ECLI:NL:GHARL:2026:1295

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
200.336.506
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:73 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over omvang en uitoefening van erfdienstbaarheid van weg tussen buren

In deze civiele zaak staat een geschil tussen buren centraal over de omvang en wijze van uitoefening van een erfdienstbaarheid van weg, gevestigd bij akte van 19 januari 1996. De appellant vordert onder meer verwijdering van hekwerken die de weg versmallen, terugplaatsing van een hek, verwijdering van prikkeldraad, verkeersbord en camera, en betaling van een dwangsom en kosten. De geïntimeerden vorderen onder meer een verklaring voor recht over de inhoud van de erfdienstbaarheid met beperkingen op het gebruik door zware voertuigen.

Het hof bevestigt dat de inhoud van de erfdienstbaarheid primair wordt bepaald door de akte van vestiging, waarbij een objectieve uitleg leidend is. De akte bevat geen beperkingen op de breedte van de weg of het gebruik door zware voertuigen. Het hof oordeelt dat de door geïntimeerden geplaatste hekken de weg feitelijk versmallen en veroordeelt hen tot verwijdering en terugplaatsing van hekken binnen een ruime termijn, met een dwangsom bij niet-naleving.

Verder wijst het hof de vordering tot verwijdering van de drempel af, gelet op de verkeersveiligheid. De vordering tot verwijdering van de wildcamera wordt niet toegewezen, maar de camera aan het begin van de weg moet worden verwijderd of zodanig gericht dat geen opnames van personen worden gemaakt. Het hof kent ook vergoeding van buitengerechtelijke kosten en kosten van een grensreconstructie toe. Het hoger beroep van appellant slaagt grotendeels, dat van geïntimeerden faalt, en geïntimeerden worden veroordeeld tot betaling van proceskosten in beide instanties.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van appellant grotendeels toe en veroordeelt geïntimeerden tot verwijdering van hekwerken, betaling van kosten en dwangsom.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.336.506
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 384473
arrest van 3 maart 2026
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. M.L. Dingemans
en

1.[geïntimeerde1] en

2. [geïntimeerde2] (samen [geïntimeerden] , in mannelijk enkelvoud)
die wonen in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. J.J. Lammers

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 19 maart 2024 heeft op 7 mei 2024 een plaatsopneming met een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
1.2.
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de memorie van grieven tevens verduidelijking/wijziging van eis
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep tevens akte uitlating producties
1.3.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellante] en [geïntimeerden] zijn buren. Over het perceel van [geïntimeerden] loopt een weg en daarop rusten verschillende erfdienstbaarheden, onder andere ten behoeve van de percelen van [appellante] . Tussen hen is een geschil ontstaan over de inhoud en wijze van uitoefening van die erfdienstbaarheden.
2.2.
[appellante] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld
I. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis (primair) het in 2018 geplaatste hekwerk aan de noordkant van de weg te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel (subsidiair) het in 2018 geplaatste en eind 2019 uitgebreide hekwerk aan de noordzijde van de weg ter plaatse van het vier meter brede weidehek (dat toegang biedt tot het grasland in het westelijk deel) en ter plaatse van het verharde erf in het oostelijk deel te verwijderen en verwijderd te houden;
II. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het in 2018 verplaatste hekwerk aan de zuidkant van de weg terug te plaatsen op de oorspronkelijke plek;
III. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het prikkeldraad om de bovenste stang van het hekwerk aan de zuidkant te verwijderen en verwijderd te houden;
IV. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de drempel en het verkeersbord te verwijderen en verwijderd te houden;
V. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de camera aan het begin van de weg en de wildcamera te verwijderen en verwijderd te houden, althans ten aanzien van de camera aan het begin van de weg deze alleen op de inrit van de weg te richten en lager te hangen;
VI. tot betaling van een dwangsom van € 2.500.00 indien niet (tijdig) wordt voldaan aan het hiervoor gevorderde onder I tot en met V alsmede voor iedere overtreding van het hiervoor gevorderde onder I tot en met V nadien;
VII. in de buitengerechtelijke kosten van € 925,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
VIII. in de kosten van de grensreconstructie van € 485,00;
IX. in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen salaris advocaat en de nakosten;
X. tot betaling van de wettelijke rente over de kosten onder VII, VIII en IX wanneer deze niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis zijn betaald tot dc dag van volledige betaling.
2.3.
[geïntimeerden] heeft bij de rechtbank gevorderd:
Primair:
I. een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] de erfdienstbaarheid van weg zoals gevestigd bij akte van 19 januari 1996 ten behoeve van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding1] en ten laste van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding2] rechtsgeldig heeft verlegd conform de weergave op de kadastrale kaart overgelegd als productie 13 subsidiair productie 15;
Subsidiair:
II. een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg zoals gevestigd bij akte van 19 januari 1996 inhoudt het recht om te komen van en te gaan naar de [straatnaam1] ten behoeve van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding1] en ten laste van een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding2] , welk gedeelte aan de noord- en zuidkant is begrensd door hekwerken, en welk gedeelte een breedte heeft van circa 3,20 meter, met dien verstande dat het niet is toegestaan om gebruik te maken van de erfdienstbaarheid van weg met zware motorvoertuigen, behoudens incidenteel gebruik met kleine vrachtwagens en kleine tractoren;
III. veroordeling van [appellante] om de erfdienstbaarheid overeenkomstig de gegeven verklaring voor recht te eerbiedigen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of iedere keer dat [appellante] in strijd handelt met de gegeven verklaring voor recht tot een maximum van € 20.000,00;
Primair en subsidiair:
IV. veroordeling van [appellante] in de kosten van deze procedure, alsmede in de wettelijke rente over de totale kostenveroordeling vanaf twee weken na dit vonnis, respectievelijk de datum van betekening van het vonnis.
2.4.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] gedeeltelijk toegewezen en [geïntimeerden] veroordeeld om
  • het eind 2019 uitgebreide hekwerk aan de noordzijde van de weg ter plaatse van het vier meter brede weidehek, dat toegang biedt tot het grasland in het westelijk deel, en het verharde erf in het oostelijk deel te verwijderen en verwijderd te houden
  • binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het prikkeldraad om de bovenste stang van het hekwerk aan de zuidkant te verwijderen en verwijderd te houden
  • binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het verkeersbord te verwijderen en verwijderd te houden
  • binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de camera aan het begin van de weg te verwijderen en verwijderd te houden, althans deze zodanig te richten dat geen opnames kunnen worden gemaakt van personen die zich over de weg begeven van en naar de woning van [appellante] .
De rechtbank heeft de proceskosten in conventie gecompenseerd.
2.5.
De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerden] afgewezen en [geïntimeerden] in de proceskosten in reconventie veroordeeld.
2.6.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat het hof haar vorderingen alsnog allemaal toewijst, waarbij [appellante] haar subsidiaire vordering onder I heeft verduidelijkt in die zin dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld om het hekwerk aan de noordzijde van de weg ter plaatse van het vier meter brede weidehek (dat toegang biedt tot het grasland in het westelijk deel van [kadastrale aanduiding1] ) en ter plaatse van het verharde erf in het oostelijk deel van [kadastrale aanduiding1] integraal te verwijderen en verwijderd te houden, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.
2.7.
De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerden] is dat het hof het tussenvonnis van de rechtbank van 21 september 2022 en het eindvonnis van de rechtbank van 16 augustus 2023 in conventie bekrachtigt en in reconventie vernietigt voor zover die betrekking hebben op de subsidiaire vorderingen van [geïntimeerden] onder II en III en de vordering van [geïntimeerden] onder IV, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, waar nodig onder aanvulling of verbetering van gronden, de voornoemde vorderingen van [geïntimeerden] in reconventie alsnog toe te wijzen, en wanneer deze vorderingen niet alsnog worden toegewezen, primair, te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg zoals gevestigd bij akte van 19 januari 1996, inhoudt het recht om te komen van en te gaan naar de [straatnaam1] ten behoeve van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding1] en ten laste van een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding2] , over de thans bestaande weg, welke een breedte heeft van circa 3,10 meter of een in goede justitie te bepalen breedte, met dien verstande dat het niet is toegestaan om gebruik te maken van de erfdienstbaarheid van weg met zware motorvoertuigen, waaronder vrachtauto's, graafwerktuigen, tractoren die breder zijn dan 1,97 meter en zwaarder dan 1.820 kilo, behoudens