongedaanmakingsverbintenissen gevorderd.
3.2.
Telindus heeft gesteld dat de schade is te begroten op een bedrag gelijk aan de kosten die Telindus voor project Feniks gemaakt heeft, namelijk: (a) de licentiekosten die zij in verband met project Feniks aan Qexpertise heeft betaald, (b) de consultancykosten die zij in verband met project Feniks aan Qexpertise heeft betaald, (c) de kostprijs van onnodige arbeidsinzet van werknemers van Telindus aan project Feniks en (d) kosten van door Telindus extern ingehuurde krachten in verband met project Feniks. Telindus lijkt daarmee te hebben willen aansluiten bij de wijze van schadebegroting die van toepassing kan zijn bij schadevergoeding wegens gemist onstoffelijk voordeel, waarbij de schade wordt begroot op de kosten die hun doel hebben gemist.
3.3.
De rechtbank heeft Telindus gevolgd in deze wijze van schadebegroting. In haar eindvonnis (rov. 2.5) heeft zij geoordeeld dat stelplicht en bewijslast van haar schade op Telindus rusten en (rov. 2.6) dat het beroep van Qexpertise dat het project eenvoudig voortgezet en voltooid hadden kunnen worden aangemerkt moet worden als een beroep op een schending van de schadebeperkingsplicht (artikel 6:101 BW Pro), waarvan stelplicht en bewijslast op Qexpertise rusten. Het beroep daarop is afgewezen. De rechtbank heeft de schadepost die bestaat uit de kostprijs van onnodige arbeidsinzet van werknemers van Telindus afgewezen en vervolgens in rov. 2.11 van het eindvonnis geoordeeld: “
De licentiekosten ERP van € 185.752,18, de consultancykosten van Expertise van € 541.184,22 en de externe personeelskosten (gedeeltelijk: tot een bedrag van € 171.475,74) zijn echter wel toewijsbaar. Bij deze posten is niet alleen de omvang daarvan in voldoende mate komen vast te staan. Ook is voldoende gebleken dat het gaat om schade als gevolg van het tekortschieten van Expertise. Telindus heeft immers bij Expertise een product besteld, betalingen gedaan voor licenties, facturen van Expertise voldaan, externe personeelskosten moeten maken, maar tot een afronding van het project, een werkend systeem, is het door de voortijdige beëindiging niet gekomen. De gestelde schadeposten kwalificeren daarom als schade als gevolg van het tekortschieten door Expertise.
De maatstaf voor schadebegroting en het causaal verband tussen de gevorderde schadeposten en de tekortkoming door Qexpertise
3.4.
Het hof stelt het volgende voorop. De taak van de rechter na het tussenarrest is om de schade die Telindus heeft geleden vast te stellen. Op grond van art. 6:97 BW Pro moet de rechter de schade begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Uitgangspunt voor de vaststelling van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. De schade moet in beginsel worden vastgesteld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Op praktische gronden en om redenen van billijkheid kan in bijzondere gevallen op dit uitgangspunt een uitzondering worden aanvaard door van bepaalde omstandigheden te abstraheren.
3.5.
Toepassing van de in rov. 3.4 uiteengezette maatstaf zou in de omstandigheden van dit geval erop neerkomen dat de schade begroot moet worden door een vergelijking te maken tussen enerzijds de werkelijke vermogenssituatie waarin Telindus zich bevindt, waarin zij zowel betalingen aan Qexpertise heeft verricht als een ander programma/dienst heeft moeten aanschaffen om haar verouderde automatiseringsplatform te vervangen en anderzijds de hypothetische vermogenssituatie dat Qexpertise de overeenkomst niet zou hebben ontbonden en deze overeenkomst, zoals die gold op het moment van de onterechte ontbinding, onberispelijk zou zijn nagekomen. Voor een abstracte schadebegroting ziet het hof geen aanleiding. Het vereiste causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen een schadepost en de onterechte ontbinding en niet-nakoming door Qexpertise bestaat dan wanneer een schadepost zich in werkelijkheid wel, maar in het hypothetische geval dat Qexpertise onberispelijk zou zijn nagekomen, niet zou hebben voorgedaan. De door Telindus gemaakte kosten tot de onterechte ontbinding zeggen bij toepassing van deze maatstaf niet zonder meer iets over de omvang van de door Telindus geleden schade. Of er tussen de door Telindus gevorderde schadeposten en de onterechte ontbinding en niet-nakoming een condicio sine qua non-verband bestaat is bij toepassing van deze maatstaf ook de vraag: deze kosten zouden wellicht ook gemaakt zijn als Qexpertise niet ten onrechte had ontbonden en onberispelijk was nagekomen.
