ECLI:NL:GHARL:2026:163

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.349.285/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil tussen huurder en verhuurder over de huur van een deel van een dubbele woning

In deze zaak gaat het om een geschil tussen een huurder en verhuurder over welk deel van een dubbele woning door de huurder wordt gehuurd. De huurder, aangeduid als [geïntimeerde], heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, dat op 18 november 2024 is uitgesproken. De huurder vorderde onder andere dat de verhuurder, aangeduid als [appellant], een schriftelijk renovatieplan zou verstrekken en de werkzaamheden aan de woning zou hervatten. De verhuurder heeft op zijn beurt gevorderd dat de huurder zich zou onthouden van enige inmenging in de werkzaamheden aan de woning.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen niet tot een regeling zijn gekomen, waarna het hof werd verzocht om een beslissing te nemen. Het hof heeft vastgesteld dat het geschil draait om de vraag welk deel van de woning door de huurder wordt gehuurd, en of de vorderingen van beide partijen toewijsbaar zijn. De huurder heeft gesteld dat zij het achterste deel van de woning huurt, terwijl de verhuurder beweert dat het voorste deel wordt gehuurd.

Het hof heeft geoordeeld dat de vorderingen van de huurder deels toewijsbaar zijn, en heeft de verhuurder veroordeeld om de werkzaamheden uit het renovatieplan uiterlijk vóór 1 mei 2026 af te ronden. De vordering van de huurder tot huurprijsvermindering is echter afgewezen, omdat onduidelijk is welk deel van de woning door de huurder wordt gehuurd. Het hof heeft de proceskosten gecompenseerd en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.349.285/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 11312879
arrest in kort geding van 6 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. B.H.H.M. Ramakers te Arnhem,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. H. Hulshof te Emmeloord.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, (hierna: de kantonrechter) op 18 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven (met producties)
• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties)
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 16 september 2025 is gehouden.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat zij zouden proberen alsnog een regeling te treffen. Zij hebben het hof laten weten dat dat niet is gelukt en hebben het hof gevraagd om alsnog een beslissing te nemen op hun vorderingen.

