ECLI:NL:GHARL:2026:1441

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
21-003430-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor uitlokking poging moord, drie brandstichtingen en valsheid in geschrift

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor uitlokking van een poging tot moord op zijn ex-partner, drie brandstichtingen met gemeen gevaar voor goederen en valsheid in geschrift. Hij stelde hoger beroep in tegen het vonnis, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk voor de vrijspraken en vernietigde het vonnis om op andere gronden opnieuw recht te doen.

Het hof oordeelde dat verdachte medeverdachte [medeverdachte] had uitgelokt tot het plegen van de brandstichtingen en de poging tot moord door het in het vooruitzicht stellen van aanzienlijke geldbedragen en het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen. De verklaringen van getuige [getuige 2] en medeverdachte werden als betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs beschouwd, ondanks bezwaren van de verdediging over vormverzuimen en ondervragingsrecht.

De poging tot moord vond plaats op 11 april 2022, waarbij medeverdachte het slachtoffer meerdere keren met een mes stak en probeerde te wurgen. De brandstichtingen betroffen onder meer het bedrijfspand van verdachte en andere panden, waarbij sprake was van gemeen gevaar voor goederen. Verdachte pleegde ook valsheid in geschrift door een e-mailbericht te vervalsen met het oogmerk dit als bewijs te gebruiken.

Het hof legde een gevangenisstraf van zeventien jaar en zes maanden op, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn. De vordering van een benadeelde partij werd deels toegewezen tot €3.942,83, terwijl het hof geen schadevergoedingsmaatregel oplegde ten behoeve van het slachtoffer vanwege het ontbreken van een vordering en onvoldoende partijdebat. Verdachte werd veroordeeld tot vergoeding van de materiële schade en de teruggave van in beslag genomen goederen werd gelast.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 17 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor uitlokking van poging tot moord, drie brandstichtingen en valsheid in geschrift.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003430-23
Uitspraakdatum: 10 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , van 12 juli 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-130756-22, 05-036932-23 en 05-313353-22, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in P.I. [plaats 1] .
Hoger beroep
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 28 mei 2024 en 20 februari 2025 (regiezittingen), 26 januari 2026 en 27 januari 2026 (inhoudelijke behandeling), 10 maart 2026 (sluiting onderzoek) en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.O. den Otter, hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van [slachtoffer] , mr. T.J.C. Bueters, naar voren is gebracht.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de benadeelde partij [benadeelde 1] in de zaak met parketnummer 05-036932-23.
Ontvankelijkheid in hoger beroep
Verdachte is door rechtbank vrijgesproken van wat aan hem in de zaak met parketnummer 05-130756-22 onder 1, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die beslissingen tot vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte voor het uitlokken van een poging tot moord, het uitlokken van drie brandstichtingen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was en het plegen van valsheid in geschrift tot een gevangenisstraf van achttien jaren veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen die zich in het strafproces hebben gevoegd. De rechtbank heeft tevens besloten een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten behoeve van [slachtoffer] . Ook heeft de rechtbank beslist over in beslag genomen voorwerpen.
Het hof vernietigt het vonnis, omdat het arrest op andere gronden berust dan het vonnis van de rechtbank, het hof tot een andere strafoplegging komt en een andere beslissing neemt ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
De verdenking komt er, voor zover in hoger beroep nog aan de orde en samengevat, op neer dat verdachte:
Parketnummer 05-130756-22
Feit 2 opzettelijk de brandstichting aan een auto, gepleegd op 27 februari 2022 te [plaats 2] , heeft uitgelokt door medeverdachte [medeverdachte] een geldbedrag van € 150.000,00 voor brandstichting in het vooruitzicht te stellen;
Feit 4 opzettelijk de brandstichting aan een bedrijfspand aan [adres 2] , welk pand in gebruik was bij zijn bedrijf [bedrijf 1] , gepleegd op 27 maart 2022, heeft uitgelokt door medeverdachte [medeverdachte] een geldbedrag van € 150.000,00 voor brandstichting in het vooruitzicht te stellen;
Feit 10 opzettelijk een poging tot moord op zijn (ex)partner [slachtoffer] , gepleegd op 11 april 2022, heeft uitgelokt door medeverdachte [medeverdachte] te benaderen om die [slachtoffer] om het leven te brengen, [medeverdachte] vervolgens inlichtingen te verschaffen over de verblijfplaats van [slachtoffer] , zelf weg te blijven bij de verblijfplaats van [slachtoffer] en [medeverdachte] voor het om het leven brengen van die [slachtoffer] een geldbedrag van € 50.000,00 in het vooruitzicht te stellen;
Parketnummer 05-313353-22
op 17 juni 2022 te [plaats 3] , [plaats 4] , althans in Nederland, valsheid in geschrift heeft gepleegd door een e-mailbericht uit naam van een ander te versturen;
Parketnummer 05-036932-23
opzettelijk de brandstichting van een auto, gepleegd op 22 november 2022 te [plaats 5] , heeft uitgelokt door de uitvoerders van die brandstichting via tussenkomst van een medegedetineerde een geldbedrag van tussen de € 300,00 en € 500,00 in het vooruitzicht te stellen.
De volledige tenlastelegging is als bijlage achter dit arrest opgenomen.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Voor de leesbaarheid van het arrest bespreekt het hof eerst de formele verweren en de verdenkingen die in de zaak met parketnummer 05-130756-22 aan verdachte ten laste zijn gelegd, omdat die feiten zich als eerste in de tijd aandienen. Vervolgens worden de feiten uit de zaken met de parketnummers 05-313353-22 en 05-036932-23 in chronologische volgorde behandeld.
De zaak met parketnummer 05-130756-22

1.Inleiding

Voordat het hof op de tenlastegelegde feiten ingaat, worden eerst de aangevoerde verweren besproken die zien op de status als getuige van [getuige 2] , de bruikbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] en de rechtmatigheid van het bewijs. Tevens worden de bruikbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en de verweren ten aanzien van de verkregen gegevens uit de telefoon van verdachte besproken.
Voor de leesbaarheid van het arrest worden, voor zover het in de hierna volgende overwegingen gaat over medeverdachte [medeverdachte] , getuige [getuige 2] en het slachtoffer [slachtoffer] , zij steeds enkel bij hun achternaam genoemd.

2.Getuige [getuige 2]

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [getuige 2] in haar verklaringen is gestuurd door de recherche. Daarmee is zij
de factoals een burgerinfiltrant ingezet. Daarnaast is er volgens de verdediging in strijd met de verbaliseringsplicht van artikel 152 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) gehandeld, omdat duidelijk is dat de politie tijdens het verhoor op 20 mei 2022 aan [getuige 2] informatie heeft verstrekt en de betrokken verbalisanten niet hebben gerelateerd welke informatie is verstrekt en wat precies tijdens de pauzemomenten is gebeurd. Daarnaast is duidelijk gesproken over een getuigenbeschermingsprogramma, zonder dat over de uitkomst is geverbaliseerd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de onregelmatigheden die hebben plaatsgevonden bij de verhoren van [getuige 2] maken dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv, die nadeel hebben opgeleverd voor verdachte aangezien [getuige 2] voor verdachte belastende verklaringen heeft afgelegd. De verklaringen van [getuige 2] moeten volgens de verdediging daarom worden uitgesloten van het bewijs. Indien het hof hier niet in meegaat, heeft de verdediging verzocht om [getuige 2] en de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] als getuigen te horen. De verklaringen van [getuige 2] kunnen evenmin voor het bewijs gebruikt worden, omdat zij een onbetrouwbare getuige is.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van enig vormverzuim. De gesprekken die [getuige 2] met [medeverdachte] heeft gevoerd, heeft zij op eigen initiatief gevoerd. De verbalisanten die [getuige 2] hebben gehoord, hebben geverbaliseerd dat aan [getuige 2] niet is gevraagd bepaalde vragen te stellen aan [medeverdachte] . Evenmin is tijdens de pauzes in het verhoor van 20 mei 2022 aan [getuige 2] (te) veel informatie verstrekt. Daarnaast bestaat er volgens de advocaat-generaal geen aanleiding om te veronderstellen dat er door de politie of het openbaar ministerie toezeggingen zijn gedaan aan [getuige 2] die inhouden dat zij niet als verdachte zou worden aangemerkt als zij belastend zou verklaren. Ook hebben de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] in hun aanvullende processen-verbaal voldoende duidelijkheid verschaft over de pauzes die tijdens het verhoor van [getuige 2] van 20 mei 2022 hebben plaatsgevonden. Zowel de verklaringen van [getuige 2] als de tapgesprekken kunnen voor het bewijs gebruikt worden.
Oordeel van het hof
Vormverzuimen
[getuige 2] is op verschillende momenten door de politie en de rechter-commissaris als getuige gehoord. Op 20 mei 2022 is [getuige 2] voor de tweede keer als getuige gehoord. Zij heeft in dit verhoor onder andere verklaard over hetgeen [medeverdachte] aan haar verteld heeft over het uitvoeren van klussen voor [verdachte] , over de opdracht die [medeverdachte] had gekregen om iemand te laten slapen en over het geld dat hij zou verdienen. [getuige 2] heeft tijdens het verhoor een briefje overhandigd met daarop een tekst die door [medeverdachte] geciteerd zou zijn.
Over de informatie die [getuige 2] van de politie zou hebben gekregen in de pauzes van het verhoor van 20 mei 2022 verklaart zij bij de rechter-commissaris dat de politie haar heeft geconfronteerd met het aangetroffen mes en met whatsappgesprekken tussen haar en [medeverdachte] . De politie heeft daarnaast de naam van het slachtoffer genoemd. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] ook verklaard dat [medeverdachte] meteen zijn hele doopceel lichtte toen zij hem vragen stelde.
Het hof is van oordeel dat uit de whatsappgesprekken tussen [getuige 2] en [medeverdachte] , alsmede uit de verklaring van [getuige 2] van 20 mei 2022 blijkt dat [getuige 2] al ruim voor het verhoor op 20 mei 2022 over informatie beschikte met betrekking tot de gedragingen van [medeverdachte] in april 2022. De informatie die [getuige 2] naar eigen zeggen heeft gekregen van de politie komt overeen met hetgeen de politie hier over heeft geverbaliseerd. De momenten waarop tijdens het verhoor de opnameknop werd ingedrukt zijn vastgelegd in een apart proces-verbaal van bevindingen en het hof heeft, mede gelet op de verklaring van [getuige 2] bij de rechter-commissaris, geen aanleiding te veronderstellen dat de politie [getuige 2] van meer informatie heeft voorzien dan hetgeen in de processen-verbaal is verantwoord.
Evenmin ziet het hof aanwijzingen dat met [getuige 2] afspraken zijn gemaakt die verder gaan dan een ‘Afspraak op Locatie’, laat staan dat er afspraken zijn gemaakt in ruil voor verklaringen met een belastende strekking. Van een schending van de verbaliseringsplicht als bedoeld in artikel 152 Sv Pro, zoals door de verdediging is bepleit, is naar het oordeel van het hof geen sprake.
Tot slot ziet het hof evenmin dat [getuige 2] door de politie is ingezet om informatie in te winnen bij [medeverdachte] . Het is telkens [medeverdachte] die telefonisch contact met [getuige 2] legt en niet andersom. Daarnaast heeft een groot deel van de tapgesprekken plaatsgevonden vóór het verhoor op 20 mei 2022, de gelegenheid waarbij de politie [getuige 2] volgens de verdediging van informatie zou hebben voorzien en waarbij de verbalisanten [getuige 2] zouden hebben gevraagd [medeverdachte] vragen te stellen. [getuige 2] heeft telefoongesprekken gevoerd met [medeverdachte] terwijl zij wist dat deze gesprekken werden getapt, maar uit de verklaring van [getuige 2] bij de rechter-commissaris blijkt dat zij grotendeels op eigen initiatief informatie heeft ingewonnen omdat zij boos was op [medeverdachte] en zij wilde dat hij zichzelf zou gaan belasten. De politie heeft geverbaliseerd dat het aan [getuige 2] was hoe zij om zou gaan met de telefoongesprekken met [medeverdachte] en dat zij haar niet hebben geadviseerd om bepaalde vragen te stellen. Van sturing of druk op [getuige 2] door de politie is het hof niet gebleken.
Het hof is van oordeel dat het voeren van telefoongesprekken na 20 mei 2022, wetende dat de inhoud van de telefoongesprekken wordt getapt, als zodanig geen situatie vormt als bedoeld in artikel 126w Sv (burgerinfiltratie) of in artikel 126v Sv (informatie inwinning door burgers).
Van een vormverzuim, een schending van de beginselen van een goede procesorde of een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is, gelet op het voorgaande, geen sprake. De verweren van de verdediging worden daarom verworpen.
Verzoek horen getuigen
Het hof gaat voorbij aan de bewijsuitsluitingsverweren van de verdediging, zodat moet worden beslist op het verzoek tot het horen van [getuige 2] en de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen.
Het hof acht het horen van [getuige 2] niet noodzakelijk, omdat zij reeds bij de rechter-commissaris is in het bijzijn van de verdediging is gehoord en de verdediging toen vragen aan [getuige 2] heeft kunnen stellen. Het hof acht het ook niet noodzakelijk dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] worden gehoord, omdat zij in hoger beroep aanvullende processen-verbaal hebben opgemaakt waarin vragen van de verdediging zijn beantwoord. Het hof is van oordeel dat het strafproces als geheel eerlijk is, ook indien [getuige 2] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet (aanvullend) worden gehoord. Het hof wijst de verzoeken af.
Betrouwbaarheid van [getuige 2] als getuige
Uit hetgeen hiervoor is overwegen, blijkt dat de verklaring bij de rechter-commissaris van [getuige 2] over de gang van zaken bij de verhoren door de politie op belangrijke punten overeenkomt met hetgeen de politie daarover heeft gerelateerd en hetgeen uit het proces-verbaal van verhoor zelf blijkt. Het hof volgt de verdediging dan ook niet in de stelling dat [getuige 2] bij de rechter-commissaris een leugenachtige verklaring heeft afgelegd, wat haar een onbetrouwbare getuige zou maken. Daarbij neemt het hof in zijn oordeel mee dat [getuige 2] heeft verklaard over feiten en omstandigheden die te herleiden zijn tot objectieve gegevens uit het dossier, zoals daadwerkelijk verstuurde whatsapp- en e-mailberichten en een briefje dat [getuige 2] tijdens het verhoor op 20 mei 2022 aan de politie heeft overhandigd.
Conclusie
Concluderend is het hof van oordeel dat de verklaringen van [getuige 2] bruikbaar zijn voor het bewijs.