3.6.
Als de schade wordt begroot zoals de rechtbank heeft gedaan, is het causaal verband aanwezig als de schadeveroorzakende gebeurtenis het gevolg heeft gehad dat deze kosten hun doel hebben gemist. In de beoordeling van de rechtbank: doordat Qexpertise ten onrechte heeft ontbonden en Telindus geen werkend systeem heeft gekregen, zijn de kosten voor niets geweest en daarom moeten deze kosten aangemerkt worden als schade.
3.7.
Tegen het oordeel van de rechtbank dat dit causale verband aanwezig en, in het verlengde daarvan, dat deze wijze van schadebegroting correct is, komt Qexpertise met haar eerste, tweede en zesde grief op. Volgens haar is er geen causaal verband tussen de gevorderde schadeposten en de tekortkoming. Het project kon volgens Qexpertise wel afgemaakt worden (en wat Qexpertise voor Telindus heeft gedaan had daarom wel waarde). In het verlengde daarvan stelt Qexpertise zich in de toelichting op genoemde grieven op het standpunt dat in ieder geval niet juist is het oordeel van de rechtbank in rov. 2.11 van het eindvonnis dat, als het project niet werkend is opgeleverd, de schade gelijk is aan de kosten die Telindus heeft gemaakt.
3.8.
Die grieven slagen. Het vonnis kan niet in stand blijven, omdat het enkele feit dat project Feniks niet tot afronding, een werkend systeem, is gekomen zoals de rechtbank heeft gedaan onvoldoende is om vast te stellen dat de tekortkoming van Qexpertise de schadeposten die Telindus vordert heeft veroorzaakt. Dat is zo zelfs als de schade begroot wordt op kosten die hun doel gemist hebben. Ook dan moet vaststaan dat project Feniks niet afgemaakt kon worden. Is het namelijk mogelijk dat project Feniks afgemaakt zou kunnen worden, dan is relevant hoeveel het gekost zou hebben om project Feniks af te maken en hoe zich dat verhoudt tot de kosten van een vervangend systeem. Een schadebegroting die de werkelijke situatie vergelijkt met de hypothetische situatie dat Qexpertise project Feniks onberispelijk afgemaakt zou hebben, zoals uiteengezet in rov. 3.4, ligt dan voor de hand. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat project Feniks niet afgemaakt kon worden, maar enkel dat Qexpertise haar beroep op de schadebeperkingsplicht onvoldoende heeft onderbouwd. En tegen de kwalificatie van haar verweer als een beroep de schadebeperkingsplicht en de daarmee verbonden toedeling van stelplicht en bewijslast heeft Qexpertise ook gegriefd – terecht, als de maatstaf die de rechtbank heeft aangelegd gevolgd zou worden. Het oordeel van de rechtbank kan dus niet in stand blijven.
3.9.