2.De kern van de zaak

2.1
In deze zaak is in geschil welk deel van een woning van [appellant] - [nummer1] of [nummer2] - door [geïntimeerde] wordt gehuurd. Het antwoord op die vraag is van belang voor de toewijsbaarheid van de wederzijdse vorderingen van partijen.
2.2
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om (onder oplegging van een dwangsom) aan haar een schriftelijk renovatieplan te verstrekken en de werkzaamheden aan de woning te hervatten en vóór 14 december 2024 af te ronden en om [appellant] te veroordelen de gevolgen van de werkzaamheden aan de woning te compenseren met een vermindering van de huurprijs van 20%.
[appellant] heeft gevorderd dat het (onder oplegging van een dwangsom) [geïntimeerde] wordt verboden om de woning [adres] te betreden of te gebruiken en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om zich te onthouden van enige inmenging of obstructie met betrekking tot die woning
2.3
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] voor een belangrijk deel toegewezen en die van [appellant] afgewezen.
2.4 De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen en dat zijn eigen vorderingen worden toegewezen. [geïntimeerde] wil dat het afgewezen deel van haar vorderingen alsnog wordt toegewezen.
2.5 Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde] deels toewijzen en die van [appellant] afwijzen. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd. Het hof zal eerst de relevante feiten vermelden en vervolgens ingaan op de standpunten van partijen. De bezwaren (‘grieven’) van partijen tegen het vonnis van de kantonrechter worden in dat kader thematisch besproken.
3. De relevante feiten [1]
3.1
[appellant] is eigenaar van een woning en bedrijfspand aan de [adres1] te [woonplaats] . Hij is daarnaast eigenaar van het naastgelegen woonhuis met huisnummer [nummer1] (hierna: het pand).
3.2
In 2018 zocht [appellant] naar huurders voor het pand. [geïntimeerde] , die twee minderjarige kinderen heeft, en haar broer [naam1] hadden belangstelling om beiden een deel van het pand te huren. [appellant] wilde het aan hen verhuren voor € 574,- per deel van de woning.
3.3
Op verzoek van [appellant] van 2 januari 2019 heeft de gemeente bij besluit van
5 februari 2019 het pand gesplitst in twee huisadressen, [nummer1] en [nummer2] . Uit de plattegrond bij dit huisnummerbesluit volgt dat het voorste (bij de weg gelegen) deel van het pand het [nummer1] heeft en het achterste deel het [nummer2] . Deze wijzigingen zijn ook doorgevoerd in het kadaster.
3.4
Een gevolg en het beoogde resultaat van de splitsing is dat zowel [geïntimeerde] als haar broer in aanmerking zouden kunnen komen voor huurtoeslag.
3.5
Op de bovenverdieping van [nummer1] bevinden zich twee slaapkamers, op de bovenverdieping van [nummer2] waren twee slaapkamers aanwezig. [geïntimeerde] heeft, met toestemming van [appellant] , een derde slaapkamer bij gemaakt. [appellant] heeft in [nummer2] een trap aangebracht, zodat het mogelijk is van de benedenverdieping naar boven te komen zonder door [nummer1] te hoeven gaan. Het bleef mogelijk om zowel boven als beneden van [nummer1] naar [nummer2] te gaan. Aan de zijkant van het pand hingen twee brievenbussen met daarop de huisnummers, links (het dichtst bij de voorzijde) [nummer1] , daar rechts naast (naar de achterzijde toe) [nummer2] . Onder [nummer1] was de naam van [geïntimeerde] ( [geïntimeerde] ) vermeld, onder [nummer2] die van haar broer ( [naam1] ).
3.6
[naam1] is in de loop van december 2018 naar het pand verhuisd, [geïntimeerde] in de loop van februari 2019. Beiden hebben op 22 januari 2019 een schriftelijk huurcontract ondertekend. In het huurcontract van [geïntimeerde] staat dat zij [nummer1] huurt, in dat van
[naam1] dat hij [nummer2] huurt. In beide gevallen is volgens het contract sprake van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd van twee jaar vanaf 10 december 2018.
[geïntimeerde] heeft bij de betaling van de huur vermeld dat de betaling betrekking had op [nummer1] . [geïntimeerde] heeft vanaf 22 februari 2019 huur betaald, haar broer met ingang van december 2018.
3.7
In de praktijk woonden [geïntimeerde] en haar kinderen in [nummer2] . Zij hadden ook hun slaapkamers op de bovenverdieping van [nummer2] . [naam1] en diens minderjarige zoon hadden hun slaapkamers op de bovenverdieping van [nummer1] .
3.8
In mei 2024 heeft [naam1] het pand verlaten. De huurovereenkomst met hem is beëindigd.
3.9
Op 18 juni 2024 heeft [appellant] het volgende WhatsApp-bericht gestuurd aan [geïntimeerde] :

Goedemiddag ze beginnen deze week met het dak en de achterkant van het huis weet niet of de kamers nog bewoonbaar zijn anders moeten ze naar de voorkant verhuizen er komt een steiger aan de achterkant van het huis op het terras te staan dus je hebt geen loperij door het huis.
[geïntimeerde] appte terug:
‘(…) De achterzijde is woonbaar. Daar slapen ik en de kinderen. Als ik het goed begrijp moet alles in de kamers weg? En wanneer gaan ze beginnen? Ik zou graag wat duidelijkheid willen wat ze gaan doen en verwacht wordt van mij
[appellant] reageerde:

