Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1425

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
21-003450-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 157 SrArt. 289 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot moord en meerdere brandstichtingen met schadevergoeding

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor poging tot moord, zes brandstichtingen met gemeen gevaar en twee vernielingen. In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis en doet opnieuw recht. Verdachte wordt veroordeeld voor poging tot moord op een onbekende vrouw, meerdere brandstichtingen en vernielingen gepleegd in opdracht van een medeverdachte.

De bewijsvoering omvat verklaringen van getuigen, bekentenissen van verdachte, forensisch onderzoek, camerabeelden, tapgesprekken en medische rapporten. De verdediging voerde onder meer vormverzuimen aan en stelde noodweer en noodweerexces in, maar het hof verwierp deze verweren.

Het hof acht bewezen dat verdachte met voorbedachten rade de vrouw heeft aangevallen met een mes, haar meerdere malen heeft gestoken en haar keel heeft dichtgeknepen. Daarnaast heeft verdachte in opdracht van medeverdachte meerdere branden gesticht met gemeen gevaar voor goederen. De straf wordt vastgesteld op vijftien jaar en zes maanden gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

De vorderingen van benadeelden worden deels toegewezen, waarbij materiële en immateriële schadevergoeding wordt toegekend. De benadeelde vrouw ontvangt een vergoeding van €112.411,69 voor materiële en immateriële schade. Andere benadeelden krijgen respectievelijk €473,16 en €330,00 toegewezen. Het hof gelast ook de teruggave van een in beslag genomen telefoon aan verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijftien jaar en zes maanden gevangenisstraf voor poging tot moord en meerdere brandstichtingen, met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003450-23
Uitspraakdatum: 10 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 12 juli 2023 met parketnummer 05-091632-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in P.I. [plaats 1] .
Hoger beroep
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 28 mei 2024 en 20 februari 2025 (regiezittingen), 26 januari 2026 en 27 januari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 10 maart 2026 (sluiting onderzoek) en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. A. Winters en mr. T.L.W. Hermens, hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van de benadeelde partij [slachtoffer] , mr. T.J.C. Bueters, naar voren is gebracht.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep
Verdachte is door rechtbank vrijgesproken van wat aan hem onder 3 primair en 3 subsidiair is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte voor het plegen van een poging tot moord, zes brandstichtingen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was en twee vernielingen tot een gevangenisstraf van zestien jaren veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen die zich in het strafproces hebben gevoegd. Ook heeft de rechtbank beslist over een in beslag genomen voorwerp.
Het hof vernietigt het vonnis, omdat het arrest op andere gronden berust dan het vonnis van de rechtbank, het hof tot een andere strafoplegging komt en er deels anders wordt beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
De verdenking komt er, voor zover in hoger beroep nog aan de orde en samengevat, op neer dat verdachte:
Feit 1 op 16 februari 2022 te [plaats 2] een auto van [benadeelde 2] in brand heeft gestoken;
Feit 2 op 27 februari 2022 te [plaats 3] een bedrijfsbus van [bedrijf 1] in brand heeft gestoken;
Feit 4 op 27 maart 2022 te [plaats 3] brand heeft gesticht bij een bedrijfspand aan de [adres 1] , welk pand in gebruik was bij het bedrijf [bedrijf 2] ;
Feit 5 op 8 april 2022 te [plaats 3] brand heeft gesticht bij een bedrijfspand aan de [adres 2] , welk pand in gebruik was bij het bedrijf [bedrijf 3] ;
Feit 6 op 10 april 2022 te [plaats 3] een auto van [benadeelde 3] in brand heeft gestoken;
Feit 7
primair:op 10 april 2022 te [plaats 3] een auto van [bedrijf 4] in brand heeft gestoken,
subsidiair: vernieling;
Feit 8 op 10 april 2022 te [plaats 4] een auto van [benadeelde 4] in brand heeft gestoken;
Feit 9
primair:op 10 april 2022 te [plaats 5] een auto van [bedrijf 5] in brand heeft gestoken,
subsidiair: vernieling;
Feit 10
primair:op 11 april 2022 te [plaats 6] opzettelijk en met voorbedachten rade heeft geprobeerd om [slachtoffer] om het leven te brengen door die [slachtoffer] met een mes één of meerdere malen met kracht te steken en, nadat zij ten val was gekomen, haar keel dicht te drukken en/of één of meerdere malen met kracht haar hoofd tegen de grond te slaan en/of duwen (poging tot moord);
subsidiair: poging tot doodslag;
meer subsidiair: zware mishandeling.
De volledige tenlastelegging is als bijlage achter dit arrest opgenomen.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs

1.Inleiding

Voordat het hof op de ten laste gelegde feiten ingaat, worden eerst de aangevoerde verweren besproken die zien op de status als getuige van [getuige 1] , de bruikbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 1] en de rechtmatigheid van het bewijs.
Voor de leesbaarheid van het arrest worden, voor zover het in de hierna volgende overwegingen gaat over medeverdachte [medeverdachte] , getuige [getuige 1] en het slachtoffer [slachtoffer] , zij steeds enkel bij hun achternaam genoemd.

2.Getuige [getuige 1]

Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie de rechtbank en de verdediging op belangrijke punten onjuist heeft geïnformeerd over het inzetten van een potentiële verdachte, zijnde [getuige 1] , als een
de factoburgerinfiltrant en over het gedurende het opsporingstraject verstrekken van zaaksinformatie aan diezelfde [getuige 1] . Aan [getuige 1] , destijds partner van verdachte, is door de politie gevraagd om verdachte tijdens hun gesprekken vragen te stellen die voor de opsporing van belang konden zijn. Daarnaast zijn er volgens de raadsvrouw aan [getuige 1] toezeggingen gedaan of met haar afspraken gemaakt om haar niet als verdachte aan te merken en in het verlengde daarvan haar niet te vervolgen. [getuige 1] had een motief om naar een ander te wijzen. Tot slot is de verbaliseringsplicht uit artikel 152 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) door de politie geschonden door belangrijke informatie uit het proces-verbaal weg te laten met betrekking tot hetgeen gebeurd en besproken is tijdens de pauzes in het verhoor van [getuige 1] op 20 mei 2022. De politie en het openbaar ministerie zijn hierover onvoldoende transparant geweest.
De raadsvrouw heeft bepleit dat voornoemde punten maken dat sprake is van een schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv, die nadeel hebben opgeleverd voor verdachte aangezien [getuige 1] voor verdachte belastende verklaringen heeft afgelegd. De verklaringen van [getuige 1] en de daarmee samenhangende tapgesprekken moeten volgens de verdediging daarom worden uitgesloten van het bewijs.
Voor zover het hof van oordeel is dat er geen sprake is van enig vormverzuim, zijn de verklaringen van [getuige 1] niet bruikbaar voor het bewijs, omdat [getuige 1] een leugenachtige verklaring heeft afgelegd bij de rechter-commissaris over de wijze waarop de politie met haar is omgegaan zodat alle door haar afgelegde verklaringen en de tapgesprekken als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van enig vormverzuim. De gesprekken die [getuige 1] met verdachte heeft gevoerd, heeft zij op eigen initiatief gevoerd. De verbalisanten die [getuige 1] hebben gehoord, hebben geverbaliseerd dat aan [getuige 1] niet is gevraagd bepaalde vragen te stellen aan verdachte. Evenmin is tijdens de pauzes in het verhoor van 20 mei 2022 aan [getuige 1] (te) veel informatie verstrekt. Daarnaast bestaat er volgens de advocaat-generaal geen aanleiding om te veronderstellen dat er door de politie of het openbaar ministerie toezeggingen zijn gedaan aan [getuige 1] die inhouden dat zij niet als verdachte zou worden aangemerkt als zij belastend zou verklaren. Ook hebben de verbalisanten Lemmens en Wienen in hun aanvullende processen-verbaal voldoende duidelijkheid verschaft over de pauzes die tijdens het verhoor van [getuige 1] van 20 mei 2022 hebben plaatsgevonden. Zowel de verklaringen van [getuige 1] als de tapgesprekken kunnen voor het bewijs gebruikt worden.
Oordeel van het hof
Vormverzuimen
[getuige 1] is op verschillende momenten door de politie en de rechter-commissaris als getuige gehoord. Op 20 mei 2022 is [getuige 1] voor de tweede keer als getuige gehoord. Zij heeft in dit verhoor onder andere verklaard over hetgeen verdachte aan haar verteld heeft over het uitvoeren van klussen voor [medeverdachte] , over de opdracht die verdachte had gekregen om iemand te laten slapen en over het geld dat hij zou verdienen. [getuige 1] heeft tijdens het verhoor daarnaast een briefje overhandigd met daarop een tekst die door verdachte geciteerd zou zijn.
Over de informatie die [getuige 1] van de politie zou hebben gekregen in de pauzes van het verhoor van 20 mei 2022 verklaart zij bij de rechter-commissaris dat de politie haar heeft geconfronteerd met het aangetroffen mes en met whatsappgesprekken tussen haar en verdachte. De politie heeft daarnaast de naam van het slachtoffer genoemd. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] ook verklaard dat verdachte meteen zijn hele doopceel lichtte toen zij hem vragen stelde.
Het hof is van oordeel dat uit de whatsappgesprekken tussen [getuige 1] en verdachte, alsmede uit de verklaring van 20 mei 2022 van [getuige 1] blijkt dat [getuige 1] al ruim voor het verhoor op 20 mei 2022 over informatie beschikte met betrekking tot de gedragingen van verdachte in april 2022. De informatie die [getuige 1] naar eigen zeggen heeft gekregen van de politie komt overeen met hetgeen de politie hier over heeft geverbaliseerd. De momenten waarop tijdens het verhoor de opnameknop werd ingedrukt zijn vastgelegd in een apart proces-verbaal van bevindingen en het hof heeft, mede gelet op de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris, geen aanleiding te veronderstellen dat de politie [getuige 1] van meer informatie heeft voorzien dan hetgeen in de processen-verbaal is verantwoord.
Evenmin ziet het hof aanwijzingen dat met [getuige 1] afspraken zijn gemaakt die verder gaan dan een ‘Afspraak op Locatie’, laat staan dat er afspraken zijn gemaakt in ruil voor verklaringen met een belastende strekking. Van een schending van de verbaliseringsplicht als bedoeld in artikel 152 Sv Pro of van het betrachten van onvoldoende transparantie, zoals door de verdediging is bepleit, is naar het oordeel van het hof geen sprake.
Tot slot ziet het hof evenmin dat [getuige 1] door de politie is ingezet om informatie in te winnen bij verdachte. Het is telkens verdachte die telefonisch contact met [getuige 1] legde en niet andersom. Daarnaast heeft een groot deel van de tapgesprekken plaatsgevonden vóór het verhoor op 20 mei 2022, de gelegenheid waarbij de politie [getuige 1] volgens de verdediging van informatie zou hebben voorzien en waarbij de verbalisanten [getuige 1] zouden hebben gevraagd verdachte vragen te stellen. [getuige 1] heeft telefoongesprekken met verdachte gevoerd terwijl zij wist dat deze gesprekken werden getapt, maar uit de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris blijkt dat zij grotendeels op eigen initiatief informatie heeft ingewonnen omdat zij boos was op verdachte en zij wilde dat hij zichzelf zou gaan belasten. De politie heeft geverbaliseerd dat het aan [getuige 1] was hoe zij om zou gaan met de telefoongesprekken met verdachte en dat zij haar niet hebben geadviseerd om bepaalde vragen te stellen. Van sturing of druk op [getuige 1] door de politie is het hof niet gebleken.
Het hof is van oordeel dat het voeren van telefoongesprekken na 20 mei 2022, wetende dat de inhoud van de telefoongesprekken werd getapt, als zodanig geen situatie vormt als bedoeld in artikel 126w Sv (burgerinfiltratie) en of in artikel 126v Sv (informatie inwinning door burgers).
Van een vormverzuim, een schending van de beginselen van een goede procesorde of een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is, gelet op het voorgaande, geen sprake. De verweren van de verdediging worden daarom verworpen.
Betrouwbaarheid van [getuige 1] als getuige
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris over de gang van zaken bij de verhoren door de politie op belangrijke punten overeenkomt met hetgeen de politie daarover heeft geverbaliseerd en hetgeen uit het proces-verbaal van verhoor zelf blijkt. Het hof volgt de verdediging dan ook niet in de stelling dat [getuige 1] bij de rechter-commissaris een leugenachtige verklaring heeft afgelegd waardoor zij een onbetrouwbare getuige zou zijn. Bij dat oordeel betrekt het hof dat [getuige 1] heeft verklaard over feiten en omstandigheden die te herleiden zijn tot objectieve gegevens uit het dossier, zoals daadwerkelijk verstuurde whatsapp- en e-mailberichten en het handgeschreven briefje dat [getuige 1] tijdens het verhoor op 20 mei 2022 aan de politie heeft overhandigd.
Conclusie
Concluderend is het hof van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] , evenals de tapgesprekken tussen haar en verdachte, bruikbaar zijn voor het bewijs.
