ECLI:NL:GHARL:2026:1299

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
200.348.926
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:212 BWArt. 7:230o BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling materialen verbouwing op grond van ongerechtvaardigde verrijking

Appellant heeft materialen aangeschaft voor de verbouwing van een huis dat geïntimeerde bezit. Na een conflict is het contact verbroken en konden appellant en een derde geen gebruik meer maken van het huis. Appellant vordert betaling van de kosten van de materialen.

De kantonrechter wees de vordering af omdat er een redelijke grond zou zijn geweest voor de verrijking, namelijk het gebruiksrecht en de familieband. Het hof oordeelt echter dat deze redelijke grond is komen te vervallen door de verstoorde relatie en het feit dat appellant geen gebruik meer kon maken van het huis.

Het hof stelt vast dat geïntimeerde is verrijkt doordat zij kosten heeft bespaard doordat appellant de materialen heeft aangeschaft. De waardestijging van het huis kan in het midden blijven. De vordering wordt toegewezen tot het door appellant gevorderde bedrag van €25.000, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van €25.000 voor de materialen van de verbouwing wegens ongerechtvaardigde verrijking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.348.926
zaaknummer rechtbank Utrecht 10382213
arrest van 3 maart 2026
in de zaak van
[appellant] , h.o.d.n. [handelsnaam]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. H. Scheper
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. M.N. Mense

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] (hierna: [appellant] ) heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Utrecht, locatie Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 17 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 20 januari 2025 is gehouden.
Hierna heeft het hof arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] (hierna: [geïntimeerde] ) is de stiefdochter van [appellant] . [geïntimeerde] heeft een huis gekocht in [woonplaats3] . [appellant] heeft aan dit huis diverse verbouwingswerkzaamheden verricht. Hij heeft de benodigde materialen daarvoor ingekocht. In deze procedure vordert [appellant] betaling van die materialen door [geïntimeerde] .
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] aan hem een bedrag van € 25.000 betaalt, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat deze vordering alsnog wordt toegewezen.
2.4.
Het hof zal de vordering van [appellant] toewijzen en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De vaststaande feiten
3.1.
[appellant] is getrouwd met de moeder van [geïntimeerde] , mevrouw [naam] .
3.2.
[appellant] heeft in januari 2014 een studio in [woonplaats2] aangekocht, waarin [geïntimeerde] , die toen in [woonplaats2] studeerde, ging wonen. [geïntimeerde] is op een gegeven moment juridisch eigenaar van deze studio geworden. De studio is op 26 september 2019 door [geïntimeerde] verkocht. Daarbij werd een overwaarde gerealiseerd van ongeveer € 90.000,00. Van dit bedrag is € 80.000,00 gebruikt voor de aankoop van een nieuwe woning in [woonplaats3] (hierna: het huis). De koopprijs van het huis bedroeg € 225.000,00. [geïntimeerde] had met [appellant] en [naam] afgesproken dat zij in ieder geval in de weekenden en vakanties van het huis gebruik zouden mogen maken en als [geïntimeerde] voor werk in het buitenland zou verblijven.
3.3.
[appellant] , [naam] en [geïntimeerde] zijn in de periode van oktober 2019 tot augustus 2020 het huis gaan verbouwen. [appellant] heeft de materialen voor die verbouwing via zijn eenmanszaak ingekocht. In augustus 2020 is er een conflict tussen [geïntimeerde] en [naam] ontstaan. Het contact tussen [geïntimeerde] enerzijds en [appellant] en [naam] anderzijds is daarna grotendeels verbroken. [appellant] is toen gestopt met verbouwen. [appellant] en [naam] hebben geen gebruik gemaakt van het huis.
3.4.
Het huis is in februari 2021 getaxeerd op een bedrag van € 260.000,00.
3.5.
[geïntimeerde] heeft het huis vanaf het voorjaar in 2022 tot en met juli 2024 verhuurd voor een huurprijs van € 1.300,00 per maand. Daarna heeft zij het huis in juli 2024 verkocht voor een bedrag van € 360.000,00.
De vordering en de grondslagen daarvan
3.6.
[appellant] heeft betaling gevorderd van de materialen die hij heeft aangekocht voor de verbouwing van het huis. Hij heeft die vordering beperkt tot een bedrag van € 25.000,00. Aan deze vordering heeft [appellant] in hoger beroep ten grondslag gelegd dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat [geïntimeerde] de door [appellant] betaalde materialen zou terugbetalen. Daarnaast heeft [appellant] aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt. Verder heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat zijn vordering op grond van de redelijkheid en billijkheid zou moeten worden toegewezen.
3.7.
Het hof laat het antwoord op de vraag of partijen met elkaar hadden afgesproken dat [geïntimeerde] de door [appellant] betaalde materialen zou terugbetalen in het midden, omdat het hof van oordeel is dat de vordering van [appellant] reeds kan worden toegewezen op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Aan een beoordeling van de vraag of de vordering op grond van de redelijkheid en billijkheid zou moeten worden toegewezen, komt het hof daarom ook niet toe. Het oordeel van het hof berust op de navolgende gronden.
Het juridisch kader
3.8.
In artikel 6:212 BW Pro is bepaald dat hij, die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
Geen redelijke grond
3.9.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de gestelde verrijking niet ongerechtvaardigd is, omdat er een redelijke grond aanwezig was voor de verbouwing en de bekostiging van de daarvoor benodigde materialen door [appellant] . Die redelijke grond was er volgens de kantonrechter in gelegen dat [appellant] en [naam] gebruik zouden mogen maken van het huis en aldus profijt zouden hebben van het verbouwde huis in combinatie met de familieverhouding, waarbij beide partijen kosten hebben gemaakt.
3.10.
Met zijn vierde grief komt [appellant] op tegen dit oordeel, met het betoog dat de redelijke grond voor de verrijking is komen te vervallen, omdat de verhouding tussen partijen was gebrouilleerd, waardoor [appellant] en [naam] geen gebruik meer konden maken van het huis. Ook stelt [appellant] zich op het standpunt dat de familiaire relatie geen redelijke grond is voor de bekostiging van de materialen door hem.
3.11.
Het hof is het eens met [appellant] dat op het moment dat de redelijke grond voor een verrijking is komen te vervallen, deze verrijking alsnog ongerechtvaardigd is.
Tussen partijen is niet in geschil dat, voordat de verhoudingen verstoord raakten, [appellant] en [naam] slechts in het huis zijn geweest om daaraan verbouwingswerkzaamheden te verrichten. Volgens [geïntimeerde] wilde zij daarna de woning klaar maken voor de verhuur en heeft zij toen een derde opdracht gegeven om de verbouwingswerkzaamheden af te maken, zoals het laten plaatsen van (een extra deel van) de nieuwe keuken. In die periode is er bijna geen contact geweest tussen [geïntimeerde] en [naam] . Verder staat vast dat [geïntimeerde] vervolgens, vanaf het voorjaar in 2022, het huis is gaan verhuren en in juli 2024 heeft verkocht.
Daardoor hebben [appellant] en [naam] , anders dan aanvankelijk de bedoeling was, geen gebruik kunnen maken van het huis. Daarbij merkt het hof op dat partijen weliswaar een verschillende lezing geven over de precieze aanleiding voor de verstoorde verhoudingen tussen hen, maar dat zij het er beiden over eens zijn dat die verhoudingen verstoord zijn geraakt. [geïntimeerde] heeft weliswaar betwist dat het gebruik van het huis aan [appellant] en [naam] zou zijn ontzegd, maar zij heeft niet concreet onderbouwd hoe en op welke wijze dit gebruik na de gebrouilleerde verhoudingen nog zou kunnen plaatsvinden of zou hebben plaatsgevonden. Als gevolg van de verhuur en latere verkoop was het daarna ook feitelijk onmogelijk voor [appellant] en [naam] om in het huis te gaan verblijven.
3.12.
Nu er geen rechtvaardigingsgrond is voor een verrijking van [geïntimeerde] ten koste van [appellant] , slaagt de vierde grief van [appellant] . Daardoor komen de andere eerder betrokken stellingen van [appellant] ten aanzien van de ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde] aan de orde.
[geïntimeerde] is verrijkt
3.13.
[appellant] stelt dat [geïntimeerde] door de levering van de materialen is verrijkt, omdat de woning door de verbouwing is verbeterd én in waarde is gestegen. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een verrijking. Zij wijst er daarbij op dat het huis op het moment van aankoop bewoonbaar was en dat de waardestijging van het huis met een bedrag van € 35.000,00 in de periode oktober 2019 tot februari 2021 slechts het gevolg is geweest van de stijgende prijzen op de huizenmarkt.
3.14.
Het antwoord op de vraag of het huis in waarde is gestegen als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden die [appellant] heeft uitgevoerd, of dat deze waardestijging uitsluitend het gevolg is geweest van de ontwikkelingen op de woningmarkt, kan echter in het midden blijven, in verband met het volgende.
Uit de Parlementaire Geschiedenis voorafgaand aan de totstandkoming van artikel 6:212 BW Pro blijkt dat “
Behalve in een vermeerdering van het actief (…) een verrijking ook gelegen[kan]
zijn in besparing van kosten, afwending van schade, bevrijding van een schuld, enz.” [1] Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat van een ongerechtvaardigde verrijking van een van beide partners in een nadien verbroken relatie ook sprake kan zijn, indien en voor zover uitgaven ten behoeve van een verbouwing van een pand voor rekening van de ene partner zijn gekomen en de andere partner zich die uitgaven aldus heeft bespaard, ook al heeft die verbouwing niet tot een waardestijging van het pand geleid. [2]
Indien en voor zover [geïntimeerde] zich derhalve kosten heeft bespaard, doordat [appellant] de materialen voor de verbouwing van haar huis heeft aangeschaft, is sprake van een verrijking van [geïntimeerde] ten koste van [appellant] .
3.15.
[appellant] heeft ook gesteld dat de verbouwingswerkzaamheden zijn uitgevoerd voor het persoonlijk woongenot van [geïntimeerde] en dat dit wellicht niet direct tot uitdrukking komt in de waarde van de woning, maar dat [geïntimeerde] daar wel voordeel van heeft gehad. [geïntimeerde] vond namelijk de indeling/ badkamer op de bovenverdieping onlogisch en wenste dat aangepast te zien. Daarbij wees [appellant] er op dat tijdens de werkzaamheden een constructiefout aan het licht kwam, omdat de verdiepingsvloer onvoldoende ondersteund werd door dragende muren. Daardoor was het vervangen van de verdiepingsvloer noodzakelijk en heeft [appellant] deze verdiepingsvloer met twee balken voldoende dragend moeten maken.
3.16.
[geïntimeerde] heeft betwist dat de verbouwing voor haar persoonlijk woongenot was uitgevoerd. Volgens haar gebeurde dit slechts omdat [appellant] en [naam] dat zelf wensten. [appellant] heeft echter gewezen op whatsapp-berichten die hij en [geïntimeerde] met elkaar hebben uitgewisseld, waaruit het tegendeel blijkt. In die berichten valt onder meer te lezen:
[ [appellant] :]
“Super! Moet ik onthouden dat jij dat kunt. Maar het is wel duidelijk zo. Nu kun je aan het puzzelen hoe je boven zou willen.”(…)
[ [geïntimeerde] :]
“Ja lastig! Zou mooi zijn als je halletje had en dat je vanaf daar alles kunt bereiken”
Verder heeft [appellant] de door [geïntimeerde] gemaakte tekeningen van de bovenverdieping in deze procedure overgelegd.
3.17.
Uit deze berichten en tekeningen blijkt dat [appellant] aan [geïntimeerde] heeft gevraagd hoe zij de bovenverdieping wilde en niet andersom. Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen om nader te onderbouwen dat zij deze bovenverdieping niet wilde laten verbouwen, maar dat dit uitsluitend een wens was van [appellant] en/of [naam] . Dat heeft zij nagelaten. Uit de whatsapp-berichten blijkt ook niet dat [geïntimeerde] naar aanleiding van het verzoek van [appellant] om aan te geven hoe zij het “boven zou willen”, heeft aangegeven dat het huis wat haar betreft niet verbouwd hoefde te worden. Daarbij is van belang dat het huis op naam van [geïntimeerde] stond en dat zij zelf de zeggenschap had over wat er met het huis zou gebeuren en wat en hoe er verbouwd moest worden.
Bovendien heeft [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat het huis wel gedateerd was. Zij heeft tijdens deze mondelinge behandeling ook niet weersproken dat de keuken in het huis op haar verzoek moest worden vervangen, zodat ook de benedenverdieping verbouwd moest worden.
3.18.
Verder heeft [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd betwist dat er een constructiefout in het huis aanwezig was, en dat [appellant] om die reden de verdiepingsvloer alsnog voldoende dragend moest maken. Daarmee heeft zij zichzelf ook kosten bespaard, om de constructie van het huis deugdelijk te laten maken.
Dit geldt evenzeer voor de vernieuwing van de elektra in het huis, waaronder het plaatsen van een nieuwe meterkast.
3.19.
Dit alles leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] is verrijkt als gevolg van de materialen die [appellant] heeft aangeschaft ten behoeve van de verbouwing van haar huis.
Het bedrag van de verrijking van [geïntimeerde] ten koste [appellant]
3.20.
[geïntimeerde] heeft in eerste instantie het door [appellant] begrote bedrag van de door hem aangeschafte materialen betwist. Ook heeft [geïntimeerde] in haar conclusie van antwoord betwist dat alle materialen zoals opgevoerd door [appellant] ten behoeve van haar huis zouden zijn aangeschaft en verwerkt.
Daarna heeft [appellant] een nieuwe specificatie van de door hem voor het huis aangeschafte materialen en een berekening van de kosten daarvan overgelegd. De nieuwe berekening sluit op een bedrag van € 25.704,75. [appellant] heeft de door hem verrichte werkzaamheden, waarin de aangeschafte materialen zijn verwerkt, vermeld op een door hem gemaakt overzicht. Bovendien zijn deze werkzaamheden onderbouwd met foto’s. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] verklaard dat hij alle materialen die in de door hem gemaakte berekening zijn vermeld ook daadwerkelijk voor het huis heeft aangeschaft. Hij heeft ook toegelicht dat hij de materialen heeft aangeschaft (en niet [geïntimeerde] ) in verband met de inkoopvoordelen die hij als aannemer kon genieten.
[geïntimeerde] heeft de nieuwe berekening niet meer, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] slechts volstaan met de opmerking dat zij niet precies weet wat er aan materialen in het huis is gegaan.
Gelet op de specificatie van de in de berekening vermelde materialen, het door [appellant] gemaakte overzicht van de werkzaamheden en de overgelegde foto’s van de verbouwing, had echter een nadere onderbouwing van haar betwisting verwacht mogen worden. Nu die ontbreekt, gaat het hof uit van het door [appellant] berekende bedrag van € 25.704,75. Dat is het bedrag waarmee [geïntimeerde] is verrijkt ten koste van [appellant] . [appellant] heeft zijn vordering beperkt tot een bedrag van € 25.000,00, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.
Overige verweren van [geïntimeerde]
3.21.
[geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat zij zelf kosten heeft gemaakt om de woning bewoonbaar te krijgen nadat [appellant] het werk had neergelegd en dat de door haar gemaakte kosten in mindering moeten worden gebracht op de verrijking. Dat verweer berust kennelijk op de veronderstelling dat de verrijking bestaat uit de waardestijging. Hiervoor is toegelicht dat de verrijking van [geïntimeerde] is gelegen in een besparing van kosten. In die situatie is er geen reden door [geïntimeerde] gemaakte kosten daarop in mindering te brengen.
3.22. [geïntimeerde] heeft verder nog gesteld dat, als partijen een overeenkomst zouden zijn aangegaan, deze overeenkomst als consumentenovereenkomst zou moeten worden aangemerkt. Zij heeft daarbij aangevoerd dat [appellant] haar niet heeft gewezen op de bevoegdheid om te ontbinden (op grond van artikel 7:230o BW). Aan een beoordeling van dit standpunt komt het hof niet toe, omdat het bedrag dat [geïntimeerde] aan [appellant] moet betalen zal worden toegewezen op grond van ongerechtvaardigde verrijking en niet op grond van de gestelde overeenkomst tussen partijen.
Geen bewijslevering
3.23.
Het hof komt niet toe aan bewijslevering omdat datgene wat [geïntimeerde] te bewijzen heeft aangeboden, ook als dat bewezen zou kunnen worden, niet tot een andere conclusie kan leiden.
De conclusie
3.24.
Het hoger beroep slaagt. Omdat [geïntimeerde] ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten van de procedure in hoger beroep en van de procedure bij de kantonrechter betalen.
3.25.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Utrecht van 17 juli 2024 en beslist als volgt:
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
4.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] wat [appellant] op grond van het vonnis van 17 juli 2024 aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] tot aan de dag van terugbetaling;
4.4.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 693,00 aan griffierecht
€ 107,99 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 1.629,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] (3 procespunten x het toepasselijke tarief € 543,00)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
€ 798,00 aan griffierecht
€ 136,72 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 3.340,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief III)
4.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, G.D. Hoekstra en V. van der Kuil en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Parl. Gesch. BW Boek 6, 1981, p. 829
2.HR 05-09-2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4745