ECLI:NL:GHARL:2026:1050

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.356.273/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AVGArt. 14 AVGArt. 17 AVGArt. 19 AVGArt. 23 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot rectificatie persoonsgegevens in civielrechtelijke en strafrechtelijke procedures

Verzoeker heeft bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin zijn verzoek tot rectificatie, wissen en beperking van persoonsgegevens die Divosa over hem heeft verwerkt, werd afgewezen. Het geschil betreft persoonsgegevens die in civiele processtukken en een strafrechtelijke aangifte zijn verwerkt, waarin onder meer wordt gesteld dat verzoeker bevoegd was facturen te accorderen en dat hij valse facturen heeft opgesteld.

Het hof heeft vastgesteld dat de persoonsgegevens in kwestie zijn verwerkt met het doel om civielrechtelijke vorderingen te onderbouwen en strafrechtelijke aangifte te doen. Het recht op rectificatie van persoonsgegevens geldt alleen indien deze onjuist zijn, waarbij de beoordeling van juistheid moet worden gedaan vanuit het doel van de verwerking. Processtukken en aangiften bevatten stellingen en beschuldigingen die niet als onjuist kunnen worden aangemerkt zolang de rechter deze niet anders heeft vastgesteld.

Het hof overweegt dat het recht op gegevensbescherming moet worden afgewogen tegen het recht op een eerlijk proces en daadwerkelijke rechtsbescherming. Het recht op rectificatie kan niet worden gebruikt om inhoudelijke geschillen over civiele of strafrechtelijke procedures opnieuw te voeren. Ook het verzoek om beantwoording van vragen over de verwerking van persoonsgegevens wordt afgewezen, omdat Divosa reeds aan haar informatieplicht heeft voldaan.

De rechtbank heeft de verzoeken terecht afgewezen en het hof bekrachtigt deze beschikking. Verzoeker wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot rectificatie van persoonsgegevens af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.356.273/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/575002
Beschikking van 24 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
die woont in IJsselstein,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als verzoeker,
hierna:
[verzoeker],
tegen
de vereniging
Divosa,
die is gevestigd te Utrecht,
en bij de rechtbank optrad als verweerster,
hierna:
Divosa,
advocaat: mr. J.G.S. Bakker.

1.Het verloop van de procedure bij het hof

1.1
[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 16 april 2025 heeft gegeven (hierna: de beschikking). Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen 1 tot en met 36-8;
- de brief van [verzoeker] van 30 juli 2025 met twee aanvullende producties;
- het verweerschrift met bijlagen 17 en 18;
- de brief van [verzoeker] van 13 oktober 2025 met 11 bijlagen;
- de brief van [verzoeker] van 10 november 2025 met 11 bijlagen;
- de brief van [verzoeker] van 19 november 2025 met één bijlage;
- de brief van [verzoeker] van 1 januari 2026 met daarbij zijn pleitnota voor de mondelinge behandeling.
1.2
Op 12 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat Divosa de (wel door het hof ontvangen) brief van 13 oktober 2025 niet ontvangen heeft. Divosa heeft ook bezwaar gemaakt tegen de brieven van 10 en 19 november 2025. Volgens Divosa bevatten deze brieven nieuwe grieven en/of is sprake van een verkapte repliek en hadden de in de brief van 10 november 2025 overgelegde bijlagen ook eerder kunnen worden overgelegd.
1.4
Het hof volgt Divosa niet in dit betoog. De brieven van 10 en 19 november 2025 bevatten geen (nieuwe) grieven en zijn ook geen repliek. [verzoeker] specificeert in deze brieven vooral om welke persoonsgegevens het hem gaat. Dat geldt overigens ook voor de brief van 13 oktober 2025. De bijlagen zijn bedoeld om eerder ingenomen stellingen te onderbouwen en/of te bewijzen. Het staat [verzoeker] in beginsel vrij om voorafgaand aan de zitting binnen de daarvoor gestelde termijnen nieuwe stukken over te leggen. Daar staat tegenover dat Divosa wel een redelijke mogelijkheid moet hebben zich tegen de overgelegde stukken te kunnen verweren. Omdat Divosa de brief van 13 oktober 2025 niet heeft ontvangen, heeft zij die mogelijkheid niet gehad. Het hof heeft om die reden op de zitting met partijen afgesproken dat het Divosa in de gelegenheid zal stellen op deze brief (en op de beide andere brieven, die daarop voortbouwen) te reageren wanneer mocht blijken dat Divosa daar belang bij heeft.
1.5
Vervolgens heeft het hof een datum vastgesteld voor de beschikking.