3.Verklaringen en tapgesprekken [medeverdachte]

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [medeverdachte] en de tapgesprekken die [medeverdachte] heeft gevoerd moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat de verklaring van [medeverdachte] in de zaak van verdachte als ‘sole and decisive’ moet worden beschouwd. Een bewezenverklaring van de uitlokking van de branden en de uitlokking van de poging tot moord kan enkel op de verklaringen van [medeverdachte] worden gestoeld. De verklaringen van [getuige 2] kunnen niet als steunbewijs gelden, omdat ook die verklaringen afkomstig zijn van [medeverdachte] . De verdediging heeft ten aanzien van [medeverdachte] geen effectieve ondervragingsmogelijkheid gehad, omdat hij zich steeds op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Voor het ontbreken van die ondervragingsmogelijkheid is onvoldoende compensatie geboden. Indien de verklaring van [medeverdachte] voor het bewijs wordt gebruikt, wordt gehandeld in strijd met artikel 6 het Pro Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Ook heeft de raadsman aangevoerd dat [medeverdachte] een onbetrouwbare getuige is, omdat uit het dossier volgt dat hij een notoire leugenaar is. Verzocht is om de verklaringen van [medeverdachte] ook om die reden van het bewijs uit te sluiten. Indien het hof hier niet in meegaat, is verzocht om [medeverdachte] alsnog als getuige te horen.
Standpunt van het openbaar ministerie
Volgens de advocaat-generaal is geen sprake van een
unus testissituatie, omdat er voldoende stukken in het dossier zitten die de verklaringen van [medeverdachte] ondersteunen. Het gaat dan om de verklaringen van [getuige 2] , de tapgesprekken tussen [medeverdachte] en [getuige 2] , de aangiftes, de tijdlijn en de wisselende verklaringen van verdachte zelf. Daarnaast zijn er volgens de advocaat-generaal voldoende compenserende factoren geboden voor het niet kunnen ondervragen van [medeverdachte] . Zo zijn de verhoren van [medeverdachte] en [getuige 2] woordelijk uitgewerkt, heeft de verdediging de mogelijkheid gehad om de audiobestanden van de verhoren van [medeverdachte] en [getuige 2] te beluisteren en is [getuige 2] bij de rechter-commissaris gehoord.
Oordeel van het hof
Ondervragingsrecht
Het hof overweegt dat de verdediging op grond van artikel 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, aanspraak kan maken op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen die een belastende verklaring hebben afgelegd in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.
Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van [medeverdachte] in de veroordeling van verdachte voor de feiten 2, 4 en 10 door de rechtbank voor het bewijs zijn gebruikt, maar dat aan de bewezenverklaring van de feiten ook andere bewijsmiddelen ten grondslag hebben gelegen. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte] steun vinden in de verklaringen van [getuige 2] en in de tapgesprekken die [medeverdachte] en [getuige 2] hebben gevoerd, maar ook in de gedragingen en verklaringen van verdachte zelf. Het hof beschouwt de verklaringen van [medeverdachte] als verklaringen van ‘significant weight’.
De verdediging heeft geen mogelijkheid gehad om [medeverdachte] te kunnen ondervragen, nu [medeverdachte] zich meermaals heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Het ontbreken van die verhoormogelijkheid is naar het oordeel van het hof voldoende gecompenseerd. Getuige [getuige 2] is bij de rechter-commissaris gehoord over haar contacten met [medeverdachte] en hetgeen hij haar verteld heeft. De verdediging heeft ten aanzien van [getuige 2] het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. Daarnaast heeft de verdediging de audioregistraties van de verhoren van [medeverdachte] en [getuige 2] en verschillende tapgesprekken uit het dossier kunnen beluisteren. Ook zijn er door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in hoger beroep aanvullende processen-verbaal opgemaakt, waarin de verbalisanten antwoord hebben gegeven op vragen van de verdediging met betrekking tot het verhoor van [getuige 2] op 20 mei 2022. Het hof is van oordeel dat het strafproces in zijn geheel eerlijk is geweest en dat de verklaringen van [medeverdachte] voor het bewijs gebruikt kunnen worden.
Verzoek tot horen van [medeverdachte] als getuige
Nu het hof voorbijgaat aan de bewijsuitsluitingsverweren van de verdediging, moet worden beslist op het verzoek tot het horen van [medeverdachte] als getuige. Zoals hiervoor overwogen, is het hof van oordeel is dat het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte] geen strijd oplevert met de eisen van een eerlijk proces, ook nu de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad om [medeverdachte] als getuige te horen. Voorts stelt het hof vast dat [medeverdachte] op de zitting van 26 januari 2026 nogmaals als getuige is gehoord en dat hij zich bij die gelegenheid wederom op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Gelet op al het voorgaande, acht het hof het niet noodzakelijk om [medeverdachte] als getuige te horen. Het verzoek wordt afgewezen.
Betrouwbaarheid
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van [medeverdachte] verwijst het hof naar het hiervoor overwogene. Het hof is van oordeel dat hetgeen [medeverdachte] heeft verklaard over het verkrijgen van de opdracht voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De verklaringen van [medeverdachte] kunnen op dit punt daarom niet als onbetrouwbaar worden weggeschreven.
Conclusie
Concluderend is het hof van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte] en de tapgesprekken waar [medeverdachte] aan heeft deelgenomen niet onbruikbaar zijn voor het bewijs.

4.De telefoongegevens van verdachte

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegevens uit de telefoon van verdachte niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, omdat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, nu er geen toestemming van de rechter-commissaris was om gegevens uit de telefoon van verdachte te verkrijgen terwijl die toestemming op basis van de Landeck-jurisprudentie wel benodigd was.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft opgemerkt dat het feit en het onderzoek aan de telefoon van verdachte dateren van vóór de Landeck-jurisprudentie. Achteraf had er misschien een machtiging moeten zijn, maar in deze ernstige zaak zou de rechter-commissaris zeker toestemming hebben verleend. Zo er al enig vormverzuim is, heeft dit volgens de advocaat-generaal geen enkele consequentie voor verdachte. Hij heeft hier geen enkel nadeel van ondervonden. In ieder geval is dit nadeel niet concreet gemaakt door de verdediging. Het belang van een verdachte dat het gepleegde feit niet zou worden ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een schendig van dit belang niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a Sv. Mocht het hof oordelen dat er sprake is van een vormverzuim, dan kan er worden volstaan met een enkele constatering daarvan.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat de Landeck-jurisprudentie ziet op onderzoek dat plaatsvindt aan smartphones. Het opvragen van historische verkeersgegevens valt bijvoorbeeld buiten het bereik van de Landeck-jurisprudentie. Ook afgezien hiervan wordt het verweer door het hof gepasseerd, aangezien de gegevens uit de telefoon van verdachte niet voor het bewijs worden gebruikt.
5. Beoordeling van de feiten [1]
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zich in de periode van februari tot en met april 2022 schuldig heeft gemaakt aan de uitlokking van twee brandstichtingen en de uitlokking van een poging moord op zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer] .
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 2, 4 en 10 primair tenlastegelegde. Volgens de advocaat-generaal blijkt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte] in ruil voor een bedrag van € 150.000,00 in elk geval drie branden moest stichten op het bedrijventerrein waar [bedrijf 1] , het bedrijf van verdachte, gevestigd was. Daarbij ging het om één brand vóór de brand bij [bedrijf 1] , de brand bij het bedrijf zelf en één brand erna. Er dienden meerdere branden plaats te vinden om te verhullen dat de brand bij [bedrijf 1] was aangestoken voor het innen van verzekeringsgeld. Verdachte heeft [medeverdachte] een groot geldbedrag in het vooruitzicht gesteld en heeft hem gelegenheid verschaft om de brand bij zijn bedrijf te plegen door te zorgen dat er veel benzine en aceton in het pand stond en het alarm uitstond.
Met betrekking tot het onder 10 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat verdachte [medeverdachte] heeft uitgelokt tot de poging tot moord op [slachtoffer] door het in het vooruitzicht stellen van een bedrag van € 50.000,00, door het verschaffen van inlichtingen door het adres van het vakantiehuisje door te geven en door het verschaffen van gelegenheid door zelf weg te blijven van de plaats delict.
Standpunt van de verdediging
Op grond van dezelfde redenen als de redenen op grond waarvan de verklaringen van [medeverdachte] en [getuige 2] volgens de verdediging van het bewijs moeten worden uitgesloten, heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de uitlokking van brandstichtingen en de uitlokking van poging tot moord op [slachtoffer] . De enige personen die over een opdracht vanuit verdachte aan [medeverdachte] verklaren zijn [medeverdachte] en [getuige 2] . Nu die getuigen niet betrouwbaar zijn, is er onvoldoende bewijs om verdachte als uitlokker van de feiten aan te merken.
Oordeel van het hof
Het hof zal voor de leesbaarheid eerst beoordelen of voldoende wettig en overtuigend bewezen kan worden dat medeverdachte [medeverdachte] de ten laste gelegde feiten onder 2, 4 en 10 gepleegd heeft. Daarna zal het hof beoordelen of verdachte is aan te merken als uitlokker.
Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen voor daderschap van [medeverdachte]
Feit 2
Op 27 februari 2022 vond er een brand plaats aan de bedrijfsauto van [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ). [benadeelde 2] heeft op 28 februari 2022 aangifte gedaan van de brandstichting bij de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 1] op 27 februari 2022 tussen 3:35 uur en 3:57 uur. De bedrijfsbus stond op naam van [bedrijf 2] , het bedrijf van [benadeelde 2] . De bedrijfsbus stond sinds vrijdag 26 februari 2022 om 17:00 uur geparkeerd op het terrein voor het pand van [bedrijf 2] aan [adres 2] in [plaats 2] . De brand is overgeslagen naar het bedrijfspand. Zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van het pand is schade ontstaan. Verder is veel schade aan goederen en voorraad in het pand ontstaan en is van het voertuig zelf niets meer over. [2]
De camerabeelden van de camera’s die gericht zijn op het pand aan [adres 2] in [plaats 2] zijn door de politie bekeken. Hierop is onder andere te zien dat op 0:32 van de afspeeltijd een persoon in beeld komt lopen. Op 00:56 van de afspeeltijd loopt deze persoon naar het witte geparkeerde busje. Op 2:23 van de afspeeltijd rent deze persoon weg en ontstaat een oranje licht bij het witte geparkeerde busje. Op 2:28 van de afspeeltijd rent deze persoon uit beeld. Op 3:03 van de afspeeltijd is een vlam te zien bij het witte geparkeerde busje en op 3:04 stopt het beeld. [3]
Op de tijdlijn van Google Maps op het Google-account van [medeverdachte] is te zien dat op 27 februari 2022 tussen 2:00 uur en 2:53 uur een route is vastgelegd die onder andere over [adres 2] in [plaats 2] is gegaan. [4]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte] , [nummer ] , blijkt dat op 27 februari 2022 om 3:07 uur, om 3:27 uur en om 3:53 uur zendmasten zijn aangestraald aan het [straat 1] in [plaats 2] . [5]
Tegenover getuige [getuige 2] heeft [medeverdachte] verklaard dat hij meermalen brand heeft gesticht op het industrieterrein. [6]
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op de genoemde tijd op 27 februari 2022 wel een paar keer langs is gereden en bij het tankstation op de hoek van het industrieterrein heeft gestaan. Het industrieterrein zelf kun je met de auto niet op. Verdachte was daar volgens zijn verklaring om te kijken of de bus van [bedrijf 2] er stond. Hij moest dat doorgeven aan [verdachte] . [verdachte] en zijn vader zouden later hebben aangegeven dat die bus in de fik moest. [7]
Dat brand is gesticht bij de bedrijfsauto van [bedrijf 2] staat niet ter discussie. Evenmin staat ter discussie dat deze brand is overgeslagen naar het bedrijfspand van [bedrijf 2] , waardoor er gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. Eén van de vragen die openstaat is of het medeverdachte [medeverdachte] is geweest die deze brand heeft gesticht. Tegenover getuige [getuige 2] heeft [medeverdachte] verklaard dat hij meermalen brand heeft gesticht op het industrieterrein. Uit de gegevens van Google Maps blijkt dat [medeverdachte] met zijn auto van de snelweg is geweest en in de richting van het bedrijventerrein is gereden. Verder is relevant dat de brandstichter op de beelden lopend bij de bedrijfsauto van [bedrijf 2] geweest en dat [medeverdachte] zelf ook verklaart dat je niet met de auto het terrein op kon. Het hof overweegt voorts dat, indien de verklaring van [medeverdachte] gevolgd wordt, toen hij ter plekke aanwezig was iemand anders op min of meer hetzelfde tijdstip de brand zou hebben gesticht. In het scenario van [medeverdachte] had hij de brandstichting dan gezien moeten hebben. Hij verklaart hier niet over. Voor het op zichzelf reeds onwaarschijnlijke alternatieve scenario van [medeverdachte] is in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden. Nu [medeverdachte] in de periode rond de ten laste gelegde brandstichting ook andere branden in zijn eentje heeft gesticht en verdachte ten tijde van de ten laste gelegde brandstichting zelf ter plekke aanwezig was zonder dat van de betrokkenheid van enige andere persoon is gebleken, is het hof van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.
Feit 4
Op 27 maart 2022 heeft [verdachte] aangifte gedaan van brandstichting bij het bedrijfspand aan [adres 2] in [plaats 2] dat hij huurt en waarin zijn bedrijf, [bedrijf 1] , is gevestigd. Op 27 maart 2022 om 4:30 uur ontving [verdachte] een melding van de meldkamer dat het brandalarm afging. Toen hij daarna ter plaatse ging, zag hij het pand volledig in brand staan. Zowel de bedrijfsbus als het pand zijn volledig verwoest. [8]
[aangever ] (hierna: [aangever ] ) heeft op 27 maart 2022 eveneens aangifte gedaan van brandstichting van het bedrijfspand aan [adres 2] in [plaats 2] . [aangever ] is, samen met haar moeder, aandeelhouder van [bedrijf 8] Het bedrijfspand aan [adres 2] in [plaats 2] is eigendom van deze onderneming. Door de brand is schade ontstaan aan de panden aan [adres 2] met nummers [nummer ] . Al deze panden zijn eigendom van [bedrijf 8] [9]
De camerabeelden van de camera’s die bevestigd zijn aan het pand aan [adres 2] in [plaats 2] zijn door de politie bekeken. Hierop is onder andere te zien dat op 27 maart 2022 om 4.25:14 uur een werkbus van [bedrijf 1] geparkeerd staat voor de camera. In de weerspiegeling van de werkbus zijn vlammen zichtbaar. Om 4.25:17 uur ontstaat er een steekvlam bij de werkbus. Om 4.25:35 uur is er niet veel meer te zien door de rookontwikkeling. Verder is er een bestand waarop te zien is dat een persoon wegrent. [10]
De politie heeft forensisch onderzoek verricht aan het bedrijfspand aan [adres 2] in [plaats 2] . Daarbij is onder andere geconstateerd dat het bedrijfspand door de brand grote schade had opgelopen en nagenoeg geheel was verwoest. Hetzelfde geldt voor alles dat in het pand stond. Op de begane grond bevonden zich onder andere een vorkheftruck en een bedrijfswagen met aanhanger. Door de speurhond die ter plaatse was, werd melding gedaan van de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen op de vloer in de kantoorruimte op de eerste verdieping direct achter de toegang en tussen de bestrating ter hoogte van waar oorspronkelijk het kozijn had gezeten van de kantoorruimte op de begane grond. Door middel van de PID-meter werd vervolgens gezocht naar de maximale concentratie op deze plaatsen, waar vervolgens monsters van werden genomen en veiliggesteld. Het monster van de ondervloer onder het laminaat afkomstig uit de kantoorruimte op de eerste verdieping is voorzien van [SIN-nummer 1] en het monster van het zand onder en tussen de bestrating ter hoogte van de kozijndorpel van de kantoorruimte op de begane grond is voorzien van [SIN-nummer 2] . De monsters zijn door het NFI onderzocht. Daaruit is geconcludeerd dat in beide monsters vluchtige stoffen zijn aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine. De ontstaanslocatie van de brand kon door de complete verbranding van het pand niet worden vastgesteld. Gelet op het aantreffen van ontbrandbare stoffen op twee locaties concludeert de politie dat er ontbrandbare vloeistoffen zijn gesprenkeld. Een technische oorzaak voor het ontstaan van de brand werd door de verwoestende werking daarvan niet aangetroffen en is volgens de politie niet aannemelijk gelet op de informatie, de bevindingen, het schadebeeld en de snelheid waarmee de brand zich heeft ontwikkeld. [11]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte] , [nummer ] , blijkt dat op 27 maart 2022 om 4:36 uur en om 4:40 uur zendmasten zijn aangestraald aan het [straat 1] in [plaats 2] . Daarvoor werd gebruik gemaakt van een zendmast aan de [straat 2] in [plaats 6] . [12]
Uit de historische bankgegevens van het rekeningnummer van [medeverdachte] bij de BUNQ bank met nummer [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 3] blijkt dat in de nacht van 27 maart 2022 meermalen is gepind bij verschillende Esso tankstations, namelijk:
  • 3:07 uur € 30,97 bij Esso [plaats 7] ;
  • 3:08 uur € 25,42 bij Esso [plaats 7] ;
  • 3:38 uur € 4,13 bij Esso [plaats 22] [straat 4] ;
  • 4:50 uur € 3,43 bij Esso [plaats 9] ;
  • 4:54 uur € 1,28 bij Esso [plaats 9] .
[medeverdachte] heeft verklaard dat het kan dat hij in de buurt is geweest bij het pand en dat hij benzine heeft getankt. [14]
Aan getuige [getuige 2] heeft [medeverdachte] verklaard dat hij meermalen brand heeft gesticht op het industrieterrein. [15] Hij heeft ook het bedrijfspand van verdachte in de brand gestoken. [16]
Nu door de brand bij het pand aan [adres 2] in [plaats 2] schade is ontstaan aan naastgelegen panden en aan de in het pand aanwezige inboedel acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen. Gelet op de pintransacties bij meerdere tankstations, de aangestraalde masten en de verklaring van [getuige 2] acht het hof ook wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] de dader is van de brandstichting.
Feit 10
Deelvrijspraak
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet overtuigend bewezen kan worden dat [medeverdachte] het hoofd van [slachtoffer] (meermalen) met kracht tegen de grond heeft geslagen of geduwd. In zoverre zal verdachte worden vrijgesproken.
Poging tot opzettelijke levensberoving
[slachtoffer] heeft onder meer verklaard dat zij op 11 april 2022 boodschappen was gaan doen. Toen [slachtoffer] terugreed naar het vakantiepark en haar auto had geparkeerd, zag zij [medeverdachte] . [medeverdachte] pakte haar tas en liep samen met haar naar het vakantiehuisje. Op een gegeven moment gingen zij naar het terras van het vakantiehuisje. [slachtoffer] gaf aan dat zij verdachte wilde appen. Zij bukte om haar telefoon te pakken. Haar rug was naar het vakantiehuisje gericht. Zij voelde toen drie keer een scherpe pijn aan haar rug, haar schouder en haar nek. Zij werd van achteren aangevallen. Zij draaide haar hoofd naar rechts en werd toen nog meerdere keren gestoken. [medeverdachte] dook vervolgens op haar en kneep heel hard in haar keel. Dit deed hij met één hand, terwijl hij met zijn andere hand het mes vasthield. Hij hield het mes boven haar hoofd en keek haar strak in haar ogen. [slachtoffer] probeerde zich te verweren met haar linkerhand. Hiermee probeerde zij het mes tegen te houden. Zij lag op dat moment met veel pijn op haar rug op de grond. Haar rechterarm lag plat op de grond. Op enig moment zag [slachtoffer] iemand bij het andere vakantiehuisje. Zij hoorde toen veel lawaai en zag het mes vallen. [medeverdachte] liet toen los en ging weg. [17]
Op camerabeelden is te zien dat [medeverdachte] en [slachtoffer] op 11 april 2022 om 18:23 uur samen het vakantiepark in [plaats 10] op komen lopen. Om 18:54:56 uur is te zien dat [medeverdachte] hardlopend langs de slachtbomen rent. Tijdens het rennen is diverse keren zijn rechterhand kort zichtbaar, die rood is gekleurd. Om 18:55:02 uur verlaat [medeverdachte] het vakantiepark. [18]
Op 11 april 2022 om 19:08 uur arriveert de politie bij het vakantiehuisje van [slachtoffer] . Op het terras ligt een vrouw op haar linkerzij op de grond. Overal ligt bloed. De kleding van het slachtoffer is doordrenkt met bloed. Naast het slachtoffer ligt een mes met een zwart handvat en een lemmet dat vol bloed zit. Het slachtoffer is niet aanspreekbaar. Toen het slachtoffer in het inmiddels gearriveerde ambulancevoertuig was geplaatst, waren op de plek waar het slachtoffer had gelegen grote plekken bloed zichtbaar. [19]
De telefoon van [slachtoffer] is door de verbalisanten op de tuintafel buiten aangetroffen. [20]
Op het aangetroffen mes is zowel DNA van [medeverdachte] als DNA van [slachtoffer] aangetroffen. [21]
Op 19 april 2022 heeft verbalisant [verbalisant 4] in een kamer op de afdeling Traumatologie in het [ziekenhuis] [plaats 11] forensisch onderzoek verricht aan het lichaam van het [slachtoffer] . Met behulp van forensisch licht met een golflengte van 435 nanometer en een bijbehorende bril zag de verbalisant onderhuidse verkleuringen van de huid in de hals. Deze verkleuringen bevonden zich aan de voorzijde en aan de zijkanten van de hals. De verbalisant hoorde dat de aanwezige forensisch arts, [arts 1] , deze verkleuringen ook zag. Deze waarnemingen geven een aanwijzing voor onderhuidse bloedingen op deze locaties. [22]
Op 19 april 2022 hebben [arts 2] , forensisch arts in opleiding, en [arts 1] , forensisch arts KNMG, lichamelijk letselonderzoek verricht aan het lichaam van [slachtoffer] . Hiervan is een letselrapportage opgemaakt. Hierbij zijn – samengevat – de volgende uitwendige letsels vastgesteld:
  • Medisch behandelde steekwonden in de hals, nek, borsten, schouder, rug en linkerarm;
  • Steekwonden dan wel gecombineerde steek-/snijwonden op de borst en benen;
  • Onderhuidse verkleuringen op de borst, buik en heup;
  • Kraswonden op de hals en het been;
  • Huidbeschadigingen op de beide benen;
  • Afweerletsel op de rechterhand en
  • Gips om de linkerarm.
Verder zijn – samengevat – de volgende inwendige letsels vastgesteld:
  • Letsel van de luchtpijp rechts waarvoor operatief herstel heeft plaatsgevonden;
  • Letsel van de wervelslagader in de hals rechts waarvoor operatief herstel heeft plaatsgevonden;
  • Klaplongen links en rechts waarvoor tijdelijk slangen in de longen zijn geplaatst;
  • Uitval van de linkerhand op basis van letsel van de grote zenuw van de linker bovenarm waarvoor operatief herstel heeft plaatsgevonden en
  • Letsel van de elfde hersenzenuw waarvoor mogelijk nog operatief herstel volgt.
De samenvattende conclusie van de artsen luidt dat de gemelde toedracht zeer goed past bij het geconstateerde letsel. De gemelde toedracht luidde: “Betrokkene zou op 11 april 2022 begin van de avond door een vage kennis van vriend met een mes zijn aangevallen vanaf de achterzijde. Zou meerdere keren zijn gestoken onder andere in de rug en nek. Later zou ze op de grond gelegen hebben met verdachte boven op haar. Hij zou haar bij de keel hebben gegrepen. Zou zichzelf hebben afgeweerd met handen.” [24]
Het hof stelt vast dat de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels passen bij haar verklaring. Zo is bij haar onder andere een gehecht letsel in de rechterzijde van de nek geconstateerd, maar zijn er ook twee gehechte letsels in de rug ter hoogte van het rechter schouderblad geconstateerd. Daarnaast zijn er twee gehechte letsels in de achterzijde van de linker bovenarm geconstateerd. Dit alles is passend bij het van achteren aangevallen worden, zoals door [slachtoffer] is verklaard. Daarnaast is een groot aantal steekletsels vastgesteld aan haar hals, nek, borst en benen en was sprake van afweerletsel op de rechterhand. Dit is passend bij het verder op [slachtoffer] insteken op het moment dat zij was omgedraaid en bij de verklaring dat [medeverdachte] het mes in zijn rechterhand had. Bovendien zijn er onderhuidse verkleuringen geconstateerd aan de voorzijde en aan de zijkanten van de hals van [slachtoffer] , wat past bij het dichtknijpen van haar keel. Ook de telefoon van [slachtoffer] die nog op de buitentafel lag op het moment dat de politie ter plaatse kwam, ondersteunt het verhaal van [slachtoffer] dat zij door [medeverdachte] werd aangevallen op het moment dat zij zich voorover boog naar haar telefoon, omdat zij verdachte wilde berichten. [slachtoffer] heeft steeds consistent over het incident op 11 april 2022 verklaard. Het hof gaat op basis van het voorgaande van de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] uit. Daarmee stelt het hof vast dat [medeverdachte] [slachtoffer] vanuit het niets met een mes van achteren heeft aangevallen en haar meermalen heeft gestoken. Toen [slachtoffer] zich daarop omdraaide, heeft [medeverdachte] haar nog vaker gestoken. Hierdoor heeft zij een grote hoeveelheid steekletsels opgelopen aan meerdere (vitale) delen van haar lichaam, waaronder een groot letsel in haar hals en op haar borst. Daarnaast heeft [medeverdachte] de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen, nadat zij ten val was gekomen en hij bovenop haar was gaan zitten en over haar heen hing.
Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van [medeverdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als handelingen gericht op het doden van [slachtoffer] . Daarbij weegt het hof mee dat [slachtoffer] is gestoken in haar bovenlichaam en in de hals, waar zich vitale organen bevinden. Wanneer de organen door een messteek worden geraakt, kan dit leiden tot de dood. Verdachte heeft [slachtoffer] veelvuldig met een mes in het bovenlichaam gestoken, hetgeen voornoemd risico op fatale gevolgen vergroot. Bovendien was er bij [slachtoffer] daadwerkelijk letsel aan de wervelslagader in de hals. De aanval was vanuit het niets. Deze feiten en omstandigheden maken dat het hof oordeelt dat bij [medeverdachte] sprake was van vol opzet op het doden van [slachtoffer] .
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat [medeverdachte] heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven.
Voorbedachten rade
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij [medeverdachte] niet kende. [25] [medeverdachte] kende [slachtoffer] ook niet. [26]
Op 11 april 2022 verschijnt [medeverdachte] in de ochtend om 7:20 uur bij het vakantiepark in [plaats 10] waar verdachte en [slachtoffer] op dat moment verblijven. Hij parkeert zijn auto op het parkeerterrein van het vakantiepark. Om 7:53 loopt [medeverdachte] richting de auto van [slachtoffer] . Bij die auto maakt hij een beweging omlaag. Vervolgens stapt [medeverdachte] weer in zijn eigen auto en rijdt hij weg in de richting van de toegangsweg. [27] Uit een vergelijkend werktuigsporenonderzoek is gebleken dat één van de steekopeningen in de band van de auto van [slachtoffer] waarschijnlijk is veroorzaakt met het mes A. [28] Mes A betreft het mes met het goednummer [SIN-nummer 3] . Dit is het mes dat bij de steekpartij later op die dag is gebruikt. [29]
[getuige 2] heeft verklaard, nadat haar een afbeelding van het aangetroffen mes werd getoond, dat zij een mes uit haar la miste en dat zij het getoonde mes herkende als een mes dat uit haar la komt. [30]
Op 10 april 2022 om 15:01 uur spreekt [medeverdachte] een spraakbericht in bij [getuige 2] en zegt:
“Wij moeten het straks wel effe hebben over mijn alibi voor mij vanavond, vannacht.” [31]
Om 15:26 uur spreekt verdachte een spraakbericht in bij [getuige 2] en zegt:
“Ja, maar we hadden toch vijftigduizend extra? Ja, dan kunnen er eigenlijk
wel twee wat nieuwere Polootjes vanaf.” [32]
Op 11 april 2022 om 14:34 stuurt [medeverdachte] een spraakbericht naar [getuige 2] , waarin hij zegt: “Ik rij door naar [plaats 10] . Ik heb een GO”. [33]
Op 11 april 2022 om 16:47 uur stuurt [medeverdachte] naar [getuige 2] een foto van een geel briefje met daarop 12 verschillende woorden (dit betreft een code waarmee toegang kan worden verkregen tot een Trust Wallet [34] ) en daarna het bericht “Bewaar die”. Om 16:48 uur stuurt verdachte: “Dezd tel gaat zo wdg” en om 17:00 uur stuurt verdachte een foto van een QR-code van een Trust Wallet door en daarna het bericht “Trust wallet”. [35]
Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van [medeverdachte] op 11 april 2022 om 16:54:05 uur gebruik maakt van een zendmast in [plaats 12] waarbij het telefoonnummer gekoppeld is aan [IMEI nummer 1] . Dit betreft een Samsung Galaxy telefoon, dit toestel is binnen het onderzoek niet aangetroffen. De eerstvolgende registratie is om 23:21:00 uur, dan wordt een zendmast in [plaats 13] gebruikt waarbij het telefoonnummer gekoppeld is aan [IMEI nummer 2] . Dit betreft een Motorola E6 Play. De SIM-kaart is dus van toestel gewisseld. [36]
Op 17 mei 2022 vond er een Teliogesprek plaats tussen [medeverdachte] en [getuige 2] waarin [medeverdachte] aan [getuige 2] een e-mail gedicteerd heeft, die zij naar [verdachte] / [bedrijf 1] moet sturen. Het dicteren is als volgt gegaan:
Q: Beste Heer Wij betreuren dat de losstaande levering van 50D. aan warmte camera's breuk heeft opgelopen. Wij nemen deze levering gratis zsm voor onze rekening ( [naam 1] zegt: is niet wat je denk, maar zo moet het er effe in komen. [naam 2] zegt: nee nee nee) Wel willen wij vragen om naar uw woord de eerste correcte levering ter waarde van 150D. aan warmte camera's te voldoen op bijgevoegde D.code
Q: dan doe je tussen haakjes zie bijlage, ja want het makkelijkste is als je van die uhh he zoals je die ene foto daar een screenshots van heb en het gewoon bijvoegt
S: ja van de nieuwe he
Q: ja van de nieuwe want dan weet je zeker dat dat die niet de verkeerde pakt, of dat die of verkeerd staat.
S: ja ik moet hem die QR code, uh code moet ik hem sturen [37]
De tekst van het door verdachte in dit telefoongesprek gedicteerde e-mailbericht komt overeen met de tekst die door [getuige 2] op de envelop was geschreven die zij aan de politie heeft overhandigd. [38]
[verdachte] is eigenaar van [bedrijf 1] . [39]
Op 20 mei 2022 is [getuige 2] als getuige gehoord. [medeverdachte] had haar verteld dat hij 1,5 ton zou krijgen voor het in de brandsteken van het bedrijfspand. [medeverdachte] had haar ook verteld dat hij een opdracht had gekregen om iemand te laten slapen. Voor het laten slapen zou [medeverdachte] 50k krijgen. [40]
Voor het aannemen van voorbedachten rade moet komen vast te staan dat [medeverdachte] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om [slachtoffer] te doden. [medeverdachte] moet niet hebben gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap gegeven.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] in de ochtend van 11 april 2022 een mes heeft meegenomen vanuit de woning van [getuige 2] in [plaats 13] en daar ’s ochtends al een band van de auto van [getuige 2] mee heeft lek gestoken. De dag ervoor wil hij het hebben over een alibi. [medeverdachte] heeft voor 11 april 2022 aan diezelfde [getuige 2] aangegeven dat hij iemand moest laten slapen en daar geld voor zou krijgen. Dit wordt bevestigd door de e-mail die hij aan [getuige 2] in detentie heeft gedicteerd. Het hof vat het bericht zo op dat het op 11 april 2022 in [plaats 10] bij een poging tot moord is gebleven en dat de voltooiing van dat feit niet is gelukt.
Op basis van het voorgaande oordeelt het hof dat [medeverdachte] met een vooropgezet plan om [slachtoffer] om het leven te brengen naar het vakantiepark in [plaats 10] is gegaan. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] heeft gehandeld met voorbedachten rade.
Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen voor uitlokking door verdachte
Inleiding
Aan verdachte wordt verweten dat hij de bovenstaande twee brandstichtingen en de poging tot moord heeft uitgelokt.
Om te kunnen spreken van een (strafbare) uitlokking, moet worden voldaan aan een vijftal vereisten: (1) Verdachte moet willen dat een specifiek strafbaar feit wordt gepleegd en dat een ander dat gaat doen. Hij moet met andere woorden zowel opzet hebben op het uitlokken als op het strafbare feit dat hij uitlokt (dubbel opzet). (2) Verdachte moet een ander hiertoe hebben aangezet. (3) Daarvoor moet verdachte gebruikmaken van een of meerdere uitlokkingsmiddel(en), zoals het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen.
(4) Het uitgelokte delict moet gevolgd zijn en (5) de uitgelokte moet strafbaar zijn.
Bewijsmiddelen voor uitlokking
i.
Contact verdachte met [medeverdachte]
Op 4 maart 2022 heeft [slachtoffer] naar verdachte een bericht gestuurd met de tekst:
“en ik vind het niet chill als je met die kut homo de hele dag weg bent!”. In de telefoon van [slachtoffer] staat het telefoonnummer van [medeverdachte] geregistreerd onder de contactnaam “homo”. [41]
[medeverdachte] zegt tegen [getuige 2] in een telefoongesprek op 22 mei 2022 dat verdachte hem nog nooit heeft laten zitten. [42]
Over de periode van 12 januari 2022 tot en met 12 april 2022 zijn historische verkeersgegevens van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] van [medeverdachte] en [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] van verdachte verkregen. Uit een analyse van de gegevens blijkt dat er in die periode 234 contactmomenten zijn geweest tussen de telefoonnummers van [medeverdachte] en verdachte. [43] Uit een analyse van historische verkeersgegevens blijkt daarnaast dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (verdachte) in de bevraagde periode (8 tot en met 11 april 2022) vrijwel dagelijks contact heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ( [medeverdachte] ). [44]
Het contact tussen de telefoonnummers van verdachte ( [telefoonnummer 3] ) en [medeverdachte] ( [telefoonnummer 3] ) stopt op 6 april 2022 om 13:06 uur. Vanaf 6 april 2022 om 06:28 uur heeft het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ( [medeverdachte] ) contact met [telefoonnummer 2] . Dit contact stopt op 8 april 2022 om 15:29:47 uur. Na dit moment wordt het telefoonnummer niet meer gebruikt. [45]
Uit de gegevens van de bankrekeningen van [medeverdachte] over de periode van 1 januari 2021 tot en met 26 april 2022 blijkt dat er bedragen op de rekeningen van [medeverdachte] door [verdachte] [bedrijf 4] en/of [verdachte] zijn bijgeschreven. Het eerste bedrag is op 4 februari 2022 overgemaakt en bedroeg € 2.000,00. De laatste geregistreerde overschrijving was op 6 april 2022. Dat was een betaling van € 100,00. In totaal is er door verdachte
€ 3.495,- aan [medeverdachte] overgemaakt. [46]
Op 11 april 2022 vindt er in de ochtend een handgemeen plaats tussen [medeverdachte] en verdachte waarbij verdachte [medeverdachte] slaat. Om 9:02:09 uur komt verdachte met zijn auto aangereden op het vakantiepark in [plaats 10] . Nadat verdachte is uitgestapt, slaat hij in de richting van [medeverdachte] . Vervolgens vertrekt [medeverdachte] . [47] Verdachte heeft verklaard dat hij op 11 april 2022 op een later moment terwijl hij onderweg was nog met [medeverdachte] heeft gebeld. verdachte heeft gezegd dat hij [medeverdachte] niet voor zijn bek had moeten slaan en heeft hem uitgenodigd om die avond te komen eten. [48]
Later die dag treffen [medeverdachte] en [verdachte] elkaar in [plaats 25] . Op 11 april 2022 om 15:35:34 uur hebben de respectieve telefoonnummers van [medeverdachte] en [verdachte] gebruikgemaakt van een zendmast in [plaats 25] . [49]
Opdracht en bedrag voor brandstichtingen
[verdachte] is eigenaar van [bedrijf 1] . [50]
De forensische recherche heeft het bedrijfspand van [bedrijf 1] na de brand onderzocht. De nachtschoot en de boven- en ondersluiting van de toegangsdeur stonden in niet gesloten stand. Er werden ook geen sporen van braak of verbreking aangetroffen. [51]
[bedrijf 5] heeft geconstateerd dat het alarm op het bedrijfspand ten tijde van de brand niet was ingeschakeld. Was dit wel het geval geweest dan hadden de detectiecamera’s opnames gemaakt van de persoon die in het pand aanwezig was. [52]
[medeverdachte] heeft tijdens zijn verhoor op 9 december 2022 verklaard dat hij van [verdachte] de opdracht heeft gekregen om branden te plegen bij onder andere zijn bedrijfspand, om verzekeringsgeld uitgekeerd te laten krijgen. [verdachte] en zijn vader zouden dan zorgen voor een hele hoop benzine en aceton. Verder zouden zij zorgen dat het alarm niet aanstond en dat je gewoon door de deur van binnen naar buiten kon. [53]
Op 22 maart 2023 heeft [getuige 2] bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd en daarbij onder meer verklaard dat volgens [medeverdachte] er iets te veel benzine in het pand stond en dat Bart dat had gedaan. Er was ook een deur open blijven staan. [54]
Op 20 mei 2022 is [getuige 2] als getuige gehoord. Tijdens dit verhoor heeft zij verklaard dat [medeverdachte] een klusje voor [verdachte] heeft gedaan, waar hij geld voor zou krijgen. Daar gaat het Whatsappbericht van 1.5K over. [medeverdachte] heeft haar verteld dat hij moeite had om weg te komen bij het pand dat was afgefikt, omdat het snel explodeerde. [verdachte] zou geld van de verzekering krijgen. Hij zou dan 2,5 miljoen krijgen en [medeverdachte] zou er 1,5 ton voor krijgen. [55]
Verdachte taxeert de brandschade zelf op 2,5 miljoen. [56] Verdachte heeft naar aanleiding van de brand in zijn bedrijfspand bij zijn verzekeraar [bedrijf 5] een claim van € 1.069.876,- ingediend. [57] Verdachte heeft hierover verklaard dat hiernaast sprake is van inkomstenderving, zodat het in totaal om een bedrag van rond de € 2.500.000,- gaat. [58]
Op 4 april 2022 heeft [medeverdachte] via WhatsApp twee berichten naar [getuige 2] gestuurd met de tekst:
“Q: Morgeb
Q: Maakt [verdachte] 1,5 over”. [59]
Opdracht en bedrag voor poging moord
Op 11 april 2022 om 14:34 uur stuurt [medeverdachte] een spraakbericht naar [getuige 2] , waarin hij zegt: “Ik rij door naar [plaats 10] . Ik heb een GO”. [60]
[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte op 11 april 2022 in [plaats 25] heeft aangegeven dat [slachtoffer] toch echt het loodje moest leggen en dat [medeverdachte] dat moest gaan doen. Hij zou dan het geldbedrag krijgen. Verdachte zou hem contant betalen of [medeverdachte] moest een nieuw bitcoin-account aanmaken. [61]
De [getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte] haar vertelde dat hij de opdracht had gekregen om iemand te laten slapen. [medeverdachte] zou hiervoor 50k krijgen. [medeverdachte] haar heeft gevraagd om een nieuwe wallet aan te maken. Zij moest een mail sturen naar [verdachte] over een betaling. [medeverdachte] heeft haar gedicteerd wat zij moest tikken. Ze heeft dit voor hem gedaan. Ze hoopte om zelf geld terug te krijgen, omdat [medeverdachte] haar auto in de prak had gereden en die auto nog moest vergoeden. Ergens hoopte ze dat hij een nieuwe auto zou geven. [62] [getuige 2] heeft tijdens het verhoor een briefje overhandigd met daarop de tekst die door [medeverdachte] geciteerd zou zijn. [63]
Op 10 april 2022 om 14:19 uur stuurt [medeverdachte] een Whatsappbericht naar [getuige 2] , waarin staat:
“Aaaaaah. Mag 1 blikje of zo. Dan haal ik nog wel even 2 blikjes. Ik heb er vandaag echt even schijt aan. Voor twee blikjes he ik nog wat centjes. Maar ik euh, wat ik zeg, ik heb er
echt even schijt aan nu hoor. Ik krijg echt te veel te weinig calorieën binnen. En gelukkig morgen is dat over. Want nu gaat het euh..... Nou dan haal ik het bier. Nou weetje dan haal ik nog even een blikje. Ik heb nog een euro of zo, weet ik veel. 1 euro, 2 euro zoiets heb ik nog.”
Om 14:50 uur spreekt [medeverdachte] een spraakbericht in en zegt:
“Maarja, morgen is alles geregeld. Hatseflats.”
Om 15:01 uur spreekt [medeverdachte] een spraakbericht in en zegt:
"Wij moeten het straks wel effe hebben over mijn alibi voor mij vanavond, vannacht."
Om 15:25 uur spreekt [medeverdachte] een spraakbericht in en zegt:
“Ik had nog een biertje in de auto liggen. Die heb ik lekker los getrokken, happa! Nou dan morgen is het helemaal feest, dan kan ik het in een keer achter mekaar regelen. En wat je nou zelf kan doen, als je nou een Polootje inderdaad koopt een beetje een degelijk wagentje of een Ford Fiesta of een Focusje of weet ik veel wat, niet al te oud, dan valt het ook minder op als ik nog een opdracht doe. Dat is wel zo. Weetje wel een Vectra zei hij, een 5ignia. Je hebt daarnaast die Mercedes, want die moet ik gewoon hebben!"
Om 15:26 uur spreekt [medeverdachte] een spraakbericht in en zegt:
“Ja, maar we hadden toch vijftigduizend extra? Ja, dan kunnen er eigenlijk
wel twee wat nieuwere Polootjes vanaf.” [64]
Op 11 april 2022 om 16.47 uur stuurt [medeverdachte] naar [getuige 2] een foto van een geel briefje met daarop 12 verschillende woorden (dit betreft een code waarmee toegang kan worden verkregen tot een Trust Wallet [65] ) en daarna het bericht “Bewaar die”. Om 16.48 uur stuurt [medeverdachte] : “Dezd tel gaat zo wdg” en om 17.00 uur stuurt [medeverdachte] een foto van een QR-code van een Trust Wallet door en daarna het bericht “Trust wallet”. [66]
Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van [medeverdachte] op 11 april 2022 om 16:54:05 uur gebruikmaakt van een zendmast in [plaats 12] waarbij het telefoonnummer gekoppeld is aan [IMEI nummer 1] . Dit betreft een Samsung Galaxy telefoon, dit toestel is binnen het onderzoek niet aangetroffen. De eerstvolgende registratie is om 23:21:00 uur, dan wordt een zendmast in [plaats 13] gebruikt waarbij het telefoonnummer gekoppeld is aan [IMEI nummer 2] . Dit betreft een Motorola E6 Play. De SIM-kaart is dus van toestel gewisseld. [67]
Uit onderzoek is gebleken dat verdachte over een Iphone 13 beschikte. [68] Dit toestel is niet aangetroffen. [69]
Op 17 mei 2022 vond er een Teliogesprek plaats tussen [medeverdachte] en [getuige 2] waarin verdachte aan [getuige 2] een e-mail gedicteerd heeft die zij naar [verdachte] / [bedrijf 1] moet sturen. Het dicteren is als volgt gegaan:
Q: Beste Heer Wij betreuren dat de losstaande levering van 50D. aan warmte camera's breuk heeft opgelopen. Wij nemen deze levering gratis zsm voor onze rekening ( [naam 1] zegt: is niet wat je denk, maar zo moet het er effe in komen. [naam 2] zegt: nee nee nee) Wel willen wij vragen om naar uw woord de eerste correcte levering ter waarde van 150D. aan warmte camera's te voldoen op bijgevoegde D.code
Q: dan doe je tussen haakjes zie bijlage, ja want het makkelijkste is als je van die uhh he zoals je die ene foto daar een screenshots van heb en het gewoon bijvoegt
S: ja van de nieuwe he
Q: ja van de nieuwe want dan weet je zeker dat dat die niet de verkeerde pakt, of dat die of verkeerd staat.
S: ja ik moet hem die QR code, uh code moet ik hem sturen [70]
De tekst van het door verdachte in dit telefoongesprek gedicteerde e-mailbericht komt overeen met de tekst die door [getuige 2] op de envelop was geschreven die zij aan de politie heeft overhandigd. [71]
Op 5 juni 2022 vond er een Teliogesprek plaats tussen [medeverdachte] en [getuige 2] , waarin het volgende is besproken:
  • “Q: Na ja weet je wat het is, tis gewoon een probleem dat uhh dat er bepaalde dingen uhh, ook vanuit andere uhh uhh kant, vanuit zeg maar de opdrachtgever niet zo goed zijn uitgedacht
  • S: ja
  • Q: weet je en dat is dus het punt geweest, kijk anders was ik mee weggekomen.
  • S: ja misschien iets te snel, gereageerd en uhh iets minder, te weinig onderzoek
  • Q: ja het moest allemaal, het moest allemaal op korte tijd uhh ja weetje, deed ik normaal nooit joh
  • S: nee, nee dat uhh bah
  • Q: dus uhhhh, maar goed weet je, ik uhh ik vind best, ik heb goed geboerd en uhh weet je de opdracht uhh, ik heb voor de rest de opdracht voltooid die ik moest voltooien
  • S: ja
  • Q: en uhhh weet je dus uhh, de opdrachtgevers is voor de rest, neem ik aan gewoon blij wat dat betreft, want dat was de grootste klapper
  • S: ja ja
  • Q: Dus uhh ik, ik vind mooi en dan kan ik uhhh verder uhh verder dingetje opbouwen
  • S: ja precies je leven weer een beetje oppakken, zonder dat gezeik”
Gedragingen verdachte op 11 april 2022 in de avond
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 11 april 2022 boodschappen was gaan doen in een dorpje in de buurt van [plaats 10] . In de tussentijd werd zij gebeld door haar man die aangaf dat de man met wie hij die ochtend ruzie had, [medeverdachte] , langs zou komen om deze ruzie uit te praten. Verdachte vroeg of het goed was als [medeverdachte] mee zou eten. [slachtoffer] vond dit geen probleem, maar gaf aan niet met [medeverdachte] alleen te willen zijn. Later belde verdachte opnieuw, om aan te geven dat hij om 18:30 uur had afgesproken met [medeverdachte] , maar dat hij dit niet zou gaan halen. [slachtoffer] gaf toen aan dat verdachte [medeverdachte] moest bellen om aan te geven dat hij rond 20:00 uur moest komen. Toen [slachtoffer] terugreed naar het vakantiepark en haar auto had geparkeerd, zag zij [medeverdachte] weer. Zij stuurde verdachte toen meteen een WhatsApp-bericht om aan te geven dat [medeverdachte] er weer was. [73]
Om 18:24 uur stuurt [slachtoffer] via Whatsapp een bericht naar [verdachte] met de tekst: “Hij is er schat”, waarop [verdachte] antwoordt: “Ik kom zo snel mogelijk liefje”. [74]
Verdachte heeft verklaard dat hij bij [plaats 14] reed op het moment dat hij rond 18:30 uur het Whatsappbericht kreeg van [slachtoffer] dat [medeverdachte] er was, dat hij daarna snel is doorgereden naar [plaats 15] in [plaats 16] en dat hij daarna heel snel naar huis is gereden. [75] Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat zijn bezoek aan [plaats 15] een gepland bezoek was. [76]