het gebruik met kleine vrachtwagens en kleine tractoren, dan wel een in goede justitie te bepalen beperking ten aanzien van de grootte en zwaarte van de voertuigen waarmee de weg mag worden gebruikt, althans subsidiair, te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg zoals gevestigd bij akte van 19 januari 1996, inhoudt het recht om te komen van en te gaan naar de [straatnaam1] ten behoeve van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding1] en ten laste van een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding2] , over de thans bestaande weg, welke een breedte heeft van circa 3,10 meter of een in goede justitie te bepalen breedte, met dien verstande dat het niet is toegestaan om gebruik te maken van de erfdienstbaarheid van weg met zware motorvoertuigen waaronder vrachtauto's, graafwerktuigen, tractoren die breder zijn dan 1,97 meter en zwaarder dan 1.820 kilo, behoudens incidenteel gebruik, enkele keren per jaar, met dien verstande dat dit incidentele gebruik plaatsvindt na voorafgaand overleg met de rechthebbenden van [kadastrale aanduiding2] en met voorafgaande plaatsing van rijplaten geschikt voor dit zware verkeer, welke rijplaten na dit incidentele gebruik zo snel als redelijkerwijs mogelijk worden verwijderd en met dien verstande dat incidenteel gebruik van de weg met een kleine tractor met een aanhanger van maximaal 3.500 kg of een paardenwagen voor maximaal twee paarden, is toegestaan zonder overleg en het aanbrengen van rijplaten, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het arrest althans de veertiende dag na de datum van het arrest tot aan de dag van algehele voldoening.
2.8.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [appellante] grotendeels slaagt en het hoger beroep van [geïntimeerden] faalt. Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten waar het hof vanuit gaat
3.1.
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.21 van het tussenvonnis van 21 september 2022 de feiten vastgesteld. Daar zijn geen grieven (bezwaren) tegen gericht. Het hof gaat daarom van de door de rechtbank vastgestelde feiten uit. Voor de duidelijkheid zal het hof hierna de voor het hoger beroep belangrijke feiten herhalen en die aanvullen.
3.2.
[appellante] is eigenaar van de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding1] , [kadastrale aanduiding3] , [kadastrale aanduiding4] en [kadastrale aanduiding5] . [appellante] bewoont de woning gelegen op perceel
[kadastrale aanduiding3] , plaatselijk bekend als [adres1] te [woonplaats] . [appellante] is pachter van
een deel van het daarbij gelegen perceel met nummer [kadastrale aanduiding6] , dat in eigendom toebehoort aan
mevrouw [naam1] en plaatselijk bekend is als [adres2] .
3.3.
[geïntimeerden] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding2] . [geïntimeerden] bewoont de woning gelegen op het perceel, plaatselijk bekend als [adres3] te [woonplaats] .
3.4.
Het geschil tussen partijen heeft betrekking op hun vermeende rechten ten aanzien
van de (op de hierna afgebeelde kaart donker ingekleurde) weg die is gelegen op [kadastrale aanduiding2] , langs de gehele noordoostelijke erfgrens daarvan; ‘tussen’ de percelen [kadastrale aanduiding1] en [kadastrale aanduiding2] . Deze weg (hierna: de weg) ligt op het perceel van [geïntimeerden] en is de enige weg tussen perceel [kadastrale aanduiding3] en de [straatnaam1] , de openbare weg die is gelegen ten westen/noordwesten van de percelen [kadastrale aanduiding1] en [kadastrale aanduiding2] . Het noordwestelijk deel van [kadastrale aanduiding1] bestaat uit grasland en was in het verleden middels een circa vier meter breed weidehek (langs de zuidwestzijde) bereikbaar vanaf de weg. Het zuidoostelijk deel van [kadastrale aanduiding1] bestaat uit een verhard erf en was in het verleden niet voorzien van een hekwerk langs de zuidwestzijde.
3.5.
De kadastrale kaart hieronder geeft de ligging van de percelen ten opzichte van elkaar weer.
\
3.6.
In een notariële akte van 19 januari 1996 is een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van het perceel dat nu nummer [kadastrale aanduiding1] heeft en aan [appellante] toebehoort, ten laste van het perceel dat nu nummer [kadastrale aanduiding2] heeft en aan [geïntimeerden] toebehoort. Die erfdienstbaarheid is in de akte omschreven als de “
erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de [straatnaam1] op de thans bestaande wijze, zulks ten behoeve van het bij deze overgedragen gedeelte van het kadastraal perceel gemeente [gemeentenaam] [kadastrale aanduiding7] (plaatselijk bekend [adres1] te [woonplaats] ), en ten laste van het aan verkopers in eigendom verblijvende gedeelte van het kadastrale perceel gemeente [gemeentenaam] [kadastrale aanduiding7] (plaatselijk bekend [adres3] te [woonplaats] ).