2.De kern van de zaak

2.1
Divosa heeft aangifte gedaan tegen [verzoeker] en een civielrechtelijke procedure tegen hem gevoerd. In de aangifte en in de processtukken heeft zij onder meer aangegeven dat [verzoeker] bevoegd was facturen te accorderen en dat hij valse facturen heeft opgesteld. Volgens [verzoeker] heeft Divosa daarmee onjuiste persoonsgegevens over hem verwerkt. Hij wil dat Divosa wordt veroordeeld deze persoonsgegevens te rectificeren. Daarnaast wil hij dat Divosa antwoord geeft op een aantal vragen die volgens hem betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens.
2.2
[verzoeker] heeft bij de rechtbank verzocht dat Divosa wordt gelast de bewuste volgens hem onjuiste persoonsgegevens te rectificeren, te wissen en de verwerking ervan te beperken en daarvan mededeling te doen aan de ontvangers van deze gegevens. Ook heeft hij verzocht Divosa te gelasten de onrechtmatig verwerkte (strafrechtelijke) persoonsgegevens te wissen en antwoord te geven op zijn vragen.
2.3
De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen verzoeken betreffende de rectificatie en het beantwoorden van de vragen alsnog worden toegewezen.
2.4 Het hof vindt de verzoeken niet toewijsbaar en zal de beschikking van de rechtbank daarom bekrachtigen. Die beslissing wordt hierna uitgelegd. Het hof zal hierna eerst de feiten bespreken en daarna ingaan op de standpunten van partijen. Daarbij zullen de bezwaren (grieven) van [verzoeker] tegen de beschikking van de rechtbank worden behandeld, voor zover die van belang zijn voor de beslissing.

