ECLI:NL:GHARL:2026:161

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.347.806/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vordering tot schadevergoeding en concurrentiebeding in relatie tot beëindiging van een vennootschap onder firma

In deze zaak gaat het om een slepend conflict tussen twee voormalige partners die samen een café exploiteerden. De man, procederend via zijn persoonlijke vennootschap The coffee & chocolate café B.V. (CCC), vordert schadevergoeding van zijn ex-partner en haar vennootschap The coffee & chocolate Bataviastad café B.V. (Bataviastad). De kern van het geschil betreft de vraag of de man een vordering kan baseren op het feit dat de vrouw de onderneming buiten hem om heeft ingebracht in een BV waarvan zij de enig bestuurder en aandeelhouder is. Daarnaast maakt de man aanspraak op een boete wegens schending van een concurrentiebeding. De rechtbank heeft de vordering van de man afgewezen, maar het hof oordeelt dat de vordering tegen de vrouw moet worden afgewezen en dat de afwijzing van de vordering tegen Bataviastad in stand blijft. Het hof concludeert dat de vrouw niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat de schade niet voldoende is onderbouwd. De vordering tot betaling van de boete wordt eveneens afgewezen, omdat de vrouw niet werkzaam is geweest bij een andere horecaonderneming sinds zij de onderneming zelf voortzet. Het hof vernietigt het eerdere vonnis en wijst de vorderingen van CCC af, waarbij CCC wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.347.806/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 543117
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
The coffee & chocolate café B.V. (CCC)
die is gevestigd in Lelystad
advocaat: mr. I.M. Peeperkorn
tegen

1.[geïntimeerde]

