ECLI:NL:GHARL:2026:1102

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.344.486/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3c WarmtewetArt. 42a WarmtewetArt. 6:230m BWArt. 6:248 BWArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Leverancier warmte en koude weigert beëindiging leveringsovereenkomst onterecht

De gebruiker wilde de leveringsovereenkomst voor warmte en koude met MeppelEnergie beëindigen, maar de leverancier weigerde daaraan mee te werken. De kantonrechter oordeelde dat MeppelEnergie haar medewerking niet mocht weigeren, een oordeel dat het hof bevestigde.

Het hof stelde vast dat artikel 3c van de Warmtewet, dat beperkingen op opzegging bevat, niet van toepassing is op deze overeenkomst omdat deze vóór de inwerkingtreding van dat artikel is gesloten. MeppelEnergie kon daarom de opzegging niet weigeren op grond van die bepaling. Ook stelde het hof dat de gebruiker na het verstrijken van de opzegtermijn niet meer gehouden was tot betaling van vastrecht.

Verder oordeelde het hof dat MeppelEnergie tekort is geschoten door de opzegging te weigeren en daardoor schadeplichtig is. De schade bestaat uit de verbruikskosten en vastrechtbedragen die na 1 augustus 2022 zijn betaald. Andere schadeposten, zoals salderingsschade en subsidieschade, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof veroordeelde MeppelEnergie tot betaling van deze schade en de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: De opzegging van de leveringsovereenkomst is rechtsgeldig en MeppelEnergie is veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens onterechte weigering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.344.486/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 10496428
arrest van 24 februari 2026
in de zaak van
MeppelEnergie B.V.
die is gevestigd in Meppel
advocaat: mr. M.A.M. Lenferink
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. H.A. van Beilen

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Eerder is in deze zaak op 26 maart 2024 een tussenarrest uitgesproken waarna op 13 januari 2025 een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft plaatsgevonden.
1.2
Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord tevens houdende akte vermeerdering van eis (incidenteel beroep), met producties
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.
1.3
Tot slot is arrest gevraagd.

2.De kern van de zaak

2.1
[geïntimeerde] wil de overeenkomst met MeppelEnergie tot levering van warmte en koude aan zijn woning beëindigen. MeppelEnergie wil daaraan niet meewerken. De kantonrechter heeft geoordeeld [1] dat MeppelEnergie haar medewerking aan de opzegging van de overeenkomst met [geïntimeerde] niet mag weigeren. Het hof is het daarmee eens. Dat zal hierna worden toegelicht, waartoe eerst wordt beschreven wat er is gebeurd en is gevorderd.

3.Wat is er gebeurd?

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1
MeppelEnergie is netbeheerder en energieleverancier van een warmtenet in de [wijk1] in Meppel. Het warmtenet bestaat uit een installatie die ruim 400 woningen van verbruikers voorziet van zowel verwarming (warmte) als koeling (koude).
3.2
De woning van [geïntimeerde] is aangesloten op het warmtenet van MeppelEnergie.
3.3
Via indiening door [geïntimeerde] van een aanmeldformulier van 27 april 2019 bij MeppelEnergie is met terugwerkende kracht per 18 april 2019 een overeenkomst gesloten voor de levering van warmte en koude. Op deze overeenkomst zijn de door MeppelEnergie gebruikte ‘Algemene Voorwaarden Levering Warmte en Koude voor verbruikers met een aansluiting van maximaal 100 kW’ (versie van 18 september 2014) van toepassing (hierna: de Voorwaarden).
3.4
In de Voorwaarden is onder meer opgenomen:
Artikel 6: Overeenkomst Pro tot transport en levering
(…)
6.
Zowel de verbruiker als het bedrijf kunnen de overeenkomst tot levering opzeggen. Opzegging door de verbruiker dient met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal 30 (dertig) dagen te geschieden. Opzegging door het bedrijf dient gemotiveerd en schriftelijk te geschieden en is slechts mogelijk in geval van zwaarwichtige belangen en met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal 90 (negentig) dagen.
