ECLI:NL:GHARL:2026:1126

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
200.358.186
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv (oud)Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 209 RvWet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incidentbeslissing over inzage overeenkomst in pachtzaak in hoger beroep

In deze pachtzaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Limburg. Appellant vordert incidenteel op grond van artikel 843a Rv (oud) dat geintimeerde een kopie verstrekt van een in 2013 gesloten overeenkomst met het provinciebestuur van Limburg, inclusief alle bijlagen en wijzigingen.

Het hof stelt vast dat het bewijsrecht per 1 januari 2025 is gewijzigd en beoordeelt de vordering daarom aan de hand van de artikelen 194 en 195 Rv. Het hof ziet echter geen aanleiding om voorafgaand aan de hoofdzaak over dit incident te beslissen, omdat de vordering te nauw verweven is met de hoofdzaak.

Daarom wordt de behandeling van het incident aangehouden tot de gezamenlijke mondelinge behandeling van hoofdzaak en incident. Tijdens deze zitting zal worden besproken of en onder welke voorwaarden de gevraagde inzage wordt gegeven. Het hof verzoekt geintimeerde de overeenkomst(en) mee te nemen naar deze zitting.

De hoofdzaak wordt voortgezet in de huidige stand en verdere beslissingen worden aangehouden. Dit arrest is gewezen door drie rechters en twee deskundige leden en op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Beslissing over inzagevordering wordt aangehouden tot gezamenlijke mondelinge behandeling van hoofdzaak en incident.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.186
zaaknummer rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, 11378550
arrest van de pachtkamer in het incident van 24 februari 2026
in de zaak van
[appellant]( [appellant] )
die woont in [woonplaats1] , [gemeente1]
advocaat: mr. B. Nijman
en
[geintimeerde]( [geintimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. R. Jansen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de pachtkamer in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, (hierna: de rechtbank) op 28 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 24 juni 2025
  • de memorie van grieven, tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 843a Rv (oud)
  • de memorie van antwoord in het incident
  • de memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel.

2.De toelichting op de beslissing van het hof

2.1.
[appellant] vordert in zijn incidentele vordering dat [geintimeerde] op grond van artikel 843a Rv (oud) wordt veroordeeld om een kopie te verstrekken van de door hem [in] 2013, met het provinciebestuur van Limburg gesloten overeenkomst of overeenkomsten voorzien van alle daartoe behorende bijlagen, aanvullingen en wijzigingen.
2.2.
Het hof stelt voorop dat het hoger beroep op 24 juni 2025 is ingesteld. Dit heeft tot gevolg dat het bewijsrecht van toepassing is dat op 1 januari 2025 in werking is getreden. [1] Het hof zal de vordering van [appellant] op grond van artikel 843a Rv (oud) daarom beoordelen aan de hand van de artikelen 194 en 195 Rv.
2.3.
Het hof ziet geen aanleiding om conform artikel 209 Rv Pro eerst en vooraf aan de hoofdzaak op dit incident te beslissen, nu deze vordering te zeer verweven is met de vorderingen in de hoofdzaak. De behandeling van het incident zal daarom worden aangehouden tot de behandeling in de hoofdzaak. Het hof is voornemens in de hoofzaak en het incident een gezamenlijke mondelinge behandeling te bepalen. Tijdens die mondelinge behandeling zal met partijen worden besproken of [geintimeerde] de gevraagde inzage in de overeenkomst(en) tussen hem en de provincie Limburg dient te geven en zo ja, onder welke voorwaarden en de wijze waarop die inzage dient te worden gegeven (zie artikel 195 lid 2 Rv Pro). Het hof verzoekt [geintimeerde] de overeenkomst(en) mee te nemen naar de nog te bepalen mondelinge behandeling.

3.De beslissing

Het hof:
in het incident en in de hoofdzaak in hoger beroep
3.1.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing in de hoofdzaak en het incident aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, H.L. Wattel en S.C.P. Giesen en de deskundige leden ing. C.R.M. Francissen en B.Th.W. Lamers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel XIIA Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht),