ECLI:NL:GHARL:2026:1770

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.360.492
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 10:105 BWArt. 10:108 BWArt. 10:109 BWArt. 2 Wobka
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning Nigeriaanse adoptiebeslissing en verzoek tot adoptie naar Nederlands recht

De man startte in 2019 een adoptieprocedure in Nigeria en verkreeg in 2021 een adoptiebeslissing van de Delta North Senatorial District Family Court. Hij verzocht de Nederlandse rechter om deze adoptie van rechtswege te erkennen en zonodig om te zetten in een sterke adoptie volgens Nederlands recht. Tevens verzocht hij om inschrijving van de geboorteakte van het kind.

Het hof oordeelde dat de Nigeriaanse adoptiebeslissing niet van rechtswege erkend kon worden omdat de documenten niet gelegaliseerd waren en onvoldoende vaststond dat de man zijn gewone verblijfplaats in Nigeria had ten tijde van de adoptie. De man had zowel een woning in Nederland als Nigeria en was ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen. Het hof kwalificeerde de zaak als een interlandelijke adoptie, waarvoor artikel 10:109 BW Pro geldt, maar de man beschikte niet over de vereiste beginseltoestemming volgens de Wobka.

Verder ontbrak onderbouwing dat erkenning in het belang van het kind was en dat het kind niet in Nigeria kon blijven. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat nationale wetgeving de adoptievoorwaarden bepaalt. Het verzoek tot omzetting van de zwakke adoptie naar sterke adoptie en het verzoek tot adoptie naar Nederlands recht werden eveneens afgewezen vanwege niet-naleving van de Wobka en onvoldoende bewijs van verzorging en opvoeding.

De inschrijving van de Nigeriaanse geboorteakte werd niet beoordeeld omdat de erkenningsverzoeken waren afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot erkenning van de Nigeriaanse adoptiebeslissing en het verzoek tot adoptie naar Nederlands recht af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.492
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 585217
beschikking van 24 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. H.P. Scheer
en
de ambtenaar van de burgerlijke stand(de Abs)
van de gemeente [gemeentenaam] .

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de verzoeken van de man, tot erkenning van de Nigeriaanse adoptie van [naam2] , dan wel het verzoek tot adoptie van [naam2] , afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
Namens de man zijn in deze zaak de volgende feiten aan het verzoek ten grondslag gelegd. In 2019 is de man in Nigeria gestart met een procedure om een kind te adopteren.
2.2.
Op 12 maart 2019 heeft de Ministry of Women Affairs, Community and Social Development in Nigeria aan de man toestemming verleend om een kind te adopteren.
2.3.
Op 6 maart 2020 heeft de Delta North Senatorial District Family Court in [plaats] , Nigeria een order gegeven waarbij de man het recht kreeg om het Ministry of Family Affairs te benaderen om een kind te adopteren.
2.4.
[in] 2020 is in [plaats] , Nigeria een jongen geboren genaamd [naam1] .
2.5.
[naam1] is op 13 augustus 2020 aan de man afgegeven.
2.6.
De adoptie van [naam1] is uitgesproken op 8 juli 2021 door de Delta North Senatorial District Family Court in [plaats] , Nigeria. Bij deze adoptie zijn de namen van het kind gewijzigd van [naam1] in [naam2] (verder: [naam2] ).
2.7.
Bij brief van 12 juli 2021 heeft de Ministry of Women Affairs bevestigd dat het adoptieproces is geëindigd met de adoptie van [naam2] en dat de man nu de ‘bonafide’ vader van [naam2] is.
2.8.
[naam2] woont in Nigeria bij de moeder van de man.
2.9.
[naam2] heeft de Nigeriaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse en de Nigeriaanse nationaliteit.