die woont in [woonplaats]
2. The coffee & chocolate Bataviastad café B.V. (Bataviastad)
die is gevestigd in Lelystad
advocaat: mr. C. Brocklebank-Groen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Het procesverloop tot aan de mondelinge behandeling op 24 oktober 2025 blijkt uit de memories van grieven en antwoord in het principaal en het incidenteel appel. Hierna hebben partijen ieder nog een akte genomen. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na een aanhouding is het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[geïntimeerde] en haar ex-partner [naam] zijn verwikkeld geraakt in een slepend conflict. In het verleden exploiteerden zij samen een café. De ruzies die daarbij in een periode van negen maanden zijn ontstaan, zijn geëxplodeerd en hebben inmiddels geleid tot meer dan 10 gerechtelijke uitspraken. Wat nu nog ter discussie staat, is of [de ex-partner] (CCC) een vordering tegen [geïntimeerde] en haar persoonlijke vennootschap kan baseren op het feit dat zij de onderneming buiten hem om heeft ingebracht in een BV waarvan zij indirect de enig bestuurder en aandeelhouder is. CCC maakt ook aanspraak op een boete.
Een en ander heeft de volgende achtergrond.
2.2
[geïntimeerde] en [de ex-partner] , die indirect directeur-grootaandeelhouder is van CCC, hebben een affectieve relatie gehad waaruit drie kinderen zijn geboren. Zij zijn op 9 oktober 2015 in de vorm van een vennootschap onder firma (vof) met [geïntimeerde] en CCC als vennoten begonnen met de exploitatie van een café onder de naam The Coffee & Chocolate Café Bataviastad (het café). In deze vof was de taakverdeling dat [geïntimeerde] de dagelijkse bedrijfsvoering voor haar rekening nam en CCC de administratie verzorgde. De vof heeft voor de duur van vijf jaar een franchiseovereenkomst gesloten met Choco Chocolate Company Retail (CHCO), die is ingegaan op 31 oktober 2015.
2.3
Op 6 augustus 2016 is de relatie tussen [de ex-partner] en [geïntimeerde] verbroken. Ook zakelijk konden zij daarna niet langer samenwerken.
2.4
Op enig moment waren partijen het er daarna over eens dat [geïntimeerde] de exploitatie van het café zou voortzetten en dat zij CCC moest uitkopen. Op 12 januari 2018 hebben CCC en [geïntimeerde] met het oog daarop op een zitting bij de voorzieningenrechter een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin staat dat zij de kantonrechter zouden verzoeken om (i) de peildatum vast te stellen waarop de waardering moest plaatsvinden, (ii) een oordeel te geven over de vraag of aan die waardering 1 november 2020 als einddatum moest worden gekoppeld en (iii) te beslissen wat het object van de waardering was. Dat oordeel van de kantonrechter zou voor hen bindend zijn.
2.5
Op 7 maart 2018 heeft de kantonrechter naar aanleiding van dat verzoek bepaald dat het vennootschapsvermogen in het kader van de verdeling ervan tussen partijen moest worden gewaardeerd naar 1 januari 2018. In een bindend advies heeft een registervaluator vervolgens de waarde van het vennootschapsvermogen van CCC vastgesteld op € 324.625 in het geval dat [geïntimeerde] de onderneming na 1 november 2020 zou voortzetten. Omdat nieuwe conflicten zijn gerezen, zijn partijen echter niet tot verdeling overgegaan.
2.6
Aan de actieve rol van CCC in de vof was in maart 2018 intussen feitelijk een einde gekomen doordat de administratie op aanwijzing van de franchisegever was uitbesteed. CCC heeft dat in kort geding vergeefs aangevochten. De uitspraak in die zaak dateert van 13 juni 2018. Enkele maanden later, in een uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2018, is het CCC ook verboden nog enige (rechts)handeling met betrekking tot de vof te verrichten. Achtergrond van die uitspraak is, dat zij vanaf de rekening van de vof onbevoegd dagelijkse overboekingen naar haar privérekening had gedaan. CCC moet dat geld terugbetalen.
2.7
De franchisegever heeft de franchiseovereenkomst na 1 november 2020 niet willen verlengen. Dat had zij op 26 mei 2017 al aangekondigd, na misdragingen en bedreigingen van [de ex-partner] in het bijzijn van personeel en klanten. Kort voor de beëindiging, op 22 oktober 2020, liet de franchisegever weten niet in een franchiseovereenkomst te willen treden waarin zowel [geïntimeerde] als CCC gezamenlijk partij zijn. Gezien de herstelde relatie met [geïntimeerde] toonde zij zich wel bereid met haar of een aan haar verbonden vennootschap een overeenkomst af te sluiten.
2.8
Tegen deze achtergrond heeft de voorzieningenrechter op 24 november 2020 CCC op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom geboden om (i) als vennoot van de vof uit te treden en zich uit te schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dan wel daaraan iedere medewerking te verlenen, (ii) met onmiddellijke ingang iedere medewerking te verlenen aan de toebedeling van het vermogen van de vof aan [geïntimeerde] en (iii) haar aandeel in het vermogen van de vof aan [geïntimeerde] over te dragen, tegen voldoening door [geïntimeerde] van € 252.237,13 (324.625 – 72.387,87 [1] ).
2.9
Na sommatie heeft CCC daaraan onder protest gevolg gegeven. Op 4 december 2020 is [de ex-partner] als vennoot uit het Handelsregister uitgeschreven. Per 1 januari 2021 is de vof uitgeschreven. [geïntimeerde] heeft de onderneming eerst als eenmanszaak voortgezet en heeft deze eind juni 2021 in Bataviastad ondergebracht. De franchiseovereenkomst is (alleen) met die vennootschap voortgezet.
2.1
Het vonnis van 24 november 2020 is echter door het hof op 21 december 2021 vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] in die procedure zijn alsnog afgewezen.
2.11
Uitgaande van die vernietiging heeft CCC bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] en Bataviastad allebei worden veroordeeld tot betaling van € 252.237,13 met rente en kosten en dat [geïntimeerde] ook wordt veroordeeld tot betaling van een boete van € 5.000 per dag vanaf 26 juni 2022 wegens inbreuk op het concurrentieverbod uit de samenwerkingsovereenkomst. Alleen de eerste vordering is toegewezen, en enkel tegen [geïntimeerde] . Het hoger beroep van CCC richt zich tegen die uitspraak. De bedoeling ervan is dat ook haar vordering tegen Bataviastad wordt toegewezen, evenals de boetevordering die zij tegen [geïntimeerde] heeft ingesteld.
2.12
[geïntimeerde] heeft ook hoger beroep ingesteld, en heeft daaraan vorderingen gekoppeld. In eerste instantie had zij zelf echter geen vorderingen tegen CCC ingesteld (althans, zij heeft haar vorderingen naar eigen zeggen ingetrokken). Daarom kan zij dat in hoger beroep niet alsnog doen. Voor zover zij dat wel heeft gedaan, is zij daarin niet-ontvankelijk. Het hof zal om die reden aan deze vorderingen verder geen aandacht besteden.