3.5
Per 1 juli 2019 is de Warmtewet gewijzigd. Daarbij is artikel 3 gewijzigd Pro en zijn onder meer de artikelen 3c en 42a in werking getreden, welke artikelen luiden:
Artikel 3
1. Een in Nederland gevestigde leverancier verstrekt een verbruiker, in aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 230m, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, voordat de verbruiker gebonden is aan een overeenkomst tot levering van warmte op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie:
a. een duidelijke en volledige omschrijving van de te leveren goederen en diensten en de overeengekomen kwaliteitsniveaus daarvan, welke in ieder geval betrekking hebben op de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte, alsmede de prijzen en voorwaarden waaronder deze goederen en diensten worden geleverd;
b. een omschrijving van de terugbetalingsregelingen als de geleverde goederen en diensten niet aan de overeengekomen kwaliteitsniveaus voldoen, en
c. de eisen waar de binneninstallatie van een verbruiker aan moet voldoen om veilig gebruik te kunnen maken van de door de leverancier geleverde warmte.
2. Artikel 230m, eerste lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst tot levering van warmte tussen een leverancier een verbruiker die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
3. Artikel 230v van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op de informatieverplichtingen voor leveranciers bedoeld in het eerste en het tweede lid.
Artikel 3c
Een overeenkomst tot levering van warmte kan door een verbruiker door middel van een opzegging worden ontbonden.
Aan een opzegging hoeft door de leverancier geen gevolg te worden gegeven in gevallen waarin:
a. het technisch niet mogelijk is de levering van warmte aan die verbruiker geheel te beëindigen, of
b. beëindiging van de levering leidt tot aanzienlijk blijvend nadeel voor een andere verbruiker.
3. Een leverancier reageert schriftelijk op een opzegging als bedoeld in het eerste lid, en motiveert daarin in voorkomend geval waarom de beëindiging niet kan plaatsvinden.
Artikel 42a
Artikel 3c is niet van toepassing op een overeenkomst die is gesloten voor inwerkingtreding van dat artikel.
3.6
[geïntimeerde] heeft de overeenkomst op 7 maart 2022 onder verwijzing naar artikel 6.6
van de Voorwaarden opgezegd en MeppelEnergie gevraagd om afgesloten te worden. [geïntimeerde] heeft MeppelEnergie verzocht om bevestiging van de opzegging, zodat hij het door hem gekozen alternatief (een warmtepomp, hof) in gang zou kunnen zetten.
3.7
MeppelEnergie heeft de opzegging niet geaccepteerd. Zij heeft in een brief van 24 maart 2022 onder verwijzing naar artikel 3c van de Warmtewet aangevoerd dat een afsluiting van de woning van [geïntimeerde] voor haar tot een onevenredig nadeel leidt en bovendien een rechtstreeks gevaar oplevert voor de continuering van de exploitatie van het warmtenet voor overige gebruikers.
3.8
Nadat [geïntimeerde] haar in een brief van 19 mei 2022 had gewezen op artikel 42a van de Warmtewet, heeft MeppelEnergie op 9 juni 2022 geantwoord dat de wettekst en de memorie van toelichting bij dat artikel haars inziens onduidelijk zijn, dat zij er gelet op toelichting en een uitspraak van de Geschillencommissie Energie vanuit gaat dat die overgangsregeling niet geldt voor overeenkomsten voor onbepaalde tijd en dat zij daarom vooralsnog geen gevolg aan de opzegging van [geïntimeerde] wil geven.
3.9
[geïntimeerde] heeft in een e-mailbericht van 3 april 2023 MeppelEnergie geschreven dat hij als gevolg van de weigering om de opzegging te aanvaarden schade lijdt, onder meer de
aanzienlijk hogere kosten van een alternatief, en dat MeppelEnergie hiervoor aansprakelijk
wordt gesteld.