3.De procedure bij het hof

3.1.
De man is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en opnieuw rechtdoende:
a. Primair: voor recht verklaart dat de uitspraak van 8 juli 2021 door Delta State North Senatorial District Family Court te [plaats] , Nigeria van rechtswege wordt erkend en voor zover het een zwakke adoptie is deze om te zetten in een sterke adoptie naar Nederlands recht;
Subsidiair: de adoptie uit te spreken van [naam2] geboren [in]
2020 in [plaats] , Nigeria door de man;
De ambtenaar van de Gemeente Den Haag te gelasten de geboorteakte van [naam2] geboren [in] 2020 in [plaats] , Nigeria vast te stellen en de inschrijving van deze geboortegegevens te gelasten en de ambtenaar te gelasten een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen.
3.2.
De Abs voert verweer.
De informatie die het hof heeft ontvangen
3.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift
3.4.
De zitting bij het hof was op 24 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de man met zijn advocaat
  • de Abs
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad)

4.Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [naam2] de Nigeriaanse nationaliteit heeft en het om (de erkenning van) een buitenlandse adoptie gaat. Op grond van artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Op grond van het bepaalde in artikel 10:105, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht van toepassing op de adoptie.
Het verzoek tot de erkenning van rechtswege van de Nigeriaanse adoptiebeslissing
4.2.
Het hof staat voor de vraag of kan worden vastgesteld dat de Nigeriaanse adoptiebeslissing van rechtswege wordt erkend. Daarbij is artikel 10:108 BW Pro van belang. Op grond van artikel 10:108 lid 1 BW Pro wordt een in het buitenland gegeven beslissing, waarbij de adoptie tot stand is gekomen, in Nederland van rechtswege erkend als zij is uitgesproken door:
a. een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar de adoptieouders en het kind, zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats hadden, of
b. een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar hetzij de adoptieouders, hetzij het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats hadden.
4.3.
Artikel 10:108 BW Pro ziet op een buitenlandse adoptie, die geheel buiten de Nederlandse rechtssfeer tot stand is gekomen. Wanneer aan de voorwaarden van artikel 10:108 BW Pro is voldaan, wordt een buitenlandse adoptiebeslissing van rechtswege erkend. Dit betekent dat het hof alleen kan vaststellen of de erkenning van rechtswege heeft plaatsgevonden.
Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Vaststelling en invoering van Boek 10 BW (Kamerstukken II 2009/10, 32137, nr. 3) blijkt dat twee situaties onder de reikwijdte van artikel 10:108 BW Pro lid 1 vallen:
- gevallen waarin de adoptie heeft plaatsgevonden terwijl alle betrokken partijen in eenzelfde vreemd land hun gewone verblijfplaats hadden (eerste lid, onder a), en
- gevallen waarin het kind in de vreemde staat A zijn gewone verblijfplaats had en is opgenomen door adoptanten in de vreemde staat B (eerste lid, onder b).
4.4.
Om aan de voorwaarden van artikel 10:108 sub a BW Pro te voldoen moet er sprake zijn van een adoptie die is uitgesproken door een ter plaatste bevoegde autoriteit. Door de man is de adoptiebeslissing van de Delta North Sensational District Family Court te [plaats] , Nigeria van 8 juli 2021 overgelegd. Door de man is ook een brief van het Ministry of Women Affairs, Community and Social Development van 8 juni 2023 overgelegd en een brief van de minister van het Ministry of Women Affairs van 7 september 2023. Volgens de man blijkt hieruit dat de adoptie van [naam2] is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit.
4.5.
Aangezien Nigeria geen verdragspartij is bij het Apostilleverdrag, is een volledige legalisatieprocedure vereist voordat officiële Nigeriaanse documenten bruikbaar zijn in Nederland. Uit het dossier en de door de man overgelegde documenten blijkt niet dat de documenten zijn gelegaliseerd. Het is daardoor voor het hof onmogelijk om vast te stellen dat de adoptie van [naam2] door een ter plaatse bevoegde autoriteit is uitgesproken.
4.6.
Vast staat dat [naam2] altijd in Nigeria heeft gewoond en nog nooit in Nederland is geweest. Zijn gewone verblijfplaats ten tijde van het verzoek tot adoptie en ten tijde van de uitspraak was en is dus in Nigeria. Het hof staat vervolgens voor de vraag of de gewone verblijfplaats van de man ten tijde van het verzoek tot adoptie en ten tijde van de uitspraak hiervan in Nigeria was.