3.De feiten

3.1
Het Rijk heeft ter ondersteuning van het project Integrale Dienstverlening Werkpleinen budget beschikbaar gesteld aan het Algemeen Keten Overleg (hierna: AKO) van het UWV en de gemeentelijke sociale diensten. Dit AKO-ondersteuningsproject was bestemd voor de G4, de vier grootste gemeenten van Nederland, en werd beheerd door Divosa.
3.2
[verzoeker] was in de periode van 15 juni 2004 tot 1 augustus 2011 ambtenaar bij de gemeente Rotterdam, een 4G gemeente. Daar hield hij zich bezig met de bestrijding van jeugdwerkloosheid. Met ingang van 1 november 2008 is de aanstelling van [verzoeker] omgezet in twee aanstellingen, een vaste aanstelling in de functie van Projectmanager Regionaal Arbeidsbeleid bij de gemeente Rotterdam en een tijdelijke aanstelling in de functie van Programmadirecteur Ketensamenwerking G4. Vanuit die laatste aanstelling heeft hij gefunctioneerd als lid van het AKO-kernteam bij Divosa. Per 1 augustus 2011 is op zijn verzoek aan [verzoeker] eervol ontslag verleend, zowel van zijn vaste als van zijn tijdelijke aanstelling.
3.3
[verzoeker] heeft de besloten vennootschappen Workfair Holding B.V. en Expertisz B.V. opgericht en is de uiteindelijk belanghebbende van deze vennootschappen.
3.4
In opdracht van de gemeente Rotterdam heeft KPMG Advisory N.V.(hierna: KPMG) vanaf eind 2013 onderzoek gedaan naar mogelijke onregelmatigheden in relatie tot [verzoeker] en de aan hem gelieerde vennootschappen. Divosa heeft KPMG toegang gegeven tot delen van haar financiële administratie. Medewerkers van Divosa hebben aan KPMG informatie verstrekt. Het onderzoek van KPMG heeft geresulteerd in een rapport van 17 juli 2025. In dat rapport constateert KPMG - samengevat - dat door Divosa en de gemeente Rotterdam facturen zijn betaald waarvan niet kan worden vastgesteld dat er een (reële) tegenprestatie tegenover staat. De facturen zijn, al dan niet via een derde vennootschap (R-Time B.V.), uiteindelijk ten goede gekomen aan [verzoeker] en/of zijn vennootschappen en/of een vennootschap van zijn vrouw. [verzoeker] heeft zijn positie bij de gemeente Rotterdam en bij Divosa gebruikt om de facturen betaald te krijgen.
3.5
Divosa en de gemeente Rotterdam hebben een civiele procedure tegen [verzoeker] en diens vennootschappen aanhangig gemaakt. Het hof Den Haag heeft hen in 2017veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding. [1] Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld. De vordering van [verzoeker] en diens vennootschappen tot herroeping van het arrest is in 2021afgewezen. [2]
3.6
[verzoeker] is in 2017 in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement is nog niet afgewikkeld.
3.7
Divosa heeft op 18 augustus 2016 strafrechtelijke aangifte gedaan tegen [verzoeker] . Aan het proces-verbaal van aangifte was een ‘Aangifte Document’ gehecht, opgesteld door de gemeente Rotterdam. Ook de gemeente Rotterdam heeft aangifte gedaan. De strafkamer van de rechtbank Rotterdam heeft [verzoeker] in 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden voor valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De procedure in hoger beroep is nog niet afgerond. Op 19 november 2025 heeft de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij het hof Den Haag nog een getuige gehoord.
3.8
[verzoeker] heeft in brieven van 25 en 29 maart 2024 - samengevat - aan Divosa meegedeeld dat de door haar van hem verwerkte persoonsgegevens die gaan over zijn bevoegdheid bij Divosa tot het accorderen van facturen en over de valsheid van facturen onjuist zijn. Hij heeft Divosa gevraagd deze gegevens te rectificeren en te verwijderen en de ontvangers daarvan in kennis te stellen en om de gegevensverwerking te beperken.
Divosa heeft in een brief van 24 april 2024 aan [verzoeker] meegedeeld dat zij zijn verzoek weigert. Op die brief heeft [verzoeker] gereageerd met brieven van 26 en 30 april 2024.
3.9
In een brief van 2 mei 2024 heeft [verzoeker] 23 vragen gesteld aan Divosa en heeft hij Divosa gevraagd die vragen te beantwoorden. Divosa was daartoe volgens [verzoeker] op grond van artikel 14 AVG Pro verplicht. Divosa heeft dat geweigerd. Volgens haar heeft zij met haar verschillende opgaves de informatie verstrekt die zij moet verstrekken.
3.1
Naar aanleiding van een nieuw bezwaar van [verzoeker] heeft Divosa in een brief van 20 mei 2024 aan [verzoeker] meegedeeld dat zij het bezwaar van [verzoeker] honoreert ten aanzien van de persoonsgegevens waarop een eerder door hem ingediend inzageverzoek zag, met uitzondering van de persoonsgegevens in de (originele) facturen in het papieren juridisch zaakdossier, en dat zij die (alsnog) wil verwijderen. In een brief van 27 mei 2024 heeft [verzoeker] meegedeeld dat hij daarmee niet kan instemmen.

