ECLI:NL:GHARL:2026:1512

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.356.916
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Brussel II-terArtikel 7 lid 1 Brussel II-terArtikel 3 van de AlimentatieverordeningArtikel 5 lid 1 HuwelijksvermogensrechtverordeningArtikel 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake hoofdverblijfplaats, zorgregeling en vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding

Partijen, gehuwd in Mexico en beiden Mexicaans staatsburger, zijn gescheiden door de rechtbank Gelderland. De rechtbank bepaalde dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben, stelde een zorgregeling vast en legde een kinderalimentatie van €60 per kind per maand op. De verzoeken tot vermogensrechtelijke afwikkeling werden afgewezen.

De moeder stelde hoger beroep in met verzoeken tot wijziging van de hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling van het huwelijksvermogen. Het hof oordeelde dat de hoofdverblijfplaats bij de vader blijft vanwege het belang van stabiliteit voor de kinderen, maar dat de zorgregeling wordt uitgebreid met meer overnachtingen bij de moeder. De kinderalimentatie werd aangepast op basis van gewijzigde zorgverdeling en draagkracht.

Ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling vernietigde het hof het bestreden vonnis en bepaalde dat de bankrekeningen en de auto verdeeld moeten worden. De auto werd aan de vader toegewezen met een betalingsverplichting wegens overbedeling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de hoofdverblijfplaats bij de vader, wijzigt de zorgregeling en kinderalimentatie, en vernietigt het vonnis voor de vermogensrechtelijke afwikkeling met een verdeling van bankrekeningen en auto.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.356.916 en 200.356.917
(zaaknummer rechtbank Gelderland: 436711)
beschikking van 12 maart 2026
inzake
[verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Broersma
en
[verweerder] (de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers.
Informant:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland (de GI),
die is gevestigd in Arnhem

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank) op 17 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 juli 2025
- het verweerschrift met producties
- een journaalbericht van mr. Schoenmakers van 26 januari 2026 met producties;
- een journaalbericht van mr. Broersma van 27 januari 2026 met producties, tevens houdende een aanvullend verzoek.
1.2
Op 2 februari 2026 is [minderjarige1] verschenen. Hij heeft een gesprek gehad met een raadsheer en de griffier.
1.3
De mondelinge behandeling heeft op 6 februari 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, beiden bijgestaan door hun advocaat en de moeder ook door een tolk (die laatste heeft ook voor de vader getolkt). Namens de raad voor de kinderbescherming is een zittingsvertegenwoordiger verschenen. Namens de GI zijn verschenen [naam1] en [naam2] .
2. De kern van de zaak
2.1
Partijen zijn op [datum huwelijk] 2014 met elkaar getrouwd in [plaats] , Mexico. Beiden hebben de Mexicaanse nationaliteit. Partijen zijn de ouders van twee nog minderjarige kinderen: [minderjarige1] (hierna: [minderjarige1] ), geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats1] , Mexico en [minderjarige2] (hierna: [minderjarige2] ), geboren in [geboorteplaats2 2] , Mexico .
2.2
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen heeft op 25 juni 2024 [minderjarige1] en [minderjarige2] onder toezicht van de GI gesteld tot 25 juni 2025. De ondertoezichtstelling van de kinderen is laatstelijk verlengd tot 25 juni 2026.
2.3
Het verzoek van de vader tot echtscheiding is op 31 mei 2024 ingediend. Ook de moeder heeft de rechtbank verzocht om de echtscheiding uit te spreken en beiden hebben nevenvoorzieningen verzocht. De rechtbank heeft op 17 april 2025 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en ook nevenvoorzieningen getroffen.
2.4
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige1] en [minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben, een regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige1] en [minderjarige2] vastgesteld en bepaald dat de vader met ingang van 17 april 2025 € 60 per kind per maand aan de moeder zal betalen als bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding. De verzoeken van partijen tot afwikkeling van de gemeenschap zijn afgewezen; de vader heeft zijn verzoek niet geconcretiseerd en dat van de moeder is niet tijdig ingediend.
2.5
De echtscheidingsbeschikking is op 15 januari 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.6
De huidige contactregeling houdt in dat op maandag telefonisch contact is tussen moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] , op woensdag omgang tussen 12.00 uur en omstreeks 19.00 uur en van vrijdag 12.00 uur tot zaterdag omstreeks 19.00 uur.