Ok dat begrijp ik kom er morgen vroeg ff op terug’.
3.1
De dag erna, op 19 juni 2024, heeft [appellant] aan [geïntimeerde] laten weten dat de
werkzaamheden betrekking hebben op het dak (aanbrengen van isolatie en het vernieuwen van de dakpannen), de schoorsteen en het plaatsen van dubbel glas.
3.11
Kort daarna is door [appellant] een steiger in de tuin gezet. Op verzoek van [appellant] heeft
[geïntimeerde] de slaapkamers van haar en haar kinderen leeggehaald. Uit appverkeer tussen [geïntimeerde] en [appellant] blijkt dat [geïntimeerde] vaststelt dat er nauwelijks bouwactiviteiten plaatsvinden en zich afvraagt waarom zij de slaapkamers moest ontruimen en wanneer zij weer gebruik kan maken van de achtertuin, die door de steigers gebarricadeerd is.
3.12
[geïntimeerde] heeft, na haar vakantie, op 31 juli 2024, ontdekt dat [appellant] is begonnen met
de sloopwerkzaamheden. [appellant] heeft alle tussenmuren op de bovenverdieping (van de
slaapkamers) aan de achterkant van het pand weggehaald en de badkamer is gebarricadeerd.
3.13
[geïntimeerde] en haar advocaat hebben vervolgens [appellant] verzocht om informatie te
geven over de inhoud en de voortgang van de werkzaamheden. [appellant] heeft deze informatie
niet verstrekt.
3.14
Na de procedure bij de kantonrechter heeft [appellant] een renovatieplan aan [geïntimeerde] verstrekt. Dat plan komt erop neer dat van 1 april tot 1 juni 2025 de buitenkozijnen zullen worden vervangen en/of geschilderd en het dak wordt gerenoveerd en dat na de uitspraak in hoger beroep de door [geïntimeerde] geplaatste gipswanden op de bovenverdieping van [nummer2] worden verwijderd.