Op 11 april 2022 tussen 18:26 uur en 20:19 uur maakt het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , in gebruik bij verdachte, geen gebruik van zendmasten in Nederland. Uit een analyse van de historische verkeersgegevens blijkt verdachte pas na 20:00 uur een aantal keren belt naar [slachtoffer] en dat hij contact heeft met zijn ex-vrouw [naam 3] en zijn vader, [naam 4] [verdachte] . Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] heeft op 11 april 2022 om 20:19 uur de cell-ID van de zendmast aan de [adres 3] te [plaats 17] gebruikt. De route vanaf de [adres 3] te [plaats 17] naar het chaletpark [bedrijf 9] te [plaats 10] is 69,64 km volgens de routeplanner en is af te leggen in 46 minuten. De cell-ID’s van de zendmasten tussen [plaats 17] en [plaats 10] liggen vlakbij de snelweg, dus het is aannemelijk dat verdachte via de snelweg naar [plaats 10] is gereden. Er is aan de hand van de bekende cell-ID’s niet te zeggen of verdachte onderweg ergens gestopt is. Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] heeft op 11 april 2022 om 21:23 uur pas de celMD van de zendmast aan de [straat 3] te [plaats 10] gebruikt. Dit is 64 minuten na het vertrek uit [plaats 17] . [77]
Getuige [getuige 3] (ex-vrouw van verdachte) heeft verklaard dat verdachte op 11 april 2022 ’s avond bij haar en de kinderen zou komen om met de kinderen te eten, zodat zij met een vriendin de deur uit kon. [78]
Op 11 april 2022 om 20:19 uur heeft verdachte een melding gemaakt bij 112. Hij zegt dan dat er de laatste tijd rare dingen gebeuren op het park. Hij heeft op P2000 gekeken, heeft daar een steekpartij in [plaats 10] zien staan en kan zijn vrouw niet bereiken. Verdachte zegt daarbij dat hij die ochtend ook al een handgemeen heeft gehad met iemand op
de camping. [79] Als verdachte aankomt op de camping verklaart hij ten overstaan van de aanwezige politie dat [medeverdachte] de dader is en dat hij de banden van de auto van [slachtoffer] zou hebben lek gestoken. [80] [medeverdachte] zou levensgevaarlijk zijn. [81]
Gedragingen van verdachte na 11 april 2022
Verdachte heeft tijdens een tapgesprek gezegd “laten we hopen dat ze uitschieten” als het in het gesprek gaat over het feit dat [slachtoffer] weer geopereerd moet worden. [82]
Tijdens een tapgesprek tussen verdachte en zijn vader heeft verdachte verklaard dat 10 duizend voor een begrafenis er ook wel bij kan, nadat zijn vader hem heeft gezegd dat hij de situatie van (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) aan haar vader moet overlaten voor het geval er straks iets mis gaat en zij begraven moet worden. [83]
[medeverdachte] heeft in detentie een brief ontvangen waarin een brief aan [slachtoffer] werd geciteerd. In deze brief wordt beschreven dat de vader van verdachte verantwoordelijk zou zijn voor de opdrachten ten aanzien van de branden en het bedreigen van [slachtoffer] en dat [medeverdachte] de uitvoerder zou zijn van deze opdrachten. Verdachte zou onschuldig vast zitten. [84] [slachtoffer] heeft de geciteerde brief ontvangen. [85] Getuige [getuige 4] heeft verklaard de brief aan [medeverdachte] overgetikt te hebben voor [verdachte] . Hij kreeg een handgeschreven brief hiervoor overhandigd. Op de envelop met de brief aan [slachtoffer] staat zijn, getuige [getuige 4] ’s, handschrift. [86] Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij getuige [getuige 4] inderdaad verzocht heeft de brief voor [medeverdachte] te schrijven. [87]
Bewijsoverwegingen voor uitlokking
i.
Overwegingen met betrekking tot het contact tussen verdachte en [medeverdachte]
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt allereerst dat het contact tussen [verdachte] en [medeverdachte] in de periode van de tenlastegelegde feiten, februari 2022 tot en met april 2022, is geïntensiveerd. Zij spraken elkaar zeer frequent telefonisch en spraken met elkaar af in persoon, wat op een gegeven moment zelfs tot irritatie bij [slachtoffer] heeft geleid. Daarnaast zijn er in deze periode meerdere betalingen verricht door [verdachte] aan [medeverdachte] . Uit deze omstandigheden leidt het hof in ieder geval af dat [medeverdachte] en [verdachte] nauw met elkaar omgingen. Ook na de aanvaring op de ochtend van 11 april 2022 hield dit contact stand. Verdachte bood zijn excuses aan. Ze spraken af in [plaats 25] . [medeverdachte] zou ’s avonds komen eten, zo werd [slachtoffer] verteld.
Vlak vóór 11 april 2022 wijzigt de telefonische communicatie tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Tussen 6 en 8 april 2022 stopt het contact via de normale nummers. In diezelfde periode wisselt [medeverdachte] van telefoon en ontdoet verdachte zich van zijn Iphone 13.
Overwegingen met betrekking tot de uitlokking van de branden (feiten 2 en 4)
De verklaring die [medeverdachte] heeft afgelegd op 9 december 2022 komt overeen met wat hij op een eerder moment aan [getuige 2] heeft verteld over de verkregen opdracht en de wijze waarop het pand van [bedrijf 1] zou worden achtergelaten. De open deur en het uitgeschakelde alarm zijn ook daadwerkelijk aangetroffen. Ook de omvang van de schadeclaim waarover [getuige 2] verklaart, komt overeen met hetgeen verdachte hierover heeft verklaard in een tapgesprek en tegenover de politie. De verklaring van [getuige 2] dat [medeverdachte] meerdere branden op hetzelfde industrieterrein zou hebben gesticht voor deze opdracht wordt bevestigd door de bewijsmiddelen die bij feit 2 zijn opgenomen.
Gelet op het voorgaande, stelt het hof vast dat verdachte aan [medeverdachte] opdracht heeft gegeven om de branden aan [adres 2] in [plaats 2] (feit 2) en aan [adres 2] in [plaats 2] (feit 4) te stichten.
Uit het voorgaande leidt het hof ook af dat [medeverdachte] niet reeds zelf van plan was de feiten te begaan. Er bestaat, los van verdachte, geen verband tussen [medeverdachte] en de locaties waar brand is gesticht en [medeverdachte] had los van een opdracht van verdachte ook geen motief om de branden te stichten. Verdachte heeft door gelegenheid (het openlaten van de deur, het niet inschakelen van het alarm en het opslaan van brandbare stoffen in zijn pand met betrekking tot feit 4) en het doen van beloften (het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag van
€ 150.000,- met betrekking tot de feiten 2 en 4) bij [medeverdachte] het wilsbesluit opgewekt om de brandstichtingen te plegen. Het hof oordeelt dat verdachte moet worden aangemerkt als de uitlokker van deze feiten. Ook aan de overige vereisten voor een strafbare uitlokking is voldaan.
Het hof acht het onder 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Overwegingen met betrekking tot de uitlokking van poging tot moord (feit 10)
Het hof gaat er op basis van de bewijsmiddelen van uit dat [medeverdachte] met een vooropgezet plan om [slachtoffer] om het leven te brengen naar het vakantiepark in [plaats 10] is gegaan en haar daar opzettelijk van achteren met een mes heeft aangevallen en haar keel heeft dichtgedrukt en zich op deze manier schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] en [slachtoffer] elkaar niet kenden. Er bestaat, los van verdachte, geen verband tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] . Zij hadden elkaar voor 11 april 2022 nog nooit ontmoet.
Dat verdachte voor het om het leven brengen van [slachtoffer] een bedrag van € 50.000,- zou krijgen, zoals [getuige 2] heeft verklaard, wordt naar het oordeel van het hof ondersteund door het Teliogesprek dat plaatsvond tussen [medeverdachte] en [getuige 2] op 17 mei 2022. In dit gesprek heeft verdachte zelf een e-mail aan [getuige 2] geciteerd met als inhoud dat een ‘losstaande levering’ ‘breuk heeft opgelopen’ en dat wordt verzocht om de eerste correcte levering van 150D. te voldoen. Het hof vat dit bericht zo op dat met de ‘losstaande levering die breuk heeft opgelopen’ wordt gedoeld op de op 11 april 2022 in [plaats 10] gedane poging om [slachtoffer] om het leven te brengen, welke poging dus niet tot het beoogde resultaat heeft geleid. Het hof beziet het Teliogesprek van 17 mei 2022 nadrukkelijk in verband met de Whatsappgesprekken van 10 en 11 april 2022 tussen [medeverdachte] en [getuige 2] , waarin wordt gesproken over ‘€ 50.000,- extra’, over het alibi voor ‘vanavond/vannacht’ dat [medeverdachte] nog nodig heeft nadat alle branden reeds zijn gepleegd en over de ‘GO’ die [medeverdachte] in de middag van 11 april 2022 heeft voor [plaats 10] . Samen met de inhoud van het Teliogesprek van 5 juni 2022, waarin wordt gesproken over een opdrachtgever en over het feit dat iets de grootste klapper is geweest, wijst de inhoud van het Teliogesprek van 17 mei 2022 erop dat verdachte na het plegen van de brandstichtingen nog niet klaar was met het in opdracht van verdachte uitvoeren van klussen en dat hij voor een nadere klus in [plaats 10] nog € 50.000,- extra zou krijgen.
De verklaring van [getuige 2] met betrekking tot de opdracht van verdachte aan [medeverdachte] voor het plegen van de moord wordt daarnaast ondersteund door de opvallende gedragingen van verdachte zelf. Allereerst heeft verdachte zowel een afspraak in [plaats 15] in [plaats 16] als een afspraak met getuige [getuige 3] op het moment dat hij met [slachtoffer] en [medeverdachte] zou eten in [plaats 10] . Dit terwijl hij wist dat [slachtoffer] niet alleen met [medeverdachte] wilde zijn. Voorts valt op dat verdachte, op het moment dat hij hoort dat [medeverdachte] aanwezig is bij [slachtoffer] , doorrijdt naar [plaats 16] en daar pas tegen 20:00 uur vertrekt. Verdachte wist dus dat hij pas veel later zou aankomen in [plaats 10] , ondanks dat hij [slachtoffer] had laten weten zo snel mogelijk in [plaats 10] te zullen zijn.
Wat betreft de betrokkenheid van [medeverdachte] bij de poging tot moord valt daarnaast op dat, hoewel verdachte en [medeverdachte] blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen nauw met elkaar omgingen en de aanvaring van de ochtend van 11 april 2022 was uitgepraat, verdachte tegenover de politie direct en zonder aarzelen [medeverdachte] aanwijst als dader van de steekpartij en hem als levensgevaarlijk beschrijft. Dit gegeven is des te opmerkelijker nu verdachte toen hij hoorde dat [medeverdachte] bij [slachtoffer] was kennelijk geen noodzaak zag om zijn afspraak in [plaats 15] af te blazen en direct naar [plaats 10] te komen om te voorkomen dat [slachtoffer] alleen met de “levensgevaarlijke” [medeverdachte] zou zijn.
Verder acht het hof het ook zeer opmerkelijk dat verdachte in tapgesprekken van na 11 april 2022 heeft laten doorschemeren dat hij het niet erg zou vinden als het slecht zou aflopen met [slachtoffer] . Eveneens opmerkelijk is het dat verdachte de schuld voor de poging tot moord op [slachtoffer] via anoniem verstuurde brieven aan [slachtoffer] en [medeverdachte] in de schoenen van zijn vader heeft proberen te schuiven.
De verklaring van [getuige 2] over de opdracht door verdachte wordt tevens ondersteund door het gegeven dat er tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] – los van verdachte – geen enkele relatie bestond. Wel blijkt uit de bewijsmiddelen dat al vóór de poging tot moord tussen verdachte en [medeverdachte] een relatie bestond waarbinnen [medeverdachte] van verdachte de opdracht kreeg om tegen betaling criminele activiteiten (brandstichtingen) uit te voeren.
Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat [medeverdachte] niet reeds zelf van plan was om de poging tot moord op [slachtoffer] te begaan. Het is verdachte geweest die door het doen van beloften (het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag van € 50.000,-) en het bieden van gelegenheid (het zelf wegblijven uit [plaats 10] ) bij [medeverdachte] het wilsbesluit heeft opgewekt voor de poging tot moord. Verdachte kan daarmee worden aangemerkt als de uitlokker van de poging tot moord. Ook aan de overige vereisten voor een strafbare uitlokking is voldaan: het uitgelokte delict is gevolgd, er is gebruikgemaakt van in de wet genoemde uitlokkingsmiddelen en [medeverdachte] is als uitgelokte (ook) strafbaar.
Het hof acht het onder 10 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De zaak met parketnummer 05-313353-22 [88]
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft het feit bekend, maar de raadsman heeft opgemerkt dat het verzoekschrift in het kader waarvan de ten laste gelegde e-mail valselijk is opgemaakt, reeds was ingetrokken voordat dit verzoekschrift daadwerkelijk werd behandeld. Verdachte is niet naar de behandeling van het verzoekschrift ter zitting gegaan. Hij heeft niet doorgezet en daarmee is er geen sprake meer van enig oogmerk om het stuk als echt en onvervalst te gebruiken. De gedragingen van verdachte kunnen misschien als een poging tot het plegen van valsheid in geschrift worden gekwalificeerd, maar dat is niet tenlastegelegd. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken.
Oordeel van het hof
Het hof verenigt zich met de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen en neemt deze overwegingen hieronder cursief over. Waar ‘rechtbank’ staat dient ‘hof’ te worden gelezen. Waar ‘raadsvrouw’ staat, dient ‘raadsman’ te worden gelezen.
Het rijbewijs van verdachte is van 11 april 2021 tot en met 24 juni 2021 ingevorderd en vervolgens ingehouden geweest. Dit betreft een periode van 75 dagen. [89]
Op 13 december 2021 is verdachte vrijgesproken van de snelheidsovertreding op verdenking waarvan zijn rijbewijs was ingevorderd en ingehouden. [90]
Op 11 maart 2022 is door mr. C.A.C. Nagel namens verdachte een verzoek tot schadevergoeding op grond van de artikelen 530 Sv en 164 lid 9 Wegenverkeerswet 1994 ingediend bij de rechtbank Gelderland. In dit verzoekschrift is onder andere verzocht om een vergoeding ten laste van de Staat aan verdachte toe te kennen voor de schade die verdachte ten gevolge van de invordering en inhouding van zijn rijbewijs zou hebben geleden. Het gaat daarbij onder meer om een opgevoerde schadepost van € 135.000,- aan omzetderving omdat verdachte een aangenomen project in [plaats 16] niet meer kon uitvoeren en daardoor een opdracht van € 135.000,- zou zijn verloren. [91]
Bij brief aan de rechtbank Gelderland van 27 juni 2022 van mr. C.A.C. Nagel zijn ter onderbouwing van voornoemde schadepost twee e-mailberichten van [naam 5] van [bedrijf 12] overgelegd over een opdracht in [plaats 19] , [plaats 16] met als onderwerp: ‘ [park] [plaats 19] ’ (eerste e-mailbericht) en ‘ [park] [plaats 19] ’ (tweede e-mailbericht). [92]
De politie heeft tactisch onderzoek verricht aan de iPhone 12 Pro van verdachte voorzien van telefoonnummer [telefoonnummer 4] Op deze telefoon werden de volgende e-mailberichten aangetroffen:
19 april 2021 om 11.23 uur van [mailadres 1] aan [mailadres 2]
“Beste [naam 15] ,
Ongeveer zoiets:
Beste [verdachte] ,
Na aanleiding van uw bericht wat we vorige week ontvingen dat u niet in de gelegenheid was op de werf te komen vanwege invordering van uw rijbewijs kunnen wij u het volgende mede delen.
De werkzaamheden lopen door uw toe doen een fikse vertraging op aangezien u iedere dag
aanwezig moet zijn in verband de veiligheidseisen van de aannemer kunnen we dit werk bijna niet meer binnen de gestelde termijn op starten en zal hier een eventuele boete aan vast zitten van de aannemer. Nu doen wij al geruime tijd zaken met uw onderneming maar indien u vanaf maandag 3 mei niet dagelijks op het werk kunt verschijnen ten tijde van de opstart zullen wij helaas genoodzaakt zijn de werken bij een andere partij te gaan onder brengen en komt ons akkoord te vervallen op de goed gekeurde mondelinge aanneemsom van €135.000,00 ex btw en zullen we de eventuele kosten die de aannemer aan ons door berekend zonder enige korting aan uw door berekenen van de eventuele vertragingen die dit bouwwerk gaan opleveren.
Wij hebben de datum van 3 mei aangehouden als maximale start datum gezien de periode die we nodig hebben om een eventuele andere partij te gaan vinden die de werkzaamheden dan kan gaan uitvoeren omdat u in gebreke blijft.
Betreft werf: Locatie (zelf wat verzinnen)
Draai er zelf maar een punt aan zodat het een beetje goed in elkaar zit, alvast bedankt!!
Met vriendelijke groet,
[verdachte]
GSM: [telefoonnummer 5]
[bedrijf 1]
[adres 2]
[postcode 1] [plaats 2]
T: [telefoonnummer 6] ”
19 april 2021 om 13.05 uur van [mailadres 2] aan [mailadres 1]
“Beste [verdachte] ,
Na aanleiding van uw bericht wat we vorige week ontvingen dat u niet in de gelegenheid was op de werf te komen vanwege invordering van uw rijbewijs kunnen wij u het volgende mede delen.
De werkzaamheden lopen door uw toe doen een fikse vertraging op aangezien u iedere dag
aanwezig moet zijn in verband de veiligheidseisen van de aannemer kunnen we dit werk bijna niet meer binnen de gestelde termijn op starten en zal hier een eventuele boete aan vast zitten van de aannemer. Nu doen wij al geruime tijd zaken met uw onderneming maar indien u vanaf maandag 3 mei niet dagelijks op het werk kunt verschijnen ten tijde van de opstart zullen wij helaas genoodzaakt zijn de werken bij een andere partij te gaan onder brengen en komt ons akkoord te vervallen op de goed gekeurde mondelinge aanneemsom van €135.000,00 ex btw en zullen we de eventuele kosten die de aannemer aan ons door berekend zonder enige korting aan uw door berekenen van de eventuele vertragingen die dit bouwwerk gaan opleveren.
Wij hebben de datum van 3 mei aangehouden als maximale start datum gezien de periode die we nodig hebben om een eventuele andere partij te gaan vinden die de werkzaamheden dan kan gaan uitvoeren omdat u in gebreke blijft.
Vriendelijke groeten,
[naam 5]
[mailadres 2]
[website]
Tel: [telefoonnummer 7]
Gsm: [telefoonnummer 8]
Dépot
[adres 4]
[postcode 2] ”
17 juni 2022 om 17.36 uur van [mailadres 1] aan [mailadres 1]
“Beste [verdachte] ,
Om te beginnen was het een aangenaam gesprek en ben ik blij te horen dat het goed met je gaat
ondanks de brand.
Nu even met betrekking tot jouw gestelde vraag kan ik daar heel kort in zijn met mijn antwoord.
Aangezien jij vorig jaar in gebreke bent gebleven met de overeengekomen werkzaamheden in
verband met een ingevorderd rijbewijs.
Daarom zijn wij genoodzaakt geweest de opdracht door [bedrijf 6] te laten
uitvoeren. Gezien dit voor jou behoorlijke consequenties heeft gehad ben ik bereid om de
(mondelinge) overeengekomen werkzaamheden uitgebreid op de mail te zetten. En het antwoord op de vraagstelling of wij nog opdrachten aan u verstrekken kan ik op dit moment geen antwoord op geven aangezien wij momenteel tevreden zijn over de werkzaamheden [bedrijf 6] aangezien hij ons flink geholpen heeft al was [bedrijf 6] wel bijna €20.000,00 duurder als jou [verdachte] . Wij hebben deze kosten niet aan jou doorberekend al waren wij daar wel zeker rechtmatig in geweest, maar gezien ons verleden hebben wij de extra kosten laten vervallen.
De reden waarom jij dagelijks aanwezig moest zijn in [plaats 19] had te maken met de veiligheidseisen van de [aannemmer] die staan daar heel scherp in en bij ons in [plaats 16] staan er hoge boetes op het niet na leven van de door de architect opgelegde bouw regelementen.
Waarom was het van belang dat jij zelf aanwezig moest zijn,
Het rijdend materiaal moest dagelijks verplaatst worden en soms meerdere malen per dag.
Gezien de chemie eisen is in het bestek opgenomen dat als er met meer dan 10% chemie per liter wordt gewerkt moet de eindverantwoordelijke dagelijks in persoon het logboek invullen bij de portier en de hoeveelheid chemie vermelden met ondertekening.
Iedere maandagmiddag en vrijdagochtend vond er bouwoverleg plaats waarbij alle verantwoordelijke personen aanwezig moesten zijn.
Het bedrag waarvoor wij jou de werkzaamheden gegund hadden betrof een bedrag van
€135.000,00 uiteindelijk hebben de werkzaamheden ons €155.000,00 aan de uitvoerende partij
[bedrijf 6] de meer kosten van €20.000,00 hebben wij niet aan u doorberekend gezien onze
eerdere samenwerkingen die altijd goed zijn verlopen.
De prijsopbouw was als volgt,
U leverde de werknemer(s) dagelijks van 7.30 tot 15.30. (Meegenomen in vastgestelde prijs €135.000)
U leverde de reinigingsmachine (Meegenomen in vastgestelde prijs €135.000, exclusief