3.Het oordeel van het hof

Inleiding
3.1
Het hof zal oordelen dat de vordering tegen [geïntimeerde] alsnog moet worden afgewezen en dat de afwijzing van de tegen Bataviastad ingestelde vordering in stand blijft. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) zullen daarbij thematisch worden behandeld.
De vordering tegen [geïntimeerde] (het incidenteel appel van [geïntimeerde] )
- Onrechtmatigheid
3.2
De rechtbank heeft de vordering tegen [geïntimeerde] toegewezen op grond van het uitgangspunt dat de partij die door dreiging met ten uitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis (in dit geval: het vonnis van 24 november 2020) de wederpartij heeft gedwongen tot nakoming van dat vonnis voordat dit in kracht van gewijsde is gegaan, in beginsel onrechtmatig handelt en schadeplichtig is wanneer dat vonnis later wordt vernietigd (in dit geval: in het arrest van 21 december 2021). De rechtbank heeft geen reden gezien om dat uitgangspunt te verlaten. De schade is gelijkgesteld aan de door Bright Orange in een bindend advies vastgestelde waarde van het aandeel van CCC in de onderneming (€ 324.625), verminderd met de door die partij uit de onderneming opgenomen bedragen (in totaal € 72.387,87).
3.3
De strekking van de grieven van [geïntimeerde] tegen die beslissing is in de eerste plaats dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld en – zo begrijpt het hof – dat de tegen haar ingestelde vordering moet worden afgewezen. Partijen waren volgens haar immers overeengekomen dat [geïntimeerde] de onderneming zou voortzetten. De waardering van het aandeel van CCC heeft plaatsgevonden om te kunnen vaststellen welk bedrag die partij dan zou toekomen. De vof en de samenwerkingsovereenkomst zijn vervolgens geëindigd op het moment dat [geïntimeerde] de onderneming als eenmanszaak voortzette. Bovendien: gelet op het vonnis van 28 augustus 2018 mocht CCC met betrekking tot het café helemaal geen rechtshandelingen meer verrichten, en de franchisegever weigerde een nieuwe franchise overeen te komen met de vof voor zover CCC of [de ex-partner] nog bij de onderneming betrokken waren. Subsidiair voert [geïntimeerde] aan dat bij de begroting van de door CCC geleden schade niet kan worden uitgegaan van het bindend advies van Bright Orange.
3.4
Het hof stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat de omstandigheid dat tussen partijen een contractuele verhouding bestaat, niet uitsluit dat een vordering van de een tegen de ander kan worden gebaseerd op het leerstuk onrechtmatige daad. (zie HR 26 maart 1920, NJ 1920, 576, HR 9 december 1955, NJ 1956, 157 en HR 6 april 1990, NJ 1991, 689). Het ligt op de weg van CCC om dat verwijt te onderbouwen. Daarin schiet zij tekort, omdat onbetwist is dat (i) [de ex-partner] en [geïntimeerde] van plan waren de vof te beëindigen, (ii) het hun bedoeling was dat [geïntimeerde] de onderneming zou voortzetten en [de ex-partner] zou uitkopen, (iii) beiden een bindend advies hebben gevraagd en verkregen om vast te stellen welk bedrag [geïntimeerde] dan aan [de ex-partner] verschuldigd zou zijn, (iv) gedragingen van [de ex-partner] ertoe hebben geleid dat in gerechtelijke uitspraken is uitgemaakt of bevestigd dat CCC (lees: [de ex-partner] ) geen bemoeienis met de administratie meer mocht hebben en (kort daarna) in het geheel geen (rechts)handelingen met betrekking tot de vof meer mocht verrichten, (v)
dieuitspraken niet ter discussie zijn komen te staan, (vi) het bestaan van de franchiseovereenkomst essentieel was voor de bedrijfsvoering, (vii) in 2017 al duidelijk was dat na november 2020 geen franchiseovereenkomst met CCC meer zou worden gesloten en (viii) in oktober 2020 door de franchisegever werd bevestigd dat een nieuwe franchiseovereenkomst wel met enkel [geïntimeerde] of een aan haar verbonden vennootschap kon worden gesloten.
3.5
Het is onder die omstandigheden tegenover CCC niet zonder meer onrechtmatig als [geïntimeerde] de onderneming eerst in een eenmanszaak, en vervolgens in een aan haar verbonden vennootschap voortzet en een nieuwe franchiseovereenkomst aangaat. Nadere argumenten die deze conclusie toch kunnen dragen, zijn niet aangevoerd.
3.6