2.7
De bedoeling van het hoger beroep van de moeder is dat het hof de bestreden beschikking voor een deel vernietigt en bepaalt dat [minderjarige1] en [minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben, dan wel [minderjarige1] bij de vader en [minderjarige2] bij de moeder en dat een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen en één dag per week na schooltijd bij de vader verblijven en de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte. De moeder heeft haar verzoek ter zake van de zorgregeling in hoger beroep aangevuld en verzoekt, subsidiair, dat het hof bepaalt dat indien de zorgregeling van één weekend in de veertien dagen plus één dag bij de vader niet zal worden toegewezen, als zorgregeling wordt bepaald dat de kinderen in de even weken bij de vader en in de oneven weken bij de moeder verblijven en dat de moeder het halen en brengen van de kinderen van en naar school regelt wanneer de kinderen bij de vader verblijven en in de week dat de kinderen bij de moeder verblijven de vader het halen en brengen regelt. Verder dat de vader aan haar € 408 per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Tot slot dat de vader haar de helft moet betalen van het saldo/de saldi per de peildatum op de bankrekening(en) en toedeling van de auto [merk] aan de vader tegen betaling van de helft van de waarde van € 9.400, dus € 4.700. De vader voert verweer.
2.8.
Het hof beslist dat de zorgregeling en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding per datum beschikking van het hof worden gewijzigd en dat de beslissing over het hoofdverblijf moet worden bekrachtigd. Verder dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd voor zover daarbij de verzoeken ter zake van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk zijn afgewezen. Het hof zal op het verzoek van de moeder in hoger beroep tot verdeling een beslissing nemen. Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

IPR: rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1
De zaak heeft een internationaal karakter omdat partijen de Mexicaanse nationaliteit hebben en zij met elkaar in Mexico zijn getrouwd. Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de echtscheiding en de nevenvoorzieningen. [1]
Ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. [2] Ook met betrekking tot de kinderalimentatie is de Nederlandse rechter bevoegd omdat de woonplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] in Nederland is en omdat het alimentatieverzoek als nevenverzoek in de echtscheidingsprocedure is ingediend en de Nederlandse rechter in die procedure bevoegd is. [3] De rechtsmacht in de echtscheidingsprocedure brengt ook met zich dat de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen in zaken betreffende het huwelijksvermogensstelsel die met het scheidingsverzoek verband houden. [4]
3.2
De rechtbank heeft Nederlands recht op de nevenvoorzieningen die de kinderen betreffen (hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie) toegepast. Aangezien hier geen grieven tegen zijn gericht, zal het hof in hoger beroep ook Nederlands recht toepassen op deze nevenvoorzieningen. Het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogens-regime van partijen moet aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 worden bepaald. Welk recht dat is zal het hof hierna beoordelen.
nevenvoorzieningen die de kinderen betreffen
ontvankelijkheid
3.3
Na indiening van het beroepschrift heeft de moeder haar verzoek bij bericht van 27 januari 2026 gewijzigd/aangevuld. Het betreft een vermeerderingsverzoek. Het hof moet beoordelen of de moeder ontvankelijk is en overweegt daartoe als volgt.
3.4
Nu bij de vaststelling van een zorgregeling partijen er belang bij hebben dat deze berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden ten tijde van de uitspraak in hoger beroep mag - en moet in beginsel - de appelrechter rekening houden met een grief of een wijziging van verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd of plaatsvindt. [5] De moeder is dan ook ontvankelijk in haar verzoek tot vermeerdering en het hof zal daarom ook haar gewijzigde verzoek beoordelen.
hoofdverblijfplaats en zorgregeling
3.5
De moeder vindt dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen ten onrechte bij de vader heeft bepaald en ook is zij het niet eens met de vastgestelde zorgregeling. De vader voert verweer.
3.6
De ouders hebben samen het gezag. De rechter kan op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. [6] Deze regeling kan een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
3.7
Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de vader houden, omdat op dit moment stabiliteit voor de kinderen belangrijk is. Het hof meent met de raad dat die noodzakelijke stabiliteit nu (nog) ontbreekt. Bij de ouders is op dit moment onvoldoende draagvlak voor een wijziging in de hoofdverblijfplaats. De vader werkt niet mee aan het ‘Goed genoeg Ouderschapstraject’ van [naam3] en de moeder en haar partner waren tot voor kort nog erg negatief over de vader, diskwalificeerden hem en de houding van de moeder tegenover de vader was destructief. Dat betekent ook dat op dit moment nog onvoldoende basis is voor een gelijkwaardige rol van de ouders in de zorg voor de kinderen. Evenals de raad vindt het hof dat in de nabije toekomst wel sprake moet zijn van een situatie van gelijkwaardig ouderschap. Gelijkwaardig ouderschap betekent overigens niet per se dat sprake moet zijn van een gelijke verdeling van de tijd tussen ouders. [7] Het belang van de kinderen bij de regeling is leidend.