3. Beoordeling van de feiten [1]
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich in de periode van februari tot en met april 2022 aan verschillende brandstichtingen schuldig heeft gemaakt. Daarnaast is aan verdachte ten laste gelegd dat hij op 11 april 2022 een poging tot moord heeft gepleegd op [slachtoffer] op het vakantiepark in [plaats 6] waar deze op dat moment een vakantiehuisje huurde met [medeverdachte] .
Voor de leesbaarheid van het arrest bespreekt het hof de aan verdachte ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde. Eerst worden de brandstichtingen besproken en daarna de poging moord.
3.1
Brandstichtingen
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1, 2, 4, 5, 6, 7 subsidiair, 8 en 9 subsidiair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend de onder 1, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 tenlastegelegd feiten te hebben gepleegd. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot die feiten grotendeels aan het oordeel van het hof gerefereerd en daarbij het volgende naar voren gebracht. Ten aanzien van feit 1 zou verdachte vrijgesproken moeten worden van het ten laste gelegde levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor de woning en de inboedel. Ten aanzien van de feiten 7 en 9 zou alleen de subsidiair ten laste gelegde vernieling bewezen moeten worden verklaard.
Verdachte heeft feit 2 ontkend. Hij heeft verklaard dat hij enkel op de uitkijk heeft gestaan bij het tankstation. Nu uit een locatieafbeelding van Google Maps volgens de raadsvrouw volgt dat de verdachte niet op het bedrijventerrein is geweest, moet verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
Oordeel van het hof
De verdachte heeft de feiten 1, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Het hof volstaat daarom op grond van artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv met een opsomming van de bewijsmiddelen, zoals hieronder weergegeven. De verdachte ontkent feit 2, zodat het hof ten aanzien van dat feit de bewijsmiddelen volledig zal uitwerken.
Feit 1
Bewijsmiddelen feit 1:
- De bekennende verklaring van verdachte; [2]
- Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] ; [3]
- Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 2] ; [4]
- Proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden; [5]
- Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig; [6]
- Een schriftelijk bescheid met de uitkomsten van het DNA-onderzoek. [7]
Bewijsoverwegingen feit 1:
Het hof is van oordeel dat bij de brandstichting gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Door de brand te stichten heeft verdachte gezien de vastgestelde feiten en omstandigheden naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gemeen gevaar voor de houten schutting en de naast de Volkswagen Golf geparkeerde bedrijfsbus veroorzaakt. Deze bevonden zich op korte afstand van de Volkswagen Golf, zodat de brand eenvoudig had kunnen overslaan. Bovendien was ook de bedrijfsbus besprenkeld met een brandbare vloeistof.
Het hof is van oordeel dat naar algemene ervaringsregels geen voorzienbaar gemeen gevaar voor de woning aan [adres 3] en de zich daarin bevindende inboedel bestond. Daarvoor stond de auto te ver van de woning verwijderd. Bovendien is de brand gesticht aan de zijde van de auto die niet naar de woning gericht was. Dit maakt dat bij de brandstichting geen levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige bewoners te duchten was.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.
Feit 2
Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen feit 2:
Op 27 februari 2022 vond er een brand plaats aan de bedrijfsauto van [benadeelde 5] (hierna: [benadeelde 5] ). [benadeelde 5] heeft op 28 februari 2022 aangifte gedaan van de brandstichting bij de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 1] op 27 februari 2022 tussen 3:35 uur en 3:57 uur. De bedrijfsbus stond op naam van [bedrijf 1] , het bedrijf van [benadeelde 5] . De bedrijfsbus stond sinds vrijdag 26 februari 2022 om 17.00 uur geparkeerd op het terrein voor het pand van [bedrijf 1] aan de [adres 4] in [plaats 3] . De brand is overgeslagen naar het bedrijfspand. Zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van het pand is schade ontstaan. Verder is veel schade aan goederen en voorraad in het pand ontstaan en is van het voertuig zelf niets meer over. [8]
De camerabeelden van de camera’s die gericht zijn op het pand aan de [adres 4] in [plaats 3] zijn door de politie bekeken. Hierop is onder andere te zien dat op 0:32 van de afspeeltijd een persoon in beeld komt lopen. Op 00:56 van de afspeeltijd loopt deze persoon naar het witte geparkeerde busje. Op 2:23 van de afspeeltijd rent deze persoon weg en ontstaat een oranje licht bij het witte geparkeerde busje. Op 2:28 van de afspeeltijd rent deze persoon uit beeld. Op 3:03 van de afspeeltijd is een vlam te zien bij het witte geparkeerde busje en op 3:04 stopt het beeld. [9]
Op de tijdlijn van Google Maps op het Google account van verdachte is te zien dat op 27 februari 2022 tussen 2:00 uur en 2:53 uur een route is vastgelegd die onder andere over de [adres 4] in [plaats 3] is gegaan. [10]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte, [telefoonnummer 1] , blijkt dat op 27 februari 2022 om 3:07 uur, om 3:27 uur en om 3:53 uur zendmasten zijn aangestraald aan het [adres 5] in [plaats 3] . [11]
Tegenover getuige [getuige 1] heeft verdachte verklaard dat hij meermalen brand heeft gesticht op het industrieterrein. [12]
Verdachte heeft verklaard dat hij wel een paar keer langs is gereden en bij het tankstation op de hoek van het industrieterrein heeft gestaan. Het industrieterrein zelf kun je met de auto niet op. Verdachte was daar volgens zijn verklaring om te kijken of de bus van [bedrijf 1] er stond. Hij moest dat doorgeven aan [medeverdachte] . [medeverdachte] en zijn vader zouden later hebben aangegeven dat die bus in de fik moest. [13] Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard dat hij branden heeft gesticht in opdracht van [medeverdachte] . [14]
Dat brand is gesticht bij de bedrijfsauto van [bedrijf 1] staat niet ter discussie. Ook staat niet ter discussie dat deze brand is overgeslagen naar het bedrijfspand van [bedrijf 1] . De vraag die openstaat is of het verdachte is geweest die deze brand heeft gesticht. Verdachte ontkent. Namens hem is door zijn raadsvrouw bepleit dat hij wel in de buurt van het bedrijventerrein is geweest met zijn auto, maar dat hij het bedrijventerrein niet op is geweest.
Het hof oordeelt anders. Uit de gegevens van Google Maps blijkt dat verdachte, anders dan de verdediging stelt, met zijn auto wel degelijk van de snelweg is geweest en in de richting van het bedrijventerrein is gereden. Verder is relevant dat de brandstichter op de beelden lopend bij de bedrijfsauto van [bedrijf 1] geweest en dat verdachte zelf ook verklaart dat je niet met de auto het terrein op kon. Het hof overweegt voorts dat, indien de verklaring van verdachte gevolgd wordt, [medeverdachte] verdachte de opdracht zou hebben gegeven om te kijken of de bedrijfsauto er stond en iemand anders op min of meer hetzelfde tijdstip in opdracht van [medeverdachte] brand zou hebben gesticht. Voor dit op zichzelf reeds onwaarschijnlijke scenario is in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden. Nu verdachte de overige bewezenverklaarde branden in opdracht van [medeverdachte] heeft gesticht, verdachte aanwezig was ten tijde van de brand en verdachte ook nu een opdracht zegt te hebben gekregen van [medeverdachte] , is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.
Feit 4
Bewijsmiddelen feit 4:
- De bekennende verklaring van verdachte; [15]
- Proces-verbaal van aangifte van [medeverdachte] ; [16]
- Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6] ; [17]
- Proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden; [18]
- Proces-verbaal van forensisch onderzoek. [19]
Bewijsoverwegingen feit 4:
Nu door de brand bij het pand aan de [adres 1] in [plaats 3] schade is ontstaan aan naastgelegen panden en aan de in het pand aanwezige inboedel, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.
Feit 5
Bewijsmiddelen feit 5:
- De bekennende verklaring van verdachte; [20]
- Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7] ; [21]
- Proces-verbaal van forensisch onderzoek; [22]
- Een schriftelijk bescheid met de uitkomsten van het onderzoek naar vluchtige stoffen; [23]
- Een schriftelijk bescheid met de uitkomsten van het DNA-onderzoek. [24]
Bewijsoverwegingen feit 5:
Door de brand te stichten heeft verdachte, gezien de vastgestelde feiten en omstandigheden, naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gemeen gevaar veroorzaakt voor de in het bedrijfspand aanwezige inboedel, maar ook voor de naast de [adres 2] gelegen bedrijfspanden. Het bedrijfspand aan de [adres 2] was ingesloten door andere bedrijfspanden, zodat de brand, indien deze zich verder zou hebben uitgebreid, eenvoudig kon overslaan naar die andere panden en ook naar de in het bedrijfspand aanwezige inboedel.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.
Feit 6
Bewijsmiddelen feit 6:
- De bekennende verklaring van verdachte; [25]
- Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] ; [26]
- Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 8] ; [27]
- Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuigen. [28]
Bewijsoverwegingen feit 6:
De brand is gesticht bij het voertuig van [benadeelde 3] . Het voertuig van [benadeelde 8] stond daar vlak naast en heeft door de brand forse schade opgelopen. Dit gevaar was naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. Gelet hierop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.
Feit 7 subsidiair
Bewijsmiddelen feit 7:
- De bekennende verklaring van verdachte; [29]
- Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 9] ; [30]
- Proces-verbaal uitkijken camerabeelden; [31]
- Proces-verbaal buurtonderzoek; [32]
- Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig. [33]
Bewijsoverwegingen feit 7:
De auto stond op een oprit geparkeerd, zonder dat uit de bewijsmiddelen in het dossier blijkt dat in de nabijheid van de auto andere goederen aanwezig waren waarvoor naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gemeen gevaar bestond. Uit de bewijsmiddelen in het dossier blijkt ook niet dat schade is ontstaan aan andere goederen dan aan de auto zelf, los van de beroeting op de bestrating, wat op zichzelf onvoldoende is om te kunnen spreken van gemeen gevaar voor goederen. Voor een bewezenverklaring van brandstichting (artikel 157 Sr Pro) is (minstens) vereist dat sprake is van gemeen gevaar voor andere goederen dan het goed waarin brand wordt gesticht. Dat er gemeen gevaar voor andere goederen is ontstaan, volgt - zoals hiervoor overwogen - niet uit het dossier. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen en dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof is wel sprake van de subsidiair ten laste gelegde vernieling, nu de genoemde Opel Vectra door de brand fors beschadigd is.
Feit 8
Bewijsmiddelen feit 8:
- De bekennende verklaring van verdachte; [34]
- Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] . [35]
Bewijsoverwegingen feit 8:
Nu de regenpijp en het ventilatierooster van de betreffende woning zijn gesmolten, er roetschade op de gevel en het schilderwerk zat, er ruitschade was aan de woning en aan het bijgebouw en er ook sprake was van schade aan de oprit, staat vast dat door de brandstichting gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. Dit gevaar was naar algemene ervaringsregels voorzienbaar.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.
Feit 9 subsidiair
Bewijsmiddelen feit 9:
- De bekennende verklaring van verdachte; [36]
- Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 10] ; [37]
Bewijsoverwegingen feit 9:
Het hof stelt vast dat op 10 april 2022 brand is gesticht bij de Opel Vivaro met kenteken [kenteken 2] . De brand is beperkt gebleven tot het voorste gedeelte van de auto aan de rechterzijde. Door de brand is schade ontstaan aan de band, het lakwerk en de bekabeling van de auto. Naar het oordeel van het hof is door de brand geen gemeen gevaar voor goederen ontstaan. Uit het dossier blijkt niet dat de auto in de nabijheid van andere goederen stond waarvoor naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gemeen gevaar bestond. Uit de bewijsmiddelen in het dossier blijkt ook niet dat schade is ontstaan aan andere goederen dan aan de auto zelf. Voor een bewezenverklaring van brandstichting (artikel 157 Sr Pro) is (minstens) vereist dat sprake is van gemeen gevaar voor andere goederen dan het goed waarin brand wordt gesticht. Dat er gemeen gevaar voor andere goederen is ontstaan, volgt - zoals hiervoor overwogen - niet uit het dossier. Het hof spreekt verdachte daarom vrij van het primair tenlastegelegde. Nu door de brand schade is ontstaan aan de Opel Vivaro en deze door de brand is vernield, acht het hof de subsidiair ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen.
