Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Samenvatting
2.De feiten
3.De procedure bij het hof
- het beroepschrift
- het verweerschrift
- de man met zijn advocaat
- de Abs
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De man startte in 2019 een adoptieprocedure in Nigeria en verkreeg in 2021 een adoptiebeslissing van de Delta North Senatorial District Family Court. Hij verzocht de Nederlandse rechter om deze adoptie van rechtswege te erkennen en zonodig om te zetten in een sterke adoptie volgens Nederlands recht. Tevens verzocht hij om inschrijving van de geboorteakte van het kind.
Het hof oordeelde dat de Nigeriaanse adoptiebeslissing niet van rechtswege erkend kon worden omdat de documenten niet gelegaliseerd waren en onvoldoende vaststond dat de man zijn gewone verblijfplaats in Nigeria had ten tijde van de adoptie. De man had zowel een woning in Nederland als Nigeria en was ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen. Het hof kwalificeerde de zaak als een interlandelijke adoptie, waarvoor artikel 10:109 BW Pro geldt, maar de man beschikte niet over de vereiste beginseltoestemming volgens de Wobka.
Verder ontbrak onderbouwing dat erkenning in het belang van het kind was en dat het kind niet in Nigeria kon blijven. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat nationale wetgeving de adoptievoorwaarden bepaalt. Het verzoek tot omzetting van de zwakke adoptie naar sterke adoptie en het verzoek tot adoptie naar Nederlands recht werden eveneens afgewezen vanwege niet-naleving van de Wobka en onvoldoende bewijs van verzorging en opvoeding.
De inschrijving van de Nigeriaanse geboorteakte werd niet beoordeeld omdat de erkenningsverzoeken waren afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot erkenning van de Nigeriaanse adoptiebeslissing en het verzoek tot adoptie naar Nederlands recht af.