Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1205

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
24/1471
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding in belastingzaak

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting 2020 en ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof, maar dit werd kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.

Belanghebbende deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en voerde aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan drukte en vakantie van zijn gemachtigde en dat de rechtbank een verlenging van de termijn tot 14 juli 2025 had toegezegd. Het hof oordeelde dat de termijn van zes weken correct was berekend en dat het hogerberoepschrift te laat was ingediend.

De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen, aangezien deze in de verhouding tussen belanghebbende en zijn gemachtigde liggen. Ook ontbrak bewijs van een toezegging door de rechtbank. Het verzet is daarom ongegrond verklaard.

Het hof kende geen proceskostenvergoeding toe en wees erop dat tegen deze uitspraak beroep in cassatie mogelijk is bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1471
uitspraakdatum: 24 februari 2026
nummer 07/005620111
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het verzet van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door J.W.A. Heijwegen te [plaats] (hierna: gemachtigde),
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 9 september 2025 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 april 2025, nummer ARN 23/7736, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft op 19 september 2023 uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2020.
1.2.
Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 17 april 2025, nummer 23/7736, ongegrond verklaard. De uitspraak is op dezelfde datum verstuurd en op 18 april 2025 bij de gemachtigde bezorgd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.4.
Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 9 september 2025 op de voet van artikel 8:54 van Pro de Awb kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is overschreden.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet gedaan. Het verzetschrift is gedagtekend 6 oktober 2025 en ter griffie van het Hof ontvangen op 8 oktober 2025.
1.6.
Belanghebbende is bij aangetekende brief van 5 december 2025, verzonden aan het kantooradres van zijn gemachtigde J.W.A. Heijwegen, [kantooradres] , uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het verzet op dinsdag 13 januari 2026 om 10.00 uur in het gerechtsgebouw, Walburgstraat 2-4 te Arnhem. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 8 december 2025 om 09.49 uur op het genoemde adres is uitgereikt en dat voor ontvangst daarvan is getekend. Belanghebbende is aldus correct opgeroepen.
1.7.
Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 13 januari 2026 te Arnhem. Ter zitting is niemand verschenen. Van belanghebbende is geen bericht van verhindering ontvangen.

2.Gronden van het verzet

2.1.
Belanghebbende heeft in het verzetschrift het volgende aangevoerd. Door de zeer drukke belastingperiode van de gemachtigde en de vakantie die de gemachtigde daarna heeft gehad, heeft de gemachtigde over het hoofd gezien dat door de Rechtbank uitspraak was gedaan in de zaak van belanghebbende. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank daarna toegezegd dat tot uiterlijk 14 juli 2025 hoger beroep kon worden ingesteld, zodat zijn hogerberoepschrift op 11 juli 2025 tijdig is ontvangen. Ter onderbouwing van de toezegging door de Rechtbank wijst hij op een e-mailbericht van belanghebbende van 4 juli 2025 aan gemachtigde volgens welk bericht nog tot 14 juli 2025 hoger beroep zou kunnen worden ingesteld.
2.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet.

3.Beoordeling van het verzet

3.1.
De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken. [1] Die termijn vangt aan met ingang van de dag na die van verzending van de uitspraak door de Rechtbank. [2] Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de hogerberoepstermijn is ontvangen. Bij verzending per post is een hogerberoepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. [3] Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend hogerberoepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [4]
3.2.
De termijn voor het instellen van hoger beroep is aangevangen op vrijdag 18 april 2025. De termijn van zes weken eindigde op donderdag 29 mei 2025. Omdat 29 mei 2025 Hemelvaartsdag was en daarmee een algemeen erkende feestdag [5] , 30 mei 2025 gelijk is gesteld met een algemeen erkende feestdag [6] en de daarop volgende dagen een zaterdag en zondag waren, eindigde de termijn voor het instellen van hoger beroep op maandag 2 juni 2025. [7] Het hogerberoepschrift is op 10 juli 2025 ter post bezorgd en blijkens het stempel op het hogerberoepschrift door het Hof ontvangen op 11 juli 2025. Het hogerberoepschrift is dus te laat ingediend.
3.3.
In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, is geen reden gelegen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat de gemachtigde het druk had met andere werkzaamheden en daarna op vakantie is gegaan, en daarom de uitspraak van de Rechtbank niet tijdig zou hebben gezien, zijn omstandigheden die liggen in de verhouding tussen belanghebbende en zijn gemachtigde. De gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van belanghebbende. Van een toezegging door de Rechtbank als door belanghebbende gesteld, blijkt niet uit de stukken. De enkele verklaring van belanghebbende zelf dat de Rechtbank de toezegging heeft gedaan dat belanghebbende nog tot 14 juli 2025 hoger beroep kon instellen, is daarvoor niet voldoende. Deze grond kan reeds daarom niet slagen.
3.4.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzet is daarom ongegrond.

4.Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

5.Beslissing

Het Hof verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (E.C.G. Okhuizen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Artikel 6:8 van Pro de Awb.
3.Artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet.
6.Besluit gelijkstelling van 28 april 2023, 19 mei 2023, 10 mei 2024, 27 december 2024 en 30 mei 2025 met een algemeen erkende feestdag, Stcrt. 2022, 7812.
7.Artikel 1 van Pro de Algemene termijnenwet.