Qexpertise zegt niets over hoe de schade volgens haar wel begroot moet worden. Maar in beginsel hoeft Qexpertise ook niet verder te specificeren welke vergelijking gemaakt moet worden: Telindus vordert vergoeding van haar schade en Qexpertise benadrukt terecht dat de stelplicht van de door Telindus gevorderde schadeposten en het causaal verband tussen de tekortkoming van Qexpertise en deze schadeposten op Telindus rust. De rechter moet ook ambtshalve nagaan of op grond van de stellingen van Telindus voor de toewijzing van de vordering van Telindus een rechtsgrond bestaat. [1] Aan de hand van welke maatstaf beoordeeld moet worden hoe de schade begroot moet worden en hoe het causaal verband vastgesteld moet worden betreft ook geen feitelijke stellingen, die vast komen te staan wanneer zij niet (of onvoldoende gemotiveerd) betwist zijn. Het causaal verband tussen schadeposten en de schadeveroorzakende gebeurtenis is daarbij zo nauw verbonden met de wijze van schadebegroting dat het hof er niet aan ontkomt om bij een terechte klacht over dit causale verband zich ook over de wijze van schadebegroting een oordeel te vormen. Ook dit laatste behoort daarmee tot het door de grieven ontsloten gebied.
3.10.
Telindus heeft de grieven van Qexpertise kennelijk niet zo begrepen dat daarmee ook de wijze van schadebegroting aan de orde is gesteld, in het verlengde van de grieven inzake het causaal verband. Zij is alleen ingegaan op de argumenten van Qexpertise. Nu de toelichting op de grieven op dit punt door Qexpertise explicieter had gekund en de rechtbank Telindus in het gelijk heeft gesteld zodat ook niet zelfstandig van Telindus verwacht mocht worden hierop in te gaan, ziet het hof aanleiding om zowel Qexpertise als Telindus gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten over de volgende vragen:
a. a) Moet de schade begroot en het causaal verband tussen de gevorderde schadeposten en de wanprestatie van Qexpertise beoordeeld worden aan de hand van de maatstaf uiteengezet in rov. 3.4 of aan de hand van een andere maatstaf?
b) Welke gevolgen heeft de keuze voor één bepaalde maatstaf voor de beoordeling van de schadeposten waarvan Telindus betaling gevorderd heeft?
c) Welke gevolgen hebben de antwoorden op de voorgaande vragen op het verdere verloop van de procedure bij het hof in het algemeen en in het bijzonder voor de mogelijkheid van Telindus om aanvullende of andere schadeposten aan te voeren en te onderbouwen?
Telindus mag eerst een akte nemen en daarna Qexpertise.
De aansprakelijkheidsbeperking van Qexpertise
3.11.
Telindus stelt in haar hoger beroep aan de orde dat het beroep van Qexpertise op de aansprakelijkheidsbeperking tot € 1 miljoen, die in de overeenkomst is opgenomen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Als dat niet wordt toegewezen, moet deze exoneratie volgens Telindus zo worden uitgelegd dat de € 1 miljoen per kalenderjaar geldt en in dit geval volgens haar dus neerkomt op € 2 miljoen.
3.12.
Een exoneratiebeding moet buiten toepassing blijven voor zover die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Of dat het geval is hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest, en de zwaarte van de schuld ter zake van het veroorzaken van de desbetreffende schade, mede in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen. In het algemeen zal een exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als de schade is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar of van met de leiding van zijn bedrijf belaste personen.
3.13.
Het hof is voorshands van oordeel dat met betrekking tot de huidige door Telindus gevorderde schadevergoeding het beroep van Qexpertise op haar exoneratiebeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Over het exoneratiebeding en de maximale aansprakelijkheid is tussen partijen onderhandeld. Onbetwist is dat Telindus daarbij ook is bijgestaan door een bedrijfsjurist. Partijen zijn professionele partijen. Aangenomen mag worden dat zij zich bewust zijn van de gevolgen van een dergelijke exoneratie. Het is een feit van algemene bekendheid dat exoneratiebedingen in overeenkomsten voor het implementeren van een software-oplossing ook gebruikelijk zijn. Dat Qexpertise de overeenkomst ten onrechte heeft ontbonden maakt niet dat daarmee sprake is van het opzettelijk of met bewuste roekeloosheid veroorzaken van de schade van Telindus. Duidelijk is dat Qexpertise niet wist wat ze deed toen ze de overeenkomst ontbond, de consequenties daarvan niet overzag en de bedoeling had het project wel af te maken, als overeenstemming over de uitstaande facturen zou worden bereikt. Niet is voldoende onderbouwd dat Qexpertise moest begrijpen dat Telindus voor een geheel andere oplossing zou kiezen na ontbinding. Onvoldoende is toegelicht dat Qexpertise de omvang van de schade van Telindus moest begrijpen. Al deze omstandigheden in samenhang beschouwd leiden ertoe dat bij een schadebedrag zoals nu door Telindus gevorderd het beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.