Als er veronderstellenderwijs al van zou worden uitgegaan dat [geïntimeerde] tegenover CCC wel onrechtmatig heeft gehandeld, dan nog is de door CCC gevorderde schade onvoldoende onderbouwd. Vast staat immers dat de franchise zou zijn geëindigd als de exploitatie van de onderneming door de vof zou zijn voortgezet, terwijl Bright Orange bij haar waardering ingeval van voortzetting juist is uitgegaan van een bestendiging van de franchiserelatie. Niet is aangevoerd, laat staan onderbouwd, welke waarde de onderneming dan nog zou hebben vertegenwoordigd. Als de vof na voortzetting door Bataviastad geen waarde meer zou hebben gehad, dan kan daarom zonder nadere onderbouwing niet worden aangenomen dat CCC schade heeft geleden op basis van de waarde die de onderneming going concern (op grond van een franchiseafspraak) nog wel zou hebben gehad.
- Wanprestatie
3.7
[geïntimeerde] erkent ondanks al het voorgaande wel dat zij – in haar woorden – aan CCC een eerlijke koopprijs moet betalen. Zij bestrijdt echter dat die prijs gelijk is aan de koopprijs die in het bindend advies van Bright Orange is vastgesteld (een bedrag dat gelijk is aan de schade waarvan CCC betaling heeft gevorderd). Zij meent aanzienlijk minder verschuldigd te zijn.
3.8
Wat van die discussie ook zijn mag, het hof wordt niet gevraagd hierover te oordelen. De vordering strekt namelijk uitdrukkelijk niet tot nakoming van deze contractuele verplichting. Het bestaan van die verplichting wordt door CCC juist bestreden, omdat de beoogde afspraken over de overname volgens haar uiteindelijk helemaal niet zijn gemaakt.
- de conclusie
3.9
Het voorgaande betekent dat de veroordeling van [geïntimeerde] niet in stand kan blijven, en dat ook die vordering moet worden afgewezen. Hierna zal worden toegelicht dat de daarmee nauw samenhangende afwijzing van de tegen Bataviastad ingestelde vordering in stand blijft.
De vordering tegen Bataviastad (het principaal appel van CCC)
- onrechtmatigheid
3.1
Volgens CCC heeft de rechtbank bij de afwijzing van de tegen Bataviastad gerichte vordering miskend dat sprake is geweest van een complexe, voortdurende onrechtmatige gedraging in groepsverband – te weten door [geïntimeerde] , Bataviastad en ook door de niet in deze procedure betrokken bestuurder/enig aandeelhouder van die vennootschap, [naam2] BV. Van die laatste vennootschap is [geïntimeerde] zelf de bestuurder/enig aandeelhouder. Het enige dat CCC eind 2020 nog had, was immers de gezamenlijke eigendom van de vof.
3.11
De rechtbank heeft CCC hier niet in willen volgen. Op zichzelf genomen acht zij het wel juist dat wetenschap in het maatschappelijk verkeer van een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel heeft te gelden als wetenschap van die rechtspersoon. Maar het feit dat aan Bataviastad via haar indirect bestuurder in beginsel wetenschap moet worden toegedicht van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] , brengt in de ogen van de rechtbank nog niet mee dat zij onrechtmatig tegenover CCC heeft gehandeld door zich “te laten lenen als vehikel“, en evenmin dat CCC door dit handelen schade heeft geleden.
3.12
Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat het verwijt aan het adres van [geïntimeerde] dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, ongefundeerd is. In zoverre ontvalt de grondslag aan de vordering tegen Bataviastad BV. Dat neemt niet weg dat Bataviastad tegenover CCC onrechtmatig kan handelen als dat gebeurt in strijd met de zorgvuldigheidsnorm en de belangen van CCC zo nauw betrokken zijn bij de oorspronkelijke overeenkomst, dat CCC schade lijdt door enige wanprestatie van [geïntimeerde] jegens CCC [2] . Dit vraagt echter om een onderbouwing van zowel de wanprestatie als van de schending van die zorgvuldigheidsnorm. Bovendien moet komen vast te staan dat CCC hierdoor schade heeft geleden.
3.13
Waaruit de wanprestatie van [geïntimeerde] dan heeft bestaan, valt uit de stellingen van CCC niet te destilleren. Zoals gezegd, is schending van enige contractuele verplichting van [geïntimeerde] tegenover CCC niet aan de tegen [geïntimeerde] ingestelde vordering ten grondslag gelegd; ter zitting bij het hof heeft CCC expliciet bevestigd dat de vordering niet op een tekortkoming is gegrond.
3.14