4.4. De beoordeling van het geschil

Wat verzoekt [verzoeker] nog?4.1 Bij de rechtbank verzocht [verzoeker] om Divosa te gelasten:
a. de onjuiste persoonsgegevens met betrekking tot (1) ‘de bevoegdheid bij Divosa tot het accorderen van facturen’ en (2) ‘valse facturen’ te rectificeren (artikel 16 AVG Pro), te wissen (artikel 17 AVG Pro) en daarvan mededeling te doen aan de ontvangers van die gegevens
(artikel 19 AVG Pro);
b. de onrechtmatig verwerkte (strafrechtelijke) persoonsgegevens te wissen (artikel 17 in Pro combinatie met artikel 10 AVG Pro);
c. antwoord te geven op zijn vragen (artikel 14 AVG Pro).
4.2
In de conclusie van zijn beroepschrift geeft [verzoeker] aan dat hij het hof verzoekt:
a. Divosa te verplichten ten aanzien van ‘de betrokken persoonsgegevens’:
(1) binnen twee weken het bewijs te leveren dat deze juist, actueel en rechtmatig zijn verwerkt;
(2) indien dat niet het geval is deze persoonsgegevens te rectificeren en de ontvangers daarvan in kennis te stellen;
b. Divosa op te dragen de desbetreffende vragen (met uitzondering van de vragen 5 en 9, uitgaande van de door de rechtbank aangebrachte nummering, die partijen zelf ook volgen) binnen twee weken te beantwoorden;
c. aan nakoming van de onder a. en b. bedoelde verplichtingen een dwangsom te verbinden;
d. uit te spreken (‘voor recht te verklaren’) dat Divosa zijn strafrechtelijke persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt.
4.3
Het verzoek in het beroepschrift verschilt op een aantal onderdelen van dat bij de rechtbank:
- [verzoeker] verzoekt niet meer om verwijdering van (strafrechtelijke) persoonsgegevens;
- [verzoeker] wil dat de veroordelingen gecombineerd worden met een dwangsom;
- [verzoeker] verzoekt om een verklaring voor recht betreffende de strafrechtelijke persoonsgegevens.
4.4
In zijn pleitnota heeft [verzoeker] het verzoek om bewijslevering - in 4.2 vermeld onder a (1) - en de verklaring voor recht - in 4.2 vermeld onder d - ingetrokken. Dat betekent dat hij nu nog verzoekt om Divosa (onder oplegging van een dwangsom):
a. te verplichten de onjuiste persoonsgegevens te rectificeren en de ontvangers daarvan in kennis te stellen;
b. op te dragen de resterende vragen te beantwoorden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] aangegeven dat hij van nog zes vragen extra (de vragen 13, 14 en 18 tot en met 21) geen antwoord meer verlangt, zodat nog 15 te beantwoorden vragen resteren
4.5
Het hof stelt vast dat [verzoeker] nu, per saldo, minder verzoekt dan hij bij de rechtbank heeft gedaan. Het zal beslissen op het in de pleitnota geformuleerde verzoek.
Om welke persoonsgegevens gaat het?4.6 Het gaat [verzoeker] om de persoonsgegevens met betrekking tot de ‘bevoegdheid bij Divosa tot het accorderen van facturen’ en ‘valse facturen’. Bij de eerstgenoemde categorie gaat het erom dat op de een of andere manier tot uitdrukking is gebracht (de exacte bewoordingen verschillen wat) dat [verzoeker] op grond van zijn functie bij zowel de gemeente Rotterdam als bij Divosa facturen kon accorderen en (laten) uitbetalen. Bij de tweede categorie persoonsgegevens is de kern dat [verzoeker] voor zijn vennootschappen facturen heeft opgesteld zonder dat de daarin in rekening gebrachte werkzaamheden en prestaties waren verricht.
4.7
In zijn brieven van 13 oktober en 10 november 2025 heeft [verzoeker] minutieus uiteengezet in welke stukken die persoonsgegevens te vinden zijn. Het gaat dan om:
- de strafrechtelijke aangifte van Divosa en het bijgevoegde aangiftedocument van de gemeente Rotterdam;