3.1
[geïntimeerde] heeft vervolgens bij de kantonrechter gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat i) MeppelEnergie een opzegging van de overeenkomst niet mag weigeren en ii) hij na opzegging en het toestaan van de ‘noodzakelijke handelingen’ geen vastrecht (meer) is verschuldigd aan MeppelEnergie en dat MeppelEnergie wordt veroordeeld tot betaling van € 2.500 aan vergoeding van schade, bestaande uit de meerkosten van een warmtepomp, onder veroordeling van MeppelEnergie in de proceskosten. De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen.
3.11
De bedoeling van het hoger beroep van MeppelEnergie is dat alsnog afwijzing volgt.
3.12
De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde] is dat, in aanvulling van wat al door de kantonrechter is toegewezen, bedragen worden toegewezen voor onterecht betaalde verbruikskosten (€ 5.961,13 plus rente), gederfde terugleververgoeding (€ 2.867,97), gemiste ISDE-subsidie (€ 500) en meerprijs van een warmtepomp (€ 1.997,63) alsook € 164 per maand vanaf juni 2025 totdat MeppelEnergie de opzegging heeft aanvaard, althans geen verbruikskosten en vastrecht meer bij hem in rekening brengt.
3.13
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van MeppelEnergie niet slaagt en dat zij aan [geïntimeerde] een hogere (schade)vergoeding is verschuldigd. Dat licht het hof hierna toe.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Eiswijziging
4.1
Het hof zal hierna de zaak thematisch behandelen en daarbij ook de eis van [geïntimeerde] beoordelen, die in hoger beroep is gewijzigd. MeppelEnergie heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding deze buiten beschouwing te laten.
Toepasselijkheid artikel 3c Warmtewet
4.2
Anders dan MeppelEnergie aanvoert, is op haar overeenkomst met [geïntimeerde] het in artikel 3c van de Warmtewet vermelde niet van toepassing. De overeenkomst van partijen is immers tot stand gekomen vóór inwerkingtreding van die bepaling op 1 juli 2019. Uit artikel 42a van de Warmtewet volgt zonder voorbehoud dat in dat geval artikel 3c buiten toepassing blijft. Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat uitdrukkelijk is gekozen voor eerbiedigende werking bij bestaande overeenkomsten. [2]
4.3
Dat artikel 3c Warmtewet beoogt gebruikers een ruimere mogelijkheid te geven voor opzegging van hun leveringsovereenkomst, doet daaraan niet af. Zoals ook in de memorie van toelichting uitdrukkelijk is verwoord, beoogt de eerbiedigende werking leveranciers te behoeden voor onevenredige benadeling (in verband met eerder genomen investerings-beslissingen en aangegane investeringsverplichtingen) als de in artikel 3c van de Warmtewet verruimde mogelijkheden voor opzegging van de leveringsovereenkomst door de gebruiker ook op de bestaande overeenkomsten van toepassing zouden zijn.