3.14.
Het hof volgt ook niet de uitleg van Telindus dat de schade beperkt is tot € 1 miljoen per kalenderjaar. De bepaling zegt dat de aansprakelijkheid per jaar is beperkt. Het woord kalenderjaar komt daarin niet voor. Waarom in dit geval met jaar kalenderjaar bedoeld wordt heeft Telindus niet uitgelegd. Omdat het verband tussen deze aansprakelijkheid en kalenderjaren niet duidelijk is, heeft Telindus haar uitleg van het exoneratiebeding onvoldoende toegelicht.
3.15.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
In de vrijwaring
3.16.
Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat DAS in het verlenen van rechtsbijstand aan Qexpertise in het kader van het geschil met Telindus niet heeft gehandeld als een redelijk bekwame en redelijk handelende rechtsbijstandverlener. Aldus geldt dat DAS jegens Qexpertise toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen geldende verzekeringsovereenkomst. De rechtbank heeft geoordeeld dat als DAS juist geadviseerd had, Qexpertise haar ontbinding zou hebben ingetrokken en Telindus daarmee akkoord gegaan zou zijn. De rechtbank heeft DAS veroordeeld om Qexpertise te betalen wat Qexpertise aan Telindus moet vergoeden.
Wanneer is DAS tekort geschoten?
3.17.
Tussen partijen is in debat hoe het tussenarrest moet worden uitgelegd. Volgens DAS moet het zo worden uitgelegd dat zij niet eerder dan op 17 november 2016 is tekortgeschoten, omdat op die dag Qexpertise pas een opdracht gaf. Volgens Qexpertise is DAS al vanaf haar brief van 9 november 2016 tekort geschoten. Dit is relevant, omdat als DAS al voor de ontbindingsbrief van 14 november 2016 had moeten adviseren dat deze ontbinding niet zou leiden tot het doel dat Qexpertise daarmee beoogde (betaling van facturen), verwacht mag worden dat Qexpertise de ontbinding achterwege zou hebben gelaten. Er zou dan duidelijk sprake zijn van een causaal verband tussen de gebrekkige advisering door DAS met de door Qexpertise te lijden schade.
3.18.
Dit hof heeft in het tussenarrest (rov. 3.11) geoordeeld dat de opdracht tot rechtsbijstandsverlening die op 17 november 2016 door Qexpertise aan DAS is verstrekt meer behelsde dan alleen het in gang zetten van een incassotraject: op 17 november 2016 lag er ook een concreet verzoek van Qexpertise aan DAS om een juridisch traject te starten. DAS had deze opdracht moeten aangrijpen om Qexpertise op eigen initiatief erop te wijzen dat ontbinding niet zou leiden tot het doel dat Qexpertise daarmee wilde bereiken: betaling van uitstaande facturen. Dat het hof in het tussenarrest ook heeft verwezen naar eerdere correspondentie betekent niet dat daarmee ook de tekortkoming eerder is begonnen dan 17 november 2016. Het hof verwijst daarnaar omdat DAS uit deze communicatie moest begrijpen wat Qexpertise wilde en dat ontbinding daarvoor niet geschikt was. Qexpertise heeft DAS vóór 17 november 2016 alleen gevraagd vast (pro forma) een zaak aan te maken (op 9 november 2016) en niet om advies gevraagd. Op 10 november 2016 heeft Qexpertise bericht dat Telindus inmiddels een groot gedeelte van de facturen had betaald en dat hij hoopte dat ze er die week met Telindus uit zouden komen, omdat hij anders de overeenkomst zou ontbinden. Daaruit hoefde DAS niet te begrijpen dat zij al gevraagd was advies te geven. Van DAS mocht wel verwacht worden onmiddellijk nadat haar om advies gevraagd was erop te wijzen dat ontbinding hele andere gevolgen had dan Qexpertise klaarblijkelijk dacht.
Heeft de tekortkoming van DAS schade veroorzaakt: is er causaal verband?
3.19.
DAS komt ertegenop dat de rechtbank heeft geoordeeld dat als DAS goed geadviseerd zou hebben, ervan uitgegaan moet worden dat het ongedaanmaken van de ontbinding zou hebben plaatsgevonden, omdat ook bij Telindus de bereidheid om een oplossing in der minne te zoeken groot was. Volgens DAS zou Telindus ook bij een juist advies van DAS niet akkoord zijn gegaan met een “intrekking” van de ontbinding.
3.20.
Het hof volgt DAS daarin. Uit de brief van 23 november 2016 waarin Telindus zich bij de ontbinding neerlegde blijkt dat Telindus niet verder wilde met Qexpertise. Zelfs als kort na de ontvangst van de ontbindingsverklaring bij Telindus de mogelijkheid zou hebben bestaan om de ontbindingsverklaring als niet verzonden te beschouwen, heeft Qexpertise aangegeven daartoe alleen bereid te zijn als alsnog overeenstemming bereikt zou worden, naar het hof begrijpt over: de openstaande facturen. Daarmee heeft Qexpertise die deur dichtgeslagen. En dat heeft Qexpertise gedaan voordat DAS op 17 november 2016 opdracht had gekregen, want Qexpertise refereert daaraan in haar bericht aan DAS van 17 november 2016. De stelling van Qexpertise komt erop neer dat als kort na het afwijzen door Qexpertise van de opening die de bedrijfsjurist van Telindus bood, maar vóór Telindus zich op 23 november 2016 bij de ontbinding neerlegde, Qexpertise aan Telindus zou hebben medegedeeld dat zij de ontbinding graag ongedaan wilde maken, Telindus daarmee akkoord zou zijn gegaan. Daarvoor ziet het hof echter geen aanknopingspunten. Het gedrag van Telindus en haar managing director biedt daarvoor geen aanknopingspunten: uit de mail van 24 november 2016 van [naam3] van Qexpertise blijkt dat [naam2] niet in gesprek wilde gaan. Ook het inschakelen van Exact – al voor 17 november 2016 zo blijkt uit de mail van [naam1] aan DAS van die datum – wijst erop dat Telindus nader onderzoek wilde doen, onder andere naar de mogelijkheid om project Feniks door een derde af te laten maken. Dat Telindus toch met het terugdraaien van de ontbinding akkoord zou zijn gegaan heeft Qexpertise dan ook onvoldoende toegelicht.
3.21.
Het hof concludeert dat ook als DAS wel op 17 november 2016 wel juist geadviseerd zou hebben, dat niet tot een andere uitkomst geleid zou hebben. Tussen de fout van DAS en de schade van Qexpertise bestaat daarom geen causaal verband.
Conclusie in de vrijwaring
3.22.
Het hoger beroep van DAS slaagt. Omdat Qexpertise in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar te gelegener tijd tot betaling aan DAS van hetgeen DAS ter uitvoering van het eindvonnis in vrijwaring heeft voldaan en tot betaling van de proceskosten van DAS veroordelen zowel in hoger beroep als bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.23.
In verband met de samenhang met de hoofdzaak zal het hof de vrijwaring naar de rol verwijzen voor beslissing hof gelijk met de hoofdzaak.

4.De beslissing

Het hof:
In de hoofdzaak
4.1.
verwijst de zaak de rol van 21 april 2026 voor het nemen van een akte door Telindus zoals bedoeld in 3,10, waarna Qexpertise daarop mag reageren;
In de vrijwaring
4.2.
verwijst de zaak naar de rol van 21 april 2026 voor beslissing hof verdere voortgang;
In de hoofdzaak en de vrijwaring
4.3.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, C.M.E. Lagarde en M. Kool en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1058.