- diverse processtukken uit de civiele procedure tussen Divosa en de gemeente Rotterdam tegen [verzoeker] (inleidende dagvaarding, conclusie van antwoord in reconventie, memorie van antwoord) die heeft geleid tot het arrest van het hof Den Haag;
- de conclusie van antwoord van Divosa en de gemeente Rotterdam tegen [verzoeker] in de herroepingsprocedure bij het hof Den Haag;
- diverse beslagrekesten ten laste van [verzoeker] en diens vennootschappen uit 2014.
Geen buitensporigheid4.8 Divosa wijst erop dat [verzoeker] inmiddels vijf AVG-procedures tegen haar heeft gevoerd. De eerste procedure is de procedure tot het verkrijgen van inzage, die heeft geleid tot een beschikking van dit hof van 19 maart 2024. [3] De tweede procedure is deze procedure. Daarna is [verzoeker] een nieuwe procedure gestart bij de rechtbank Midden-Nederland, waarin hij om een nieuw verwerkingsoverzicht heeft verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek in een (niet gepubliceerde) beschikking van 16 april 2025afgewezen. Daarna heeft [verzoeker] opnieuw twee procedures aanhangig gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland met nieuwe verzoeken. Op deze verzoeken is nog niet beslist.
Volgens Divosa hebben de verzoeken een buitensporig karakter vanwege het repetitieve karakter en de belastende wijze van procederen door [verzoeker] , die in de verschillende procedures zijn verzoeken ook steeds wijzigt. Bovendien is er volgens Divosa geen enkele noodzaak voor de in deze procedure gedane verzoeken, omdat de vaststelling van de persoonsgegevens waarom het gaat voorwerp waren van een civielrechtelijke en strafrechtelijke procedure. Om die reden dient [verzoeker] volgens Divosa niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek, althans moet zijn verzoek worden afgewezen.
4.9
Het hof stelt vast dat deze procedure de tweede AVG-procedure is die [verzoeker] tegen Divosa aanhangig heeft gemaakt. Het is de eerste procedure waarin [verzoeker] verzoekt om rectificatie van persoonsgegevens, nadat hij in de eerste procedure om inzage heeft verzocht in de van hem verwerkte persoonsgegevens (artikel 15 AVG Pro). Het inzagerecht beoogt de betrokkene in staat te stellen zich van de verwerking op de hoogte te stellen en de rechtmatigheid daarvan te controleren. [4] Het ligt dan ook voor de hand dat indien de betrokkene, nadat hem inzage is verschaft, meent dat rectificatie noodzakelijk is hij een (tweede) procedure aanhangig maakt, indien de verwerkingsverantwoordelijke niet buiten rechte bereid is om een verzoek om rectificatie te honoreren. In zoverre is van buitensporigheid geen sprake. Dat de betrokkene nadien nieuwe procedures aanhangig maakt, betekent niet dat de (noodzakelijke) tweede procedure alsnog een buitensporig karakter krijgt. En het procesrecht biedt voldoende correctiemogelijkheden om te voorkomen dat die tweede procedure uit de rails loopt door steeds gewijzigde verzoeken. Uit wat hiervoor is overwogen over de beperking van de reikwijdte van het aan het hof voorgelegde verzoek volgt ook dat die correctiemogelijkheden hun werk hebben gedaan.
4.1
Op de stelling van Divosa dat de noodzaak van de verzoeken van [verzoeker] ontbreekt, omdat deze betrekking hebben op een civielrechtelijke en een strafrechtelijke procedure komt het hof hierna nog terug. Die stelling kan in elk geval niet de conclusie dragen dat spraken is van een buitensporig verzoek.
Het verzoek om rectificatie is niet toewijsbaar4.11 Op grond van artikel 16 AVG Pro heeft [verzoeker] recht op rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens. Bij het beoordelen van de juistheid van die persoonsgegevens moet worden uitgegaan van de doeleinden waarvoor deze zijn verzameld. [5] De vraag of de persoonsgegevens rechtmatig zijn verwerkt, maakt geen onderdeel uit van de beoordeling van een rectificatieverzoek. Bij dit verzoek moet alleen beoordeeld worden of de betreffende persoonsgegevens zelf onjuist zijn.
4.12
[verzoeker] voert terecht aan dat het recht op rectificatie geldt voor alle soorten persoonsgegevens. Het begrip persoonsgegevens kent een ruime betekenis onder de AVG. Ook subjectieve informatie in de vorm van meningen of beoordelingen valt daaronder voor zover die informatie betrekking heeft op een bepaald persoon. Zoals hiervoor benoemd en in 4.7 - 4.8opgesomd, gaat het om de gegevens dat [verzoeker] bij Divosa de bevoegdheid had tot het accorderen van facturen en dat hij valse facturen heeft opgesteld of laten opstellen, omdat er geen opdracht of overeenkomst aan de door of namens [verzoeker] verzonden facturen ten grondslag lag. Deze gegevens bevatten informatie over [verzoeker] , waardoor het persoonsgegevens zijn in de zin van de AVG. Dat brengt mee dat beoordeeld moet worden of de persoonsgegevens onjuist zijn en moeten worden gerectificeerd. [6]
4.13
Het uitgangspunt voor die beoordeling is, zoals aangegeven, het doel van de verwerking van deze persoonsgegevens. In dit geval gaat het om de verwerking van persoonsgegevens in processtukken van een civielrechtelijke procedure tussen de verwerkingsverantwoordelijke (Divosa) en de betrokkene ( [verzoeker] ) en in de strafrechtelijke aangifte van eerstgenoemde tegen laatstgenoemde. Het doel van de verwerking was voor wat betreft de persoonsgegevens in de processtukken gedurende het voeren van de civielrechtelijke procedures om de schadevergoedingsvordering die Divosa meende te hebben op [verzoeker] te kunnen onderbouwen en te effectueren. Sinds deze procedures zijn afgerond bewaart Divosa de processtukken om zich te kunnen verweren tegen eventuele (nieuwe) vorderingen van [verzoeker] tot herroeping en tegen nieuwe AVG-verzoeken.
Het doel van het verwerken van de persoonsgegevens in de aangifte is gelegen in het belang van Divosa om aangifte te kunnen doen van in haar ogen strafrechtelijk laakbaar gedrag waarvan zij het slachtoffer is geworden. Met het bewaren van de aangifte beoogt Divosa achteraf te kunnen vaststellen wat de inhoud van haar aangifte precies was, dit met het oog op haar betrokkenheid bij de strafzaak en mogelijke claims van [verzoeker] vanwege de aangifte.
4.14
Als het gaat om het verwerken van persoonsgegevens in een civielrechtelijke procedure geldt Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding. Het moet in relatie tot de functie ervan in de samenleving worden beschouwd en moet overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel worden afgewogen tegen andere grondrechten (vgl. overweging 4 AVG).Een van die grondrechten is het in artikel 47 Handvestvan Pro de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) gewaarborgde recht op daadwerkelijke rechtsbescherming, waarvan de inhoud en reikwijdte gelet op artikel 52 lid 3 Handvestgelijk Pro zijn aan artikel 6 lid 1 EVRM Pro.In een uitspraak van 2 maart 2023inzake de verhouding van dit recht tot het recht op gegevensbescherming (in dat geval ging het overigens om de bescherming van persoonsgegevens van derden, die niet zelf partij waren in de procedure) overwoog het Hof van Justitie van de EU in dat verband [7] :