4.7.
Het begrip gewone verblijfplaats in artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is ontleend aan het verdragenrecht en staat voor de maatschappelijke woonplaats van een persoon. Het begrip wordt ingekleurd door de concrete omstandigheden van het geval en is in grote mate een kwestie van waardering van de feiten. Bij de invulling van het begrip gewone verblijfplaats moet op basis van vaste rechtspraak onder meer rekening worden gehouden met de integratie van de persoon in een sociale en familiale omgeving en met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op een bepaalde plek. Bovenal geldt dat voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats van belang is de wens van die persoon om op de nieuwe plek het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. De inschrijving in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) is bij de beoordeling van de gewone verblijfplaats niet doorslaggevend. De inschrijving in de BRP is een factor waarmee in het geheel van omstandigheden rekening kan worden gehouden bij de bepaling van de gewone verblijfplaats.
4.8.
Naar het oordeel van het hof is uit de overgelegde stukken onvoldoende komen vast te staan dat de man ten tijde van zowel de indiening van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de adoptie uitspraak zijn gewone verblijfplaats in Nigeria had en niet in Nederland. Voor het hof staat niet vast dat de man in maart 2019 vanuit Nederland naar Nigeria is vertrokken met de intentie om in Nigeria zijn permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen.
De man had zowel een woning in Nigeria als in Nederland. Hij reisde op en neer en heeft zich in de periode van 1997 tot 2015 diverse keren in- en uitgeschreven bij de BRP in Nederland. Vanaf medio 2018 heeft de man zich niet meer uit de BPR geschreven en staat hij ingeschreven op een woonadres in Nederland, op het adres waar hij een woning huurt van een woningbouwvereniging. Volgens de man is hij in 2018 naar Nigeria verhuisd om aldaar een kind te adopteren. Desgevraagd heeft de man tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat hij zijn woning in Nederland heeft aangehouden en zich niet heeft uitgeschreven uit de BRP, omdat hij wist dat hij (tijdelijk) terug zou komen en dan een woning nodig zou hebben. Volgens de man blijft hij sinds 2021 steeds enkele maanden in Nederland om hier te werken voor een uitzendbureau. Door de man zijn echter geen financiële bescheiden overgelegd, waaruit het hof kan afleiden dat hij in de periode van de aanvraag van de adoptie en de uitspraak van de adoptie geen werkzaamheden in Nederland heeft verricht, maar bijvoorbeeld wel in Nigeria.
Uit de door de man overgelegde verklaringen blijkt wel dat de man kort na de uitspraak van de adoptie in Nigeria weer naar Nederland is vertrokken. Het hof maakt hieruit op dat de man voor de adoptieprocedure al dan niet naar Nigeria is vertrokken, maar dat het nooit zijn bedoeling is geweest om in Nigeria te blijven en aldaar zijn permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen. Het hof kan niet uitsluiten dat het de bedoeling van de man is geweest weer terug te keren naar Nederland en hier zijn permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen of gevestigd te houden. Hij heeft zijn huurwoning in Nederland aangehouden en is direct na de adoptie uitspraak (al dan niet tijdelijk) teruggekeerd naar Nederland. [naam2] verblijft sinds die tijd bij de moeder van de man. Hierdoor staat voor het hof onvoldoende vast dat de man zijn gewone verblijfplaats tijdens het verzoek tot adoptie en de uitspraak hiervan in Nigeria had. Het hof beschouwt deze zaak als een interlandelijke adoptie, waarbij artikel 10:108 BW Pro niet van toepassing is. De Nigeriaanse adoptiebeslissing is daarom niet van rechtswege erkend.
Het verzoek tot erkenning op grond van artikel 10:109 BW Pro
4.9.
In deze zaak is sprake van een interlandelijke adoptie waarvoor artikel 10:109 BW Pro geldt. Op grond van artikel 10:109 BW Pro wordt een in het buitenland gegeven beslissing, waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptieouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, erkend indien:
a. de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) in acht zijn genomen, en
b. de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, en
c. erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 10:108 lid 2 of Pro lid 3 BW, zou worden onthouden.
4.10.
De man beschikt niet over de vereiste beginseltoestemming van artikel 2 Wobka Pro. Het ligt niet voor de hand dat in deze zaak een beginseltoestemming zou zijn verleend omdat de man de leeftijd van 42 jaren had bereikt op het moment dat hij [naam2] wilde adopteren. De man is geboren in oktober 1966. Volgens artikel 5 lid 5 onder Pro b Wobka betekent dit dat (behoudens bijzondere omstandigheden) afwijzend wordt beslist op een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat niet voldaan wordt aan de bepalingen van de Wobka.
4.11.
Bij erkenning van de Nigeriaanse adoptiebeslissing ziet het hof ook bezwaren in het belang van [naam2] . Niet is onderbouwd waarom het in het belang van [naam2] is dat hij, door middel van erkenning van de Nigeriaanse adoptiebeslissing, naar Nederland zou komen.
De man heeft enkel gewezen op de situatie in Nigeria, die volgens hem niet veilig is voor [naam2] . [naam2] is nog niet eerder in Nederland geweest. Er zijn onvoldoende redenen aangevoerd waaruit blijkt dat het (verdere) verblijf van [naam2] in Nigeria, in een voor hem bekende cultuur en omgeving niet in zijn belang is.
4.12.
De man voert aan dat inbreuk wordt gemaakt op het familieleven van hem en [naam2] .
Het hof is van oordeel dat aan artikel 8 EVRM Pro, waarop de man zich beroept, niet het recht kan worden ontleend om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de eisen die de nationale wetgeving daaraan stelt (ECLI:NL:HR:2000:AA6339). Het hof ziet geen bijzondere omstandigheden, waaruit een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde gezins- en familieleven blijkt.
4.13.
Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek tot erkenning van de Nigeriaanse adoptiebeslissing afwijzen.
Omzetting zwakke adoptie naar sterke adoptie
4.14.
Het hof zal het verzoek tot erkenning van de Nigeriaanse adoptie afwijzen, het komt daardoor ook niet toe aan het verzoek van de man om de adoptie om te zetten naar een sterke adoptie. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
Adoptie naar Nederlands recht
4.15.
Nu het hof de verzoeken omtrent de erkenning van de Nigeriaanse adoptiebeslissing zal afwijzen, komt het toe aan de beoordeling van het verzoek tot het uitspreken van de adoptie naar Nederlands recht door de man. Op grond van artikel 10:105 BW Pro zal getoetst moeten worden aan de artikelen 1:227 en 1:228 BW en aan de Wobka.
4.16.
Zoals onder 4.10. overwogen, zijn de bepalingen van de Wobka niet in acht genomen. Het hof is daarom van oordeel dat de adoptie van [naam2] niet naar Nederlands recht kan worden uitgesproken. Het hof overweegt ten overvloede dat artikel 14 Wobka Pro niet van toepassing is, omdat niet kan worden vastgesteld dat de man zijn gewone verblijfplaats in Nigeria had en heeft.
4.17.
Het hof kan ook niet toetsen of het verzoek tot adoptie door de man voldoet aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 1:227 en 1:228 BW. Op grond van artikel 1:227 lid 3 BW Pro kan het verzoek tot adoptie alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft en dat aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW Pro, wordt voldaan.
4.18.
[naam2] verblijft op dit moment in Nigeria en hij wordt verzorgd en opgevoed door de moeder van de man. Het hof kan niet vaststellen hoe het met [naam2] gaat en of de adoptie in zijn belang is. De man heeft ook niet voldoende onderbouwd dat hij [naam2] gedurende ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed. Aan een verdere inhoudelijke bespreking van de vereisten van de adoptie komt het hof dan niet toe.
Het hof zal het verzoek tot het uitspreken van de adoptie naar Nederlands recht daarom afwijzen.
Inschrijving Nigeriaanse geboorteakte dan wel vaststelling geboortegegevens
4.19.
Nu het hof de verzoeken van de man om de Nigeriaanse adoptie in Nederland te erkennen en de adoptie van [naam2] naar Nederlands recht uit te spreken zal afwijzen, komt het niet toe aan een beoordeling van het verzoek tot inschrijving van de Nigeriaanse geboorteakte dan wel de vaststelling van de geboortegegevens van [naam2] .

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juli 2025;
5.2.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, P.B. Kamminga en
E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.