3.2
Poging moord (feit 10)
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 10 primair (poging moord). De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de bewijsmiddelen vaststaat dat verdachte volgens een vooropgezet plan naar het vakantiehuisje van [slachtoffer] is gegaan om haar daar om het leven te brengen. Een scenario waarin verdachte door [slachtoffer] zou zijn aangevallen, is niet aannemelijk geworden.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 10 is het volgende verweer gevoerd. Verdachte zou voor de branden een bedrag van € 200.000,- krijgen van [medeverdachte] . Op 10 april 2022 heeft verdachte [medeverdachte] om die reden gezocht op het vakantiepark in [plaats 6] , maar niet kunnen vinden. Op 11 april 2022 in de ochtend was verdachte wederom in [plaats 6] . Hij is toen door [medeverdachte] mishandeld. Nadien heeft [medeverdachte] verdachte gebeld om excuses te maken en werd verdachte uitgenodigd om ’s avonds op het vakantiepark te komen eten. Het willen verkrijgen van een betaling voor de branden verklaart zijn aanwezigheid op het vakantiepark. Er was geen sprake van een vooraf gegeven opdracht door [medeverdachte] om [slachtoffer] te doden. Het bericht van verdachte dat hij om 14:34 uur naar [getuige 1] heeft gestuurd met daarin de mededeling dat hij een ‘GO’ had voor [plaats 6] , is door de rechtbank ten onrechte in de context van een moordpoging geplaatst. Via het bericht wilde verdachte aan [getuige 1] laten weten dat hij betaald zou krijgen voor de uitgevoerde branden. Ook de aan [getuige 1] geciteerde e-mail waarin gesproken wordt over een “losstaande levering” ziet niet op een opdracht om [slachtoffer] te doden. Toen verdachte op 11 april 2022 in de avond bij het vakantiepark aankwam, is een gesprek tussen verdachte en [slachtoffer] over geld uit de hand gelopen. [slachtoffer] heeft verdachte vanuit het niets met een mes aangevallen. Vervolgens is tussen hen beiden een worsteling ontstaan waarbij [slachtoffer] gewond is geraakt. Er was geen vooropgezet plan en dus ook geen sprake van voorbedachte raad, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Bij het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces.
Oordeel van het hof
Verdachte wordt -samengevat- bij feit 10 verweten dat hij op 11 april 2022 [slachtoffer] met voorbedachten rade heeft gepoogd te doden door meermalen met kracht met een mes te steken in haar nek, hals, schouder en rug, door bovenop haar te zitten toen zij ten val was gekomen en met kracht haar keel dicht te knijpen en door haar hoofd meermalen met kracht tegen de grond te slaan/duwen.
Deelvrijspraak
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het hoofd van [slachtoffer] (meermalen) met kracht tegen de grond heeft geslagen of geduwd. In zoverre zal verdachte worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen voor poging tot opzettelijke levensberoving
[slachtoffer] heeft onder meer verklaard dat zij op 11 april 2022 boodschappen was gaan doen. Toen [slachtoffer] terugreed naar het vakantiepark en haar auto had geparkeerd, zag zij verdachte. Verdachte pakte haar tas en liep samen met haar naar het vakantiehuisje. Op een gegeven moment gingen zij naar het terras van het vakantiehuisje. [slachtoffer] gaf aan dat zij [medeverdachte] wilde appen. Zij bukte om haar telefoon te pakken. Haar rug was naar het vakantiehuisje gericht. Zij voelde toen drie keer een scherpe pijn aan haar rug, haar schouder en haar nek. Zij werd van achteren aangevallen. Zij draaide haar hoofd naar rechts en werd toen nog meerdere keren gestoken. Verdachte dook vervolgens op haar en kneep heel hard in haar keel. Dit deed hij met één hand, terwijl hij met zijn rechter hand het mes vasthield. Hij hield het mes boven haar hoofd en keek haar strak in haar ogen. [slachtoffer] probeerde zich te verweren met haar linkerhand. Hiermee probeerde zij het mes tegen te houden. Zij lag op dat moment met veel pijn op haar rug op de grond. Haar rechterarm lag plat op de grond. Op enig moment zag [slachtoffer] iemand bij het andere vakantiehuisje. Zij hoorde toen veel lawaai en zag het mes vallen. Verdachte liet toen los en ging weg. [38]
Op camerabeelden is te zien dat verdachte en [slachtoffer] op 11 april 2022 om 18:23 uur samen het vakantiepark in [plaats 6] op komen lopen. Om 18:54:56 uur is te zien dat verdachte hardlopend langs de slagbomen rent. Tijdens het rennen is diverse keren zijn rechterhand kort zichtbaar, die rood is gekleurd. Om 18:55:02 uur verlaat verdachte het vakantiepark. [39]
Op 11 april 2022 om 19:08 uur arriveert de politie bij het vakantiehuisje van [slachtoffer] . Op het terras ligt een vrouw op haar linkerzij op de grond. Overal ligt bloed. De kleding van het slachtoffer is doordrenkt met bloed. Naast het slachtoffer ligt een mes met een zwart handvat en een lemmet dat vol bloed zit. Het slachtoffer is niet aanspreekbaar. Toen het slachtoffer in het inmiddels gearriveerde ambulancevoertuig was geplaatst, waren op de plek waar het slachtoffer had gelegen grote plekken bloed zichtbaar. [40]
De telefoon van [slachtoffer] is door de verbalisanten op de tuintafel buiten aangetroffen. [41]
Op het aangetroffen mes is zowel DNA van verdachte als DNA van [slachtoffer] aangetroffen. [42]
Op 19 april 2022 heeft [verbalisant 1] in een kamer op de afdeling Traumatologie in het Universitair Medisch Centrum Utrecht forensisch onderzoek verricht aan het lichaam van het [slachtoffer] . Met behulp van forensisch licht met een golflengte van 435 nanometer en een bijbehorende bril zag de verbalisant onderhuidse verkleuringen van de huid in de hals. Deze verkleuringen bevonden zich aan de voorzijde en aan de zijkanten van de hals. De verbalisant hoorde dat de aanwezige forensisch arts, [arts 1] , deze verkleuringen ook zag. Deze waarnemingen geven een aanwijzing voor onderhuidse bloedingen op deze locaties. [43]
Op 19 april 2022 hebben [arts 2] , forensisch arts in opleiding, en [arts 1] , forensisch arts KNMG, lichamelijk letselonderzoek verricht aan het lichaam van [slachtoffer] . Hiervan is een letselrapportage opgemaakt. Hierbij zijn – samengevat – de volgende uitwendige letsels vastgesteld:
  • Medisch behandelde steekwonden in de hals, nek, borsten, schouder, rug en linkerarm;
  • Steekwonden dan wel gecombineerde steek-/snijwonden op de borst en benen;
  • Onderhuidse verkleuringen op de borst, buik en heup;
  • Kraswonden op de hals en het been;
  • Huidbeschadigingen op de beide benen;
  • Afweerletsel op de rechterhand en
  • Gips om de linkerarm.
Verder zijn – samengevat – de volgende inwendige letsels vastgesteld:
  • Letsel van de luchtpijp rechts waarvoor operatief herstel heeft plaatsgevonden;
  • Letsel van de wervelslagader in de hals rechts waarvoor operatief herstel heeft plaatsgevonden;
  • Klaplongen links en rechts waarvoor tijdelijk slangen in de longen zijn geplaatst;
  • Uitval van de linkerhand op basis van letsel van de grote zenuw van de linker bovenarm waarvoor operatief herstel heeft plaatsgevonden en
  • Letsel van de elfde hersenzenuw waarvoor mogelijk nog operatief herstel volgt.
De samenvattende conclusie van de artsen luidt dat de gemelde toedracht zeer goed past bij het geconstateerde letsel. De gemelde toedracht luidde: “Betrokkene zou op 11 april 2022 begin van de avond door een vage kennis van vriend met een mes zijn aangevallen vanaf de achterzijde. Zou meerdere keren zijn gestoken onder andere in de rug en nek. Later zou ze op de grond gelegen hebben met verdachte boven op haar. Hij zou haar bij de keel hebben gegrepen. Zou zichzelf hebben afgeweerd met handen.” [45]
Bewijsoverwegingen over poging tot opzettelijke levensberoving
Het hof stelt vast dat de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels passen bij haar verklaring. Zo is bij haar onder andere een gehecht letsel in de rechterzijde van de nek geconstateerd, maar zijn er ook twee gehechte letsels in de rug ter hoogte van het rechter schouderblad geconstateerd. Daarnaast zijn er twee gehechte letsels in de achterzijde van de linker bovenarm geconstateerd. Dit alles is passend bij het van achteren aangevallen zijn, zoals door [slachtoffer] is verklaard. Daarnaast is een groot aantal steekletsels vastgesteld aan haar hals, nek, borst en benen en was sprake van afweerletsel op de rechterhand. Dit is passend bij het verder op [slachtoffer] insteken op het moment dat zij was omgedraaid en bij de verklaring dat [verdachte] het mes in zijn rechterhand had. Bovendien zijn er onderhuidse verkleuringen geconstateerd aan de voorzijde en aan de zijkanten van de hals van [slachtoffer] , wat past bij het dichtknijpen van haar keel. Ook de telefoon van [slachtoffer] die nog op de buitentafel lag op het moment dat de politie ter plaatse kwam, ondersteunt het verhaal van [slachtoffer] dat zij door verdachte werd aangevallen op het moment dat zij zich voorover boog naar haar telefoon omdat zij [medeverdachte] wilde berichten. [slachtoffer] heeft steeds consistent over het incident op 11 april 2022 verklaard. Het hof gaat op basis van het voorgaande uit van de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] . Daarmee stelt het hof vast dat verdachte [slachtoffer] vanuit het niets met een mes van achteren heeft aangevallen en haar meermalen heeft gestoken. Toen [slachtoffer] zich daarop omdraaide, heeft verdachte haar nog vaker gestoken. Hierdoor heeft zij een grote hoeveelheid steekletsels opgelopen aan meerdere (vitale) delen van haar lichaam, waaronder een groot letsel in haar hals en op haar borst. Daarnaast heeft verdachte de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen, nadat zij ten val was gekomen en hij bovenop haar was gaan zitten en over haar heen hing.
Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als handelingen gericht op het doden van [slachtoffer] . Daarbij weegt het hof mee dat [slachtoffer] is gestoken in haar bovenlichaam en in de hals, waar zich vitale organen bevinden. Wanneer de organen – waaronder ook begrepen (slag)aders – door een messteek worden geraakt, kan dit [plaats 11] tot de dood. Verdachte heeft [slachtoffer] veelvuldig met een mes in het bovenlichaam gestoken, hetgeen voornoemd risico op fatale gevolgen vergroot. Bovendien was er bij [slachtoffer] daadwerkelijk letsel aan de wervelslagader in de hals. De aanval kwam vanuit het niets. Deze feiten en omstandigheden maken dat het hof oordeelt dat bij verdachte sprake was van vol opzet op het doden van [slachtoffer] .
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven.
Bewijsmiddelen voorbedachten rade
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij verdachte niet kende. [46] Verdachte kende [slachtoffer] ook niet. [47]
Op 11 april 2022 verschijnt verdachte in de ochtend om 7:20 uur bij het vakantiepark in [plaats 6] waar Van Dongen en [slachtoffer] op dat moment verblijven. Hij parkeert zijn auto op het parkeerterrein van het vakantiepark. Om 7:53 uur loopt verdachte richting de auto van [slachtoffer] . Bij die auto maakt hij een beweging omlaag. Vervolgens stapt verdachte weer in zijn eigen auto en rijdt hij weg in de richting van de toegangsweg. [48] Uit een vergelijkend werktuigsporenonderzoek is gebleken dat één van de steekopeningen in de band van de auto van [slachtoffer] waarschijnlijk is veroorzaakt met het mes A. [49] Mes A betreft het mes met het SIN-nummer AAPK1566NL. Dit is het mes dat bij de steekpartij later op die dag is gebruikt. [50]
[getuige 1] heeft verklaard, nadat haar een afbeelding van het aangetroffen mes wordt getoond, dat zij een mes uit haar la mist en dat zij het getoonde mes herkent als een mes dat uit haar la komt. [51]
Op 4 april 2022 om 16:12 uur stuurt verdachte twee Whatsappberichten naar [getuige 1] , waarin hij schrijft: “Morgeb” en “Maakt [medeverdachte] 1.5 over”. [52]
Op 10 april 2022 om 15:01 uur spreekt verdachte een spraakbericht in bij [getuige 1] en zegt:
"Wij moeten het straks wel effe hebben over mijn alibi voor mij vanavond, vannacht." [53]
Op 10 april 2022 om 15:26 uur spreekt verdachte een spraakbericht in bij [getuige 1] en zegt:
"Ja, maar we hadden toch vijftigduizend extra? Ja, dan kunnen er eigenlijk
wel twee wat nieuwere Polootjes vanaf." [54]
Op 11 april 2022 om 11:00 uur stuurt verdachte een Whatsappbericht naar [getuige 1] , waarin hij schrijft: “Straks [medeverdachte] ”. [55] De voornaam van [medeverdachte] is [medeverdachte] . [56]
Op 11 april 2022 om 14:34 stuurt verdachte een spraakbericht naar [getuige 1] , waarin hij zegt: “Ik rij door naar [plaats 6] . Ik heb een GO”. [57]
Op 11 april 2022 om 15:35:34 uur hebben de telefoonnummers van [verdachte] en [medeverdachte] gebruikgemaakt van een zendmast in [plaats 13] [58]
Op 11 april 2022 om 16.47 uur stuurt verdachte naar [getuige 1] een foto van een geel briefje met daarop 12 verschillende woorden (dit betreft een code waarmee toegang kan worden verkregen tot een Trust Wallet [59] ) en daarna het bericht “Bewaar die”. Om 16.48 uur stuurt verdachte: “Dezd tel gaat zo wdg” en om 17.00 uur stuurt verdachte een foto van een QR-code van een Trust Wallet door en daarna het bericht “Trust wallet”. [60]
Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] van verdachte op 11 april 2022 om 16:54:05 uur gebruik maakt van een zendmast in [plaats 7] waarbij het telefoonnummer gekoppeld is aan [IMEI 1] . Dit betreft een Samsung Galaxy telefoon. Dit toestel is binnen het onderzoek niet aangetroffen. De eerstvolgende registratie is om 23:21:00 uur, dan wordt een zendmast in [plaats 8] gebruikt waarbij het telefoonnummer gekoppeld is aan [IMEI 2] . Dit betreft een Motorola E6 Play. De SIM-kaart is dus van toestel gewisseld. [61]
Op 17 mei 2022 vond er een Teliogesprek plaats tussen [verdachte] en [getuige 1] waarin verdachte aan [getuige 1] een e-mail gedicteerd heeft die zij naar [medeverdachte] / [bedrijf 2] moet sturen. Het dicteren is als volgt gegaan:
Q: Beste Heer Wij betreuren dat de losstaande levering van 50D. aan warmte camera’s breuk heeft opgelopen. Wij nemen deze levering gratis zsm voor onze rekening ( [naam 1] zegt: is niet wat je denk, maar zo moet het er effe in komen. [naam 2] zegt: nee nee nee) Wel willen wij vragen om naar uw woord de eerste correcte levering ter waarde van 150D. aan warmte camera’s te voldoen op bijgevoegde D.code
Q: dan doe je tussen haakjes zie bijlage, ja want het makkelijkste is als je van die uhh he zoals je die ene foto daar een screenshots van heb en het gewoon bijvoegt
S: ja van de nieuwe he
Q: ja van de nieuwe want dan weet je zeker dat dat die niet de verkeerde pakt, of dat die of verkeerd staat.