Hetzelfde geldt voor de vereiste schending van de zorgvuldigheidsnorm. Het hof verwijst ter toelichting naar de opsomming van de hiervoor onder 3.4 gegeven specifieke omstandigheden van dit geval. Schending van een zorgvuldigheidsnorm kan niet worden aangenomen op grond van wat hiervoor onder 3.5 al is overwogen. Bovendien valt niet in te zien dat schade is veroorzaakt doordat de onderneming vanuit een eenmanszaak in een BV is ondergebracht.
- Ongerechtvaardigde verrijking
3.15
Zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – kan onder de hiervoor geschetste omstandigheden geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking. Het beroep op dat leerstuk faalt dus ook.
De boete (het principaal appel van CCC)
3.16
Behoudens schriftelijke toestemming van CCC was het [geïntimeerde] op grond van de gemaakte afspraken verboden om tijdens de duur van de vof bij een andere onderneming werkzaam te zijn of daarbij rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn, voor zover deze een doel kent dat in meer of mindere mate overeenkomt met het doel van de vof. Bij overtreding van die afspraak zou [geïntimeerde] aan CCC voor elke overtreding een boete verschuldigd zijn van € 5.000 per dag.
3.17
Volgens CCC heeft [geïntimeerde] dit concurrentieverbod geschonden en is zij de boete aan haar verschuldigd.
3.18
De rechtbank heeft die vordering afgewezen. Afgesproken is namelijk dat het de vennoten is verboden om bij een andere horecaonderneming te werken of betrokken te zijn. [geïntimeerde] is echter vanaf l januari 2021 niet werkzaam of betrokken geweest bij een andere horecaonderneming. Zij heeft immers vanaf die datum de onderneming van de vof zelf voor eigen rekening voortgezet. Van het verbeuren van een boete kan al hierom in de ogen van de rechtbank geen sprake zijn.
3.19
Het hof volgt de rechtbank in deze redenering en beslissing. In hoger beroep is niets aangevoerd dat tot een andere beoordeling kan leiden.
Proceskosten in de oorspronkelijke reconventie (het principaal appel)
3.2
De rechtbank heeft [geïntimeerde] c.s. veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van CCC, en heeft die begroot op nihil. Volgens CCC is dat onterecht, omdat de vordering van [geïntimeerde] niet is doorgehaald, maar verminderd tot nihil. Door de proceskosten op nihil te begroten, straft de rechtbank CCC voor het voeren van verweer. Deze kosten hadden conform het liquidatietarief moeten worden begroot, aldus CCC.
3.21
CCC miskent met deze klacht dat ter zitting door de voorzitter van de rechtbank is toegelicht dat de conclusie van antwoord in reconventie onder meer buiten beschouwing moet blijven omdat die conclusie moet worden gezien als een verkapte conclusie van repliek. De juistheid van die constatering staat niet ter discussie. Dat rechtvaardigt de beslissing dat de kosten van deze conclusie op nihil moeten worden gesteld.
De conclusie in het principaal appel (CCC) en het incidenteel appel ( [geïntimeerde] )
3.22
Het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt, dat van CCC niet. Omdat CCC in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.23
Om onduidelijkheden te voorkomen, zal het hof het bestreden eindvonnis geheel vernietigen en opnieuw beslissen.

4.De beslissing

Verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in de door haar in het incidenteel appel ingestelde vorderingen tot ontbinding van de vof en de samenwerkingsovereenkomst;
vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 3 april 2024 en beslist het volgende.
Wijst de vorderingen van CCC af;
veroordeelt CCC tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] c.s. tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 5.737 aan procedurele kosten
€ 6.785 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] c.s. (2,5 procespunten x appeltarief VI)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] c.s. in hoger beroep:
€ 6.561 aan procedurele kosten
€ 11.070 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] c.s. (2,5 procespunten x appeltarief VI)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door M.W. Zandbergen. M. Aksu en Ph.W. Schreurs, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
13 januari 2026.

Voetnoten

1.Dit laatste bedrag ziet op het totaal van de door CCC uit de onderneming opgenomen bedragen.