4.4
MeppelEnergie stelt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het bepaalde in artikel 3c Warmtewet per analogie toch op de overeenkomst met [geïntimeerde] moet worden toegepast, waartoe zij zich in de kern beroept op het anders doorkruist worden van een kostendekkende exploitatie van haar warmtenet en de daaruit volgende risico’s voor het voortbestaan van haar kleinschalig warmtenet en het te vrezen nadeel voor de andere verbruikers. MeppelEnergie beoogt daarmee kennelijk een eerder niet bestaande voorwaarde voor beëindiging van de overeenkomst aan [geïntimeerde] tegen te werpen. Het hof gaat daarin niet mee. Allereerst geldt dat de wetgever artikel 3c Warmtewet heeft bedoeld als een verruiming van de mogelijkheden voor opzegging van een leveringsovereenkomst en niet als een beperking. Verder geldt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor een eerbiedigende werking voor bestaande contractuele verhoudingen en is het dus juist niet de bedoeling dat artikel 3c Warmtewet daarin verandering brengt. Daarnaast is dit standpunt van MeppelEnergie, namelijk dat zo’n contractuele voorwaarde, overeenkomstig en vooruitlopend op de wetswijziging, toch zou gelden, niet in overeenstemming te brengen met een op haar rustende dwingendrechtelijke verplichting om een verbruiker vóór totstandkoming van de overeenkomst volledig en juist te informeren over – kort gezegd – alle relevante informatie, waaronder begrepen ‘de voorwaarden voor het opzeggen van de overeenkomst’ als bedoeld in artikel 6:230m lid 1, aanhef en sub o. BW. Als MeppelEnergie de nu bepleite beperking van de mogelijkheden tot opzegging van de overeenkomst aan [geïntimeerde] had willen tegenwerpen, had zij die destijds met hem moeten overeengekomen. Dat zij dat niet heeft gedaan, kan zij dan ook nu niet op hem afwentelen. De conclusie is dat de stelling verworpen moet worden dat aan de opzegging van [geïntimeerde] geen gevolg hoeft te worden gegeven wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 BW Pro.
4.5
Voor zover MeppelEnergie zich in dit verband nog beroept op een uitspraak van de Geschillencommissie Energie van 24 maart 2022 en de daarop gevolgde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 april 2023 [3] is dat vergeefs, al is het maar omdat het in die situatie kennelijk ging om een in maart 2020 tot stand gekomen leveringsovereenkomst, die daarmee dateert van ná inwerkingtreding van artikel 3c Warmtewet.
De opzegging is rechtsgeldig.
4.6
Uit het voorgaande volgt dat voor opzegging van de overeenkomst alleen van belang is wat in de Voorwaarden van MeppelEnergie daarover is bepaald. Artikel 6.6 daarvan bepaalt niet meer dan dat een verbruiker (zoals [geïntimeerde] ) de overeenkomst tot levering kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal dertig dagen. Het staat vast dat [geïntimeerde] met een brief van 7 maart 2022 de overeenkomst heeft opgezegd en over de exacte einddatum overleg heeft gevraagd. Met dat laatste moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] in ieder geval de minimale termijn heeft willen eerbiedigen. MeppelEnergie heeft niets aangevoerd waaruit kan volgen dat zij anders heeft begrepen.
Eindigen verplichting betaling vastrecht
4.7
MeppelEnergie stelt dat [geïntimeerde] via het samenstel van de brochure bij zijn koop/ aannemingsovereenkomst, de koop- en realisatieovereenkomst tussen de gemeente Meppel en de aannemer, de leveringsakte en zijn deelname aan het collectieve warmtenet in de wijk, gehouden blijft zijn aansluiting van zijn woning op het warmtenet in stand te houden. Volgens MeppelEnergie volgt uit een en ander dat die aansluiting en daarmee [geïntimeerde] verplichting tot betaling van het jaarlijkse vastrecht niet beëindigd worden.