S: ja ik moet hem die QR code, uh code moet ik hem sturen. [62]
De tekst van het door verdachte in dit telefoongesprek gedicteerde e-mailbericht komt overeen met de tekst die door [getuige 1] op de envelop was geschreven die zij aan de politie heeft overhandigd. [63]
[medeverdachte] is eigenaar van [bedrijf 2] . [64]
Op 20 mei 2022 is [getuige 1] als getuige gehoord. Verdachte had haar verteld dat de eigenaar van een pand geld van de verzekering zou krijgen en dat verdachte een deal heeft gemaakt om dit op te lossen, maar dat hij wel een deel van de centjes zou krijgen. Verdachte had [medeverdachte] gesproken en die had een opdracht voor hem. Verdachte is naar [medeverdachte] toe gegaan. [getuige 1] vroeg wat hij moest doen voor [medeverdachte] . Verdachte zei dat hij zijn pand in de fik moest steken, voor de verzekering. [medeverdachte] zou dan 2,5 miljoen krijgen en verdachte zou er 1,5 ton voor krijgen. Daarop zag ook het bericht van 4 april 2022. Tijdens dit verhoor heeft [getuige 1] ook verklaard dat verdachte had verteld dat hij een opdracht had gekregen om iemand te laten slapen. Voor het laten slapen zou verdachte 50k krijgen. [65]
Bewijsoverwegingen over voorbedachten rade
Voor het aannemen van voorbedachten rade moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om [slachtoffer] te doden. Verdachte moet niet hebben gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben gegeven.
Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte een opdracht heeft gekregen om voor € 50.000,00 [slachtoffer] van het leven te beroven.
Verdachte heeft voor de uitvoering in de ochtend van 11 april 2022 een mes meegenomen vanuit de woning van [getuige 1] in [plaats 8] . Het hof gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat het mes wellicht uit het vakantiehuisje van [slachtoffer] komt. [getuige 1] heeft het mes herkend als afkomstig uit haar bestekla. Zij mist ook een mes. Daarnaast is de band van [slachtoffer] door verdachte met ditzelfde mes lek gestoken, hetgeen is gebeurd voordat verdachte in het vakantiehuisje van [slachtoffer] was.
Voor de vaststelling dat verdachte voor het om het leven brengen van [slachtoffer] een bedrag van € 50.000,- zou krijgen, kent het hof belang toe aan het Teliogesprek dat plaatsvond tussen verdachte en [getuige 1] op 17 mei 2022, waarin verdachte zelf een e-mail aan [medeverdachte] heeft geciteerd met als inhoud dat een ‘losstaande levering’ ‘breuk heeft opgelopen’ en dat wordt verzocht om de eerste correcte levering van 150D. te voldoen. Het hof vat dit bericht zo op dat met de ‘losstaande levering’ die ‘breuk heeft opgelopen’ wordt gedoeld op de door verdachte op 11 april 2022 in Kerdriel gedane poging om [slachtoffer] om het leven te brengen, welke poging dus niet tot het beoogde resultaat heeft geleid. Het hof beziet het Teliogesprek van 17 mei 2022 nadrukkelijk in verband met het Whatsappgesprek tussen verdachte en [getuige 1] van 10 april 2022, waarin wordt gesproken over ‘€ 50.000,- extra’. Naar het oordeel van het hof wijst dit laatste gesprek erop dat verdachte na de brandstichtingen nog niet klaar was met het in opdracht van [medeverdachte] uitvoeren van klussen en volgt – wanneer het gesprek in samenhang wordt beschouwd met het Teliogesprek van 17 mei 2022 – uit het gesprek dat hij voor de moord op [slachtoffer] € 50.000,- zou krijgen. Dat verdachte nog niet klaar was met het uitvoeren van klussen voor [medeverdachte] blijkt daarnaast ook uit het feit dat hij, nadat alle branden reeds waren gepleegd, op 10 april 2022 om 15:01 uur appt dat hij nog een alibi nodig heeft voor vanavond/vannacht.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting bij het hof dat hij geen opdracht voor het om het leven brengen van [slachtoffer] heeft gekregen wordt weersproken door zijn (schriftelijke) uitlatingen voorafgaand aan de moordaanslag op [slachtoffer] en daarna.
Op basis van al het voorgaande oordeelt het hof dat verdachte met een vooropgezet plan om [slachtoffer] om het leven te brengen naar het vakantiepark in [plaats 6] is gegaan. Daarmee staat vast dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.
De overigens door de verdediging aangedragen argumenten [plaats 11] niet tot een ander oordeel.
Conclusie
Het hof acht het onder 10 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 4, 5, 6, 7 subsidiair, 8, 9 subsidiair en 10 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks16 februari 2022 te [plaats 2] ,
in elk geval in Nederland,opzettelijk brand heeft gesticht
in een bij een woning aan de [adres 3] geparkeerde personenauto, Volkswagen Golf (gekentekend [kenteken 3] ,
geheel of ten deletoebehorende aan [benadeelde 2] ,
althans aan een ander dan aan hem, verdachte, door
(delen van
)die personenauto te besprenkelen met een brandbare vloeistof en
(vervolgens
) die brandbare vloeistof en/of in aanraking te brengen met (open) vuur, althansvoornoemde personenauto in aanraking te brengen met
(open
)vuur, ten gevolge waarvan genoemd voertuig
geheel of gedeeltelijkis verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor de
naastgelegen woning (waarin de bewoners op dat moment aanwezig waren) en/of de zich daarin bevindende inboedel en/of dehouten schutting en
/ofeen naast voornoemd voertuig geparkeerde bedrijfsbus,
in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was
en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in voornoemde woning aanwezige bewoners, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2.
hij op
of omstreeks27 februari 2022 te [plaats 3] ,
in elk geval in Nederland,opzettelijk brand heeft gesticht
in een bij een bedrijfspand aan de [adres 2] geparkeerde bedrijfsbus, Volkswagen Transporter (gekentekend [kenteken 1] ),
geheel of ten deletoebehorende aan het bedrijf [bedrijf 1] ,
althans aan een ander dan aan hem, verdachte,door
(delen van) die bedrijfsbus al dan niet te besprenkelen met een brandbare vloeistof en/of gebruik te maken van een (in een doek gewikkeld) aanmaakblokje en/of (vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje, althansvoornoemde bedrijfsbus in aanraking te brengen met
(open
)vuur, ten gevolge waarvan genoemd voertuig
geheel of gedeeltelijkis verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor het naastgelegen bedrijfspand en
/ofde daarin aanwezige inboedel
, in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was;
4.
hij op
of omstreeks27 maart 2022 te [plaats 3] ,
in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht
in het bedrijfspand aan de [adres 1] , dat
geheel of ten deletoebehoorde aan [bedrijf 6] en
/ofin gebruik was bij [bedrijf 2] ,
althans aan of bij een ander dan aan hem, verdachte, door in
of nabijvoornoemd bedrijfspand
één ofmeerdere plaatsen te besprenkelen met een brandbare vloeistof (motorbenzine) en
/of (vervolgens
) die brandbare vloeistof in aanraking te brengen met (open) vuur, althans (delen van
)voornoemd bedrijfspand in aanraking te brengen met
(open
)vuur, ten gevolge waarvan voornoemd bedrijfspand en
/ofde voor dat bedrijfspand geparkeerde bedrijfsbus
geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor
het (de
)naastgelegen bedrijfspand
(en
)en
/ofde daarin aanwezige inboedel,
in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was;
5.
hij op
of omstreeks8 april 2022 te [plaats 3] ,
in elk geval in Nederland,opzettelijk brand heeft gesticht
in het bedrijfspand aan de [adres 2] , dat
geheel of ten deletoebehoorde aan [benadeelde 11]
.en
/ofin gebruik was bij [bedrijf 3] ,
althans aan of bij een ander dan aan hem, verdachte,door
de loopdeur en/of de roldeur van voornoemd bedrijfspand te besprenkelen met een brandbare vloeistof (motorbenzine) en/of (vervolgens) die brandbare vloeistof in aanraking te brengen met (open) vuur, althans(delen van) voornoemd bedrijfspand in aanraking te brengen met
(open
)vuur, ten gevolge waarvan
voornoemdede loopdeur en
/ofroldeur van voornoemd bedrijfspand
geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van dat bedrijfspand en
/of het(de
)naastgelegen bedrijfspand
(en
)en
/ofde daarin aanwezige inboedel,
in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was;
6.
hij op
of omstreeks10 april 2022 te [plaats 3] ,
in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht
in een aan [adres 6] (ter hoogte van perceel [nummer 1] ) geparkeerde personenauto, Hyundai Tucson (gekentekend [kenteken 4] ,
geheel of ten deletoebehorende aan [benadeelde 3] ,
althans aan een ander dan aan hem, verdachte,door
(delen van) die personenauto te besprenkelen met een brandbare vloeistof en/of een (in een doek gewikkeld) aanmaakblokje op (een band van) die personenauto te leggen en (vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje in aanraking te brengen met (open) vuur, althansvoornoemde personenauto in aanraking te brengen met
(open
)vuur, ten gevolge waarvan genoemd voertuig
geheel of gedeeltelijkis verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor een naast voornoemd voertuig geparkeerde personenauto, Suzuki Swift (gekentekend [kenteken 5] ,
in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was;
7. subsidiair
hij op
of omstreeks10 april 2022 te [plaats 3] ,
in elk geval in Nederland,opzettelijk en wederrechtelijk een aan de [adres 7] geparkeerde personenauto,
Opel Vectra (gekentekend [kenteken 6] ,
in elk geval enig goed, datdie
geheel of ten deleaan [bedrijf 4] toebehoorde en
/ofin gebruik was bij [benadeelde 9] ,
in elk geval aan een ander toebehoorde,heeft vernield
, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
8.
hij op
of omstreeks10 april 2022 te [plaats 4] ,
in elk geval in Nederland,opzettelijk brand heeft gesticht
in een naast een woning aan de [adres 8] geparkeerde personenauto Ford C-Max (gekentekend [kenteken 7] ),
geheel of ten deletoebehorende aan [benadeelde 4] ,
althans aan een ander dan aan hem, verdachte,door
(delen van) die personenauto te besprenkelen met een brandbare vloeistof en/of een (in een doek gewikkeld) aanmaakblokje op (een band van) die personenauto te leggen en (vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje in aanraking te brengen met (open) vuur, althansvoornoemde personenauto in aanraking te brengen met
(open
)vuur, ten gevolge waarvan genoemd voertuig
geheel of gedeeltelijkis verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor de naastgelegen woning en
/ofde zich daarin bevindende inboedel en
/ofeen naastgelegen bijgebouw en
/ofde zich daarin bevindende inboedel,
in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was;
9. subsidiair
hij op
of omstreeks10 april 2022 te [plaats 5] ,
in elk geval in Nederland,opzettelijk en wederrechtelijk een aan de [adres 9] (ter hoogte van perceel [nummer 2] geparkeerde bedrijfsauto Opel Vivaro (gekentekend [kenteken 2] ),
in elk geval enig goed, datdie
geheel of ten deleaan [bedrijf 5] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde, heeft vernield
, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
10. primair
hij op
of omstreeks11 april 2022 te [plaats 6] , gemeente [plaats 9] ,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met voornoemd opzet die [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en
(vervolgens
)die [slachtoffer] met een mes,
éénmaal ofmeerdere malen, met kracht, in de nek en
/ofde hals en
/ofde schouder en
/ofde rug en
/ofde borst heeft gestoken en
/of
toen zij ten val was gekomen, bovenop en
/ofvoorovergebogen over die [slachtoffer] heeft gezeten en
/of(daarbij) met kracht de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt
en/of het hoofd van die [slachtoffer] éénmaal of meerdere malen, met kracht, op of tegen de grond heeft geslagen/geduwd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
De kwalificatie
Het onder 1, 2, 4, 5, 6 en 8 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Het onder 7 subsidiair en 9 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het onder 10 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot moord.