3.7.
In een notariële akte van 15 april 2016 is een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van de percelen met de huidige nummers [kadastrale aanduiding6] , [kadastrale aanduiding5] en [kadastrale aanduiding4] en ten laste van het perceel van [geïntimeerden] . Die erfdienstbaarheid is in de akte omschreven als een “
erfdienstbaarheid van weg tet gebruik en ten nutte van het niet-verkochte deel van gemeld [kadastrale aanduiding8] en de percelen kadastraal bekend Gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding9] en [kadastrale aanduiding4] , (...) uit te oefenen langs de Noordwestzijde van het lijdend erf op de thans bestaande voet, welke uitweg een breedte moet hebben van drie en een halve meter.
3.8.
In een eerdere procedure tussen [appellante] en de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] heeft de rechtbank in een vonnis van 25 mei 2016 voor recht verklaard dat ten behoeve van perceel [kadastrale aanduiding3] en ten laste van het perceel van [geïntimeerden] door verjaring een erfdienstbaarheid van weg is ontstaan “
om te komen van en te gaan naar de openbare wegen [straatnaam2] on [straatnaam1] te [woonplaats] , ten gunste van het perceel van [appellante] en ten laste van een gedeelte van het perceel van [naam2][de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] , toevoeging hof]
, welk gedeelte is begrensd aan de noordkant door het perceel van [naam3][nu ook toebehorend aan [appellante] , toevoeging hof]
(kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding1] , aan de oostkant door het perceel van [appellante] (kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding3] ) en aan de zuidkant door een door [naam2] geplaatst hek en het perceel van [naam2] (kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding10] ) en welk gedeelte een breedte heeft van circa 3 meter en een lengte van circa 88 meter, met aldus een oppervlakte van circa 264 m2, met dien verstande dat het niet is toegestaan gebruik te maken van de erfdienstbaarheid van weg met zware motorvoertuigen, zoals vrachtwagens, tractoren, landbouwmachines en graafwerktuigen, behoudens incidenteel gebruik, enkele keren per jaar, met een tractor met aanhanger en een paardenwagen voor één of twee paarden.
3.9.
De procedure waar dit hoger beroep op ziet, heeft alleen betrekking op de notarieel gevestigde erfdienstbaarheid uit 1996 die hiervoor in 3.6 is omschreven.
3.10.
Op onderstaande foto is de weg te zien, gefotografeerd in de richting van het perceel van [appellante] . Op de foto is links [kadastrale aanduiding1] van [appellante] te zien en rechts de inrit naar het perceel van [geïntimeerden] .
De inhoud van de erfdienstbaarheid uit 1996
3.11.
Het hof stelt het volgende voorop. De inhoud van een erfdienstbaarheid en de wijze waarop deze mag worden uitgeoefend, worden volgens artikel 5:73 BW Pro primair vastgesteld aan de hand van de akte van vestiging. Bij de uitleg van de akte van vestiging is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad doorslaggevend wat de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling is, waarbij deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen. Deze uitleg dient te geschieden naar objectieve maatstaven, in het licht van de gehele inhoud van de akte. Dit betekent dat niet wordt gekeken naar wat partijen subjectief hebben bedoeld, maar naar wat uit de tekst van de akte en de context daarvan objectief blijkt. Als de akte van vestiging niet voldoende duidelijkheid biedt over (delen van) de inhoud of de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid, dan wordt gekeken naar de plaatselijke gewoonte. Als ook de plaatselijke gewoonte geen uitsluitsel biedt, is beslissend op welke wijze de erfdienstbaarheid te goeder trouw en zonder tegenspraak gedurende langere tijd is uitgeoefend.
3.12.
Toegespitst op deze zaak, moet het hof beoordelen of ‘
op de thans bestaande wijze’ in de akte van 19 januari 1996 aan de hand van een objectieve uitleg voldoende duidelijkheid biedt voor het vaststellen van de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze waarop deze mag worden uitgeoefend. Daarbij neemt het hof tot uitgangspunt dat die woorden betrekking hebben op het feitelijk gebruik dat van de weg werd gemaakt op het moment van vestigen van de erfdienstbaarheid. De partijbedoeling zoals die is vastgelegd in de vestigingsakte ziet op dit feitelijk gebruik en voor de uitleg van de akte van 19 januari 1996 is meer dan alleen het doel van (vestiging van) de erfdienstbaarheid van belang. De eerste grief van [appellante] slaagt daarom. Niet in geschil is dat de weg waarop de erfdienstbaarheid betrekking heeft, is aangelegd in 1993 en sindsdien niet is aangepast. Een objectieve uitleg van de akte van 19 januari 1996 brengt mee dat bedoeld is een recht van uitweg te vestigen over de op dat moment bestaande weg. In de akte van vestiging zijn geen beperkingen opgenomen met betrekking tot (de frequentie van) het gebruik van die weg of de (breedte of zwaarte van de) voertuigen waarmee over die weg gereden mag worden. Een objectieve uitleg van de vestigingsakte kan daarom niet leiden tot de door [geïntimeerden] gevorderde beperkingen in het gebruik van de erfdienstbaarheid. [geïntimeerden] heeft nog gesteld dat de woorden ‘
op de thans bestaande wijze’ verwijzen naar de wijze waarop ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid van de weg gebruik werd gemaakt. Uit de in de akte van vestiging opgenomen bewoordingen kan het hof niet afleiden op welke wijze er van de weg gebruik werd gemaakt. Een objectieve uitleg kan daarom alleen leiden tot de vaststelling dat de uitweg om te komen van en te gaan naar de [straatnaam1] liep over de toen al bestaande weg. Volgens [geïntimeerden] blijkt uit de verklaringen van [naam4] dat zijn schoonvader [naam5] (de rechtsvoorganger van [geïntimeerden] ) niet wilde dat er met zwaar verkeer over de weg werd gereden. Die subjectieve bedoeling van [naam5] kan het hof niet met een objectieve uitleg uit de bewoordingen van de akte van 19 januari 1996 afleiden. Omdat het hof de inhoud van de erfdienstbaarheid op basis van de akte van vestiging voldoende kan bepalen, komt het hof niet toe aan uitleg van de erfdienstbaarheid op basis van de plaatselijke gewoonte of de wijze waarop de erfdienstbaarheid te goeder trouw zonder tegenspraak is uitgeoefend.
Versmalling van de weg / verwijdering hekken
3.13.
Vast staat dat [geïntimeerden] in 2018 en 2019 aan de noordzijde van de weg een nieuw hek heeft geplaatst en aan de zuidzijde van de weg een bestaand hek heeft verplaatst.
Volgens [appellante] heeft [geïntimeerden] daarmee de weg versmald en dienen deze hekken om die reden te worden verwijderd. Volgens [geïntimeerden] zijn de hekken geplaatst langs de breedte van de weg zoals daarin was voorzien in de erfdienstbaarheid en mogen deze dus blijven staan. [geïntimeerden] heeft gesteld dat de weg op het moment van vestiging een breedte had van 3,20 meter. Het hof beslist dat [geïntimeerden] dit onvoldoende heeft onderbouwd. Dat ten tijde van de plaatsopneming door het hof de weg ter hoogte van de inrit van het perceel van [geïntimeerden] een breedte had van 3,13 meter is daarvoor onvoldoende. Tijdens de plaatsopneming is gemeten dat de breedte van de weg tussen de huidige, door [geïntimeerden] geplaatste hekken aan de noord- en de zuidzijde 3,10 meter is (zie foto 9 van het proces-verbaal). De raadsheer-commissaris heeft echter ook geconstateerd dat de palen van beide hekken door [geïntimeerden] in de bestaande bestrating zijn gezet (zie foto’s 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11 en 12 van het proces-verbaal). Ook heeft de raadsheer-commissaris vastgesteld dat het huidige hek door [geïntimeerden] aan de noordzijde op 10 tot 30 centimeter afstand van het oorspronkelijke hek aan de noordzijde is geplaatst (zie foto’s 14, 15 en 17 van het proces-verbaal), dichter bij de weg. Uit foto’s 18 en 19 van het proces-verbaal blijkt dat de weg tussen het hek aan de zuidzijde en het oorspronkelijke hek aan de noordzijde, gemeten aan de oostzijde van het weidehek, 3,60 meter breed is. Uit (de foto’s bij) het proces-verbaal van plaatsopneming volgt ook dat de raadsheer-commissaris heeft geconstateerd dat de weg door het plaatsen van het hek aan de noordzijde en het verplaatsen van het hek aan de zuidzijde feitelijk is versmald, zoals ook de rechtbank in 4.9 van het tussenvonnis van 21 september 2022 heeft beslist. [geïntimeerden] heeft in zijn memorie van antwoord nog betwist dat de hekken op of in de weg zijn geplaatst en dat met het (ver)plaatsen van de hekken de weg is versmald, maar gelet op de constateringen van de raadsheer-commissaris tijdens de plaatsopneming zoals die blijken uit het proces-verbaal vindt het hof die betwisting onvoldoende onderbouwd en daarom gaat het hof daaraan voorbij. Aan bewijslevering komt het hof dan niet toe.
3.14.
Het hof stelt verder vast dat uit de stellingen van [geïntimeerden] niet volgt dat een objectieve uitleg van de akte van 19 januari 1996 meebrengt dat partijen hebben bedoeld een erfdienstbaarheid te vestigen met een maximale breedte van 3,20 (zoals [geïntimeerden] stelt in punt 26 van de memorie van antwoord), 3,13 meter (zoals is gemeten tijdens de plaatsopneming), of 3,10 (zoals is gemeten op foto 9 van het proces-verbaal van plaatsopneming en [geïntimeerden] vermeldt in de verklaringen voor recht die hij in hoger beroep vordert). Zoals het hof hiervoor heeft beslist, volgt uit de akte van vestiging geen beperking in de breedte van de erfdienstbaarheid, anders dan dat het recht van uitweg moet worden uitgeoefend over de weg. Ook staat vast dat de breedte van de weg door de (ver)plaatsing van de hekken is verminderd. Dat de weg volgens [geïntimeerden] nu 3,13 meter breed is en dat volgens hem de weg door gebruik enkele centimeters breder zal zijn geworden, waardoor de weg volgens [geïntimeerden] oorspronkelijk ongeveer 3 meter breed moet zijn geweest, brengt niet mee dat (het gebruik van) de erfdienstbaarheid in afwijking van de bewoordingen van de akte van 19 januari 1996 alsnog in de breedte beperkt moet worden tot minder dan de bestaande wegbreedte. Ook kan de stelling dat de weg door het gebruik daarvan enkele centimeters breder is geworden niet rechtvaardigen dat [geïntimeerden] met het (ver)plaatsen van de hekken de weg feitelijk mocht versmallen op de wijze zoals hij heeft gedaan. Aan het bewijsaanbod van [geïntimeerden] met betrekking tot de breedte van de weg komt het hof daarom niet toe.
3.15.
Het hof zal de vordering tot verwijdering van het hekwerk aan de noordzijde van de weg en verplaatsing van het hekwerk aan de zuidzijde van de weg alsnog geheel toewijzen zoals door [appellante] in hoger beroep gevorderd. Wel zal het hof [geïntimeerden] een ruimere termijn gunnen om aan die veroordelingen te voldoen, zodat [geïntimeerden] voldoende gelegenheid heeft om hiervoor een bedrijf in te schakelen.
Geen beperking ten aanzien van zware voertuigen
3.16.
Volgens [geïntimeerden] omvat de erfdienstbaarheid niet het gebruik van zware voertuigen over de weg en [geïntimeerden] wenst deze beperking in hoger beroep alsnog vastgelegd te zien. Naar aanleiding van de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht hebben partijen diverse stellingen ingenomen over de manier waarop van de erfdienstbaarheid gebruik is gemaakt na het vestigen daarvan in 1996. Die stellingen gaan in het bijzonder over de vraag of er ook met zware (landbouw) voertuigen over de weg is gereden. Het hof oordeelt dat de manier waarop van de erfdienstbaarheid gebruikt is gemaakt nadat deze is gevestigd, in dit geval niet van belang is voor het bepalen van de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan aan de hand van een objectieve uitleg van de bewoordingen van de vestigingsakte. Ook als er niet of slechts beperkt van de erfdienstbaarheid gebruik is gemaakt met vrachtwagens of zware en/of brede landbouwvoertuigen, brengt dat niet mee dat alleen al daarom een dergelijk gebruik op grond van de akte van vestiging van 19 januari 1996 niet is toegestaan. Aan het bewijsaanbod van [geïntimeerden] (inhoudende dat de erfdienstbaarheid zo moet worden uitgelegd dat niet met zware motorvoertuigen over de weg mag worden gereden) komt het hof niet toe, omdat [geïntimeerden] onvoldoende heeft onderbouwd dat een objectieve uitleg van de akte van vestiging een dergelijke beperking in het gebruik omvat. Dit onderdeel van het hoger beroep van [geïntimeerden] slaagt dus niet.