4.8
Het standpunt van MeppelEnergie over de door haar gestelde bevoegdheid tot weigering tot wegneming van de aansluiting zelf en het aan het wegnemen mogen stellen van ‘nadere voorwaarden’, doet in dit geval niet ter zake. [geïntimeerde] voert immers terecht aan dat over het al dan niet wegnemen van de aansluiting geen oordeel is gevraagd. [geïntimeerde] baseert zijn verklaring voor recht immers op artikel 6.7 van de Voorwaarden waarin – voor zover relevant – is bepaald: “Indien (…) het bedrijf niet binnen de opzegtermijn in de gelegenheid is gesteld de voor de beëindiging van de overeenkomst noodzakelijke handelingen te verrichten, blijft de gebruiker gebonden aan hetgeen in of krachtens de overeenkomst en deze algemene voorwaarden is bepaald, totdat hij aan al zijn daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.” Het staat vast dat [geïntimeerde] op 7 maart 2022 de overeenkomst heeft opgezegd, daarbij heeft gevraagd afgesloten te worden en MeppelEnergie om overleg over de uitvoering daarvan heeft gevraagd. Onomstreden is dat MeppelEnergie zich van meet af aan tegen die opzegging en een afsluiting heeft verzet. Daarmee kan niet worden gezegd dat zij niet binnen de opzegtermijn in de gelegenheid is gesteld bedoelde noodzakelijke handelingen te verrichten. Daaruit volgt dat [geïntimeerde] in beginsel na ommekomst van de opzegtermijn niet meer gebonden is aan een verplichting om vastrecht te betalen. Het hof gaat op die betalingsverplichting hierna in rov. 4.14 e.v. verder in.
4.9
Het hof zou het op dit aspect bij het voorgaande kunnen laten. Het ziet echter voldoende reden om toch op de argumentatie van MeppelEnergie in te gaan.
4.1
Gesteld noch gebleken is dat in de koop-/aannemingsovereenkomst of in de koop- en realisatieovereenkomst, waarop MeppelEnergie zich beroept, aan [geïntimeerde] een kettingbeding of een kwalitatieve verplichting ter zake is opgelegd. In de overgelegde akte van levering waarbij aan [geïntimeerde] het toen te bebouwen terrein in eigendom is overgedragen, is zo’n beding of verplichting niet te lezen onder het opschrift ‘Kwalitatieve verplichtingen(en), kettingbeding(en)’. Dat vervolgens in die akte onder het opschrift ‘Energievoorziening’ wordt beschreven dat de te bouwen woning wordt aangesloten op het netwerk van MeppelEnergie, leidt niet (alsnog) tot de door MeppelEnergie gestelde gehoudenheid van een woningeigenaar als [geïntimeerde] . Dat in een verkoopbrochure – nog daargelaten het verweer van [geïntimeerde] dat MeppelEnergie zich niet op de juiste brochure beroept – (ook) wordt beschreven dat de wijk niet zal worden voorzien van een aardgasnet en dat de woningen in de wijk zullen worden aangesloten op een collectief warmte-koude-systeem van MeppelEnergie, houdt evenmin in dat een koper van een woning in die wijk verplicht is die woning op dat systeem aan te sluiten en aangesloten te houden. Daarbij ziet het argument van MeppelEnergie dat aansluiting op haar warmtenet ook de enige manier was om de wijk – en daarmee iedere individuele woning – van warmte te voorzien voorbij aan de mogelijkheid van bewoners om zelf in hun warmtebehoefte te voorzien via een alternatief systeem als een warmtepomp. Tot slot, ook de Voorwaarden van MeppelEnergie zelf gaan uit van de mogelijkheid dat de aansluiting wordt weggenomen. Zie daarvoor de artikelen 3 lid 2, 11 leden 1 en 2, en 14 lid 1.
4.11
Verder geldt dat MeppelEnergie zich ten onrechte beroept op een bevoegdheid wegneming van de aansluiting te weigeren. Voor zover zij zich op artikel 2 lid 3 van Pro de Voorwaarden baseert, miskent zij dat die bepaling alleen ziet ‘het tot stand brengen, uitbreiden of wijzigen van een aansluiting’ en niet ook op het wegnemen van een aansluiting. Voor zover MeppelEnergie zich baseert op artikel 2 lid Pro 4, miskent zij dat die bepaling ziet op een situatie dat een bepaling of voorschrift uit de Voorwaarden niet wordt nagekomen, wat gesteld noch gebleken is. Een bevoegdheid als door MeppelEnergie wordt gesteld, kan dan ook niet worden aangenomen.
4.12
Tot slot, wat betreft de stelling van MeppelEnergie dat zij aan het wegnemen van de aansluiting van de woning op haar warmtenet ‘nadere voorwaarden’ mag stellen, geldt dat, zoals MeppelEnergie onderkent, in de Voorwaarden daarvoor geen andere beperkingen zijn gesteld dan de bepaling in artikel 3 lid 2 dat Pro de kosten van wegnemen van de aansluiting voor rekening van de verbruiker zijn als dit wegnemen gebeurt op zijn verzoek. Die kosten zijn vanuit de ACM gereguleerd, zoals MeppelEnergie aanvoert. Omdat dit aspect niet ter beslissing voorligt, laat het hof het verder onbesproken.
Tussenconclusie
4.13
Uit het voorgaande volgt dat de eerste drie bezwaren van MeppelEnergie tegen het vonnis van de kantonrechter falen en dat de kantonrechter terecht de gevorderde verklaringen voor recht heeft gegeven.
Schade
4.14
Uit het voorgaande volgt verder dat MeppelEnergie toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst door de opzegging van de overeenkomst te weigeren en geen uitvoering te geven aan het verzoek van [geïntimeerde] tot het wegnemen van de afsluiting van zijn woning op het warmtenet. Dat betekent dat zij gehouden is aan [geïntimeerde] de schade te vergoeden die hij als gevolg daarvan heeft geleden of zal lijden. Daarmee faalt ook het laatste bezwaar van MeppelEnergie.
4.15
Uit de door [geïntimeerde] gegeven onderbouwing van de door hem gestelde schadebedragen blijkt dat hij ervanuit gaat dat door zijn opzegging op 7 maart 2022 zijn verplichting tot betaling van verbruikskosten en vastrecht al in maart 2022 is geëindigd. Daarin kan hij niet worden gevolgd. In zijn opzeggingsbrief van 7 maart 2022 vraagt hij immers om overleg over het ‘opzeg- en afsluittraject’, onder voorafgaande mededeling dat hij na ontvangst van de bevestiging van zijn opzegging ‘het door hem gekozen alternatief in gang (kan) zetten’, wat nodig is om de opzegdatum concreet te maken. Uit de bij dagvaarding overgelegde offerte van fa. Kiekebos van 7 februari 2022 voor de levering en installatie van een waterpomp blijkt geen levertermijn. Daarover heeft [geïntimeerde] ook geen opheldering verschaft en uit de stukken kan daarvoor geen aanknopingspunt voor worden gevonden. Schattenderwijs gaat het hof ervanuit dat [geïntimeerde] bij opdrachtverlening per 1 april 2022 rekening had te houden met een termijn voor levering en installatie van een warmtepomp van vier maanden. De levering van warmte en koude via het warmtenet had daarmee niet eerder kunnen eindigen dan per 1 augustus 2022. Dit betekent dat wat [geïntimeerde] tot die datum aan verbruikskosten en vastrecht aan MeppelEnergie heeft betaald, niet onverschuldigd is betaald.