Strafbaarheid van de feiten en strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 10 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dan wel uit noodweerexces, zodat verdachte ten aanzien van dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Door de verdediging is aangevoerd dat [slachtoffer] verdachte met een mes aanviel, waarop verdachte heeft geprobeerd het mes te neutraliseren en af te pakken. Verdachte en [slachtoffer] zijn beiden op de grond gevallen en in een worsteling geraakt, waarbij [slachtoffer] gewond is geraakt.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer(exces) toekomt.
Oordeel van het hof
Nu het hof reeds heeft vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van achteren met een mes heeft aangevallen en haar verschillende keren heeft gestoken en voorts dat verdachte vervolgens op [slachtoffer] is gaan zitten en haar keel heeft dichtgeknepen, is er naar het oordeel voor het hof geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte (noodweersituatie) waar hij zich tegen mocht verdedigen. Ook de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] ondersteunen verdachtes scenario niet. Het hof volgt bovendien niet de stelling van verdachte dat uit de toon van de appjes die [slachtoffer] kort voor het incident aan [medeverdachte] stuurt blijkt dat zij kort daarop hysterisch zou worden. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt aldus verworpen.
Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
Oplegging van straf
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren.
Standpunt van de verdediging
Voor het geval het hof tot een bewezenverklaring van onder meer poging tot moord komt, heeft de raadsvrouw verzocht om de op te leggen straf te matigen vanwege onder meer de vormverzuimen die zich rondom het horen van [getuige 1] hebben voorgedaan en de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast heeft verdachte verantwoordelijkheid genomen voor de branden die hij heeft gesticht, is er sprake van beperkte recidive en is er misbruik van verdachte gemaakt door [medeverdachte] , zodat de op te leggen straf ook om die redenen moet worden gematigd. Onder verwijzing naar verschillende uitspraken van feitenrechters waarin een veroordeling voor poging tot moord is uitgesproken, heeft de raadsvrouw verzocht om bij een zelfde bewezenverklaring als de rechtbank een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan verschillende zeer ernstige strafbare feiten. Zo heeft hij in opdracht van medeverdachte [medeverdachte] in de periode van februari 2022 tot en met april 2022 brand gesticht aan auto’s, bedrijfsbussen en panden met als doel om [medeverdachte] verzekeringsgeld uitgekeerd te laten krijgen. Verdachte zou voor het uitvoeren van de brandstichtingen een groot geldbedrag betaald krijgen en in die zin van de branden profiteren. Door het handelen van verdachte zijn eigendommen van anderen verwoest of schade aangedaan. Naast de materiële schade die is veroorzaakt, zorgen brandstichtingen en vernielingen zoals door verdachte gepleegd voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de slachtoffers in het bijzonder.
De dag na het plegen van de laatste vier brandstichtingen, heeft verdachte zich aan een poging tot moord schuldig gemaakt. In opdracht van medeverdachte [medeverdachte] is hij op 11 april 2022 naar het vakantiepark gegaan waar [slachtoffer] , de partner van die [medeverdachte] , verbleef. Voor het om het leven brengen van [slachtoffer] werd verdachte door [medeverdachte] een geldbedrag van € 50.000,- in het vooruitzicht gesteld. Nadat verdachte eerst een tijd rondom het vakantiehuisje van [slachtoffer] rondhing en met haar in gesprek was, heeft verdachte haar op een gegeven moment van achteren aangevallen. Verdachte heeft [slachtoffer] meerdere keren gestoken in haar nek, hals en borst, is op haar gaan zitten en heeft haar keel dichtgedrukt. Als gevolg van dit gewelddadige handelen van verdachte is [slachtoffer] ernstig gewond geraakt en heeft zij blijvend fysiek en langdurig psychisch letsel opgelopen. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij is gebleken dat [slachtoffer] nog dagelijks wordt geconfronteerd met de beperkingen die als gevolg van de steekpartij bij haar zijn ontstaan. Zo is er sprake van blijvende schade op neurologisch gebied, waardoor [slachtoffer] beperkt is in het gebruik van haar armen. Dagelijkse bezigheden zijn daardoor geen vanzelfsprekendheid meer. Ook beperkt het letsel haar in sterke mate in het kunnen zorgen voor haar twee kinderen. Daarnaast is er op psychiatrisch gebied sprake van een posttraumatische stressstoornis. Een deskundige heeft vastgesteld dat er sprake is van deels blijvende invaliditeit. Daarmee staat vast dat [slachtoffer] haar leven lang nog geconfronteerd zal worden met het leed dat is ontstaan door de aanslag op haar leven. Verdachte is hiervoor verantwoordelijk en het hof vindt het schokkend dat verdachte in staat is geweest om [slachtoffer] – een voor hem onbekende vrouw – dit soort geweld aan te doen uit financieel gewin voor hemzelf.
Gezien de aard en de ernst van het handelen van verdachte, is naar het oordeel van het hof strafrechtelijk gezien de oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende reactie.
Uit de Pro Justitia rapportages van [psychiater] van 12 maart 2025 en [psycholoog] van 25 februari 2025 volgt dat verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft, in die zin dat hij nooit een stabiel gezinsleven heeft gekend. Ook volgt uit de rapportages dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Een en ander heeft zijn handelen evenwel niet zodanig beïnvloed dat hij in enige mate verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Geadviseerd is om de tenlastegelegde feiten bij een bewezenverklaring volledig aan verdachte toe te rekenen. Het hof neemt dit advies over en acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar.
Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 22 december 2025 blijkt dat verdachte zich niet eerder aan vergelijkbaar ernstige strafbare feiten schuldig heeft gemaakt. De reeks aan ernstige strafbare feiten lijkt zich daarmee redelijk uit het niets te hebben voorgedaan.
Verdachte heeft hier ter terechtzitting in hoger beroep over verklaard dat hij in de periode van het tenlastegelegde financieel aan de grond zat. Verdachte had al eerder geld geleend van [medeverdachte] en zou nu voor de branden geld ontvangen. Dat verdachte niet veel geld te besteden had, valt naar het oordeel van het hof ook uit het dossier af te [plaats 11] . Wat betreft de aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op te leggen straffen, houdt het hof daarom rekening met hun onderlinge verhouding en gaat het hof ervan uit dat tussen hen een bepaalde afhankelijkheidsrelatie bestond waarin [medeverdachte] de overhand had. De genoemde afhankelijkheidsrelatie doet echter niet af aan het feit dat het uiteindelijk verdachte is geweest die uitvoering heeft gegeven aan meerdere zeer ernstige strafbare feiten en dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] onherstelbaar leed heeft toegebracht.
De rechtbank heeft verdachte tot een gevangenisstraf van zestien jaren veroordeeld. Het hof komt tot een zelfde bewezenverklaring als de rechtbank en is, alles afwegend, van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf passend is.
Het heeft lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is ingesteld op 20 juli 2023 en dit arrest wordt gewezen op 10 maart 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ongeveer twee jaren en zes maanden zijn verstreken. Aangezien verdachte in voorlopige hechtenis heeft verbleven, had de behandeling moeten plaatsvinden binnen een termijn van zestien maanden. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De overschrijding is deels te wijten aan het nadere onderzoek dat in hoger beroep op verzoek van de verdediging is uitgevoerd, maar het hof is van oordeel dat dit niet (volledig) voor rekening van de verdachte dient te komen, omdat het ook na afronding van het onderzoek lang heeft geduurd voordat er een zittingsdatum voor inhoudelijke behandeling is bepaald. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door zes maanden op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen.
Aan verdachte wordt een gevangenisstraf van vijftien jaren en zes maanden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 6)
De vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vordering bedraagt € 473,16 en bestaat uit materiële schade. De opgevoerde schadeposten zijn:
  • earbuds ter waarde van € 24,99;
  • een zonnebril ter waarde van € 261,25;
  • een buggy ter waarde van € 225,00;
  • zitverhogers ter waarde van € 31,97 en
  • een winterjas ter waarde van € 179,95.
De verzekering heeft een gedeelte van de schade vergoed, zodat een restant bedrag van € 473,16 resteert. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 473,16.
Verdachte is vanaf 2 januari 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 8)
De vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vordering bedraagt € 330,00 en bestaat uit materiële schade. De opgevoerde schadeposten zijn:
  • € 300,00 eigen bijdragen van de woonhuis- en inboedelverzekering;
  • € 30,00 tolkastje.
De rechtbank heeft de vordering integraal toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de opgevoerde kosten voor het eigen risico van € 300,00, omdat niet is onderbouwd dat de benadeelde partij die kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. De
€ 30,00 aan kosten voor het tolkastje kunnen wat de raadsman betreft worden toegewezen.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 8 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Op basis van de vordering en de daarbij gevoegde polisbladen is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit eigen bijdragen heeft moeten betalen van de woonhuis- en inboedelverzekering. Ook de schadepost met betrekking tot het tolkastje is voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering integraal wordt toegewezen.
Verdachte is vanaf 2 januari 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 10)
De vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vordering bedroeg in eerste aanleg € 1.185.032,60. De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag € 41.605,82. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd tot een bedrag van € 1.140.087,82.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de toekomstige kosten. Concreet komt dit neer op een bedrag van € 177.455,82.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard als het hof de verdachte zou ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair is de vordering betwist. De verweren worden hierna per onderdeel weergegeven.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 10 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De volgende schadeposten zijn opgevoerd:
Materiële schade
Medische kosten (inclusief toekomstige kosten)
Ziekenhuisdaggeldvergoeding
Reiskosten (inclusief toekomstige kosten)
Huishoudelijke hulp
Verlies aan zelfwerkzaamheid (periode april 2022-2068)
Verlies aan verdienvermogen (periode april 2022-2060)
Immateriële schade
Buitengerechtelijke kosten
De schadeposten worden hieronder achtereenvolgens behandeld. Na bespreking van alle schadeposten zal het hof concluderen tot welk bedrag de vordering wordt toegewezen.
(1)
Materiële schade
De gevorderde materiële schade bedraagt € 336,00 en bestaat uit kosten voor de kleding van de benadeelde partij die in het ziekenhuis is verwijderd en weggegooid (€ 250,00), reparatie van de armband van de benadeelde partij (€ 25,00), de aanschaf van een boodschappentrolley (€30,00) en het doorbetalen van een bromfietsverzekering (€ 31,10).
De verdediging heeft met betrekking tot deze schadepost aan het oordeel van het hof gerefereerd.
De materiële schade is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en niet betwist. Het hof zal de vordering voor dit deel dus integraal toewijzen.
(2)
Medische kosten
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.075,49 voor medische kosten gevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende schadeposten:
  • een bedrag van € 50,00 voor gaasjes, verband en vaseline;
  • een bedrag van € 40,00 voor een speciaal kussen voor haar arm;
  • een bedrag van € 35,00 voor een sling voor haar arm;
  • een bedrag van € 15,00 voor een plastic douchezak;
  • een bedrag van € 385,00 voor het eigen risico over 2022 voor diverse medische behandelingen;
  • een bedrag van € 65,00 voor paracetamol;
  • een bedrag van € 558,40 voor behandelingen door de fysiotherapeut die door de zorgverzekeraar niet zijn vergoed;
  • een bedrag van € 927,09 voor tandheelkundige zorg die niet is vergoed door de zorgverzekeraar;
  • een bedrag van € 1.092,00 aan medische kosten in 2023, 2024 en 2025 in verband met de betaling van het eigen risico van de zorgverzekering in die jaren en een eigen bijdrage voor taxivervoer voor bezoeken aan behandelend artsen.
De verdediging heeft zich met betrekking tot alle schadeposten gerefereerd aan het oordeel van het hof, met uitzondering van de schadepost ten aanzien van de tandheelkundige zorg en de medische kosten die zien op de periode van 2023 tot en met 2025. Met betrekking tot de kosten van tandheelkundige zorg is aangevoerd dat het geen feit van algemene bekendheid is dat er gaatjes ontstaan nadat iemand twee dagen op de intensive care heeft gelegen. De verdediging heeft betwist dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van feit 10 en heeft het hof verzocht om de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de medische kosten in 2023 tot en met 2025 onvoldoende is onderbouwd, omdat uit de stukken niet valt op te maken dat de benadeelde partij de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.
Het hof is van oordeel dat de schadeposten met betrekking tot de medische kosten, met uitzondering van de kosten voor de tandheelkundige zorg en de kosten uit 2023, 2024 en 2025, voldoende onderbouwd en redelijk zijn. De vordering wordt daarom toegewezen tot een bedrag van € 1.148,40.
De kosten voor de tandheelkundige zorg zijn, ook met de toelichting die in hoger beroep is gegeven, naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en dus niet aannemelijk geworden. De benadeelde partij wordt voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Ook de over 2023, 2024 en 2025 gevorderde kosten voor de betaling van het eigen risico en taxivervoer naar behandelend artsen komen naar het oordeel van het hof niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij wordt ook voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
(3)
Ziekenhuisdaggeldvergoeding
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 372,00 gevorderd, bestaande uit een vergoeding van € 31,00 per dag voor de 12 dagen en 11 nachten die zij in het ziekenhuis heeft moeten verblijven, conform de richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding van de Letselschade Raad.
De verdediging heeft zich met betrekking tot deze schadepost aan het oordeel van het hof gerefereerd.
De materiële schade is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en niet betwist. Het hof zal de vordering voor dit deel dus integraal toewijzen.
(4)
Reiskosten
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 4.285,00 gevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende schadeposten:
Ziekenhuis [ziekenhuis 1] [plaats 10] (totaal € 797,26)
  • een bedrag van € 100,00 voor parkeerkosten bij het [ziekenhuis 1] in [plaats 10] ;
  • een bedrag van € 528,00 voor reiskosten van de ouders van [slachtoffer] naar het [ziekenhuis 1] in [plaats 10] ;
  • een bedrag van € 37,26 voor reiskosten van de broer van [slachtoffer] naar het [ziekenhuis 1] in [plaats 10] ;
  • een bedrag van € 132,00 voor reiskosten van de vader van [slachtoffer] naar het [ziekenhuis 1] in [plaats 10] voor controleafspraken;
Revalidatie (totaal € 324,60)
  • een bedrag van € 264,00 voor reiskosten van de vader van [slachtoffer] naar de revalidatiekliniek in [plaats 10] ;
  • een bedrag van € 60,60 voor reiskosten van de broer van [slachtoffer] naar de revalidatiekliniek in [plaats 10] ;
Kosten taxivervoer (€ 598,48)
  • een bedrag van € 111,00 voor de eigen bijdrage voor het taxivervoer in 2022 dat voor het overige door de zorgverzekeraar is vergoed;
  • een bedrag van € 487,48 voor de eigen bijdrage voor het taxivervoer in 2023 dat voor het overige door de zorgverzekeraar wordt vergoed;
Ziekenhuis [ziekenhuis 2] (€ 284,40)
- een bedrag van € 284,40 voor reiskosten van de ouders van [slachtoffer] naar het [ziekenhuis 2] in [plaats 11] ;
Urenvergoeding (€ 745,00)
- een bedrag van € 745,00 voor bestede uren door de ouders, broer en dochter van [slachtoffer] ten behoeve van het vervoer van [slachtoffer] naar de behandelend artsen en de begeleiding daarbij. Bij het bepalen van de kosten voor de tijd die de ouders, broer en dochter van [slachtoffer] hebben gemaakt voor het besteden van tijd aan het vervoeren van [slachtoffer] naar de behandelend artsen en begeleiding is uitgegaan van een abstract tarief van € 10,00 per uur.
Kosten openbaar vervoer (€ 1.646,24)
  • een bedrag van € 44,60 voor reiskosten die [slachtoffer] heeft gemaakt door in de avond voorafgaand aan de pro forma-zittingen met het openbaar vervoer naar haar ouders te gaan;
  • een bedrag van € 39,24 voor reiskosten die [slachtoffer] heeft gemaakt door met haar twee kinderen met het openbaar vervoer naar een familiereünie in [plaats 2] te gaan, terwijl dit met de auto goedkoper zou zijn geweest;
  • een bedrag van € 1.116,00 voor reiskosten die [slachtoffer] tot 11 april 2023 heeft gemaakt om haar kinderen met het openbaar vervoer in [plaats 12] op te halen en naar [plaats 12] weg te brengen;
  • een bedrag van € 446,40 voor reiskosten die [slachtoffer] tot aan de datum van de uitspraak nog moet maken om haar kinderen met het openbaar vervoer in [plaats 12] op te halen en naar [plaats 12] weg te brengen.
Toekomstige reiskosten (€3.869,00)
- een bedrag van € 3.869,00 voor de reiskosten die [slachtoffer] in de periode van 2023 tot en met 2025 heeft moeten maken in verband met een zeer intensief behandeltraject in diverse ziekenhuizen.
Bij het bepalen van de reiskosten heeft de benadeelde partij aansluiting gezocht bij een kilometervergoeding van € 0,30 op grond van de richtlijn Kilometervergoeding van de Letselschade Raad.
De verdediging heeft zich voor een deel van de vordering aan het oordeel van het hof gerefereerd. De vordering is enkel op bepaalde punten betwist. Zo heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van:
  • de bestede uren door de broer en dochter van [slachtoffer] , nu onvoldoende is onderbouwd dat zij vrij hebben moeten vragen van hun werk voor deze bezoeken;
  • de extra reiskosten door met het openbaar vervoer naar de familiereünie te gaan, nu het causaal verband wordt betwist en de kosten in hoger beroep niet nader zijn onderbouwd;
  • de reiskosten voor het ophalen en wegbrengen van de kinderen met het openbaar vervoer tot 11 april 2023, nu het causaal verband wordt betwist, aangezien niet is onderbouwd dat de kinderen als gevolg van feit 10 uit huis zijn geplaatst;
  • de reiskosten voor het ophalen en wegbrengen van de kinderen met het openbaar vervoer tot de datum van de uitspraak, nu ook hiervan het causaal verband wordt betwist. De benadeelde partij heeft zich laten bijstaan door een gemachtigde en in dat geval komen de kosten niet meer voor vergoeding in aanmerking;
  • de reiskosten die in 2023 tot en met 2025 zijn gemaakt voor behandeltrajecten in diverse ziekenhuizen, nu die periode is verstreken en er geen overzicht is overgelegd van kosten die zijn gemaakt, zodat de verdediging zich daar niet over kan uitlaten.
Het hof is van oordeel dat de kosten onder de volgende schadeposten voldoende onderbouwd zijn en dat het aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij voor deze bedragen kosten heeft gemaakt. Deze schadeposten zijn niet betwist en de vordering wordt op deze punten toegewezen:
  • een bedrag van € 100,00 voor parkeerkosten bij het [ziekenhuis 1] in [plaats 10] ;
  • een bedrag van € 528,00 voor reiskosten van de ouders van [slachtoffer] naar het [ziekenhuis 1] in [plaats 10] ;
  • een bedrag van € 37,26 voor reiskosten van de broer van [slachtoffer] naar het [ziekenhuis 1] in [plaats 10] ;
  • een bedrag van € 132,00 voor reiskosten van de vader van [slachtoffer] naar het [ziekenhuis 1] in [plaats 10] voor controleafspraken;
  • een bedrag van € 264,00 voor reiskosten van de vader van [slachtoffer] naar de revalidatiekliniek in [plaats 10] ;
  • een bedrag van € 60,60 voor reiskosten van de broer van [slachtoffer] naar de revalidatiekliniek in [plaats 10] ;
  • een bedrag van € 111,00 voor de eigen bijdrage voor het taxivervoer in 2022 dat voor het overige door de zorgverzekeraar is vergoed;
  • een bedrag van € 487,48 voor de eigen bijdrage voor het taxivervoer in 2023 dat voor het overige door de zorgverzekeraar wordt vergoed;
  • een bedrag van € 284,40 voor reiskosten van de ouders van [slachtoffer] naar het [ziekenhuis 2] in [plaats 11] ;
  • een bedrag van € 565,00 voor bestede uren door de vader van [slachtoffer] ten behoeve van het vervoer van [slachtoffer] naar de behandelend artsen en de begeleiding daarbij.
Met betrekking tot de betwiste schadeposten overweegt het hof als volgt.
De raadsman heeft er met betrekking tot de bestede uren van de broer en dochter van [slachtoffer] op gewezen dat aanspraak wordt gemaakt op een abstracte vergoeding van de schade ter hoogte van het mantelzorgtarief voor de tijd die gepaard is gegaan met het bezoeken van mevrouw [slachtoffer] . Naar het oordeel van het hof komen deze kosten echter niet voor vergoeding in aanmerking. De verdediging heeft dit deel van de vordering betwist en het hof is met de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd heeft dat de broer en dochter van mevrouw [slachtoffer] vrij hebben moeten nemen van hun werk en daardoor kosten hebben moeten maken, los van hun reiskosten. De benadeelde partij wordt met betrekking tot dit deel van de schadepost dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De reiskosten die [slachtoffer] heeft gemaakt door met het openbaar vervoer naar haar ouders te gaan op de avonden voorafgaand aan de pro forma-zittingen komen op grond van het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414, niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien [slachtoffer] zich heeft laten bijstaan door een gemachtigde en niet in persoon heeft geprocedeerd.
De reiskosten ten behoeve van de familiereünie komen ook niet voor vergoeding in aanmerking, nu het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en deze kosten door de verdediging is betwist en ook onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal op dit punt dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Ook de reiskosten ten behoeve van het ophalen en wegbrengen van de kinderen met het openbaar vervoer komen naar het oordeel van het hof niet voor vergoeding in aanmerking, nu het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en deze kosten onvoldoende is onderbouwd. Uit de toelichting van de benadeelde partij blijkt onvoldoende dat het als gevolg van het bewezenverklaarde noodzakelijk is dat [slachtoffer] de kinderen ieder weekend met het openbaar vervoer ophaalt in [plaats 12] en hen aan het einde van het weekend ook weer wegbrengt naar [plaats 12] . De benadeelde partij wordt op dit punt dan niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de vordering ten aanzien van de reiskosten kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.569,74.
(5)
Huishoudelijke hulp
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 4.134,00 gevorderd, nu [slachtoffer] door het bewezenverklaarde niet meer in staat is de huishoudelijke taken te verrichten. De benadeelde partij heeft aansluiting gezocht bij de richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschade Raad voor de eerste 13 weken na het feit, uitgaande van het normbedrag dat geldt voor iemand die zwaar beperkt is en inwonende kinderen heeft die ouder zijn dan 5 jaar (€ 318,00 per week).
De verdediging heeft zich met betrekking tot deze schadepost aan het oordeel van het hof gerefereerd.
Het hof is van oordeel dat de kosten van deze schadepost voldoende onderbouwd zijn. De gevorderde schade komt het hof ook redelijk voor. De vordering wordt op dit punt integraal toegewezen.
(6)
Verlies aan zelfwerkzaamheid
In eerste aanleg heeft de benadeelde partij een bedrag van € 514,40 gevorderd voor kosten van verlies aan zelfwerkzaamheid tot de datum van de uitspraak, nu [slachtoffer] door het bewezenverklaarde niet meer in staat is onderhoud te verrichten aan haar woning en tuin. De benadeelde partij heeft aansluiting gezocht bij de richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschade Raad en gaat daarbij uit van een normbedrag van € 643,00, de omrekenfactor van een rijtjeshuis van 0,8 en een mate van beperking van 100 procent. [slachtoffer] is in 2023 verhuisd naar een appartement, zodat vanaf dat moment volgens de benadeelde partij van een normbedrag van € 677,00 en een omrekenfactor van 0,7 (flat of appartement) moet worden uitgegaan.
Daarnaast is een bedrag van € 948,00 gevorderd voor het verlies aan zelfwerkzaamheid in de periode van 2023 tot en met 2025.
Voor de periode van 2025 tot en met 2068 is een bedrag van € 23.901,00 gevorderd. Op basis van een deskundigenrapport is gebleken dat er voor de lichamelijke klachten een medische eindsituatie is bereikt en daarmee is volgens de benadeelde partij duidelijk dat mevrouw [slachtoffer] ook in de toekomst de werkzaamheden in en rond haar woning niet zelf kan verrichten. Indien het hof het te ver vindt gaan om de toekomstige schade toe te kennen, is verzocht om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid en is verzocht om in ieder geval een substantieel deel van deze toekomstschade toe te kennen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd waarom gekozen is voor het normbedrag dat geldt voor ‘alle onderhoud’. Er dient daarom gerekend te worden met het normbedrag dat geldt voor ‘weinig onderhoud’ van € 322,00 voor een klein appartement, zoals de rechtbank heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor de schadeposten na 11 april 2023.
Het hof is van oordeel dat de vordering met betrekking tot deze schadepost voor een deel kan worden toegewezen. Met de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat daarvoor aansluiting moet worden gezocht bij het normbedrag dat geldt voor ‘weinig onderhoud’. Mevrouw [slachtoffer] is beperkt in de mogelijkheid om onderhoud aan haar woning uit te voeren, maar niet is gebleken dat zij niet in staat is om enig onderhoud te verrichten, dan wel dat zij in het verleden al het onderhoud zelf verrichtte. Het hof stelt het schadebedrag met betrekking tot het verlies van zelfwerkzaamheid tot de datum van de uitspraak van de rechtbank als volgt vast:
  • voor de periode tot 11 april 2023 wordt uitgegaan van een normbedrag van € 322,00 en een omrekenfactor van 0,8 voor een rijtjeshuis. In totaal komt dit voor 2023 neer op een bedrag van € 257,60;
  • voor de periode van 11 april 2023 tot 11 juli 2023 (de datum van de uitspraak) wordt uitgegaan van een normbedrag van € 338,00 voor een huurwoning met tuin en weinig onderhoud en een omrekenfactor van 0,7 voor een appartement. In totaal komt dat neer op een bedrag van € 59,15.
In hoger beroep is namens de benadeelde partij een rapport van [deskundige] overgelegd, waaruit blijkt dat bij de benadeelde partij op neurologisch gebied sprake is van klachten en symptomen aan de accessorius (n XI) rechts, bovenste plexuslaesrie rechts en radialisletsel links. Sinds twee jaar zit er geen verbetering of verslechtering in de pijn. Het klinische beloop op neurologisch gebied wijst op het bestaan van een medische eindtoestand. Op psychiatrisch gebied is er sprake van een posttraumatische stressstoornis, waar nog geen medische eindtoestand voor is bereikt. De deskundige concludeert dat sprake is van een blijvende invaliditeit van 36%. De inhoud van het rapport is niet betwist en het hof gaat er op basis van het rapport vanuit dat [slachtoffer] in de periode van juli 2023 tot en met de datum van het arrest beperkt is in haar mogelijkheden om onderhoud uit te voeren op haar woning. Het hof stelt het schadebedrag met betrekking tot het verlies van zelfwerkzaamheid tot vanaf de datum van de uitspraak van de rechtbank tot de datum van het arrest als volgt vast:
  • voor de periode van 11 juli 2023 tot en met 31 december 2023 wordt uitgegaan van een normbedrag van € 338,00 voor een huurwoning met tuin en weinig onderhoud en een omrekenfactor van 0,7 voor een appartement. Voor vijf en een halve maand komt dat neer op een bedrag van € 108,44
  • voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 wordt uitgegaan van een normbedrag van € 359,00 voor een huurwoning met tuin en weinig onderhoud en een omrekenfactor van 0,7 voor een appartement. In totaal komt dit neer op een bedrag van € 251,30
  • voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 wordt uitgegaan van een normbedrag van € 383,00 voor een huurwoning met tuin en weinig onderhoud en een omrekenfactor van 0,7 voor een appartement. In totaal komt dit neer op een bedrag van € 268,10
  • voor de periode van 1 januari 2026 tot 11 maart 2026 wordt uitgegaan van een normbedrag van € 383,00 voor een huurwoning met tuin en weinig onderhoud en een omrekenfactor van 0,7 voor een appartement. Voor drie maanden komt dat neer op een bedrag van € 67,03.
De gevorderde kosten voor verlies van zelfwerkzaamheid die zien op de toekomst, komen naar het oordeel van het hof niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de omvang van die schade op dit moment niet met voldoende zekerheid te bepalen is, vanwege de onzekerheid in het herstel van het letsel van [slachtoffer] . Hoewel de deskundige er ten aanzien van het neurologische letsel op heeft gewezen dat er aanwijzingen zijn voor een medische eindtoestand, ziet de vordering op een lange periode en is voor die periode niet duidelijk hoe het klinische beloop van het letsel zal zijn. Bovendien is nog geen medische eindtoestand bereikt ten aanzien van het psychisch letsel. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de vordering ten aanzien van het verlies aan zelfwerkzaamheid kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.011,62. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
(7)
Verlies aan verdienvermogen
[slachtoffer] heeft per april 2022 ontslag genomen bij haar baan in de zorg en zou per 1 mei 2022 in dienst komen bij het bedrijf van [medeverdachte] . Nu [slachtoffer] in de periode van 1 mei 2022 tot april 2023 (11 maanden) niet heeft kunnen werken, is een bedrag van
€ 16.500,00 gevorderd aan verlies van verdienvermogen in die periode. De benadeelde partij is bij haar berekening uitgegaan van een gemiddeld salaris van € 1.500,00 netto per maand dat [slachtoffer] in haar functie in de zorg ontving.
Voor de periode van 11 april 2023 tot en met 11 juli 2023 waarin [slachtoffer] niet heeft kunnen werken, is een bedrag van € 4.500,00 gevorderd.
Voor de periode van 2023 tot en met 2025 is een bedrag van € 36.000,00 gevorderd. Daarnaast is een bedrag van € 938.731,00 gevorderd voor de periode van 2025 tot en met 2060.
In hoger beroep is nogmaals benadrukt dat het aannemelijk is dat [slachtoffer] na een echtscheiding met [medeverdachte] weer in de zorg zou zijn gaan werken. Uit het rapport van [deskundige] van 21 maart 2025 kan volgens de raadsman van de benadeelde partij worden geconcludeerd dat [slachtoffer] vanwege haar klachten en beperkingen niet meer in staat is om betaalde arbeid te verrichten, omdat zij haar handen en armen niet goed kan gebruiken. Gebleken is dat voor de lichamelijke klachten een medische eindsituatie is bereikt, zodat de kosten voor verlies aan verdienvermogen over de gehele periode voor toewijzing in aanmerking komen. Vaststaat dat zij in ieder geval ook in de periode van 2023 tot en met 2025 niet in staat is geweest om betaalde arbeid te verrichten. Verzocht is om bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen uit te gaan van een salaris van
€ 1.500,00. Subsidiair is verzocht om aan te sluiten bij de hoogte van de bijstandsuitkering van mevrouw [slachtoffer] , die € 1.046,73 bedraagt.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade onvoldoende onderbouwd is, nu [slachtoffer] geen werk had ten tijde van het bewezenverklaarde. Verder is niet concreet gemaakt dat zij zou gaan werken bij [medeverdachte] en wat zij dan zou gaan verdienen. Daarnaast komt uit het dossier naar voren dat [slachtoffer] vooral huisvrouw was en minder verdiende dan de gestelde € 1.500,00. Bovendien ontvangt zij sinds 21 juli 2022 een bijstandsuitkering. De verdediging betwist het causaal verband tussen het incident en de gevorderde schade en voert aan dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [slachtoffer] - als het incident wordt weggedacht - wel inkomsten over deze periode zou hebben gegenereerd. Daarnaast heeft de verdediging op het standpunt gesteld dat de schadepost van het verlies van verdienvermogen te complex is om binnen dit strafproces te beoordelen. Verzocht is om de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.
De gevorderde schade in verband met verlies aan verdienvermogen komt naar het oordeel van het hof niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de (verdere) behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Het hof is met de verdediging en de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [slachtoffer] zonder het bewezenverklaarde inkomsten zou zijn gaan genereren door betaalde arbeid te verrichten. Ten tijde van het bewezenverklaarde had [slachtoffer] geen werk en er is niets bekend over de functie die [slachtoffer] bij [medeverdachte] zou gaan vervullen en welk salaris zij hier mee zou gaan verdienen. Bovendien had [slachtoffer] zelf ontslag genomen bij haar vorige baan, dus koos zij er uit eigen beweging voor niet langer betaalde arbeid te verrichten. Daarnaast is het onduidelijk of de benadeelde partij in de toekomst in staat zal zijn om betaalde arbeid te verrichten. Hoewel er medisch gezien ten aanzien van de lichamelijke klachten een eindsituatie bestaat, valt het naar het oordeel van het hof niet uit te sluiten dat de benadeelde partij in de toekomst betaalde arbeid zal kunnen verrichten die binnen haar mogelijkheden ligt. Hierover zou nader partijdebat gevoerd moeten worden, al dan niet na benoeming van een deskundige die zich zou uitlaten over de omvang van de toekomstige schade. Uitvoering van dit nadere onderzoek en het houden van nader partijdebat vormen echter een te grote belasting van het strafproces. Gelet op dit alles zal het hof de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
(8)
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 100.000,00 aan smartengeld gevorderd. Op basis van het rapport van [deskundige] staat volgens de raadsman van de benadeelde partij vast dat het feit verstrekkende gevolgen heeft gehad voor het leven van [slachtoffer] . De huidige lichamelijke klachten en beperkingen in met name de armen en handen van [slachtoffer] zullen niet meer weggaan en er is sprake van een blijvend invaliditeitspercentage van 36%. Voor de vaststelling van het smartengeld is verwezen naar de Rotterdamse schaal. Volgens de benadeelde partij is er bij [slachtoffer] sprake van letsels die in ieder geval in vier categorieën vallen, te weten de categorie van zeer ernstig armletsel (met een bandbreedte van € 68.000,00 tot € 89.000,00), zwaar handletsel (met een bandbreedte van € 38.000,00 tot € 58.000,00), middelzware littekenvorming (met een bandbreedte van € 5.500,00 tot € 16.000,00) en ernstig psychisch letsel (categorie b, met een bandbreedte van € 16.000,00 tot € 41.000,00). Aangezien [slachtoffer] ten tijde van het feit 28 jaar oud was, moet er een opslag van 15% worden toegepast. Daarnaast is volgens de raadsman een opslag van 25% op zijn plaats vanwege de ernstige verwijtbaarheid. Rekening houdend met de meervoudigheid van de letsels, komt de benadeelde partij op basis van de Rotterdamse schaal op een smartengeldvergoeding van € 164.700,-. In eerste aanleg is een bedrag van € 100.000,00 gevorderd en nu dit bedrag in hoger beroep niet kan worden verhoogd, is verzocht om de ingediende vordering op dit punt integraal toe te wijzen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het letsel van [slachtoffer] past bij zeer ernstig nekletsel, zoals in categorie 5.1 (a II) van de Rotterdamse schaal genoemd. De voorbeelden die in deze categorie worden genoemd, te weten een blijvende aantasting aan de plexus brachialis, het niet goed kunnen bewegen van de nek en functieverlies in één of meer ledematen, passen volgens de verdediging goed bij het letsel van [slachtoffer] . Verzocht is om bij deze bandbreedte (€ 45.000,00 tot € 89.000,00) aan te sluiten. Het cumuleren van de letsels, zoals door de benadeelde partij is gedaan, is dan niet nodig.
Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding nu zij als gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft door toedoen van verdachte immers in de eerste plaats blijvend neurologisch letsel opgelopen, waaronder zenuwletsel, als gevolg waarvan zij onder meer beperkt is in het gebruik van haar ledematen. Daarnaast is er sprake van psychisch letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis. Zoals eerder aan de orde gekomen, volgt uit het deskundigenrapport van [deskundige] dat er sprake is van een blijvende invaliditeit van 36%.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en de aard en de ernst van het letsel is het hof van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] valt onder categorie 5.1a (Zeer) ernstig nekletsel, onder II van de Rotterdamse schaal. Het hof beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht een bedrag van € 75.000,00 voor dit letsel billijk.
De door de benadeelde partij opgelopen posttraumatische stressstoornis beschouwt het hof als het secundair letsel. De posttraumatische stressstoornis zoals bij de benadeelde partij is gediagnosticeerd, valt naar het oordeel van het hof onder categorie 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’ onder b ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Op basis daarvan is in beginsel een bedrag van € 37.500,00 billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een bedrag van € 17.500,00.
Het hof past de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 25% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel. Tot slot past het hof de aanbeveling toe om de bedragen te verhogen met 15%, omdat [slachtoffer] op 11 april 2022 een jongvolwassen vrouw was van 28 jaar oud.
Gezien het voorgaande komt het hof tot een vaststelling van een bedrag aan immateriële schade die het gevorderde bedrag van € 100.000,00 overschrijdt. De vordering kan in hoger beroep niet worden verhoogd en het hof wijst de vordering daarom toe tot het maximale bedrag dat is gevorderd, te weten € 100.000,00.
(9)
Buitengerechtelijke kosten
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.839,93 aan buitengerechtelijke kosten gevorderd. De kosten zijn gemaakt ter onderbouwing van de vordering.
De verdediging heeft zich met betrekking tot deze schadepost aan het oordeel van het hof gerefereerd.
Het hof is van oordeel dat deze schadepost voldoende onderbouwd is. De gevorderde schade komt het hof ook redelijk voor. De vordering wordt op dit punt integraal toegewezen.
(10) Conclusie, wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Het is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 10 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte tot een bedrag van
€ 112.411,69. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Het hof bepaalt dat verdachte over het toegewezen bedrag aan immateriële schade vanaf de datum van het arrest en over de overige schade vanaf 3 april 2023 wettelijke rente verschuldigd is.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
De beoordeling van het beslag
Het hof zal de teruggave van het Motorola telefoontoestel aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 57, 157, 289 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 7 primair en 9 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5, 6, 7 subsidiair, 8, 9 subsidiair en 10 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 4, 5, 6, 7 subsidiair, 8, 9 subsidiair en 10 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 (vijftien) jarenen
6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het Motorola telefoontoestel.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 473,16 (vierhonderddrieënzeventig euro en zestien cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 473,16 (vierhonderddrieënzeventig euro en zestien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 2 januari 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 8 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 330,00 (driehonderddertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 8 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 330,00 (driehonderddertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 2 januari 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 10 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 112.411,69 (honderdtwaalfduizendvierhonderdelfeuro en negenenzestig cent) bestaande uit
€ 12.411,69 (twaalfduizendvierhonderdelfeuro en negenenzestig cent) materiële schade en € 100.000,00 (honderdduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 10 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 112.411,69 (honderdtwaalfduizendvierhonderdelfeuro en negenenzestig cent) bestaande uit € 12.411,69 (twaalfduizendvierhonderdelfeuro en negenenzestig cent) materiële schade en € 100.000,00 (honderdduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 353 (driehonderd drieënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 april 2023.
Bepaalt de aanvangsdatum voor de immateriële schade op 10 maart 2026.
Dit arrest is gewezen door mr. D.R. Sonneveldt, mr. J. Corthals en mr. M. Zwartjes, in aanwezigheid van de griffier mr. B. van Leeuwen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.
Bijlage (de tenlastelegging)
Volledig luidt de tenlastelegging – na wijziging ter terechtzitting in eerste aanleg – aan verdachte dat:
Zaak met parketnummer 05-130756-22
1.
hij op of omstreeks 16 februari 2022 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht
in een bij een woning aan de [adres 3] geparkeerde personenauto,
Volkswagen Golf (gekentekend [kenteken 3] , geheel of ten dele toebehorende aan
[benadeelde 2] , althans aan een ander dan aan hem, verdachte,
door (delen van) die personenauto te besprenkelen met een brandbare vloeistof en
(vervolgens) die brandbare vloeistof en/of in aanraking te brengen met (open) vuur,
althans voornoemde personenauto in aanraking te brengen met (open) vuur,
ten gevolge waarvan genoemd voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor de naastgelegen woning (waarin de bewoners op dat moment aanwezig waren) en/of de zich daarin bevindende inboedel en/of de houten schutting en/of een naast voornoemd voertuig geparkeerde bedrijfsbus, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in voornoemde woning aanwezige bewoners, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2.
hij op of omstreeks 27 februari 2022 te [plaats 3] , in elk geval in Nederland, hij op of omstreeks 27 februari 2022 te [plaats 3] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht
in een bij een bedrijfspand aan de [adres 4] geparkeerde bedrijfsbus, Volkswagen Transporter (gekentekend [kenteken 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf [bedrijf 1] , althans aan een ander dan aan hem, verdachte,
door (delen van) die bedrijfsbus al dan niet te besprenkelen met een
brandbare vloeistof en/of gebruik te maken van een (in een doek gewikkeld)
aanmaakblokje en/of
(vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje,
althans voornoemde bedrijfsbus in aanraking te brengen met (open) vuur, ten gevolge waarvan genoemd voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor het naastgelegen bedrijfspand en/of de daarin aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
4.
hij op of omstreeks 27 maart 2022 te [plaats 3] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht
in het bedrijfspand aan de [adres 1] , dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 6] en/of in gebruik was bij [bedrijf 2] , althans aan of bij een ander dan aan hem, verdachte,
door in of nabij voornoemd bedrijfspand één of meerdere plaatsen te besprenkelen met een brandbare vloeistof (motorbenzine) en/of
(vervolgens) die brandbare vloeistof in aanraking te brengen met (open) vuur, althans (delen van) voornoemd bedrijfspand in aanraking te brengen met (open) vuur,
ten gevolge waarvan voornoemd bedrijfspand en/of de voor dat bedrijfspand geparkeerde bedrijfsbus geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor het(de) naastgelegen bedrijfspand(en) en/of de daarin aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
5.
hij op of omstreeks 8 april 2022 te [plaats 3] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht
in het bedrijfspand aan de [adres 2] , dat geheel of ten dele toebehoorde aan [benadeelde 11] . en/of in gebruik was bij [bedrijf 3] , althans aan of bij een ander dan aan hem, verdachte,
door de loopdeur en/of de roldeur van voornoemd bedrijfspand te besprenkelen met een brandbare vloeistof (motorbenzine) en/of (vervolgens) die brandbare vloeistof in aanraking te brengen met (open) vuur,
althans (delen van) voornoemd bedrijfspand in aanraking te brengen met (open) vuur, ten gevolge waarvan voornoemde loopdeur en/of roldeur van voornoemd bedrijfspand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van dat bedrijfspand en/of het(de) naastgelegen bedrijfspand(en) en/of de daarin aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
6.
hij op of omstreeks 10 april 2022 te [plaats 3] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht
in een aan [adres 6] (ter hoogte van perceel [nummer 1] ) geparkeerde personenauto,
Hyundai Tucson (gekentekend [kenteken 4] , geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , althans aan een ander dan aan hem, verdachte,
door (delen van) die personenauto te besprenkelen met een brandbare vloeistof en/of een (in een doek gewikkeld) aanmaakblokje op (een band van) die personenauto te leggen en (vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje in aanraking te brengen met (open) vuur,
althans voornoemde personenauto in aanraking te brengen met (open) vuur, ten gevolge waarvan genoemd voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een naast voornoemd voertuig geparkeerde personenauto, Suzuki Swift (gekentekend [kenteken 5] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
7. primair
hij op of omstreeks 10 april 2022 te [plaats 3] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht
in een voor een bedrijfspand aan de [adres 7] geparkeerde personenauto,
Opel Vectra (gekentekend [kenteken 6] ), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 4] en/of in gebruik bij [benadeelde 9] , althans aan of bij een ander dan aan hem, verdachte,
door (delen van) die personenauto te besprenkelen met een brandbare vloeistof en/of een (in een doek gewikkeld) aanmaakblokje op (een band van) die personenauto te leggen en (vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje in aanraking te brengen met (open) vuur,
althans voornoemde personenauto in aanraking te brengen met (open) vuur ten gevolge waarvan genoemd voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een nabij voornoemd voertuig gelegen bedrijfspand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
7. subsidiair
hij op of omstreeks 10 april 2022 te [plaats 3] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk en wederrechtelijk een aan de [adres 7] geparkeerde
personenauto,
Opel Vectra (gekentekend [kenteken 6] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [bedrijf 4] toebehoorde en/of in gebruik was bij [benadeelde 9] , in elk geval aan een ander toebehoorde,
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
8.
hij op of omstreeks 10 april 2022 te [plaats 4] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht
in een naast een woning aan de [adres 8] geparkeerde personenauto Ford C-Max (gekentekend [kenteken 7] ), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] ,
althans aan een ander dan aan hem, verdachte,
door (delen van) die personenauto te besprenkelen met een brandbare vloeistof en/of een (in een doek gewikkeld) aanmaakblokje op (een band van) die personenauto te leggen en (vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje in aanraking te brengen met (open) vuur,
althans voornoemde personenauto in aanraking te brengen met (open) vuur,
ten gevolge waarvan genoemd voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor de naastgelegen woning en/of de zich daarin bevindende inboedel en/of een naastgelegen bijgebouw en/of de zich daarin bevindende inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
9. primair
hij op of omstreeks 10 april 2022 te [plaats 5] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht
in een aan de [adres 9] (ter hoogte van perceel [nummer 2] geparkeerde bedrijfsauto
Opel Vivaro (gekentekend [kenteken 2] ), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 5] , althans aan een ander dan aan hem, verdachte,
door (delen van) die bedrijfsauto te besprenkelen met een brandbare vloeistof en/of een (in een doek gewikkeld) aanmaakblokje op (een band van) die bedrijfsauto te leggen en
(vervolgens) die brandbare vloeistof en/of dat (in een doek gewikkelde) aanmaakblokje in aanraking te brengen met (open) vuur,
althans voornoemde bedrijfsauto in aanraking te brengen met (open) vuur,
ten gevolge waarvan genoemd voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemde bedrijfsauto aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
9. subsidiair
hij op of omstreeks 10 april 2022 te [plaats 5] , in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een aan de [adres 9] (ter hoogte van perceel [nummer 2] geparkeerde bedrijfsauto Opel Vivaro (gekentekend [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [bedrijf 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
10. primair
hij op of omstreeks 11 april 2022 te [plaats 6] , gemeente [plaats 9] ,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,
met voornoemd opzet
die [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en (vervolgens) die
[slachtoffer]
met een mes, éénmaal of meerdere malen, met kracht, in de nek en/of de hals en/of de schouder en/of de rug en/of de borst heeft gestoken en/of
toen zij ten val was gekomen,
bovenop en/of voorovergebogen over die [slachtoffer] heeft gezeten en/of
(daarbij) met kracht de keel heeft dichtgedrukt en/of het hoofd van die
[slachtoffer]
éénmaal of meerdere malen, met kracht, op of tegen de grond heeft geslagen/geduwd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
10. subsidiair
hij op of omstreeks 11 april 2022 te [plaats 6] , gemeente [plaats 9] ,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
met voornoemd opzet
die [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en (vervolgens) die
[slachtoffer]
met een mes, éénmaal of meerdere malen, met kracht, in de nek en/of de hals en/of de schouder en/of de rug en/of de borst heeft gestoken en/of
toen zij ten val was gekomen,
bovenop en/of voorovergebogen over die [slachtoffer] heeft gezeten en/of
(daarbij) met kracht de keel heeft dichtgedrukt en/of het hoofd van die
[slachtoffer]
éénmaal of meerdere malen, met kracht, op of tegen de grond heeft geslagen/geduwd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
10. meer subsidiair
hij op of omstreeks 11 april 2022 te [plaats 6] , gemeente [plaats 9]
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere (diepe) steekwonden, nabij en/of in vitale organen en/of (slag)aderen en/of ernstige verwondingen aan het hoofd heeft toegebracht,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar gewond is geraakt en/of een (zeer) grote hoeveelheid bloed heeft verloren en/of
(daardoor) gedurende enige tijd in een comateuze toestand is geraakt en/of gebracht en/of neurologisch letsel heeft opgelopen,
immers heeft hij, verdachte,
die [slachtoffer] van achteren benaderd en (vervolgens) die [slachtoffer] met een mes, éénmaal of meerdere malen, met kracht, in de nek en/of de hals en/of de schouder en/of de rug en/of de borst gestoken en/of
toen zij ten val was gekomen,
bovenop en/of voorovergebogen over die [slachtoffer] gezeten en/of
(daarbij) met kracht de keel dichtgedrukt en/of het hoofd van die
[slachtoffer]
éénmaal of meerdere malen, met kracht, op of tegen de grond geslagen/geduwd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de [politie] , opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2022486141 (onderzoek COLO / ON5R022041), gesloten op 22 november 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
3.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , p. 2504 en 2505.
4.Het proces-verbaal van verhoor aangever [benadeelde 2] , p. 2506 en 2507.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2509-2519.
6.Het proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig (Volkswagen [kenteken 3] ), p. 2521-2523.
7.Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een brandstichting in [plaats 2] op 16 februari 2022’ van het NFI van 19 september 2022, p. 2531-2533.
8.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5] , p. 2305.
9.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2307-2311.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2561-2564.
11.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2535-2539.
12.Proces-verbaal verhoor [getuige 1] , p. 2022.
13.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 2829-2830, inclusief bijlage, p. 2874.
14.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
15.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
16.Het proces-verbaal van aangifte van [medeverdachte] , p. 2312.
17.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6] , p. 2382.
18.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2316-2319.
19.Het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ( [adres 1] [plaats 3] ), inclusief bijlagen, p. 2323-2366.
20.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
21.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7] , p. 2379.
22.Het proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, p. 2384-2389.
23.Een schriftelijk bescheid, te weten de ‘Verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een brand in [plaats 3] op 8 april 2022’ van 9 mei 2022, p. 2420-2423.
24.Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van een brandstichting in [plaats 3] op 9 april 2022’, p. 2426-2429.
25.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
26.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] , p. 2433.
27.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 8] , p. 2431.
28.Het proces-verbaal forensisch onderzoek voertuigen (Hyundai [kenteken 4] , Suzuki [kenteken 5] , p. 2444-2446.
29.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
30.Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 9] , p. 2455-2456.
31.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2461-2462.
32.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 2460.
33.Het proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig (Opel [kenteken 6] ), p. 2465-2466.
34.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
35.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] , p. 2480.
36.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 januari 2026.
37.Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 10] , p. 2476.
38.Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , p. 579-584.
39.Proces-verbaal pv camerabeelden [bedrijf 7] , p. 1259-1268.
40.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 547-548.
41.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 547-548; proces-verbaal van bevindingen, p. 47.
42.Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA onderzoek naar aanleiding van een steekincident in [plaats 6] op 11 april 2022’ van het NFI van 16 mei 2022, p. 1184-1191.
43.Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon, p. 802-803.
44.Een schriftelijk bescheid, te weten de ‘Letselrapportage forensische geneeskundige GGD regio [plaats 10] ’ van 19 april 2022, p. 823-848.
45.Een schriftelijk bescheid, te weten de ‘Letselrapportage forensische geneeskundige GGD regio [plaats 10] ’ van 19 april 2022, p. 823-848.
46.Het proces-verbaal verhoor aangever, p. 571.
47.Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 2825.
48.Het proces-verbaal beeldverslag camerabeelden [bedrijf 7] , p. 1215-1228.
49.Het proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek, p. 1194-1199.
50.Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA onderzoek naar aanleiding van een steekincident in [plaats 6] op 11 april 2022’ van het NFI van 16 mei 2022, p. 1184-1191; Het relaas proces-verbaal algemeen dossier, p. 15.
51.Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. 2011-2026.
52.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1812.
53.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1816.
54.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1817.
55.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1818.
56.Het proces-verbaal van inverzekeringstelling, p. 323.
57.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1819.
58.Het proces-verbaal zendmasten Ugchelen, p. 1317-1319.
59.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1790.
60.Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [naam 2] , p. 1820.
61.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1315.
62.Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van het tapgesprek van 17 mei 2022, p. 1882-1884.
63.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1917.
64.Het proces-verbaal van aangifte van [medeverdachte] , p. 2312.
65.Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. 2011-2026.