De drempel
3.17.
De rechtbank heeft beslist dat [geïntimeerden] een gerechtvaardigd belang heeft bij het treffen van maatregelen die de snelheid van het verkeer over de weg ter hoogte van de uitgang van zijn perceel beperken. Verder heeft de rechtbank beslist dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat de drempel schade veroorzaakt of strijdig is met enige ten aanzien van een particuliere weg toepasselijke regel.
3.18.
[appellante] stelt in hoger beroep dat de verkeersveiligheid niet in geding is en dat de drempel op een overzichtelijk punt ligt. Verder stelt [appellante] dat er niet te hard wordt gereden. Daarnaast had [geïntimeerden] kunnen volstaan met het plaatsen van een verkeersspiegel. Ten slotte wijst [appellante] er in hoger beroep op dat de drempel is geplaatst na de uitgang van het perceel van [geïntimeerden] , zodat alleen [appellante] daarvoor moet afremmen.
3.19.
Het hof is met de rechtbank eens dat de drempel niet hoeft te worden verwijderd. Uit de situatie ter plaatse (zie foto 3 van het proces-verbaal van 7 mei 2024 en de foto die is opgenomen in 3.10 van dit arrest) volgt dat het uitzicht komend vanaf het perceel van [geïntimeerden] , kijkend in de richting van het perceel van [appellante] , beperkt is. Dat de verkeersveiligheid ermee gebaat is dat de snelheid van verkeer vanaf het perceel van [appellante] kort voor de uitgang van het perceel van [geïntimeerden] wordt beperkt, is daarmee ook voor het hof duidelijk. Waarom daar anders over geoordeeld zou moeten worden, heeft [appellante] onvoldoende uitgelegd. Dit brengt ook mee dat de drempel moet liggen na de uitgang van het perceel van [geïntimeerden] en niet ervoor. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom van [geïntimeerden] verwacht mag worden dat hij met het plaatsen van een spiegel genoegen neemt. Die maatregel leidt op zichzelf niet tot een verlaging van de snelheid van verkeer, komend vanaf het perceel van [appellante] . Kortom, dit onderdeel van het hoger beroep van [appellante] slaagt niet.
De camera
3.20.
De rechtbank heeft beslist dat [geïntimeerden] de camera aan het begin van de weg moet verwijderen, althans zodanig moet richten dat geen opnames kunnen worden gemaakt van personen die zich over de weg begeven van en naar de woning van [appellante] . De vordering tot verwijdering van de wildcamera van [geïntimeerden] heeft de rechtbank afgewezen.
3.21.
Het hof leest in de memorie van grieven van [appellante] geen (voor het hof en voor [geïntimeerden] ) kenbare grief tegen de afwijzing van de vordering tot verwijdering van de wildcamera. [geïntimeerden] heeft nog te bewijzen aangeboden dat de camera’s niet op het perceel van [appellante] zijn gericht, maar het hof komt niet aan dat bewijs toe. [geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis dat de rechtbank in conventie heeft gewezen en hij heeft geen grief gericht tegen de toegewezen vordering tot verwijdering van de camera aan het begin van de weg. Het bewijs dat [geïntimeerden] op dit punt aanbiedt, behoort daardoor niet tot het door de grieven ontsloten gebied. De op dit onderdeel uitgesproken veroordeling van [geïntimeerden] staat in hoger beroep vast.
Dwangsom
3.22.
De rechtbank heeft de door [appellante] gevorderde dwangsommen afgewezen. Gelet op de verhoudingen tussen partijen acht het hof het opleggen van een dwangsom aangewezen. Het hof zal daarom aan de veroordelingen van [geïntimeerden] tot verwijdering dan wel verplaatsing van de hekken (alsnog) een dwangsom verbinden. De vordering van [appellante] omvat ook dat aan de door de rechtbank in 3.2, 3.3 en 3.4 uitgesproken veroordelingen, die in hoger beroep niet ter discussie staan, alsnog een dwangsom zal worden verbonden. Ook dat zal het hof toewijzen, omdat [geïntimeerden] dit onderdeel niet gemotiveerd heeft betwist. De hoogte van de dwangsom die [appellante] vordert komt het hof niet onevenredig hoog voor, zodat het hof voor de hoogte aansluit bij de vordering van [appellante] . Wel zal het hof de verbeurde dwangsommen maximeren.
Buitengerechtelijke kosten en kosten grensreconstructie
3.23.
[appellante] heeft vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Hiertegen heeft [appellante] een grief gericht.
3.24.
De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit), omdat – zoals door [geïntimeerden] terecht is aangevoerd – een zelfstandige vermogensrechtelijke vordering tot schadevergoeding ontbreekt. Het hof zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, zo nodig met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
3.25.
Het hof oordeelt dat [appellante] de door haar gestelde buitengerechtelijke kosten voldoende heeft onderbouwd. [appellante] voert in 5.1 van de dagvaarding aan dat zij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [geïntimeerden] heeft in hoger beroep onvoldoende betwist dat deze kosten door [appellante] zijn gemaakt. Dat [appellante] meerdere keren heeft geprobeerd creatieve oplossingen te bedenken om [geïntimeerden] te bewegen de erfdienstbaarheid van [appellante] te respecteren, zonder dat daarvoor een procedure hoefde te worden gestart, is redelijk en ook de hoogte van het door [appellante] gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is redelijk. Het hof zal de vordering van [appellante] op dit onderdeel alsnog toewijzen.
3.26.
Ook de door [appellante] gevorderde vergoeding van de kosten van een grensreconstructie door het Kadaster (totaal € 485,-) zal het hof alsnog toewijzen, omdat deze kosten vallen onder de in artikel 6:96 BW Pro bedoelde redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. [appellante] heeft onweersproken gesteld dat zij de grensreconstructie heeft laten uitvoeren omdat [geïntimeerden] hekpalen op haar perceel had geplaatst, dat [geïntimeerden] in eerste instantie ontkende dat de hekpalen op haar perceel stonden en dat [geïntimeerden] de hekpalen na de grensreconstructie heeft verwijderd.
De conclusie
3.27.
Het hoger beroep slaagt van [appellante] slaagt grotendeels. Omdat [geïntimeerden] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerden] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en in de procedure in conventie bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.28.
Het hoger beroep van [geïntimeerden] slaagt niet. Het hoger beroep van [geïntimeerden] was noodzakelijk, omdat hij een andere beslissing wilde. Omdat [geïntimeerden] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerden] ook tot betaling van de proceskosten van het door [geïntimeerden] ingestelde hoger beroep veroordelen.
3.29.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 16 augustus 2023, behalve de beslissingen in 3.1, 3.5 en 3.6 van dat vonnis, die hierbij worden vernietigd en beslist in plaats daarvan als volgt:
4.1.1.
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis het aan de noordzijde van de weg geplaatste hek te verwijderen en verwijderd te houden en het aan de zuidzijde van de weg verplaatste hek terug te plaatsen op de oorspronkelijke plek naast de weg
4.1.2.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling aan [appellante] van een dwangsom van € 2.500,- per dag indien hij niet binnen twee maanden na heden (alsnog) aan (één van) de door de rechtbank onder 3.2, 3.3 en 3.4 in het bestreden vonnis tegen [geïntimeerden] uitgesproken veroordelingen en de veroordeling door het hof hierboven onder 4.1.1. voldoet, dit totdat een maximum van € 50.000,- zal zijn bereikt
4.1.3.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 925,-
4.1.4.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de kosten van de grensreconstructie van € 485,-
4.1.5.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
- € 309,- aan griffierecht
- € 108,19 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerden]
- € 22,14 aan getuigentaxen
- € 2.715,- aan salaris van de advocaat van [appellante] (5 procespunten x het toepasselijke tarief € 543,-)
4.1.6.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor in 4.1.3, 4.1.4 en 4.1.5 vermelde kosten, wanneer deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald, tot aan de dag van gehele betaling
4.1.7.
wijst het meer of anders door [appellante] gevorderde af
4.2.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellante] in hoger beroep:
€ 349,- aan griffierecht
€ 130,57 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerden]
€ 3.870,- aan salaris van de advocaat van [appellante] (3 procespunten x het toepasselijke tarief 1.290,-)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente
4.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, K. Mans en H.J. Berends, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.