4.16
[geïntimeerde] heeft verder betoogd dat hij na de installatie van een warmtepomp in combinatie met het door hem aangelegde zonne-energiesysteem volledig zelf in zijn warmte- en elektriciteitsbehoefte had kunnen voorzien. Hij had daarmee – zo begrijpt het hof hem – geen verbruikskosten hoeven maken, zodat het sinds 1 augustus 2022 aan MeppelEnergie betaalde bedrag aan verbruikskosten en vastrecht schade is. Gelet op de opzegging door [geïntimeerde] van de overeenkomst met MeppelEnergie en de door hem overgelegde offerte van 7 februari 2022 is aannemelijk dat [geïntimeerde] bij bevestiging door MeppelEnergie van de opzegging in zijn woning een warmtepomp had laten installeren. Het is verder aannemelijk dat [geïntimeerde] van die installatie alleen maar heeft afgezien omdat MeppelEnergie de opzegging van de overeenkomst weigerde. Het is tegen de achtergrond van die weigering aan medewerking van MeppelEnergie alleszins te billijken dat [geïntimeerde] vervolgens niet toch tot aanschaf en installatie van de warmtepomp is overgegaan. Anders dan MeppelEnergie betoogt, is dat geen schending van [geïntimeerde] verplichting om zijn schade zoveel als mogelijk te beperken. MeppelEnergie stelde zich immers op het standpunt dat [geïntimeerde] zowel aangesloten moest blijven als de warmte en koude moest afnemen. Ook valt niet in te zien dat bij [geïntimeerde] anderszins sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW Pro, zoals MeppelEnergie niet onderbouwd stelt. Voor het overige heeft MeppelEnergie deze schadepost niet bestreden. Het hof neemt dan ook tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] in de situatie dat MeppelEnergie niet tekort was geschoten vanaf 1 augustus 2022 geen kosten vergelijkbaar aan verbruikskosten en vastrecht had gemaakt. Gelet op het onweersproken overzicht van [geïntimeerde] kan de schade tot juni 2025 worden berekend op € 5.067,43 (€ 5.961,43 -/- € 894).
4.17
[geïntimeerde] vordert over dit bedrag de vergoeding van wettelijke rente vanaf het moment van betaling van de betreffende bedragen. Omdat [geïntimeerde] dat verder niet heeft toegelicht of heeft gespecificeerd en de door hem gemaakte berekening er ten onrechte vanuit gaat dat wat is betaald in de periode van maart 2022 tot en met juli 2022 ook onverschuldigd is betaald, is het door hem gevorderde bedrag van € 640,58 aan wettelijke rente niet toewijsbaar. Het hof zal daarom de wettelijke rente toewijzen op een wijze als hierna in de beslissing is vermeld.
4.18
MeppelEnergie heeft niet bestreden dat [geïntimeerde] vanaf 1 juni 2025 maandelijks € 164 aan voorschot op de verbruikskosten is verschuldigd. Uit het voorgaande volgt dat MeppelEnergie ook die vanaf 1 juni 2025 verschuldigde bedragen aan [geïntimeerde] moet terugbetalen, voor zover [geïntimeerde] die aan haar heeft betaald.
4.19
[geïntimeerde] stelt verder over de periode van mei 2022 tot en met juni 2025 € 2.867,97 aan salderingsschade te hebben geleden. Het gaat daarbij volgens [geïntimeerde] om door het uitblijven van de warmtepomp onbenutte structurele overschot aan zonnestroom wat door hem ‘terug’ geleverd moest worden aan het elektriciteitsnet tegen een lagere terugleververgoeding. Daardoor was saldering – het wegstrepen van opwek tegen verbruik tegen het volledige leveringstarief – feitelijk onmogelijk. Naar het oordeel van het hof miskent [geïntimeerde] hierbij dat in de situatie dat MeppelEnergie wel correct was nagekomen, hij niet alleen geen kosten aan MeppelEnergie had hoeven betalen maar ook dat de door hem opgewekte elektriciteit was aangewend voor de dan aanwezige warmtepomp. Tegen die achtergrond heeft [geïntimeerde] onvoldoende toegelicht dat sprake is van salderingsschade. Dit deel van de vordering is daarmee niet toewijsbaar.