3.8
De vraag is wat nodig is voor een gelijkwaardig ouderschap. Dat is dat de vader gaat meewerken aan het traject bij [naam3] en dat de moeder en haar partner een positieve houding hebben tegenover de vader en zijn vaderschap respecteren. Op dit moment overnachten de kinderen echter maar één nacht per week bij de moeder. Het hof is het met de raad eens dat dit veel te weinig is voor de kinderen, die een goede band hebben met beide ouders en dus ook hun moeder nodig hebben. Het hof meent dan ook dat de kinderen tenminste vier overnachtingen per 14 dagen bij de moeder moeten doorbrengen en zal dat ook beslissen. Dat is ook tenminste een regeling waarmee [naam3] de observatiemomenten bij de moeder (en de vader) in het kader van het ‘Goed genoeg Ouderschapstraject’ kan doorlopen. [naam3] moet namelijk voldoende gelegenheid krijgen om ook de interacties en dagelijkse routines bij de moeder te observeren. Met behulp van het traject bij [naam3] moet worden toegewerkt naar een verdere opbouw van een regeling in de nabije toekomst die recht doet aan een gelijkwaardig ouderschap tussen de ouders en ook recht doet aan het belang van de kinderen. Van de moeder kan (voorlopig) worden verlangd dat zij ook met de gewijzigde regeling het halen en brengen voor haar rekening neemt.
kinderalimentatie (en gewijzigde omstandigheden)
3.9
Het hof ziet in de wijziging van de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanleiding voor een wijziging van de kinderalimentatie; waar eerst sprake was van een zorgkorting gebaseerd op een percentage van 15, is op grond van de regeling die het hof per datum beschikking zal vaststellen een percentage van 25 aangewezen. Ook is van belang dat niet langer sprake is van een maandelijkse aflossing van de auto merk [merk] van € 253.
3.1
Het uitgangspunt bij de berekening van ieders aandeel in de kosten van de kinderen vormt de draagkracht die de rechtbank van beide ouders heeft berekend, omdat tegen de door de rechtbank berekende uitgangspunten geen grieven zijn geformuleerd. Dat is een draagkracht van € 50 per maand aan de zijde van de moeder (r.o. 3.41 van de bestreden beschikking) en een draagkracht van € 1.573 aan de zijde van de vader (r.o. 3.39 van de bestreden beschikking: dus de berekende draagkracht zonder toepassing van een correctie voor de aflossing van de auto merk [merk] van € 253 per maand).
3.11
Partijen hebben samen een draagkracht van (€ 1.573 + € 50 =) € 1.623 per maand.
Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die zijn (2 x € 526 =) € 1.052
per maand. Dit betekent dat de vader een deel van (€ 1.573/€ 1.623 x € 1.052=) € 1.019 per
maand moet dragen, wat neerkomt op afgerond € 510 per kind per maand. De moeder moet een deel van (€ 50/€ 1.623 x € 1.052 =) € 32 per maand dragen, wat neerkomt op € 16 per kind per maand. De zorgkorting bedraagt € 132 per kind (25% van € 526). Deze zorgkosten zijn hoger dan het aandeel dat de moeder in de kosten van de kinderen moet dragen. Zonder correctie zou de moeder dan ook met een hoger bedrag bijdragen dan waartoe zij op basis van de draagkrachtvergelijking gehouden is, namelijk € 264 in plaats van € 32. Ook zou zonder correctie de vader met een lager bedrag bijdragen dan waartoe hij op basis van de draagkrachtvergelijking gehouden is. De zorgkosten die de moeder maakt, leveren voor de vader een besparing in de zorgkosten op die hij voor de kinderen moet maken. Zonder correctie zou de vader ‘slechts’ (€ 526 - € 132 =) € 394 per kind per maand bijdragen in plaats van € 510. Het hof stelt de bijdrage ten laste van de vader dan ook per datum beschikking op (€ 132 -/- € 16 =) € 116 per kind per maand, zodat partijen beiden conform de draagkrachtvergelijking bijdragen in de kosten van de kinderen.
vermogensrechtelijke afwikkeling
toepasselijk recht
3.12
Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van 14 maart 1978 (het Verdrag), (Trb. 1988, 130) is naar Nederlands Internationaal Privaatrecht van toepassing op huwelijken gesloten op of na 1 september 1992 maar voor 29 januari 2019. Op grond van artikel 2 van Pro dit Verdrag is dit van toepassing zelfs als de nationaliteit (of de gewone verblijfplaats) van de echtgenoten niet die is van een verdragsluitende staat, dan wel indien het recht dat op grond van de navolgende artikelen van toepassing is, niet het recht is van een verdragsluitende staat. Mexico is geen partij bij het Verdrag, Nederland wel. Partijen zijn in 2014 getrouwd. Het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen moet daarom, zoals hiervoor onder 3.2 al is overwogen, aan de hand van het Verdrag
worden bepaald.
3.13
De moeder stelt dat partijen tijdens de huwelijkssluiting een keuze hebben gemaakt voor een gemeenschap (sociedad conyugal), dat de eerste huwelijksdomicilie in Mexico was en dat partijen tijdens de huwelijksvoltrekking als gemeenschappelijke nationaliteit de Mexicaanse hadden. Volgens haar is dan ook het recht van Mexico, deelstaat [naam4] , van toepassing. Dit betekent namelijk het regime van de gemeenschap van goederen, aldus de moeder. Op de huwelijksakte is genoteerd ‘the legal society will be administered by both contractors, comply with articles 82 and 87 of the law of the civil registry of the state of [naam4] .’ Hetgeen inhoudt dat partijen bij huwelijkssluiting een keuze gemaakt hebben voor een gemeenschap, aldus de moeder. De vader voert verweer. Hij meent dat de moeder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het recht van Mexico van toepassing is. De verwijzing van de moeder naar het recht van Mexico, deelstaat [naam4] , is onvoldoende onderbouwd en te algemeen van aard om aan het standpunt van de moeder tegemoet te komen. De vader vindt dat het Nederlandse recht van toepassing is.
3.14
Dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt heeft de moeder, tegenover de betwisting van de vader, niet aangetoond. De moeder heeft niet aangetoond dat aan de voorwaarden die voor een dergelijke keuze zijn geformuleerd in de artikelen 11 t/m 13 van het Verdrag is voldaan. Er is niet voldaan aan de vormvereisten (tweezijdige rechtshandeling) voor huwelijkse voorwaarden en de ondertekening door beide partijen en ook heeft zij tegenover de betwisting van de vader niet aangetoond dat aan de vormvereisten die gelden conform het burgerlijk wetboek van de deelstaat [naam4] is voldaan.
3.15
Partijen, die in Mexico zijn gehuwd, hadden ten tijde van de huwelijkssluiting de Mexicaanse nationaliteit als gemeenschappelijke nationaliteit in de zin van artikel 15 lid 1 van Pro het Verdrag. Mexico is geen partij bij het Verdrag en is een zogenoemd nationaliteitsland (een land dat - indien partijen zowel een eerste huwelijksdomicilie als een gemeenschappelijke nationaliteit hebben - voor de bepaling van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht aanknoopt bij het recht van die gemeenschappelijke nationaliteit). Nederland is partij bij het Verdrag en heeft een artikel 5 verklaring Pro afgelegd. Dit houdt in dat een verdragsstaat ook op echtparen van buiten de kring van de verdragsstaten de nationale wet mag toepassen, wanneer dat thuisland van die echtgenoten een ‘nationaliteitsland’ is. In artikel 4 lid 2 van Pro het Verdrag staat dat het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit. Aangezien partijen tijdens de huwelijkssluiting de Mexicaanse nationaliteit als gemeenschappelijke nationaliteit hadden, is het Mexicaanse huwelijksvermogensrecht van toepassing. Mexico kent twee hoofdregimes: gemeenschap van goederen (sociedad conyugal) en scheiding van goederen (separación de bienes).
3.16
Tussen partijen staat niet ter discussie dat voor wat betreft de goederen die ter beslissing aan het hof voorliggen (bankrekeningen en een auto) sprake is van een gemeenschap van goederen (volgens de vader naar Nederlands recht, maar dat is, gelet op het hiervoor overwogene onder 3.15, niet juist), zodat ook het hof daarvan uitgaat bij de beoordeling van deze goederen. Ook is er geen discussie over de peildatum. Dat is de datum waarop het verzoekschrift is ingediend (31 mei 2024).
bankrekening(en)
3.17
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling blijkt dat sprake is (geweest) van drie bankrekeningen op naam van de vader. Een niet nader genoemde bankrekening in Mexico en twee bankrekeningen in Nederland; bij de ABN AMRO bank en bij Bunq. Het hof heeft geen informatie over de saldi op de peildatum (31 mei 2024) en zal beslissen dat partijen elkaar moeten informeren over de saldi van ieders bankrekeningen op de peildatum en die moeten delen, zodat een ieder de helft krijgt, dan wel bij helfte moeten dragen indien sprake is van een debetsaldo, dan wel bewijs overleggen van eventuele opheffing vóór peildatum van de rekening in Mexico.
auto merk [merk] , kenteken [kenteken]
3.18
Voor wat betreft de auto, merk [merk] , verzoekt de moeder dat het hof deze aan de vader toedeelt onder verplichting dat hij de helft van de waarde binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking aan haar voldoet. De vader voert verweer.
3.19
Het hof bepaalt schattenderwijs de waarde van de auto merk [merk] op € 6.400. De omstandigheden waarop het hof de waarde baseert zijn een geschatte kilometerstand van 150.000. Het hof houdt geen rekening met het feit dat de moeder schade aan de auto heeft veroorzaakt omdat de vader, die de auto al twee jaar in gebruik heeft, de omvang van de schade en de kosten van herstel niet inzichtelijk heeft gemaakt. Het hof zal in overeenstemming met het verzoek van de moeder de auto merk [merk] aan de vader toedelen en beslissen dat de vader binnen veertien dagen na heden wegens overbedeling € 3.200 aan haar moet betalen.
conclusie
3.2
De grieven slagen voor een deel en falen voor een deel. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 17 april 2025 onder 4.8, voor zover daarbij de verzoeken tot vermogensrechtelijke afwikkeling zijn afgewezen en in zoverre opnieuw beschikkende:
4.2
bepaalt dat de vader de saldi op 31 mei 2024 van de bankrekeningen bij ABN AMRO, Bunq en de rekening in Mexico op zijn naam bij helfte met de moeder moet delen, dan wel dat partijen de debetsaldi op die datum bij helfte moeten dragen en dat de vader bewijs daarvan aan de moeder moet leveren door middel van bankafschriften met daarop het saldo op die datum, dan wel bewijs van opheffing van de rekening in Mexico. Evenzeer geldt voor de moeder hetzelfde indien zij (een) bankrekening(en) heeft op haar naam;
4.3
deelt de auto, merk [merk] met kenteken [kenteken] toe aan de vader en veroordeelt hem om wegens overbedeling aan de moeder binnen 14 dagen na heden € 3.200 te betalen;
4.4
bekrachtigt de beschikking voor het overige, en wijzigt de beschikking van 17 april 2025 met ingang van heden, en
4.5
stelt als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige1] en
[minderjarige2] vast dat:
  • op maandag telefonisch contact is tussen moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2]
  • de moeder de kinderen op woensdag om 12:00 uur op school ophaalt en ze na de
karateles van [minderjarige1] rond 19:00 uur terug brengt naar de vader;
- de moeder op vrijdag om 12:15 uur [minderjarige2] uit school haalt en zij vervolgens [minderjarige1]
die dag van school haalt en de kinderen op zondag rond 19:00 uur terug brengt naar de vader
- de kinderen de overige tijd bij de vader verblijven,
met dien verstande dat, indien en voor zover dit door de GI in het belang van de kinderen
wordt geacht, deze zorgregeling onder regie van de GI wordt uitgebreid, waarbij ook de
vakantie- en feestdagen tussen partijen in overleg worden verdeeld;
4.6
bepaalt dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen € 116 per kind per maand aan de moeder zal betalen, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.7
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.8
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt, en
4.9
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, J.U.M. van der Werff en L Hamer, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 12 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 3 Brussel Pro II-ter.
2.Artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter.
3.Artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening.
4.Artikel 5 lid Pro 1 Huwelijksvermogensrechtverordening.
5.HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226, r.o. 3.3.
6.Artikel 1:253a BW.
7.HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7407, r.o. 3.7.3.