ECLI:NL:GHARL:2026:132

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
21-004827-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van strafoplegging en schadevergoeding in zaak van kinderporno met bijzondere voorwaarden

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte, geboren in 1985, is veroordeeld voor het vervaardigen, in bezit hebben en verschaffen van toegang tot kinderporno, en het heimelijk maken van foto’s en video-opnames van zijn minderjarige stiefdochter en de vriendin van zijn stiefzoon. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van twintig maanden opgelegd, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. Het hof heeft de strafoplegging herzien en een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf van 240 uren. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn gedeeltelijk toegewezen, waarbij de benadeelde partij [benadeelde 1] € 1.750 en [benadeelde 2] € 3.000 aan immateriële schadevergoeding toegewezen heeft gekregen. Het hof heeft bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een contact- en locatieverbod en toezicht door de reclassering. De verdachte heeft een pedofiele stoornis en ondergaat momenteel behandeling. Het hof heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers, en heeft geoordeeld dat de opgelegde straf passend is.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004827-24
Uitspraakdatum: 12 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 29 oktober 2024 met parketnummer 05-181548-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 22 december 2025 en 12 januari 2026 en op de zitting bij de rechtbank op 15 oktober 2024 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.G.J. Booij, de advocaten van de benadeelde partijen, mr. R. van Maaren en mr. E.H. Bokhorst en de wettelijke vertegenwoordigers van de slachtoffers hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft de verdachte voor het vervaardigen, in het bezit hebben en het verschaffen van toegang tot kinderporno en het heimelijk maken van foto’s en video-opnames veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] ad € 1750,-- volledig toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 3.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist ten aanzien van de bewezenverklaring, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de kwalificatie. Het hof zal het vonnis van de rechtbank in zoverre bevestigen.
Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. Het hof zal het vonnis vernietigen voor zover het dit onderdeel betreft en ook de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd de feiten bewezen te verklaren conform het vonnis van de rechtbank en verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarbij dienen de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd conform het vonnis, met dien verstande dat de adressen met betrekking tot de locatieverboden worden gewijzigd zoals verzocht door de benadeelde partijen.
De raadsman heeft verzocht de gevangenisstraf te beperken tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, dan wel met een beperkt onvoorwaardelijk deel van één of twee maanden zodat verdachte zijn werk en woning kan behouden en zich onverminderd kan inzetten voor de behandeling die hij ondergaat.
Bij het bepalen van de straffen houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft gedurende een periode van ruim vijf maanden heimelijk foto’s en video-opnames gemaakt van zijn minderjarige stiefdochter en op een gegeven moment ook van de minderjarige vriendin van zijn stiefzoon. Dit deed hij in de woning van zijn partner en stiefkinderen, waar hij zelf ook woonde. De slachtoffers waren dertien en vijftien jaar oud. Verdachte maakte stiekem foto’s en video’s terwijl de slachtoffers gekleed waren in de woonkamer, maar ook van hun naakte lichamen in de badkamer, terwijl zij zich omkleedden, douchten of naar het toilet gingen. Ook bewerkte hij een aantal foto’s door er seksueel getinte plaatjes en teksten bij te plaatsen.
Verdachte heeft hiermee op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de privacy en de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, in een kwetsbare fase van hun (seksuele) ontwikkeling. Daarbij heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn rol als stiefvader en het vertrouwen dat zijn partner, zijn stiefkinderen en de vriendin van zijn stiefzoon in hem hadden. In de schriftelijke slachtofferverklaringen is op treffende wijze verwoord welke impact het handelen van verdachte op hun levens en die van hun familie heeft. Dat het filmen en fotograferen stiekem gebeurde, in de woning waar verdachte door de familie was toegelaten en waar men zich bij uitstek veilig behoort te voelen, maakt het handelen van verdachte naar het oordeel van het hof bijzonder kwalijk. Hierbij past geen andere of lichtere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Voor het vervaardigen van kinderporno geldt als vertrekpunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en wanneer daarvan een gewoonte wordt gemaakt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Deze uitgangspunten zien op een andere situatie dan de feitelijke context in deze zaak. Het gaat hier om een wezenlijk andere vorm van het vervaardigen van kinderporno, nu de slachtoffers bij de vervaardiging geen betrokkenheid hebben gehad en op de foto’s en video’s geen seksuele handelingen zichtbaar zijn.
Voorts heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd.
Daarnaast heeft het hof gelet op het Uittreksel van de Justitiële Documentatie van 18 november 2025 waaruit volgt dat verdachte in 2013 onherroepelijk is veroordeeld wegens ontucht met zijn toenmalige stiefdochter, in een ander gezin, waarbij aan hem een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren is opgelegd.
Het hof kan niet voorbij gaan aan het feit dat ook nu een stiefdochter van de verdachte slachtoffer van hem is geworden en dat het voor de verdachte bij de heimelijke opnames om een seksuele beleving ging.
Ook heeft het hof gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies van 10 oktober 2024 en de aanvulling op dit advies van 18 december 2025. Hieruit blijkt dat het psychosociaal functioneren van verdachte wordt gezien als delictgerelateerde criminogene factor. Hij gebruikt seks als copingstrategie, is onzeker, heeft een laag zelfbeeld en is gesloten over zijn gevoelens en emoties. Om de spanningen en negatieve emoties die hieruit voortvloeien te kunnen reguleren, gebruikt hij seksuele spanning. Door met seks bezig te zijn, denkt hij in mindere mate aan onderliggende negatieve gevoelens en/of emoties. Hij heeft hierbij onvoldoende grip op zijn seksuele verlangens om zich te kunnen beheersen. Sinds oktober 2023 staat verdachte vrijwillig onder behandeling bij [kliniek] . Hier is betrokkene gediagnosticeerd met een pedofiele stoornis (het niet exclusieve type) en een andere niet-gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende trekken. De behandeling bij [kliniek] verloopt goed; verdachte is open in contact, komt zijn afspraken na en zet zich actief in voor behandeling. Verdachte erkent nu ook de pedoseksuele stoornis die bij hem is geconstateerd en toont sinds de ontdekking van deze misdrijven dat hij er alles aan wil doen om geen nieuwe slachtoffers te maken.
Anders dan in 2024, adviseert de reclassering in het aanvullend advies van 18 december 2025 aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden en acht interventies of toezicht niet (meer) nodig, omdat in een verplicht kader geen meerwaarde meer wordt gezien. De behandeling bij [kliniek] is de beschermende factor vanuit reclasseringsoptiek. De verdachte toont zich behandeltrouw en onderzoek van de reclassering heeft uitgewezen dat bij de verdachte sprake is van een lage kans op herhaling.
In afwijking van dit aanvullend advies van de reclassering van 18 december 2025, acht het hof het opleggen van bijzondere voorwaarden zoals eerder de rechtbank heeft gedaan in dit geval toch noodzakelijk. Het hof acht daarbij van doorslaggevend belang dat verdachte ondanks de signalen van zijn stiefdochter dat zij zich niet prettig voelde bij verdachte en ondanks het eerdere behandeltraject, die als bijzondere voorwaarde bij de veroordeling in 2013 was opgelegd, niet is gestopt met filmen en fotograferen en niet om hulp heeft gevraagd. Verdachte zal verder maximaal 2 keer per jaar inzage in zijn geautomatiseerde gegevensdragers moeten geven. Dat acht het hof gelet op de aard van verdachtes strafbare gedrag en zijn problematiek noodzakelijk en die frequentie biedt voldoende instrumenten om het toezicht door de reclassering naar behoren uit te oefenen, zonder dat daarbij inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte wordt gemaakt die verder gaat dan voor een effectieve uitvoering van het toezicht nodig is. Ook zal het hof ten behoeve van de slachtoffers als bijzondere voorwaarde een contact- en locatieverbod opleggen. De verdachte is bereid om deze bijzondere voorwaarden na te leven.
Vanwege de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof, ondanks de positieve signalen van de reclassering, het feit dat verdachte in zijn behandeling op constructieve wijze openheid van zaken heeft gegeven en meteen vrijwillig een behandelkader bij [kliniek] is aangegaan, niet worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of een gevangenisstraf met een beperkt onvoorwaardelijk deel van één of twee maanden, zoals door de verdediging bepleit. De eis van de advocaat-generaal acht het hof echter gelet op al het voorgaande hier ook niet aangewezen.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 1.750. De rechtbank heeft dit bedrag volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het volledig toewijzen van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft aangegeven dat verdachte in hoger beroep geen verweer zal voeren tegen de gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte, volledig bestaande uit immateriële schade.
De benadeelde partij heeft recht op een billijke vergoeding van haar immateriële schade indien zij op andere wijze in haar persoon is aangetast (artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder c BW). Op grond van het voorgaande en rekening houdend met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, met de gevolgen ervan voor de benadeelde partij en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof een bedrag van € 1.750 aan immateriële schadevergoeding redelijk en billijk. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Verdachte is vanaf 13 februari 2024 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag aan immateriële schade, zijnde de datum waarop de politie aan [benadeelde 1] de van haar gemaakte video heeft getoond.
Het hof ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 6.000. De vordering is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 3.000. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het volledig toewijzen van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft aangegeven dat verdachte zich kan vinden in de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 3.000.
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte heeft geleden.
De benadeelde partij heeft recht op een billijke vergoeding van haar immateriële schade indien zij op andere wijze in haar persoon is aangetast (artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder c BW). Op grond van het voorgaande en rekening houdend met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, met de gevolgen ervan voor de benadeelde partij – voor zover die het hof tot nu toe zijn gebleken – en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof en bedrag van € 3.000 aan immateriële schadevergoeding redelijk en billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige deel wordt de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Zij kan haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verdachte is vanaf 12 juli 2023 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag aan immateriële schade, zijnde de datum waarop [benadeelde 2] haar moeder heeft verteld over foto’s die de verdachte op die dag van haar heeft gemaakt.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 139f en 240b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat:
- de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of;
- de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie jaren) ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of;
- geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen,
dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland te [plaats] op het adres [adres] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich blijft laten behandelen door [kliniek] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- zijn medewerking verleent aan – onaangekondigde – controles van geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers. Verdachte werkt mee aan deze controle tijdens huisbezoeken. Deze medewerking bestaat mede uit het op verzoek van de reclasseringsmedewerker ter beschikking stellen of overhandigen van al zijn gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover verdachte in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd) voor een periode van maximaal 3 achtereenvolgende werkdagen en het toegang verlenen tot die gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden) aan de reclassering of aan de hierna te noemen, door de reclassering uit te nodigen, deskundige op digitaal gebied. Deze controles mogen gedurende de proeftijd van 3 jaren maximaal 2 keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controle is gericht op de vraag of de veroordeelde kinderpornografisch materiaal vermijdt en strekt niet verder dan dat. De controle strekt er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde. De reclassering kan voor de technische ondersteuning van de controle een deskundige op digitaal gebied meenemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Indien de door de reclassering meegenomen deskundige geen politieambtenaar betreft maar een externe partij is deze persoon tot geheimhouding verplicht. Bij de controle kan gebruik worden gemaakt van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum] 2010, zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op dit verbod;
- zich niet bevindt in de straat van de woning van de moeder van [benadeelde 2] aan de [adres] en niet in de straat van de woning van de vader van [benadeelde 2] aan de [adres] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op dit verbod;
-
zich niet bevindt in de straat van de school van [benadeelde 2] ( [school] ) aan het [adres] . Dit verbod geldt tot het einde van het schooljaar 2025/2026. Daarnaast bevindt verdachte zich niet in de straat van de toekomstige school van [benadeelde 2] ( [school] ) aan de [adres] . Dit verbod geldt met ingang van het schooljaar 2026/2027, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op dit verbod;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 2008, zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op dit verbod;
- zich niet bevindt in de straat van de woning van [benadeelde 1] aan de [adres] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op dit verbod.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 13 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 juli 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. B.A.A. Postma, voorzitter,
mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. Th.C.M. Willemse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Klein, griffier,
en op 12 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. B.A.A. Postma en mr. T.W.H.E. Schmitz zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.