brandstof deze konden jullie los factureren met overleggen van tankbonnen)

3.
Het leveren van chemieproducten voor de reiniging. (Niet meegenomen in de aanneemsom van €135.000,00 gezien de grote prijs verschillen wegens de corona tijd, deze konden los gefactureerd worden met een betaaltermijn 30 dagen einde maand met de inkoopnota aan de factuur gekoppeld. Een globale raming van deze kosten zou ongeveer €10.000,00 bedragen.)
4.
Wij zouden u voorzien van de hoogtewerker en andere materialen voor de bereikbaarheid. (Onze kosten)
5.
Wij zouden u voorzien van waterpunt (Onze kosten)
6.
Wij zouden zorgdragen voor een sanitaire voorziening. (Onze kosten)
7.
De doorloop van de werkzaamheden zou ongeveer 4 weken in beslag nemen.
Alle genoemde bedragen zijn exclusief BTW in de hierboven vernoemde prijsopbouw.
Hoop dat je hierbij geholpen bent en wellicht zien we elkaar eerdaags nog wel op het bouwproject in [plaats 20] waar jullie bezig zijn, wij leveren daar de stenen ondanks de werkzaamheden zelf niet in uitvoer hebben.
Vriendelijke groeten,
[naam 5]
[mailadres 2]
[website]
Tel: [telefoonnummer 7]
Gsm: [telefoonnummer 8]
Dépot
[adres 4]
[postcode 2] ”
Het e-mailbericht van [naam 5] van 17 juni 2022 dat mr. C.A.C. Nagel aan de rechtbank heeft toegezonden, is niet aangetroffen op de telefoon van verdachte. Wel is een e-mailbericht met precies dezelfde inhoud en verzendtijd op de telefoon aangetroffen dat verdachte aan zichzelf heeft verzonden. [93]
[getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) is als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat verdachte nooit hoefde te werken op project [park] . Het e-mailbericht van verdachte van 19 april 2021 heeft [naam 5] ontvangen en gelezen. Hij wilde verdachte helpen met het terugkrijgen van zijn rijbewijs. Het latere e-mailbericht heeft [naam 5] niet geschreven. [naam 5] neemt aan dat verdachte dit e-mailbericht heeft vervalst. [94]
Verdachte heeft verklaard dat hij het eerste e-mailbericht dat hij van [naam 5] heeft ontvangen heeft doorgestuurd. Het tweede e-mailbericht heeft hij zelf in elkaar gezet omdat het eerste niet voldoende bleek te zijn. Dit bewijsstuk is niet naar eerlijkheid opgemaakt en ingediend. Het is juist dat er geen werk was in [plaats 16] . [95]
Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat verdachte het e-mailbericht van 17 juni 2022 valselijk heeft opgemaakt door het e-mailbericht zelf op te maken, de handtekening van [naam 5] eronder te plakken, het aan zichzelf te verzenden en vervolgens de berichtgegevens om te bouwen alsof het afkomstig was van [naam 5] van [bedrijf 7] . Dat verdachte dit geschrift heeft opgemaakt met het oogmerk het als echt en onvervalst te gebruiken, blijkt alleen al uit de omstandigheid dat hij dit valse e-mailbericht vervolgens naar zijn toenmalige advocaat heeft gestuurd om als bewijs in te brengen in de procedure bij de rechtbank Gelderland.
De stelling van de raadsvrouw, inhoudende dat geen sprake zou zijn van een voltooid delict omdat verdachte heeft verzocht het verzoekschrift in te trekken en niet naar de zitting is gegaan, vindt geen steun in het recht. Voor een bewezenverklaring van valsheid in geschrift (artikel 225 lid 1 Sr Pro) is niet vereist dat het geschrift ook daadwerkelijk (met succes) wordt gebruikt. Enkel is vereist dat het opmaken van het geschrift is voltooid en dat dit geschrift een bewijsbestemming heeft. Daarvan is in dit geval sprake. Het opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift (artikel 225 lid 2 Sr Pro) is niet aan verdachte ten laste gelegd. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verdachte verder is gegaan dan enkel het opstellen van het geschrift en het geschrift ook daadwerkelijk als bewijs heeft ingebracht in de procedure bij de rechtbank.
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De zaak met parketnummer 05-036932-23 [96]
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze brandstichting heeft uitgelokt. Verdachte heeft verklaard dat hij wel tegen [naam 6] heeft gezegd dat het oké was toen die [naam 6] aanbood om de banden van de werkbus van [benadeelde 1] lek te stekken. Verdachte was gefrustreerd dat hij niet met zijn zoon naar de [wedstrijd] in [plaats 23] kon en [benadeelde 1] wel, maar verder dan het akkoord op het lek steken van de banden is het niet gegaan.
Oordeel van het hof
Het hof verenigt zich ook bij dit feit grotendeels met de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen en neemt deze overwegingen hieronder cursief over. Waar ‘rechtbank’ staat dient ‘hof’ te worden gelezen. Waar ‘raadsvrouw’ staat, dient ‘raadsman’ te worden gelezen. Aanvullingen van het hof worden niet-cursief weergegeven.
[benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) heeft op 23 november 2022 aangifte gedaan van brandstichting van zijn bedrijfsauto, een [bedrijf 10] met kenteken [kenteken 2] . Op 22 november 2022 rond 16.15 uur had [benadeelde 1] de bedrijfsauto geparkeerd op de parkeerplaats van zijn woning aan de [adres 5] in [plaats 5] . Naast deze bedrijfsauto stond de privéauto van [benadeelde 1] , een Volkswagen Golf, geparkeerd. Rond 23.05 uur die dag werd [benadeelde 1] wakker van geklop op de rolluiken. Toen hij buiten kwam en de hoek om liep, zag hij dat zijn bedrijfsauto in brand stond. Het voertuig is afgeschreven. Door de brand is verder schade ontstaan aan de schuur in de tuin van [benadeelde 1] . [benadeelde 1] is het weekend voorafgaand aan de brand met de zoon van verdachte naar [land] geweest. Verdachte weet hiervan. [97] De [bedrijf 10] is wit van kleur. [98]
De politie heeft de beelden van de camera’s die aan de woning van [benadeelde 1] zijn bevestigd bekeken en uitgewerkt. Hierop is onder andere te zien dat op 22 november 2022 om 22:47.17 uur een persoon de straat oversteekt en naar de geparkeerde bedrijfsauto loopt. Deze persoon heeft een brandende sigaret in zijn linkerhand. Bij het benaderen van de bedrijfsauto laat deze persoon de peuk op straat vallen. Hierna verdwijnt de persoon ongeveer 18 seconden uit beeld, aan de rechterzijde van de bestelauto, om vervolgens terug te lopen naar de stoep en om zich heen te kijken. Daarna verdwijnt de persoon opnieuw uit beeld. Na 27 seconden komt de persoon weer in beeld, om vervolgens terug te lopen naar de rechterzijkant van de bedrijfsauto en daar 35 seconden uit beeld te verdwijnen. Hierna komt de persoon weer even in beeld, om vervolgens weer 44 seconden aan de rechterzijde van de bedrijfsauto uit beeld te verdwijnen. Daarna loopt de persoon weer terug naar de stoep en vervolgens het beeld uit. Zodra de persoon weer in beeld komt, loopt deze weer naar de rechterzijde van de bedrijfsauto. Na ongeveer 13 seconden daar weer uit beeld te zijn verdwenen, loopt de persoon het beeld weer in, de stoep op. Daar steekt de persoon iets aan. Met het brandende voorwerp loopt de persoon vervolgens weer terug naar de rechterzijde van de bedrijfsauto. Daarna loopt de persoon terug naar de stoep, om aldaar te knielen, weer op te staan en terug te lopen naar de rechterzijde van de bedrijfsbus. Om 22:55.57 uur is een hard geluid te horen dat lijkt op het inslaan van een ruit. Op dat moment vat de bedrijfsbus vlam in de ruimte van de bestuurder en bijrijder. De persoon rent vervolgens hard weg. Na ongeveer één minuut is er een harde klap te horen alsof er iets ontploft, meteen daarop is een grote vuurzee zichtbaar. [99]
[naam 7] (hierna: [naam 7] ) heeft verklaard dat [naam 6] , de ex-man van haar moeder, haar bepaalde opdrachten heeft gegeven. Zo gaf [naam 6] haar telefonisch de opdracht van een medegedetineerde om voor die medegetineerde van hem uit de penitentiaire inrichting in [plaats 21] een wit busje dat voor de woning aan de [adres 5] in [plaats 5] stond in brand te steken. [naam 7] zou voor deze klus, samen met haar vriend [naam 8] , 300 euro krijgen. Zij had eerst met [naam 8] samen een voorverkenning gedaan door er langs te rijden. [naam 7] en [naam 8] hadden voor de uiteindelijke brandstichting een glazen flesje met daarin benzine gebruikt. Dit flesje was gevuld met tissuepapier dat snel brandt. [naam 7] had de benzine getankt. [naam 7] en [naam 8] stonden met de auto bij een klein kamp in [plaats 5] . Daar stapte [naam 8] uit rond 23.00 uur. Hij liep toen weg. Zij hadden afgesproken elkaar later, na de brandstichting, weer te ontmoeten. [naam 8] gaf toen aan dat het was gelukt, waarna [naam 7] en [naam 8] samen naar het huis van [naam 7] in [plaats 22] reden. [naam 7] had alles voorbereid en [naam 8] verteld hoe hij het moest doen. [100]
[naam 8] (hierna: [naam 8] ) heeft verklaard dat hij met [naam 7] in haar auto naar de [adres 5] in [plaats 5] is gegaan om brand te stichten bij de witte bedrijfsbus die op de oprit van die woning geparkeerd stond. [naam 8] heeft de brand gesticht door aan de bijrijderskant het raam in te slaan en iets brandends naar binnen te gooien, namelijk een glazen fles met benzine. De opdracht om de brand te stichten kwam van [naam 10] Ebben , die op zijn beurt de opdracht weer van iemand anders had gekregen. Voor het uitvoeren van de opdracht zouden [naam 8] en [naam 7] een geldbedrag van 300 euro ontvangen. Dit bedrag is nooit betaald. [101]
[naam 6] (hierna: [naam 6] ) heeft verklaard dat [naam 7] zijn stiefdochter is. [naam 6] had de opdracht voor de brandstichting gekregen van een medegedetineerde die bij hem op de afdeling gedetineerd is en met wie hij samen in de keuken werkt. Deze medegedetineerde betreft verdachte. Verdachte had aan [naam 6] gevraagd of hij iemand kende die de brand zou willen stichten. [naam 6] gaf toen aan dat hij misschien wel iemand wist en dacht aan [naam 7] , omdat zij geldnood had. Degene van wie de bedrijfsbus was, was met de zoon van verdachte naar [plaats 23] gegaan met het geld van verdachte. Daar was verdachte boos over. Verdachte zou 300 euro betalen voor het uitvoeren van de opdracht. [102]
[naam 6] is bij het kabinet raadsheer-commissaris van het hof gehoord. Tijdens dit verhoor heeft hij bevestigd dat verdachte hem heeft gevraagd of hij iemand wist die een busje in brand wilde zetten. Verdachte wilde de brand, omdat de man van het busje met de zoon van verdachte naar [plaats 23] ging op zijn kosten. Het busje moest in brand als een soort wraak. [103]
Verdachte heeft verklaard dat hij iedere dag in de keuken van de penitentiaire inrichting in [plaats 21] werkt. [naam 6] zat in zijn kookgroepje. Verdachte was er niet blij mee dat [benadeelde 1] met zijn zoon [naam 9] naar de race van Max Verstappen in [plaats 23] was geweest. [104]
In een opgenomen Telio-gesprek dat [naam 6] vanuit de penitentiaire inrichting in [plaats 21] heeft gevoerd met [naam 7] van 19 november 2022 om 15.19 uur is het volgende besproken:
“ [naam 10] : Ja, vanavond heb ik ook iets wat je (ntv).
[naam 11] begint te praten als [naam 10] nog praat.
(lijnen kunnen niet gescheiden worden).
[naam 11] : O, vertel!
[naam 10] : Ja, [adres 5] .
[naam 11] : Ook eh... in dezelfde plaats?
[naam 10] : Ja! En daar staat een witte bus.
[naam 11] : Ja.
[naam 10] : Dan eh ... ja.
[naam 11] : Zelfde als eh ... [naam 12] . (fon) / (ng).
[naam 10] : Eh, ja, [naam 13] (fon) (moet) je (fon) ander (fon).
[naam 11] : Waar?
[naam 10] : [naam 13] (fon) (moet) je, [naam 13] je ... Nee, die moet echt eh ... de
[naam 11] : De door?
[naam 10] : De ... de vlam erin.
[naam 11] : Mmm!
[naam 10] : Ja, ja.
[naam 11] : O, op die fiets.
[naam 11] : De hoeveel, [adres 5] ? (fon). Hoeveel?
[naam 10] : [adres 5] .
[naam 11] : Ja?
[naam 10] : En dan: [adres 5]
[naam 11] : [adres 5]
[naam 10] : Ja.
[naam 11] : Ja, is goed. lk ga kijken, ja?” [105]
De rechtbank stelt vast dat [naam 7] en [naam 8] tezamen en in vereniging brand hebben gesticht bij de [bedrijf 10] met kenteken [kenteken 2] van [benadeelde 1] . Zij hebben dit allebei bekend en bij de uitvoering van de opdracht nauw en bewust samengewerkt door een plan te maken, samen een voorverkenning te doen en ook samen naar de plaats delict toe te gaan, alwaar [naam 8] de daadwerkelijke brand heeft gesticht en [naam 7] de chauffeur was. [naam 8] heeft het raam van de bedrijfsbus verbroken en vervolgens een fles met benzine en snel brandend papier aangestoken en door het verbroken raam in de bedrijfsbus gegooid. Hierdoor is de bedrijfsbus verbrand.
De vervolgvraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of door de brand gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan.
De rechtbank is van oordeel dat bij de brandstichting gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Door de brand te stichten heeft verdachte gezien de vastgestelde feiten en omstandigheden naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gemeen gevaar voor de naast de bedrijfsbus geparkeerde Volkswagen Golf veroorzaakt. Deze bevond zich op korte afstand van de bedrijfsbus, zodat de brand eenvoudig kon overslaan. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen in het dossier niet blijkt dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gemeen gevaar voor de woning aan de [adres 5] , de zich daarin bevindende inboedel en de schutting van deze woning bestond. Daarvoor stond de bedrijfsbus te ver van de woning verwijderd. Bovendien is enkel schade ontstaan aan de schuur die bij de woning hoort. Daar stond de bedrijfsbus ook geparkeerd. Tevens is door de brandstichting naar het oordeel van de rechtbank geen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar te duchten levensgevaar en te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige bewoners ontstaan, om dezelfde redenen.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat [naam 8] en [naam 7] de ten laste gelegde brand hebben gesticht, met dien verstande dat enkel het gemeen gevaar voor goederen kan worden bewezen.
De vervolgvraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of verdachte dit feit heeft uitgelokt.
De rechtbank stelt vast dat verdachte aan [naam 6] heeft gevraagd of hij iemand kende die voor hem een brand zou willen stichten bij [benadeelde 1] , omdat [benadeelde 1] met zijn zoon naar [plaats 23] was geweest en hij daar niet blij mee was. [naam 6] gaf aan dat hij mogelijk wel iemand wist, waarna [naam 6] de opdracht heeft doorgegeven aan [naam 7] en [naam 8] . Dat gebeurde op 19 november 2022. Verdachte had aan [naam 6] , en via hem aan [naam 7] en [naam 8] een geldbedrag van € 300,00 in het vooruitzicht gesteld voor het uitvoeren van de opdracht. Verder had verdachte het adres van [benadeelde 1] en informatie over de witte bedrijfsbus aan [naam 6] doorgegeven. Dat [naam 6] bepaalde informatie die hij van verdachte zou hebben gekregen zou hebben misbruikt om weg te komen met de vernieling van de auto van zijn ex-partner, is niet aannemelijk. Er is geen begin van aannemelijkheid dat [naam 6] het opdrachtgeverschap van verdachte in scène zou hebben gezet. Alle bewijsmiddelen in het dossier duiden erop dat het verdachte is geweest die de opdracht heeft gegeven voor de brandstichtingen.
Uit de verklaringen van [naam 7] , [naam 8] en [naam 6] leidt de rechtbank af dat [naam 7] en [naam 8] niet reeds zelf van plan waren het feit te begaan. Verdachte heeft door het geven van inlichtingen (het doorgeven van het adres en informatie over de bedrijfsbus) en het doen van beloften (het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag van € 300,00) bij [naam 7] en [naam 8] het wilsbesluit opgewekt om de brand te stichten. Verdachte kan daarmee worden aangemerkt als de uitlokker van de brandstichting. Ook aan de overige vereisten voor een strafbare uitlokking is voldaan: het uitgelokte delict is gevolgd, de in de wet limitatief opgesomde uitlokkingsmiddelen zijn gebruikt en de uitgelokten, [naam 7] en [naam 8] , zijn strafbaar.
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Het hof overweegt daarbij nog in het bijzonder dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het aan de uitlokking van de brandstichting ten grondslag liggende motief heeft bevestigd. Dat het de bedoeling was om enkel een band lek te laten steken in plaats van de bedrijfsbus in brand te laten zetten, is gelet op de verklaringen van [naam 7] , [naam 8] en [naam 6] niet aannemelijk geworden.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-130756-22 onder 2, 4 en 10 primair, het in de zaak met parketnummer 05-313353-22 en het in de zaak met parketnummer 05-036932-23 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 05-130756-22:
2.
[medeverdachte] op
of omstreeks27 februari 2022 te [plaats 2] ,
in elk geval in Nederland,opzettelijk brand heeft gesticht
in een bij een bedrijfspand aan [adres 2] geparkeerde bedrijfsbus, Volkswagen Transporter (gekentekend [kenteken 1] ),
geheel of ten deletoebehorende aan het bedrijf [bedrijf 2] ,
althans aan een ander dan aan die [medeverdachte] ,door
(delen van) die bedrijfsbus al dan niet te besprenkelen met een brandbare vloeistof en/of gebruik te maken van een (in een doek gewikkeld) aanmaakblokje en/of (vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje, althansvoornoemde bedrijfsbus in aanraking te brengen met
(open
)vuur, ten gevolge waarvan genoemd voertuig
geheel of gedeeltelijkis verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor het naastgelegen bedrijfspand en/of de daarin aanwezige inboedel,
in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was,
welk strafbaar feit hij, verdachte, in
of omstreeksde periode van 1
januarifebruari 2022 tot en met 27 februari 2022, te [plaats 2] en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 3]
en/of te [plaats 13], in elk geval in Nederland
,door
giften,beloften,
misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingenopzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte die [medeverdachte] een geldbedrag van
ongeveer150.000 EURO,
althans een (aanzienlijk) geldbedragin het vooruitzicht gesteld als het
/defeit
(en)gepleegd zou
(den)worden;
4.
[medeverdachte] op
of omstreeks27 maart 2022 te [plaats 2] ,
in elk geval in Nederland,opzettelijk brand heeft gesticht in het bedrijfspand aan [straat 5] , dat
geheel of ten deletoebehoorde aan [bedrijf 11] en
/ofin gebruik was bij [bedrijf 1] ,
althans aan of bij een ander dan aan hem, verdachte,
door in
of nabijvoornoemd bedrijfspand
één ofmeerdere plaatsen te besprenkelen met een brandbare vloeistof (motorbenzine) en
/of (vervolgens
) die brandbare vloeistof in aanraking te brengen met (open) vuur, althans(delen van) voornoemd bedrijfspand in aanraking te brengen met
(open
)vuur, ten gevolge waarvan voornoemd bedrijfspand en
/ofde voor dat bedrijfspand geparkeerde bedrijfsbus
geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor
het (de
)naastgelegen bedrijfspand
(en
)en
/ofde daarin aanwezige inboedel
, in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was,
welk strafbaar feit hij, verdachte, in
of omstreeksde periode van 1
januarifebruari2022 tot en met 27 maart 2022, te [plaats 2] en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 3]
en/of te [plaats 13], in elk geval in Nederland,
door
giften,beloften
, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingenopzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte die [medeverdachte] een geldbedrag van
ongeveer150.000 EURO
, althans een (aanzienlijk) geldbedragin het vooruitzicht gesteld als het
/defeit
(en)gepleegd zou
(den)worden;
10.
[medeverdachte] op
of omstreeks11 april 2022 te [plaats 10] , [plaats 24]
ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om opzettelijk
en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg, met voornoemd opzet
- die [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en
(vervolgens
)die [slachtoffer]
met een mes,
éénmaal ofmeerdere malen, met kracht, in de nek en
/ofde hals en
/ofde schouder en
/ofde rug en
/ofde borst heeft gestoken en
/of
- toen zij ten val was gekomen, bovenop en
/ofvoorovergebogen over die [slachtoffer] heeft gezeten en
/of
- (daarbij) met kracht de keel heeft dichtgedrukt
en/of
- het hoofd van die [slachtoffer] éénmaal of meerdere malen, met kracht, op of tegen de grond heeft geslagen/geduwd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk strafbaar feit hij, verdachte, in
of omstreeksde periode van
1 januari4 maart2022 tot en met 11 april 2022, te [plaats 2] en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 3]
en/of te [plaats 13]en/of te [plaats 10] en/of te [plaats 25] , in elk geval in Nederland,
door
giften,beloften en
/ofdoor verschaffen van gelegenheid
, middelen en/of inlichtingen
opzettelijk heeft uitgelokt,
immers heeft hij, verdachte
- het plan opgevat en
/ofbesproken om die [slachtoffer] om het leven te brengen en
/of
- die [medeverdachte] benaderd voor het uitvoeren van dat plan tot het om het leven brengen van die [slachtoffer] en
/of
- die [medeverdachte] inlichtingen verschaft over de (actuele) verblijfplaats van die [slachtoffer] en/of
- die [medeverdachte] een geldbedrag van
ongeveer50.000 EURO
, althans een (aanzienlijk) geldbedragin het vooruitzicht gesteld als het feit gepleegd zou worden en
/of
- ervoor gezorgd dat hij, verdachte, op 11 april 2022, ten tijde van het plegen van
bovengenoemd strafbaar feit, niet in [plaats 10] of de directe omgeving aanwezig was;
Parketnummer 05-313353-22
hij op
of omstreeks17 juni 2022 te [plaats 3]
en/of [plaats 4]
en/of elders in Nederland,
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,
te weten
een e-mailbericht d.d. 17 juni 2022 met als onderwerp [park] [plaats 19] van [mailadres 2] aan [mailadres 1] – zijnde verdachtes werkmailadres - valselijk heeft opgemaakt
en/of heeft vervalst, door zelf het genoemde e-mailbericht (zogenaamd) uit naam van [naam 5] van het bedrijf [bedrijf 7] op te stellen en dit vervolgens naar zijn eigen werkmailadres te sturen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken
of door anderen te doen gebruiken;
Parketnummer 05-036932-23
[naam 8] en
/of[naam 7] op
of omstreeks22 november 2022 te [plaats 5] ,
in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand
heeft/hebben gesticht
in een bij een woning aan de [adres 5] geparkeerde bedrijfsbus, [bedrijf 10] (kleur wit en gekentekend [kenteken 2] ),
geheel of ten deletoebehorende aan [benadeelde 1] ,
althans aan een ander dan aan die [naam 8] en/of [naam 7] ,
door een raam van die bedrijfsbus te verbreken en
(vervolgens
)een fles met daarin
een doek en/ofpapier en een brandbare vloeistof (
vermoedelijkbenzine) in aanraking te brengen met open vuur en
/of (daarna
)voornoemde brandende fles door het verbroken raam in die bedrijfsbus te gooien,
ten gevolge waarvan genoemde bedrijfsbus
geheel of gedeeltelijkis verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor
de naastgelegen woning (waarin de bewoners op dat moment aanwezig waren) en/of de zich daarin bevindende inboedel en/of de houten schutting en/ofeen naast voornoemde bedrijfsbus geparkeerde personenauto (Volkswagen Golf)
, in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was
en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in voornoemde woning aanwezige bewoners, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was,
welk strafbaar feit hij, verdachte, in
of omstreeksde periode tussen 1
9november 2022 en 22 november 2022, te [plaats 21] ,
in elk geval in Nederland,door
giften,beloften
en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingenopzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte die [naam 8] en
/ofdie [naam 7] ,
al dan nietdoor tussenkomst van een medegedetineerde [naam 6] , een geldbedrag van
tussen300
en 500EURO
, althans een geldbedragin het vooruitzicht gesteld als het feit gepleegd zou worden.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 05-130756-22 onder 2 en 4 en het in de zaak met parketnummer 05-036932-23 bewezenverklaarde levert op:
door beloften opzettelijk uitlokken van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Het in de zaak met parketnummer 05-130756-22 onder 10 bewezenverklaarde levert op:
door beloften en door het verschaffen van gelegenheid opzettelijk uitlokken van poging tot moord.
Het in de zaak met parketnummer 05-313353-22 bewezenverklaarde levert op:
valsheid in geschrift.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de op te leggen straf moet worden gematigd in verband met vormverzuimen die zich rondom het horen van getuige [getuige 2] en medeverdachte [medeverdachte] hebben voorgedaan. Daarnaast is in het kader van de strafmaat aangegeven dat verdachte de band met zijn kinderen weer wil laten herleven en zijn bedrijfsactiviteiten weer nieuw leven in wil blazen.
Ook heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte door de recherche zodanig is tegengewerkt dat strijdigheid met artikel 6 EVRM Pro in beeld komt. Dit is volgens de raadsman eveneens een reden om de op te leggen straf te matigen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan de uitlokking van drie brandstichtingen, valsheid in geschrift en poging tot moord op zijn (ex)echtgenote, [slachtoffer] .
Eén van de branden vond plaats bij een bedrijfspand van verdachte zelf. Na de brand bij dit pand heeft verdachte een claim bij de verzekering ingediend van ruim een miljoen euro. Om te verhullen dat de brand door verdachte zelf was uitgelokt, heeft verdachte nog een andere brand plaats laten vinden om het erop te laten lijken alsof er een pyromaan actief was. Een derde brand vond plaats bij een bekende van verdachte, omdat verdachte gefrustreerd was over het feit dat zijn zoon met die bekende naar de Formule 1-race in [plaats 23] zou gaan, terwijl verdachte gedetineerd zat en zelf niet in staat was om naar [plaats 23] af te reizen. De detentie en de zware verdenkingen die toentertijd op hem rustten hebben hem er bij deze derde brand niet van weerhouden wederom anderen voor zijn karretje te spannen. Door de branden zijn eigendommen van anderen verwoest of schade aangedaan. Naast de materiële schade die is veroorzaakt, zorgen brandstichtingen voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de slachtoffers in het bijzonder. Bovendien zijn er verschillende eenheden van de brandweer en de politie ingezet om de veiligheid van anderen te waarborgen.
Verdachte heeft zich, toen het politieonderzoek naar de eerste twee branden en de poging moord in volle gang was, ook nog schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Met zijn handelen heeft hij de Nederlandse Staat een bedrag van € 135.000,- afhandig willen maken.
Het meest ernstige bewezenverklaarde feit betreft de uitlokking van poging tot moord op [slachtoffer] , de (ex)echtgenote van verdachte. [medeverdachte] , die de moord moest plegen, is met het voornemen om [slachtoffer] van het leven te beroven naar [plaats 10] gegaan. [slachtoffer] verbleef daar op dat moment in een vakantiewoning. [medeverdachte] heeft [slachtoffer] uit het niets van achteren aangevallen met een mes. Hij heeft haar meerdere keren gestoken in onder andere haar nek, hals en armen. Vervolgens heeft hij haar, terwijl hij op haar zat, geprobeerd te wurgen. Het door [medeverdachte] in opdracht van verdachte toegepaste geweld had zonder meer tot de dood van [slachtoffer] kunnen leiden, hetgeen alleen al blijkt uit het vele letsel dat zij heeft opgelopen en de grote hoeveelheid bloed die zij verloren heeft. Verdachte is de bedenker en opdrachtgever geweest van een zeer grote inbreuk op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Uit de namens [slachtoffer] afgelegde slachtofferverklaring blijkt dat zij nog elke dag wordt herinnerd aan wat zij op 11 april 2022 heeft meegemaakt. Zij wordt in haar dagelijkse leven nog altijd sterk belemmerd door de lichamelijke en psychische beperkingen die zij aan het geweld heeft overgehouden. Het feit dat het haar toenmalige echtgenoot is geweest die de opdracht heeft gegeven, drukt zwaar op haar. Zij heeft dit gedurende de eerste periode na de aanhouding van verdachte ook niet willen geloven.
Uit de bewezenverklaarde feiten en de context daar omheen komt naar voren dat verdachte zichzelf op allerlei (criminele) manieren een luxe wijze van leven probeert aan te meten en er ook alles aan doet om dat doel te bereiken. Hij laat zich enkel leiden door zijn eigen materialistische wensen. De belangen en wensen van anderen zijn voor verdachte van ondergeschikt belang, hoe dicht die anderen ook bij hem staan. Dat hij anderen met zijn gedrag sterkt benadeelt, lijkt hem daarbij niets uit te maken. Verdachte heeft alle feiten ontkend dan wel gebagatelliseerd en heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor de schade die hij heeft aangericht. Hij heeft [slachtoffer] een hele tijd laten geloven dat hij van haar hield, terwijl hij ondertussen een ander een groot geldbedrag in het vooruitzicht stelde om haar om het leven te brengen. Ook na uitvoering van de aanslag op haar leven heeft verdachte tot aan zijn aanhouding gewoon nog samengeleefd met [slachtoffer] , haar in de waan latend alsof zij nog steeds een stel waren en alsof het een ander was die het op haar leven had gemunt. Voor [slachtoffer] moet dat achteraf een lugubere en zelfs wrede gedachte zijn.
Gezien de aard en de ernst van het handelen van verdachte en toegebrachte leed aan [slachtoffer] , is naar het oordeel van het hof strafrechtelijk gezien de oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende reactie.
Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 22 december 2025 blijkt dat verdachte zich niet eerder aan vergelijkbaar ernstige strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.
Wat betreft de aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op te leggen straffen, houdt het hof rekening met hun onderlinge verhouding en gaat het hof ervan uit dat tussen hen een bepaalde afhankelijkheidsrelatie bestond waarin [verdachte] de overhand had. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de financiële positie waarin [medeverdachte] zich in de periode van februari 2022 tot en met april 2022 bevond en van de kwetsbaarheid van zijn persoon. Het hof is van oordeel dat [verdachte] daarom zwaarder dient te worden gestraft dan [medeverdachte] . Het zwaarte van de straf wordt grotendeels bepaald door de poging moord op [slachtoffer] .
De rechtbank heeft verdachte tot een gevangenisstraf van achttien jaren veroordeeld. Het hof komt tot een zelfde bewezenverklaring als de rechtbank en is, alles afwegend, van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf passend is.
Het hof ziet geen reden om de op te leggen straf te matigen in verband met de volgens verdachte gestelde tegenwerking door de recherche, omdat daar naar het oordeel van het hof niet van is gebleken.
Het heeft lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is ingesteld op 12 juli 2023 en dit arrest wordt gewezen op 10 maart 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ongeveer twee jaren en zes maanden zijn verstreken. Aangezien verdachte in voorlopige hechtenis heeft verbleven, had de behandeling moeten plaatsvinden binnen een termijn van zestien maanden. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De overschrijding is deels te wijten aan het nadere onderzoek dat in hoger beroep op verzoek van de verdediging is uitgevoerd, maar het hof is van oordeel dat dit niet (volledig) voor rekening van de verdachte dient te komen, omdat het ook na afronding van het onderzoek lang heeft geduurd voordat er een zittingsdatum voor inhoudelijke behandeling is bepaald. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door zes maanden op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen.
Aan verdachte wordt een gevangenisstraf van zeventien jaren en zes maanden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Benadeelde partijen
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.512,09 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 3.942,83. De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot het bedrag dat door de rechtbank is bepaald.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, vanwege de vrijspraak die is bepleit voor het feit onder parketnummer 05-036932-23. Subsidiair heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd, waarbij kort is opgemerkt dat er geen prijs is genoemd op de factuur met betrekking tot het verlengsnoer en er niet is aangetoond dat het gereedschap in de auto lag.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-036932-23 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De opgevoerde schadeposten zijn:
  • een aquabar ter waarde van € 976,74 (incl. BTW);
  • een ladder ter waarde van € 476,73 (incl. BTW);
  • een trolley, voegenhamer, persluchtslang en beitels ter waarde van € 2.741,62 (incl. BTW) en
  • een verlengsnoer ter waarde van € 317,00.
Het hof is van oordeel dat de schadeposten voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn geworden, met uitzondering van de kosten voor het verlengsnoer nu deze niet met een factuur met een bedrag is onderbouwd. De vordering wordt toegewezen voor zover die ziet op de kosten voor de aquabar, de ladder, de trolley, de voegenhamer, de persluchtslang en de beitels, met uitzondering van het bedrag dat aan BTW is gevorderd aangezien de benadeelde partij de producten zakelijk heeft aangeschaft en de BTW kan verrekenen. De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.942,83 en verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Verdachte is vanaf 16 januari 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer]
Inleiding
De officier van justitie heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht om – ondanks het ontbreken van een vordering van het slachtoffer [slachtoffer] in de zaak van verdachte – een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan verdachte op te leggen. De rechtbank heeft daarop ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot een bedrag van € 41.605,82 (€ 11.605,82 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade). Voor wat betreft de hoogte van de maatregel heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer] in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank heeft bepaald dat verdachte over het toegewezen bedrag aan immateriële schade vanaf 11 april 2022 en over de overige schade vanaf 3 april 2023 (de datum van de indiening van de eerste vordering in de zaak van [medeverdachte] ) wettelijke rente verschuldigd is.
Standpunt van het openbaar ministerie
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal het hof verzocht om, net als de rechtbank, een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen in verband met de schade die bij [slachtoffer] is ontstaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het hof niet aan de bespreking van de schadevergoedingsmaatregel toekomt, vanwege de vrijspraak die is bepleit voor het feit dat onder 10 in de zaak met parketnummer 05-130756-22 ten laste is gelegd.
Voor zover het hof tot een bewezenverklaring van het feit zou komen, is aangevoerd dat [slachtoffer] geen vordering tot schadevergoeding in de zaak van verdachte heeft ingediend en de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel moet worden vernietigd. De verdediging heeft in eerste aanleg en in hoger beroep onvoldoende de kans gekregen om de complexe vordering goed te kunnen bestuderen en hierop verweer te voeren, nu de vordering geen deel uitmaakt van het dossier. Vanwege het ontbreken van een partijdebat heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen, als het hof de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel overweegt. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, omdat de vordering in de zaak van [medeverdachte] is onderbouwd met onder andere medische rapporten die niet eenvoudig te duiden zijn. Vanwege de complexiteit van die vordering kan er geen ambtshalve schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
Uiterst subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd tot een bedrag zoals door de rechtbank is opgelegd.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is vereist dat sprake is van ’rechtstreekse schade’ (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). De rechter kan een schadevergoedingsmaatregel opleggen indien het slachtoffer geen vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. Dit lijdt uitzondering als de rechter aanwijzingen heeft dat het slachtoffer geen prijs stelt op schadevergoeding. De rechter moet de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 359 tweede Pro en vijfde lid Sv motiveren. Dat betekent dat uit de motivering in ieder geval moet blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor schade die door het strafbare feit is toegebracht. Voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is van belang dat het in het beginsel aan het slachtoffer is om feiten en omstandigheden te stellen waaruit de schade kan worden afgeleid, waarbij het openbaar ministerie ook een rol kan spelen. Oplegging van schadevergoedingsmaatregel is niet mogelijk als rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat verdachte jegens slachtoffer aansprakelijk is voor de door slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor aard en omvang van geleden schade. Verder moet de rechter er ook bij de oplegging van schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten (HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73).
Het hof stelt vast dat het slachtoffer [slachtoffer] in de zaak van verdachte geen vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. Ter terechtzitting in eerste aanleg is hierover door de vertegenwoordiger van het slachtoffer opgemerkt:
“De vordering tot schadevergoeding is om voor cliënte moverende redenen enkel in de zaak tegen [medeverdachte] ingediend, maar mocht uw rechtbank van oordeel zijn dat verdachte medeverantwoordelijk is voor het feit, dan is hij ook medeverantwoordelijk is voor de schade van cliënte”.Op basis van deze opmerking gaat het hof ervan uit dat er door het slachtoffer [slachtoffer] een afweging is gemaakt over het al dan niet indienen van een vordering tot schadevergoeding in de strafzaak van verdachte, waarbij het slachtoffer uiteindelijk de keuze heeft gemaakt om geen vordering in te dienen. Dit maakt dat er voor het hof aanwijzingen zijn om aan te nemen dat het slachtoffer in ieder geval in eerste instantie geen prijs stelde op schadevergoeding in de zaak van verdachte.
Daar komt bij dat de vordering die in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] door [slachtoffer] is ingediend complex is en onderbouwd is met onder andere medische stukken. Hoewel het hof in de zaak van [medeverdachte] over alle gegevens beschikt die bepalend zijn voor de vaststelling van de door [slachtoffer] geleden schade en in die zin voldoende voorgelicht is, ziet het hof ook dat de rechtstreekse schade in de zaak van verdachte niet eenvoudig vast te stellen is, zonder dat de verdediging een gedegen mogelijkheid heeft gehad om van die stukken kennis te nemen en zich over die stukken uit te laten. De vordering tot schadevergoeding in de zaak van [medeverdachte] is weliswaar door het hof in de zaak van verdachte gevoegd en de stukken die aan de vordering ten grondslag liggen hebben de verdediging ook bereikt, maar vanwege de complexiteit van de vordering en de omvang van de schade gaat het naar het oordeel van het hof te ver om in de zaak van verdachte een schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu daarover het inhoudelijke partijdebat onvoldoende gevoerd is.
Gelet op het voorgaande omstandigheden zal het hof geen schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.
Het beslag
Het hof neemt de beslissing op het beslag van de rechtbank over. Daar waar de rechtbank staat dient het hof gelezen te worden.
De rechtbank zal de teruggave van de Apple laptops (goednummers PL0600-2022157454-G2908320 en PL0600-2022157454-2775400), de Apple computer met beeldscherm en
toetsenbord (goednummer PL0600-2022157454-G2908324) en de Apple telefoons (goednummers PL0600-2022157454-2773630, PL0600-2022157454-2773607 en PL0600-
2022157454-2773628) aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 157, 225 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-130756-22 onder 1, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 tenlastegelegde.
Wijst af de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging tot het horen van [getuige 2] , verbalisant [verbalisant 2] , verbalisant [verbalisant 1] en [medeverdachte] als getuige.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-130756-22 onder 2, 4 en 10 primair en het in de zaak met parketnummer 05-313353-22 en het in de zaak met parketnummer 05-036932-23 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-130756-22 onder 2, 4 en 10 primair, het in de zaak met parketnummer 05-313353-22 en het in de zaak met parketnummer 05-036932-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
17 (zeventien) jarenen
6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave van de Apple laptops (goednummers PL0600-2022157454-G2908320
en PL0600-2022 157454-2775400), de Apple computer niet beeldscherm en toetsenbord
(goednummer PL0600-2022157454-G2908324) en de Apple telefoons (goednummers
PL0600-2022157454-2773630, PL0600-2022157454-2773607 en PL0600-2022157454-
2773628) aan verdachte.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-036932-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.942,83 (drieduizend negenhonderdtweeënveertig euro en drieëntachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-036932-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.942,83 (drieduizend negenhonderdtweeënveertig euro en drieëntachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 januari 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. D.R. Sonneveldt, mr. J. Corthals en mr. M. Zwartjes, in aanwezigheid van de griffier mr. B. van Leeuwen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.
Bijlage – de tenlastelegging
Zaak met parketnummer 05-130756-22:
2.
[medeverdachte] op of omstreeks 27 februari 2022 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een bij een bedrijfspand aan [adres 2] geparkeerde bedrijfsbus, Volkswagen Transporter (gekentekend [kenteken 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf [bedrijf 2] , althans aan een ander dan aan die [medeverdachte] ,
door (delen van) die bedrijfsbus al dan niet te besprenkelen met een brandbare vloeistof en/of gebruik te maken van een (in een doek gewikkeld) aanmaakblokje en/of (vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje, althans voornoemde bedrijfsbus in aanraking te brengen met (open) vuur, ten gevolge waarvan genoemd voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het naastgelegen bedrijfspand en/of de daarin aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was,
welk strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 27 februari 2022, te [plaats 2] en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 3] en/of te [plaats 13] , in elk geval in Nederland, door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte die [medeverdachte] een geldbedrag van ongeveer 150.000 EURO, althans een (aanzienlijk) geldbedrag in het vooruitzicht gesteld als het/de feit(en) gepleegd zou(den) worden;
4.
[medeverdachte] op of omstreeks 27 maart 2022 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in het bedrijfspand aan [straat 5] , dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 11] en/of in gebruik was bij [bedrijf 1] , althans aan of bij een ander dan aan die [medeverdachte] ,
door in of nabij voornoemd bedrijfspand één of meerdere plaatsen te besprenkelen met een brandbare vloeistof (motorbenzine) en/of (vervolgens) die brandbare vloeistof in aanraking te brengen met (open) vuur, althans (delen van) voornoemd bedrijfspand in aanraking te brengen met (open) vuur, ten gevolge waarvan voornoemd bedrijfspand en/of de voor dat bedrijfspand geparkeerde bedrijfsbus geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het(de) naastgelegen bedrijfspand(en) en/of de daarin aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was, welk strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 27 maart 2022, te [plaats 2] en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 3] en/of te [plaats 13] , in elk geval in Nederland, door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte die [medeverdachte] een geldbedrag van ongeveer 150.000 EURO, althans een (aanzienlijk) geldbedrag in het vooruitzicht gesteld als het/de feit(en) gepleegd zou(den) worden;
10.
[medeverdachte] op of omstreeks 11 april 2022 te [plaats 10] , [plaats 24] ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg, met voornoemd opzet
- die [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en (vervolgens) die [slachtoffer] met een mes, éénmaal of meerdere malen, met kracht, in de nek en/of de hals en/of de schouder en/of de rug en/of de borst heeft gestoken en/of
- toen zij ten val was gekomen, bovenop en/of voorovergebogen over die [slachtoffer] heeft gezeten en/of
- (daarbij) met kracht de keel heeft dichtgedrukt en/of
- het hoofd van die [slachtoffer] éénmaal of meerdere malen, met kracht, op of tegen de grond heeft geslagen/geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 11 april 2022, te [plaats 2] en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 3] en/of te [plaats 13] en/of te [plaats 10] en/of te [plaats 25] , in elk geval in Nederland, door giften, beloften en/of door verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte
- het plan opgevat en/of besproken om die [slachtoffer] om het leven te brengen en/of
- die [medeverdachte] benaderd voor het uitvoeren van dat plan tot het om het leven brengen van die [slachtoffer] en/of
- die [medeverdachte] inlichtingen verschaft over de (actuele) verblijfplaats van die [slachtoffer] en/of - die [medeverdachte] een geldbedrag van ongeveer 50.000 EURO, althans een (aanzienlijk) geldbedrag in het vooruitzicht gesteld als het feit gepleegd zou worden en/of
- ervoor gezorgd dat hij, verdachte, op 11 april 2022, ten tijde van het plegen van bovengenoemd strafbaar feit, niet in [plaats 10] of de directe omgeving aanwezig was;
Zaak met parketnummer 05-313353-22 (gevoegd):
hij op of omstreeks 17 juni 2022 te [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een e-mailbericht d.d. 17 juni 2022 met als onderwerp [park] [plaats 19] van [website] aan [website] ? zijnde verdachtes werkmailadres
- valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door zelf het genoemde e-mailbericht (zogenaamd) uit naam van [naam 5] van het bedrijf [bedrijf 7] op te stellen en dit vervolgens naar zijn eigen werkmailadres te sturen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
Zaak met parketnummer 05-036932-23 (gevoegd):
[naam 8] en/of [naam 7] op of omstreeks 22 november 2022 te [plaats 5] , in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in een bij een woning aan de [adres 5] geparkeerde bedrijfsbus, [bedrijf 10] (kleur wit en gekentekend [kenteken 2] ), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , althans aan een ander dan aan die [naam 8] en/of [naam 7] ,
door een raam van die bedrijfsbus te verbreken en (vervolgens) een fles met daarin een doek en/of papier en een brandbare vloeistof (vermoedelijk benzine) in aanraking te brengen met open vuur en/of (daarna) voornoemde brandende fles door het verbroken raam in die bedrijfsbus te gooien, ten gevolge waarvan genoemde bedrijfsbus geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de naastgelegen woning (waarin de bewoners op dat moment aanwezig waren) en/of de zich daarin bevindende inboedel en/of de houten schutting en/of een naast voornoemde bedrijfsbus geparkeerde personenauto (Volkswagen Golf), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in voornoemde woning aanwezige bewoners, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was,
welk strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode tussen 1 november 2022 en 22 november 2022, te [plaats 21] , in elk geval in Nederland, door giften, beloften en/of misleiding en/ofhet verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte die [naam 8] en/of die [naam 7] , al dan niet door tussenkomst van een medegedetineerde [naam 6] , een geldbedrag van tussen 300 en 500 EURO, althans een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld als het feit gepleegd zou worden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de [politie] , opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2022486141 (onderzoek COLO / ON5R022041), gesloten op 22 november 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , p. 2305.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2307-2311.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2561-2564.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2535-2539.
6.Proces-verbaal verhoor [getuige 2] , p. 2022.
7.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 2829-2830, inclusief bijlage, p. 2874.
8.Het proces-verbaal van aangifte van [verdachte] , p. 2312.
9.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever ] , p. 2382.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2316-2319.
11.Het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ( [adres 5] [plaats 2] ), inclusief bijlagen, p. 2323-2366.
12.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2535-2541.
13.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2322.
14.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 2829-2830, inclusief bijlage p. 2876.
15.Het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p. 2022.
16.Het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p. 2022; Het proces-verbaal verhoor [getuige 2] , p. 2599.
17.Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , p. 579-584.
18.Het proces-verbaal verbaal van bevindingen camerabeelden [bedrijf 9] , p. 1259-1268.
19.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 547-548.
20.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 547-548; proces-verbaal van bevindingen, p. 47.
21.Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA onderzoek naar aanleiding van een steekincident in [plaats 10] op 11 april 2022’ van het NFI van 16 mei 2022, p. 1184-1191.
22.Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon, p. 802-803.
23.Een schriftelijk bescheid, te weten de ‘Letselrapportage forensische geneeskundige GGD regio [plaats 11] ’ van 19 april 2022, p. 823-848.
24.Een schriftelijk bescheid, te weten de ‘Letselrapportage forensische geneeskundige GGD regio [plaats 11] ’ van 19 april 2022, p. 823-848.
25.Het proces-verbaal verhoor aangever, p. 571.
26.Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 2825.
27.Het proces-verbaal beeldverslag camerabeelden [bedrijf 9] , p. 1215-1228.
28.Het proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek, p. 1194-1199.
29.Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA onderzoek naar aanleiding van een steekincident in [plaats 10] op 11 april 2022’ van het NFI van 16 mei 2022, p. 1184-1191; Het relaas proces-verbaal algemeen dossier, p. 15.
30.Het prroces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , p. 2011-2026.
31.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1816.
32.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1817.
33.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1819.
34.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1790.
35.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1820.
36.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1315.
37.Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van het tapgesprek van 17 mei 2022, p. 1882-1884.
38.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1917.
39.Het proces-verbaal van aangifte van [verdachte] , p. 2312.
40.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , p. 2011-2026.
41.Het proces-verbaal van bevindingen tactisch bekijken apple Iphone A2105, p. 1576.
42.Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van het tapgesprek op 22 mei 2022, p. 1871.
43.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1320-1325.
44.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1329-1330.
45.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1329-1330.
46.Het proces-verbaal van bevindingen analyse BUNQ bankgegevens, p. 2616-2617.
47.Het proces-verbaal bevindingen beeldverslag camerabeelden [bedrijf 9] , p. 1230-1253.
48.Het proces-verbaal samenvatting eerste verhoor, p. 342.
49.Het proces-verbaal zendmasten [plaats 25] , p. 1317-1319.
50.Het proces-verbaal van aangifte van [verdachte] , p. 2312.
51.Het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf, p.2325.
52.Het proces-verbaal van bevindingen toedracht experts [bedrijf 5] , p. 2303.
53.Het proces-verbaal uitwerking verbatim verhoor, p. 2856.
54.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris van 22 maart 2023.
55.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 2011-2026.
56.Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van het tapgesprek op 22 april 2022, p. 2076.
57.Het proces-verbaal van bevindingen financieel onderzoek Colo, p. 3052.
58.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 412.
59.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1817.
60.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1819.
61.Het proces-verbaal verslag verbatim verhoor verdachte [medeverdachte] op 9 december 2022, p. 2898-2899.
62.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 2011-2024.
63.Proces-verbaal van inbeslaggenomen goederen, p. 2038.
64.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1811-1817.
65.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1790.
66.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1820.
67.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1315.
68.Het proces-verbaal van bevindingen 8 april 2022, p. 3731-3733.
69.Het proces-verbaal van bevindingen aanvullend proces-verbaal, p. 3025.
70.Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van het tapgesprek van 17 mei 2022, p. 1882-1884.
71.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1917.
72.Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van het tapgesprek van 5 juni 2022, p. 1891-1892.
73.Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , p. 579-584.
74.Het proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens [telefoonnummer 3] m.b.t. route [plaats 17] – [plaats 10] op 11 april 2022, p. 1333-1335.
75.Het proces-verbaal van bevindingen samenvatting eerste verhoor [verdachte] , p. 343.
76.De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
77.Het proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens [telefoonnummer 3] m.b.t. route [plaats 17] – [plaats 10] op 11 april 2022, p. 1333-1335.
78.Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , p. 2091.
79.Het proces-verbaal van bevindingen melding [verdachte] bij de politie, p. 2167-2168.
80.Het proces-verbaal van bevindingen aanleiding om te komen tot verdachte, p. 537.
81.Proces-verbaal van bevindingen, p. 542-544.
82.Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] op 21 december 2022, p. 2971.
83.Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van het tapgesprek van 12 april 2022, p. 2182.
84.Het proces-verbaal van bevindingen Brief [naam 4] , p. 2269-2270.
85.Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek inhoud anonieme brief aan [naam 14] , p. 2265-2266.
86.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 14 augustus 2023.
87.De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
88.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de [politie] , opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022556649, gesloten op 23 december 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
89.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 48.
90.Het proces-verbaal van relaas, p. 2.
91.Een schriftelijk bescheid, te weten het ‘Verzoekschrift ex artikel 164 lid 9 WVW Pro en 530 Sv’ van mr. C.A.C. Nagel van Aspremont advocaten van 11 maart 2022, p. 5-10.
92.Een schriftelijk bescheid, te weten de brief van mr. C.A.C. Nagel van Aspremont advocaten 27 juni 2022, inclusief bijlagen, p. 12-17.
93.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 48-51.
94.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 61-63.
95.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 66-68.
96.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de [politie] , opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2023074554 (onderzoek ON5R022096 / LASCAR), gesloten op 10 maart 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
97.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , p. 29-30.
98.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde 1] , p. 33.
99.Het proces-verbaal beeldverslag, p. 41-50.
100.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 7] , p. 291-295.
101.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 8] , p. 317-321.
102.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 6] , p. 326-332.
103.Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] bij het kabinet raadsheer-commissaris op 19 september 2024.
104.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 338-340.
105.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 143-148.