4.4. De beoordeling van het geschil

Het spoedeisend belang4.1 Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, moet eerst worden beoordeeld of partijen een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Als dat het geval is, zijn de vorderingen alleen toewijsbaar indien kan worden vastgesteld dat de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen maken dat het gerechtvaardigd is om vooruitlopend op de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de wederzijdse belangen van partijen.
4.2
Beslissend is of partijen op het moment dat het hof beslist nog een spoedeisend belang hebben bij de door hen gevorderde voorzieningen. Dat is deels het geval, zoals het hof hierna zal uitwerken.
4.3
Indien [geïntimeerde] , zoals zij stelt, het pand [adres] huurt van [appellant] heeft zij er belang bij dat zij geïnformeerd wordt over de renovatieplannen van [appellant] en op de hoogte wordt gehouden van de voortgang ervan. Bovendien heeft zij er belang bij dat die plannen met voortvarendheid worden gerealiseerd, omdat aannemelijk is dat zij last heeft van de werkzaamheden en ook van de voorbereidingen op die werkzaamheden (steigers en bouwmaterialen). Overigens geldt dat mogelijk óók wanneer zij [nummer1] huurt, omdat de woningen [nummer1] en [nummer2] letterlijk onder één dak liggen en aannemelijk is dat werkzaamheden aan en in [nummer2] ook effect hebben op het woongenot van [nummer1] . Daaruit volgt dat zij ook spoedeisend belang heeft bij de vordering tot vermindering van de huur. Omdat [appellant] inmiddels een (weliswaar summier) renovatieplan heeft verstrekt, heeft [geïntimeerde] geen spoedeisend belang meer bij het verstrekken van nog een plan.
4.4
Ook [appellant] heeft een spoedeisend belang bij de door hem gevorderde voorziening om [geïntimeerde] te verbieden [nummer2] te betreden en/of te gebruiken. Indien [geïntimeerde] inderdaad [nummer1] en niet [nummer2] huurt, maakt zij ten onrechte gebruik van (op dit moment: de benedenverdieping van) [nummer2] . Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat [appellant] is verwikkeld in een echt- en boedelscheiding en dat het de bedoeling is dat aan zijn (ex-)echtgenote de woning [nummer2] wordt toegescheiden. Hij heeft er om die reden spoedeisend belang bij dat [nummer2] door [geïntimeerde] wordt ontruimd.
4.5
[appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering [geïntimeerde] te veroordelen zich te onthouden van enige inmenging en/of obstructie van de werkzaamheden betreffende [nummer2] . [appellant] heeft, in het licht van het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] op dit punt, niet aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] die werkzaamheden heeft belemmerd of bemoeilijkt, anders dan door haar claim dat zij [nummer2] huurt. Dat er geen werkzaamheden plaatsvinden, is dan ook niet het gevolg van obstructie door [geïntimeerde] , die juist belang heeft bij een spoedige afronding van de werkzaamheden, maar van het feit dat [appellant] , om hem moverende redenen, de werkzaamheden niet afrondt.
Het object van de huurovereenkomst blijft in dit kort geding onduidelijk4.6 Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen is wat het object van de huurovereenkomst is, of [geïntimeerde] [nummer1] huurt, zoals [appellant] stelt, of [nummer2] , zoals [geïntimeerde] meent.
4.7
Volgens [appellant] is met de bewindvoerder van [geïntimeerde] , wier vermogen toen nog onder bewind stond, en met [naam1] besproken dat [geïntimeerde] het voorste deel van het pand zou gaan huren en [naam1] het achterste deel. Vervolgens is het pand gesplitst en is, conform het besprokene, in het huurcontract van [geïntimeerde] [nummer1] als het huurobject vermeld en in het huurcontract van [naam1] [nummer2] .
[geïntimeerde] stelt dat zij bij het aangaan van de overeenkomst met [appellant] juist met [appellant] heeft besproken dat zij in het achterste deel van het pand zou gaan wonen. In de bovenverdieping van het achterste deel zou een extra slaapkamer worden gerealiseerd, zodat [geïntimeerde] en haar beide kinderen ieder een eigen slaapkamer zouden hebben. Dat die slaapkamer met zijn medeweten is gerealiseerd, heeft [appellant] overigens niet bestreden. Volgens [geïntimeerde] ging zij ervan uit dat de achterzijde van het pand, waar zij woonde, [nummer1] was en de voorzijde [nummer2] .
Voor het standpunt van beiden is wel wat te zeggen.
4.8
In het voordeel van [appellant] pleit dat in het (door beide partijen ondertekende) huurcontract is vermeld dat [geïntimeerde] [nummer1] van [appellant] huurt en dat zij bij de betaling van de huur heeft verwezen naar [nummer1] . De vermelding van de naam van [geïntimeerde] op de brievenbus met [nummer1] sluit daarop aan.
