Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1600

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.365.820
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 329 RvArt. 362 RvECLI:NL:HR:2021:1361
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen wegens bedreiging ontwikkeling

De ouders van drie minderjarige kinderen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. De kinderen verblijven deels bij de vader en deels bij de moeder. Na beëindiging van de relatie ontstonden zorgen over de veiligheid en het welzijn van de kinderen, wat leidde tot een voorlopige zorgregeling en een geschil over de naleving daarvan.

De vader hield de kinderen bij zich vanwege zorgen over de veiligheid bij de moeder, waarna de moeder een kort geding startte om de zorgregeling te handhaven. De voorzieningenrechter bepaalde dat de vader medewerking moest verlenen en gaf opdracht tot een raadsonderzoek. De vader ging in hoger beroep tegen dit vonnis.

Tijdens de zitting bij het hof verzocht de Raad voor de Kinderbescherming om ondertoezichtstelling van de kinderen voor een jaar. Beide ouders stemden hiermee in. Het hof overwoog dat hoewel ondertoezichtstelling niet ter vrije bepaling van partijen staat en prorogatie niet is toegestaan, de instemming van alle betrokkenen en de spoedeisendheid in het belang van de kinderen zwaarder wegen.

Het hof stelde de kinderen onder toezicht van Jeugdbescherming Gelderland van 17 maart 2026 tot 17 maart 2027 en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De beslissing werd genomen met het oog op de bescherming van het familieleven en de noodzaak van voortvarende hulpverlening.

Uitkomst: Het hof stelt de drie minderjarige kinderen onder toezicht van Jeugdbescherming Gelderland voor de periode van een jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.820
beschikking van 17 maart 2026
over de ondertoezichtstelling van
[minderjarige1]en
[minderjarige2]en
[minderjarige3]
in de zaak van
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Arnhem
en
[vader]
die woont in [woonplaats]
hierna te noemen: de vader
advocaat: mr. B. Willemsen
en
[moeder]
die ook woont in [woonplaats]
hierna te noemen: de moeder
advocaat: mr. E.R.T. Tromp

1.Samenvatting

Het hof stelt de kinderen onder toezicht van 17 maart 2026 tot 17 maart 2027.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben drie kinderen:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2019
- [minderjarige2] , geboren [in] 2021
- [minderjarige3] , geboren [in] 2022.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3
[minderjarige1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader. [minderjarige2] en [minderjarige3] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.4
De relatie tussen de ouders is begin 2024 geëindigd. Op 22 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (de voorzieningenrechter) een voorlopige regeling vastgesteld voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) die erop neerkomt dat de kinderen om en om een week bij iedere ouder verblijven.
2.5
Op 10 oktober 2025 heeft de vader aan de moeder (en aan twee betrokken hulpverleners) een mailbericht gestuurd waarin hij zorgen uit over de veiligheid van de kinderen bij de moeder. Daarna heeft hij de kinderen bij zich gehouden.
2.6.
De moeder is op 14 november 2025 een kort geding gestart waarin zij heeft gevorderd dat de vader de zorgregeling nakomt. De vader heeft gevorderd dat het contact tussen de kinderen en de moeder, zoals vastgelegd in de zorgregeling, wordt opgeschort en dat de kinderen aan zijn zorg worden toevertrouwd, totdat in een bodemprocedure bij de rechtbank is beslist.
2.7
Op 23 december 2025 heeft de voorzieningenrechter beslist dat de vader medewerking moet verlenen aan nakoming van de zorgregeling, met een opbouw, waarbij de zorgregeling vanaf 12 maart 2026 weer volledig zal gelden.
Ook heeft de voorzieningenrechter aan de raad gevraagd een raadsonderzoek en beschermingsonderzoek te starten, en een rapport aan te leveren bij de rechtbank ten behoeve van de bodemprocedure die inmiddels loopt.
2.8
De vader heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 december 2025. De moeder heeft verweer gevoerd. Op 2 maart 2026 is de zaak op een zitting bij het hof mondeling behandeld. Er is nog geen arrest gewezen.