4.2
[geïntimeerde] heeft verder – naar het hof begrijpt naast het daarvoor eerder door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 2.500 – een aanvullend bedrag van € 1.997,63 gevorderd als meerkosten van een warmtepomp. [geïntimeerde] beroept zich daarvoor echter op een offerte waarmee een andere warmtepomp wordt aangeboden dan is gedaan in de eerdere offertes van 7 februari 2022 en 18 april 2023 en waarop toewijzing van voormeld bedrag van € 2.500 is gebaseerd. [geïntimeerde] heeft niet uitgelegd waarom hij nu uitgaat van een andere warmtepomp en waarom MeppelEnergie de meerkosten daarvan zou moeten dragen. In ieder geval kan hij niet worden gevolgd in zijn stelling dat het gaat om vergelijkbare installaties. De in februari 2022 en april 2023 aangeboden warmtepomp is van een ander merk (Alfea Extensa) dan die is aangeboden in maart 2025 (Vaillant Arotherm), waarbij de laatste warmtepomp met 7,5 kW aanzienlijk meer vermogen heeft dan de eerder aangeboden warmtepomp van 5,6 kW en een hoger energielabel heeft. Ook dit deel van de vordering van [geïntimeerde] moet daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.21
[geïntimeerde] vordert tot slot € 500 aan vergoeding voor subsidieschade. Volgens hem is sinds 1 januari 2025 het te verstrekken subsidiebedrag op een warmtepomp, zoals vermeld in de offerte van maart 2025, lager dan hij anders eerder had kunnen ontvangen. Ook hier geldt dat [geïntimeerde] een ontoereikende vergelijking maakt. Het gaat er niet om dat de subsidie in 2025 ten opzichte van 2024 lager is, maar of de subsidie ten opzichte van 2022, zijnde het jaar waarin hij de overeenkomst met MeppelEnergie had willen laten eindigen en een warmtepomp had willen installeren, lager is. In dat verband kan worden vastgesteld dat volgens het door [geïntimeerde] overgelegde overzicht van de te berekenen subsidiehoogte daarvoor niet alleen het aantal kW van de warmtepomp relevant is, maar ook het energielabel. Daar waar de eerder in februari 2022 aangeboden warmtepomp een lager aantal kW én een lager energielabel had ten opzichte van de in maart 2025 aangeboden warmtepomp, kan daarmee niet worden vastgesteld dat [geïntimeerde] subsidieschade zou lijden, en zo ja hoeveel. Dit deel van de vordering is daarmee als onvoldoende onderbouwd ook niet toewijsbaar.
4.22
Resumerend is van de aanvullend gevorderde schade toewijsbaar € 5.067,41, vermeerderd met wettelijke rente en de vanaf 1 juni 2025 betaalde (voorschot)bedragen van € 164 per maand. Het meer gevorderde is niet toewijsbaar.
De conclusie
4.23
Het hoger beroep van MeppelEnergie slaagt niet en dat van [geïntimeerde] slaagt deels wel. Omdat MeppelEnergie (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in haar hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak
. [4] De kosten van het hoger beroep van [geïntimeerde] zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij belast blijft met de kosten daarvan.
4.24
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 26 maart 2024, behalve de beslissing sub 7. die hierbij wordt vernietigd en beslist als volgt:
5.2
veroordeelt MeppelEnergie tot betaling aan [geïntimeerde] :
- voor de periode tot 1 juni 2025 van € 5.067,41, te vermeerderen met de wettelijke rente over de onderliggende bedragen, te berekenen vanaf het moment tot betaling;
- voor de periode vanaf 1 juni 2025, voor zover al betaald, € 164 per maand vanaf 1 juni 2025 tot en met het moment dat MeppelEnergie de opzegging door [geïntimeerde] heeft aanvaard, althans geen verbruikskosten en vastrecht meer bij [geïntimeerde] in rekening brengt, steeds vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling;
5.3
veroordeelt MeppelEnergie tot betaling van de volgende proceskosten in haar hoger beroep van [geïntimeerde] :
  • € 349 aan griffierecht
  • € 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten × het toepasselijke tarief II à € 1.290)
5.4
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
5.5
compenseert tussen partijen de kosten van het hoger beroep van [geïntimeerde] ;
5.6
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, M.W. Zandbergen en H. de Hek, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2026.

Voetnoten

2.Kamerstukken II 20216/2017, 34 723, nr. 3 (MvT), p. 13-15 en 58.
4.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.