Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1467

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.350.911
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 splitsingsakteArt. 23 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruik afhaal- en bezorgrestaurant in strijd met splitsingsakte

In deze civiele zaak staat de uitleg van artikel 25 van Pro de splitsingsakte centraal, waarin het gebruik van een appartement met indexnummer 1 is beperkt tot kantoor- en winkelruimte, waarbij horeca en vergelijkbare activiteiten zijn uitgesloten.

De appellant verhuurt het appartement aan een exploitant van een afhaal- en bezorgrestaurant, wat door de geïntimeerden wordt betwist als strijdig met de splitsingsakte. De rechtbank heeft de vorderingen van de geïntimeerden grotendeels toegewezen en het gebruik als horecagelegenheid verboden.

Het hof bevestigt dat het gebruik als afhaal- en bezorgrestaurant niet binnen de toegestane bestemming valt. De term "en dergelijke" in artikel 25 wordt Pro ruim uitgelegd, waarbij de impact en uitstraling op de leefomgeving doorslaggevend zijn, niet de verblijfsfunctie. Het hof oordeelt dat de exploitatievergunningplicht, openingstijden en voedselbereiding kenmerken zijn die het gebruik vergelijkbaar maken met horeca.

De vordering wordt daarom toegewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De appellant wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het gebruik van het appartement als afhaal- en bezorgrestaurant is in strijd met de splitsingsakte en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.911
zaaknummer rechtbank 313075
arrest van 10 maart 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. G.J. Hollema
tegen

1.[geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats2]
2.
[geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. D.F. Briedé

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) op 6 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 7 januari 2025 is gehouden.
1.2.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn allen gerechtigd tot een appartementsrecht in een gebouw op de [locatie] in [plaats] . [appellant] heeft het appartement op de benedenverdieping ( [locatie] ) verhuurd aan [naam] . [naam] exploiteert in het gehuurde een afhaal- en bezorgrestaurant. Volgens [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] handelt [appellant] hiermee in strijd met de splitsingsakte.
2.2.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] het gebruik van de [locatie] te [plaats] als horeca c.q. andersoortige horeca-activiteiten staakt en gestaakt houdt op straffe van een dwangsom.
2.3.
De rechtbank heeft deze vorderingen grotendeels toegewezen en [appellant] bevolen het gebruik van de [locatie] als horecagelegenheid c.q. voor activiteiten die soortgelijk zijn als die van horeca-activiteiten te staken en gestaakt te houden. De rechtbank heeft de gevorderde dwangsom gematigd tot € 100,- per dag met een maximum van € 75.000,-. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.4.
Het hof zal beslissen dat het gebruik van [locatie] als afhaal- en bezorgrestaurant in strijd is met artikel 25 van Pro de splitsingsakte en het vonnis van de rechtbank bekrachtigen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Strijd met artikel 25 akte Pro van splitsing
3.1
Partijen twisten over de vraag of het gebruik van het appartementsrecht op de [locatie] als afhaal- en bezorgrestaurant (of, in de woorden van [appellant] : afhaal- en bezorgcentrum) in strijd is met artikel 25 van Pro de splitsingsakte. Het hof is van oordeel dat dit het geval is en licht dit hierna toe.
3.2
Artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte luidt, voor zover relevant, als volgt:

Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht het privé gedeelte te gebruiken overeenkomstig de daaraan in deze akte gegeven bestemming. Het appartementsrecht met index 1 heeft een bestemming kantoor/winkelruimte met parkeerplaatsen (...).
De appartementsrechten met indexnummers 1 en 5 mogen niet worden bestemd als horeca-gelegenheid, speelhal, sexshop en dergelijke. (…)”
3.3
Het gaat in deze zaak om het appartementsrecht met indexnummer 1 ( [locatie] ). [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] stellen dat het gebruik als afhaal- en bezorgrestaurant van dit appartement niet is toegestaan aangezien artikel 25 van Pro de splitsingsakte horeca en andere vormen van gebruik, die daarmee naar aard en impact vergelijkbaar zijn, uitsluit. Volgens [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is sprake van een horecagelegenheid. Maar ook als dat niet het geval zou zijn, maken de woorden “en dergelijke” in artikel 25 duidelijk Pro dat de bepaling ruim is bedoeld en ook een afhaal- en bezorgrestaurant omvat, aldus [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . [appellant] betwist dit en is van mening dat het gebruik door [naam] past binnen de in de splitsingsakte neergelegde bestemming “winkelruimte”. Volgens [appellant] kan er geen sprake zijn van horeca omdat het voor horeca cruciale element “nuttigen ter plaatse” ontbreekt. [appellant] verwijst in dit verband onder meer naar enkele rechtelijke uitspraken en de definitie die het CBS hanteert voor horeca. [appellant] stelt ook nog dat bij de interpretatie van de bewoordingen “en dergelijke” in artikel 25 van Pro de splitsingsakte moet worden nagegaan wat de gemeenschappelijke factor is van horeca, speelhal en sexshop. Dat is volgens [appellant] de verblijfsfunctie en die ontbreekt bij [naam] .
3.4
Het hof overweegt als volgt. Het komt in deze kwestie aan op de uitleg van artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte. Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een bepaling in een splitsingsakte dat het daarbij aankomt op de in de splitsingsakte tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degenen die tot splitsing zijn overgegaan. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de bewoordingen van die akte, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte. Daarbij mogen alleen de gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven splitsingsstukken kenbaar zijn, worden meegenomen. [1]
3.5
Artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte bepaalt dat iedere eigenaar en gebruiker verplicht is het privégedeelte te
gebruikenovereenkomstig de daaraan in deze akte gegeven bestemming. Artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte bepaalt daarnaast dat de appartementsrechten niet mogen worden
bestemdals “horeca-gelegenheid, speelhal, sexshop en dergelijke”. Dat een appartementsrecht niet als zodanig mag worden bestemd, betekent naar het oordeel van het hof ook, dat het appartementsgebruik niet conform een zodanige bestemming mag worden gebruikt.
3.6
Voor het relevante appartement (met indexnummer 1) geldt de bestemming kantoor /winkelruimte met parkeerplaatsen. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik als afhaal- en bezorgrestaurant niet kwalificeert als gebruik als kantoorruimte. De vraag is of dat binnen het toegestane gebruik als “winkelruimte” valt of binnen het niet-toegestane gebruik als “horeca-gelegenheid, speelhal, sexshop en dergelijke”. De splitsingsakte bevat geen definitie van “winkelruimte” en ook niet van “horeca-gelegenheid”.
3.7
Evenals de rechtbank, is het hof echter van oordeel dat in het midden kan blijven of het afhaal- en bezorgrestaurant kwalificeert als “horeca-gelegenheid”. De woorden “en dergelijke” in artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte wijzen er immers op dat geen limitatieve opsomming is beoogd en dat ook gelegenheden die gelijksoortig zijn aan een horeca-gelegenheid, speelhal en sexshop, niet zijn toegestaan. Zelfs als men er vanuit zou gaan dat een bezorg- en afhaalrestaurant niet onder het begrip horeca kan worden geschaard, dan zijn de overeenkomsten tussen een afhaal- en bezorgrestaurant en horeca in ieder geval zodanig, dat het hof van oordeel is dat partijen bij de splitsingsakte hebben bedoeld dat ook een afhaal- en bezorgrestaurant niet is toegestaan. Anders dan [appellant] meent, is het hof van oordeel dat niet de verblijfsfunctie, maar veeleer de impact en uitstraling op de leefomgeving de doorslaggevende gemeenschappelijke factor is. Evenals voor horeca, is voor een afhaal- en bezorgrestaurant een exploitatievergunning vereist. Ook zijn de openingstijden vergelijkbaar met horeca-openingstijden. Daarnaast is, net als veelal bij horeca het geval is, voedselbereiding, met de mogelijke bijbehorende geur- en geluidsbelasting voor de omgeving, een kernactiviteit van een afhaal- en bezorgrestaurant. Het hof is van oordeel dat uit een uitleg van de splitsingsakte naar objectieve maatstaven volgt dat partijen bij de splitsingsakte de bedoeling hebben gehad om gebruik van de appartementen uit te sluiten die een grotere impact (kunnen) hebben op de leefomgeving dan het gebruik als een kantoor- of winkelruimte. Voor gebruik van kantoor- en winkelruimte is veelal geen exploitatievergunning vereist, de reguliere openingstijden van kantoor- en winkelruimte zijn doorgaans minder ruim dan die van horeca, sexshops en speelhallen en binnen kantoor- en winkelruimte is in de regel geen sprake van voedselbereiding of is dat geen kernactiviteit. Bij de door [appellant] aangehaalde voorbeelden van een bakker en een visboer, waar weliswaar enige mate van voedselbereiding kan plaatsvinden, doet die combinatie van factoren (openingstijden, kernactiviteit voedselbereiding en vergunningplicht) en aldus de mogelijke impact op de leefomgeving zich niet op dezelfde wijze voor als bij een afhaal- en bezorgrestaurant.
3.8
Nu het gebruik van de [locatie] als afhaal- en bezorgrestaurant in strijd is met artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte, is de vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] toewijsbaar.
Geen schending van artikel 23 Rv Pro
3.9
In het petitum van de memorie van grieven hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] een verklaring voor recht gevraagd. Ter zitting heeft de advocaat van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] verduidelijkt dat zij niet hebben beoogd hun vordering in hoger beroep te vermeerderen. De vordering in eerste aanleg wordt gehandhaafd en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.
3.1
[appellant] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank in strijd met artikel 23 Rv Pro meer heeft toegewezen dan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben gevorderd. Het hof overweegt dat de rechtbank de vordering heeft geïnterpreteerd en geherformuleerd, hetgeen binnen het kader van artikel 23 Rv Pro is toegestaan. De vordering behelst: het staken van het gebruiken “als horeca-gelegenheid c.q. voor andersoortige horeca-activiteiten”. In de memorie van antwoord hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zich expliciet beroepen op de woorden “en dergelijke” van artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte en gesteld dat een afhaalrestaurant onmiskenbaar een horecagelegenheid dan wel aanverwante inrichting is. Het hof begrijpt, net als de rechtbank, de vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] daarom zo dat zij willen dat [appellant] wordt bevolen het gebruik van [locatie] als horecagelegenheid c.q. voor activiteiten die soortgelijk zijn aan horeca-activiteiten te staken en gestaakt te houden.
De conclusie
3.11
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.12
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 6 november 2024;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in hoger beroep, tot op heden begroot op:
€ 362 aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.E. Lucassen, A.E.F. Hillen en M. Wallart, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078