Het hof tekent daar wel bij aan dat in het huurcontract ook is vermeld dat de huurovereenkomst per 10 december 2018 ingaat, terwijl partijen het erover eens zijn dat de huurovereenkomst pas in februari 2019 is ingegaan. Er kan dan ook voorshands niet zonder meer van worden uitgegaan dat in het huurcontract de tussen partijen gemaakte afspraken correct zijn vastgelegd. In dit verband is van belang dat partijen het erover eens zijn dat de huurcontracten al veel eerder - in de eerste helft van december 2018 - zijn opgesteld dan dat deze - op 22 februari 2019 - zijn ondertekend. In de tussentijd is het pand gesplitst in de nummers [nummer1] en [nummer2] (zie 3.3). Toen het contract werd opgesteld, was de splitsing dus nog niet gerealiseerd. [geïntimeerde] heeft - niet bestreden door [appellant] - betwist dat zij toen het contract werd ondertekend wist welke nummers de beide delen van het pand zouden krijgen.
Wat de brievenbussen betreft heeft [geïntimeerde] , onbestreden door [appellant] , aangevoerd dat de brievenbussen pas geruime tijd na het aangaan van de huurovereenkomst door [appellant] zijn opgehangen. De nummering op die bussen kan daarom niet in het voordeel van [appellant] worden betrokken bij de uitleg van de afspraken van partijen over wat gehuurd is door [geïntimeerde] .
4.9
In het voordeel van [geïntimeerde] pleit dat aannemelijk is dat zij en haar kinderen steeds het achterste deel van de woning - in elk geval de bovenverdieping daarvan - in gebruik hebben gehad. Uit het appje van [appellant] aan [geïntimeerde] van 18 juni 2024 (zie 3.9) lijkt te volgen dat [appellant] daarvan op de hoogte was. Dat is ook niet verwonderlijk omdat aannemelijk is dat [appellant] ermee bekend was dat in het achterste deel van de woning een extra slaapkamer was gecreëerd voor een van de kinderen van [geïntimeerde] . Bovendien woont hij naast de woning en stonden partijen tot medio 2024 op goede voet met elkaar zodat het ook om die reden niet aannemelijk is dat de feitelijke situatie [appellant] is ontgaan.
4.1
[appellant] heeft zich nog beroepen op een brief van 2 februari 2024 aan [geïntimeerde] , waarin hij de huur opzegt, omdat [geïntimeerde] het gehele pand, en niet alleen het door haar gehuurde deel van de woning gebruikt. Het hof kent geen betekenis toe aan deze brief, omdat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft bestreden dat zij deze brief heeft ontvangen. Daar komt bij dat de inhoud van de brief erop wijst dat deze geschreven moet zijn nadat [naam1] het pand had verlaten - in mei 2024 -, maar de brief maanden eerder is gedateerd.
Ook aan het feit dat [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding geen onderscheid heeft gemaakt tussen [nummer1] en [nummer2] kent het hof geen betekenis toe. Toen de dagvaarding werd geschreven, was nog niet duidelijk dat tussen partijen een verschil van mening bestond over de vraag welk deel van de woning door [geïntimeerde] werd gehuurd.
4.11
Al met al is nu niet goed vast te stellen wie er op het punt van het object van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure gelijk zal krijgen. [appellant] kan zich met enig recht beroepen op het huurcontract, dat tussen partijen dwingende bewijskracht heeft, beroepen, en op de namen en nummers op de brievenbussen en de omschrijving van [geïntimeerde] bij de huurbetalingen. Maar daar staat tegenover dat betwijfeld kan worden of het huurcontract wat betreft het object van de huur de tussen partijen gemaakte afspraken correct weergeeft, gezien de bekendheid van [geïntimeerde] met de (latere) nummering van de beide delen van de woning ten tijde van het opstellen van het contract, de evidente onjuistheid van een andere bepaling uit het contract, de wijze van bewoning van het pand (waarmee [appellant] bekend was en mogelijk - indien de verklaring van [geïntimeerde] daarover juist is - heeft ingestemd). Verwacht mag worden dat in een eventuele bodemprocedure bewijslevering door getuigen zal moeten plaatsvinden. Deze procedure in kort geding leent zich daar niet voor. [2]
De vorderingen van [appellant]4.12 Het hof kan niet vaststellen dat de vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te verbieden [nummer2] te gebruiken en te betreden in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen maakt dat het gerechtvaardigd is om vooruitlopend op de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt allereerst dat onzeker is of [appellant] in een eventuele bodemprocedure - na bewijslevering - gelijk zal krijgen. Bovendien valt bij deze stand van zaken een belangenafweging in zijn nadeel uit. Van [appellant] als verhuurder mag verwacht worden dat hij voorkomt dat verwarring ontstaat over het object van de huur, zeker in een situatie waarin een pand juridisch wel maar feitelijk niet gesplitst is en de huishoudens van beide huurders door elkaar lopen, zodat die verwarring ook niet denkbeeldig is.
4.13
Ook de vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen zich te onthouden van enige inmenging en/of obstructie van de werkzaamheden betreffende [nummer2] is, zoals hiervoor is overwogen, niet toewijsbaar vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. [3]
De vorderingen van [geïntimeerde]4.14 Of [geïntimeerde] nu [nummer1] of [nummer2] huurt, aannemelijk is dat zij in beide gevallen (enige) overlast ondervindt van de renovatiewerkzaamheden van [appellant] . In het tweede geval is die overlast aanzienlijk groter, vanwege de ontruiming van de slaapkamers van [nummer2] . Omdat de woningen hetzelfde dak hebben en, zoals aangegeven, bouwkundig nauw met elkaar verbonden zijn, is aannemelijk dat ook de huurder van [nummer1] last heeft van de werkzaamheden aan [nummer2] , zeker wanneer deze werkzaamheden meer dan anderhalf jaar duren. [geïntimeerde] heeft er dan ook belang bij dat de renovatiewerkzaamheden op zo kort mogelijke termijn worden afgerond of beëindigd en dat de gevolgen ervan voor haar zoveel mogelijk worden beperkt.
4.15
Het hof zal [appellant] veroordelen om de werkzaamheden uit het renovatieplan (met uitzondering van de onder 4 vermelde werkzaamheden - die betrekking hebben op het verwijderen van de gipswanden) uiterlijk vóór 1 mei 2026 af te ronden. Het hof heeft, met het oog op het seizoen, een ruime termijn genomen. Wanneer [appellant] deze veroordeling niet nakomt, is hij een dwangsom van € 50,- per dag verschuldigd, met een maximum van
€ 5.000,-. [4]
4.16
Omdat er, zoals hiervoor is overwogen, niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] [nummer2] huurt, is de vordering van [geïntimeerde] om gedurende de werkzaamheden de huurprijs met 20% te korten alleen om deze reden al niet toewijsbaar. De ernst van de overlast is immers afhankelijk van de mate van de door [geïntimeerde] ondervonden overlast en die verschilt al naar gelang [geïntimeerde] [nummer1] of [nummer2] huurt. Het hof kan daarom niet vooruitlopen op het oordeel van de bodemrechter. [5]
Conclusies4.17Het hof komt in reconventie tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. In conventie komt het hof tot een ander oordeel over de vermindering van de huurprijs, maar tot een zelfde oordeel als het gaat om de verplichting tot het verstrekken van een renovatieplan. Omdat dat plan inmiddels is verstrekt, is de vordering tot het verstrekken ervan nu niet meer toewijsbaar. Anders dan de kantonrechter vindt het hof dat de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het daadwerkelijk verrichten van de renovatiewerkzaamheden wel toewijsbaar is.
4.18
Het gevolg is dat het hof het vonnis van de kantonrechter in reconventie zal bekrachtigen en in conventie zal vernietigen, op de beslissing betreffende de proceskosten na. Dat laatste omdat [geïntimeerde] bij deze stand van zaken in conventie overwegend in het gelijk is gesteld. [6] In het principaal appel zijn beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk ingesteld. Om die reden zal het hof de kosten compenseren. In het incidenteel appel is [geïntimeerde] in het gelijk gesteld. Het hof zal [appellant] in de proceskosten veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak
. [7] 4.19 De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 18 november 2024 in reconventie en in conventie op het punt van de proceskostenveroordeling;
5.2
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 18 november 2024 in conventie voor het overige en beslist in zoverre als volgt:
5.3
veroordeelt [appellant] om de onder de punten 1 tot en met 3 van het door hem opgestelde renovatieplan (overgelegd als productie G bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel) uiterlijk vóór 1 mei 2026 af te ronden en om de voor de uitvoering van die werkzaamheden noodzakelijke materialen en hulpmiddelen dan verwijderd te hebben, dit op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag, of gedeelte van een dag, dat [appellant] vanaf 1 april 2026 niet (volledig) aan deze veroordeling heeft voldaan, een en ander met een maximum van € 5.000,-;
5.4
compenseert de kosten van het principaal appel;
5.5
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] in het incidenteel appel:
€ 1.214,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 x 0,5 = 1 procespunt x appeltarief II) ;
5.6
verklaart de (proceskosten)veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J. Smit en W.A. Zondag, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.

Voetnoten

1.Omdat het hof de feiten zelf vaststelt, heeft [appellant] geen belang bij de bespreking van grief I.
2.De grieven II tot en met IV van [appellant] falen.
3.Grieven V en VII van [appellant] falen.
4.De incidentele grief van [geïntimeerde] slaagt.
5.Grief VI van [appellant] slaagt gedeeltelijk.
6.Grief VIII van [appellant] faalt.
7.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.