3.De procedure bij het hof

3.1.
De raad heeft op de zitting van het hof van 2 maart 2026 (zie overweging 2.8) mondeling verzocht de kinderen voor een jaar onder toezicht te stellen.
3.2.
Bij de zitting waren de ouders aanwezig, zij werden beiden bijgestaan door hun advocaat. Ook was een vertegenwoordiger van de raad aanwezig (die het verzoek deed).
3.3
Beide ouders hebben tijdens de zitting verteld dat zij graag een ondertoezichtstelling van de kinderen willen en later tijdens de zitting hebben zij ingestemd met de verzochte ondertoezichtstelling.
3.4.
Op 3 maart 2026 heeft de raad het verzoek – op schrift gesteld – aan het hof gestuurd, met een kopie aan iedere ouder, hun advocaten en aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, locatie Nijmegen. De raad verzoekt het hof om die instelling de ondertoezichtstelling te laten uitvoeren.

4.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
4.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de rechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. [1]
De overwegingen van het hof
4.2.
De raad heeft in zijn verzoek opgeschreven dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen hebben last van de spanningen tussen de ouders. De beide ouders zijn het daarmee eens. Zij hebben het hof verteld dat zij willen dat er zo snel mogelijk een jeugdbeschermer komt om hen te helpen, omdat het hen samen niet lukt, ook niet met hulpverlening, om de zorgen over de kinderen weg te nemen.
4.3
Het hof onderschrijft de zorgen en is het met de ouders en de raad eens dat zo snel mogelijk hulpverlening nodig is, in de vorm van een jeugdbeschermer die regie gaat voeren. Tijdens de zitting hebben de beide ouders ermee ingestemd dat het hof, en niet de kinderrechter, de beslissing neemt om de kinderen onder toezicht te stellen. Dit is te zien als ‘prorogatie’ in die zin dat partijen het erover eens zijn dat dit geschil meteen aan de
hogerberoepsrechter wordt voorgelegd [2] .
4.4.
Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat de vraag of een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld niet ter vrije bepaling staat van partijen, zoals bedoeld in artikel 329 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering en dat prorogatie niet is toegestaan. [3] De vraag is daarnaast of de raad dit verzoek voor het eerst in hoger beroep kan doen [4] .
4.5.
Het hof zal de ondertoezichtstelling toch uitspreken. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat er een ondertoezichtstelling moet komen, en dat voortvarendheid is geboden in het belang van de drie kinderen. In de bodemprocedure bij de rechtbank is het raadsonderzoek pas net van start gegaan, terwijl de voorzieningenrechter in het vonnis van 23 december 2025 al heeft overwogen dat hulpverlening zo spoedig mogelijk moet worden opgestart en dat beide ouders op de zitting van 11 december 2025 expliciet de wens hebben uitgesproken dat de kinderen onder toezicht worden gesteld. De reden dat prorogatie niet is toegestaan hangt samen met de gedachte dat een ondertoezichtstelling een grote inbreuk betekent op het leven van de met gezag belaste ouders en de kinderen. Het gaat, met andere woorden, om bescherming van het familieleven.
In dit geval weegt het hof mee dat beide ouders zowel bij de kinderrechter als bij het hof uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat zij de ondertoezichtstelling willen. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof zich hiervan vergewist. De zitting is tweemaal onderbroken geweest opdat de ouders met hun advocaat en met de raad konden spreken en overleggen. Het hof is van oordeel dat de belangen van de kinderen vereisen dat de ondertoezichtstelling zo snel mogelijk wordt uitgesproken. Aan alle (overige) in artikel 1:255 BW Pro genoemde gronden is voldaan. Jeugdbescherming Gelderland heeft zich bereid verklaard de ondertoezichtstelling uit te voeren.
4.6
Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de raad toewijzen en de kinderen onder toezicht stellen van Jeugdbescherming Gelderland, locatie Nijmegen, met ingang van 17 maart 2026 tot 17 maart 2027.
uitvoerbaar bij voorraad
4.2.
De beslissing in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
stelt de kinderen
- [minderjarige1] , geboren [in] 2019
- [minderjarige2] , geboren [in] 2021
- [minderjarige3] , geboren [in] 2022
onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, locatie Nijmegen, met ingang van 17 maart 2026 tot 17 maart 2027;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Prakke-Nieuwenhuizen en H. Phaff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en onder b Burgerlijk Wetboek
2.artikel 329 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering
4.artikel 362 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering