ECLI:NL:GHARL:2026:1620

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
Wahv 200.362.608/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 WahvArt. 13a Wahv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie wegens niet volgen voorsorteerstrook met matiging wegens overschrijding redelijke termijn

De betrokkene kreeg een sanctie van €280 opgelegd voor het niet volgen van de richting die de voorsorteerstrook aangeeft op een kruispunt. Deze overtreding vond plaats op 19 augustus 2023 in Waddinxveen. De betrokkene stelde beroep in bij de kantonrechter, die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om proceskostenvergoeding afwees.

In hoger beroep betoogde de gemachtigde van de betrokkene dat de sanctie met 25% moest worden gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De kantonrechter had dit niet zo beoordeeld, omdat hij vond dat de overschrijding deels aan de betrokkene of zijn gemachtigde toe te rekenen was. Het hof oordeelt echter dat de overschrijding niet in overwegende mate aan de betrokkene of zijn gemachtigde is toe te rekenen, mede omdat de aanvullende gronden binnen de gestelde termijn zijn ingediend.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden en matigt daarom de sanctie met 25%. Tevens veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van €233,50. De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en het beroep van de betrokkene wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: Sanctie gematigd met 25% wegens overschrijding redelijke termijn en proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.362.608/01
CJIB-nummer
: 260341656
Uitspraak d.d.
: 17 maart 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 20 augustus 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 augustus 2023 om 22:23 uur op de Goudsepoort in Waddinxveen met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het bedrag van de sanctie met 25 procent moet worden gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De overschrijding van deze termijn is, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet voor een deel toe te rekenen aan de gemachtigde. De gemachtigde heeft immers binnen de hem gestelde termijn de nadere gronden ingediend.
3. De kantonrechter heeft overwogen dat de gemachtigde vanaf 20 maart 2024, toen hij beroep instelde, tot de in de brief van de griffier van de rechtbank d.d. 1 oktober 2024 genoemde datum van 1 november 2024 de gelegenheid heeft gehad voor het indienen van gronden, hetgeen hij pas op 31 oktober 2024 heeft gedaan. Dit leidt er volgens de kantonrechter toe dat dat het verstrijken van een aanzienlijk deel van de termijn aan de betrokkene is toe te rekenen, waardoor geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
4. De termijn van berechting in eerste aanleg is in dit geval aangevangen toen de betrokkene op 19 augustus 2023 werd staande gehouden. De gemachtigde heeft op 20 maart 2024 beroep ingesteld bij de kantonrechter. Daarbij heeft hij verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken, alsmede om een termijn voor het aanvullen van gronden. Bij brief van 1 oktober 2024 is door de griffier van de rechtbank aan de gemachtigde een afschrift van het procesdossier verstrekt en is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk 1 november 2024 de gronden van het beroep aan te vullen. Bij brief van 31 oktober 2024, op diezelfde datum ingekomen bij de rechtbank, heeft de gemachtigde de aanvullende gronden ingediend. Bij brief van 16 juli 2025 is de gemachtigde door de griffier van de rechtbank opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 20 augustus 2025. De kantonrechter heeft op 20 augustus 2025 op het beroep beslist. Daarmee is de termijn van berechting in eerste aanleg geëindigd.
5. De redelijke termijn van berechting in eerste aanleg kan langer kan zijn dan twee jaren als de duur van de procedure in overwegende mate aan de betrokkene of zijn gemachtigde is toe te rekenen (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). De kantonrechter moet evenwel de voortgang van de procedure bewaken en toezien op een redelijke termijn van berechting.
6. In dit geval, waarbij na ruim een half jaar na het instellen van het beroep de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld de gronden van het beroep aan te vullen, hij dit binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan en het vervolgens nog bijna 10 maanden heeft geduurd voordat het beroep ter zitting van de kantonrechter is behandeld, valt niet in te zien waarom de langere duur van de onderhavige procedure in overwegende mate aan de gemachtigde is toe te rekenen (vgl. het arrest van het hof van 27 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3537). Het hof stelt dan ook vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. Dit brengt mee dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd met 25 procent. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 233,50 (= 2 x € 934,- x 0,5 x 0,25).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in 210,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 233,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.