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het, gelet op de prominente plaats die het recht op een eerlijk proces in een democratische samenleving inneemt, van wezenlijk belang dat de justitiabele de mogelijkheid heeft om zijn zaak naar behoren voor de rechter te verdedigen en dat hij wapengelijkheid met zijn tegenpartij geniet [zie in die zin EHRM, 24 juni 2022, Zayidov tegen Azerbeidzjan (nr. 2), CE:ECHR:2022:0324JUD000538610, § 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Hieruit volgt met name dat de justitiabele moet kunnen deelnemen aan een procedure op tegenspraak en in de verschillende fasen daarvan de argumenten moet kunnen aanvoeren die hij relevant acht voor de verdediging van zijn zaak (EHRM, 21 januari 1999, García Ruiz tegen Spanje, CE:ECHR:1999:0121JUD003054496, § 29).’
4.15
Dat het recht op gegevensbescherming niet per definitie prevaleert boven het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming komt ook tot uitdrukking in het feit dat artikel 23 AVG Pro beperking van (onder meer) de in artikel 12 tot Pro en met 22voorziene rechten mogelijk maakt in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (artikel 23 lid 1 onder Pro i AVG en in Nederland vastgelegd in artikel 41 lid 1 onder Pro i Uitvoeringswet op de AVG, hierna UAVG)en de inning van civielrechtelijke vorderingen (artikel 23 lid 1 onder Pro j AVG en in Nederland vastgelegd in artikel 41 lid Pro onder j UAVG).
4.16
Voor het in artikel 16 AVG Pro voorziene recht op rectificatie betekent het voorgaande dat indien een procespartij in een processtuk in het kader van een civiele procedure ter onderbouwing van zijn vordering of verweer een stelling inneemt over de persoon of het handelen van zijn wederpartij, die wederpartij niet met een beroep op artikel 16 AVG Pro kan afdwingen dat deze stelling wordt gerectificeerd. De stelling (en het daarin opgenomen persoonsgegeven) is, ook wanneer (achteraf) wordt vastgesteld dat deze niet op waarheid berust of onvoldoende aangetoond kan worden, niet onjuist in de zin van artikel 16 AVG Pro. De stelling is immers ingenomen in de procedure om de eigen vordering te onderbouwen en is in zoverre niet onjuist, net zozeer als een op zichzelf fout antwoord in een examen, gelet op het doel van die verwerking, geen onjuist persoonsgegeven is. [8]
4.17
Aan de belangen van de betrokkene wordt tegemoetgekomen doordat hij als procespartij in de procedures waarin de zijns inziens onjuiste persoonsgegevens over hem naar voren worden gebracht zich daartegen kan verweren, waarna de bevoegde rechter in die procedures daarover kan oordelen. Een andere afweging zou ertoe leiden dat een geschil over een civiele vordering waarover de burgerlijke rechter definitief heeft beslist in het kader van een procedure op grond van artikel 16 AVG Pro (gedeeltelijk) opnieuw gevoerd wordt. Dat is in strijd met het gesloten systeem van rechtsmiddelen, dat de rechtszekerheid en de effectiviteit van de rechtspraak dient.
4.18
Gelet op het voorgaande kan de stelling van [verzoeker] dat hij niet bevoegd was om facturen te accorderen en dat ook geen sprake was van valse facturen niet de conclusie dragen dat sprake is van onjuiste persoonsgegevens in de door Divosa ingediende processtukken. [verzoeker] heeft dan ook geen aanspraak op rectificatie van deze persoonsgegevens.
4.19
Voor de persoonsgegevens betreffende [verzoeker] in de strafrechtelijke aangifte komt het hof tot dezelfde conclusie. Gelet op het doel van de verwerking is van onjuistheid geen sprake. Het doel van de verwerking voor Divosa is, zoals aangegeven, om aangifte te doen van in haar ogen strafrechtelijk laakbaar gedrag waarvan zij slachtoffer is geworden. Het is vervolgens aan de bevoegde instanties - de politie, het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de strafrechter - om de materiële waarheid van de aangifte te onderzoeken en daarover te oordelen. In het op de aangifte volgende strafrechtelijke traject heeft [verzoeker] de gelegenheid om zich tegen de inhoud van de aangifte, en tegen de zijns inziens daarin vervatte onjuiste persoonsgegevens te verweren. In dit verband is van belang dat artikel 23 lid 1 AVG Pro ook hier - in dit geval onder d- voorziet in de beperking van (onder meer) het recht op rectificatie ter waarborging van het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten (in Nederland vastgelegd in artikel 41 lid 1 onder Pro d UAVG). Het hof wijst er verder op dat ook voor de verwerking door de politie van politiegegevens het recht op rectificatie van verwerkte politiegegevens (uitgewerkt in artikel 28 lid 1 van Pro de Wet politiegegevens) niet ziet op de (objectieve) juistheid van wat de getuige heeft verklaard. In de parlementaire geschiedenis [9] is in dat verband verwezen naar overweging 47 van Richtlijn (EU) 2016/680 betreffende de gegevensbescherming politie en justitie. In overweging 47 is vermeld:

Een natuurlijke persoon dient het recht te hebben onjuiste hem betreffende persoonsgegevens te laten rectificeren, vooral wanneer het gaat om feiten, en deze te laten wissen indien de verwerking van die gegevens inbreuk maakt op deze richtlijn. Het recht op rectificatie mag echter geen invloed hebben op, bijvoorbeeld, de inhoud van een getuigenverklaring.’
Het recht op rectificatie strekt ook hier niet tot het aanbrengen van inhoudelijk wijzigingen in of aanvullingen op een afgelegde getuigenverklaring. Als de inhoud van de verklaring op correcte wijze is vastgelegd, is geen sprake van een onjuiste verklaring, ook wanneer de inhoud van de verklaring die betrekking heeft op een persoon of het handelen van een persoon niet in overeenstemming is met de feiten. Of dat laatste het geval is, moet in de strafrechtelijke procedure worden vastgesteld.
4.2
Het verzoek tot rectificatie is gezien het voorgaande niet toewijsbaar, omdat van onjuiste persoonsgegevens in de zin van artikel 16 AVG Pro geen sprake is, noch voor wat betreft het vervaardigen van de processtukken en het doen van aangifte noch voor wat betreft het bewaren van de procesdossiers en de aangifte. Dat betekent dat de vraag of [verzoeker] wel of niet bevoegd was facturen te accorderen en of wel of geen sprake was van valse facturen in deze procedure onbesproken kan blijven. Hetzelfde geldt voor de vraag op welke wijze een eventuele rectificatie vormgegeven zou moeten worden.
Het verzoek tot het beantwoorden van vragen is niet toewijsbaar4.21 [verzoeker] heeft Divosa verzocht om 23 vragen te beantwoorden. In hoger beroep heeft hij dit ingeperkt tot 15 vragen. Hij baseert dit verzoek op artikel 14 AVG Pro. Artikel 14 AVG Pro bevat de informatieplicht bij een verwerking van persoonsgegevens die niet van de betrokkene zelf zijn verkregen. Divosa voert aan dat op het moment dat zij de persoonsgegevens van [verzoeker] heeft verzameld, de AVG nog niet van toepassing was. Dat is op zichzelf juist, maar omdat [verzoeker] het verzoek in 2024heeft gedaan, is de AVG op zijn verzoek van toepassing. [10]
4.22
In beginsel valt een verzoek op grond van artikel 14 AVGbuiten Pro de reikwijdte van een verzoekschriftprocedure die is gebaseerd op artikel 35 UAVG Pro.De informatie die een verwerkingsverantwoordelijke verplicht is te verstrekken op grond van artikel 14stemt echter voor een groot deel overeen met de informatie die bij een inzageverzoek op grond van artikel 15 lid 1 AVGmoet Pro worden verstrekt. Het hof zal daarom het informatieverzoek inhoudelijk beoordelen. [11]
4.23
Het merendeel van de resterende vragen valt niet onder de reikwijdte van de informatieplicht uit artikel 14 AVG Pro.Dat geldt alleen niet voor de vragen 10 tot en met 12, die naar de bron van verwerkte persoonsgegevens vragen (vgl. artikel 14 lid 2 onder Pro f AVG die overeenstemt met artikel 15 lid 1 onder Pro g AVG). Divosa heeft die vragen al beantwoord, onder meer in haar reactie op de (aanvullende) inzageverzoeken (de eerste opgave en de tweede opgave A, B en C)en haar antwoorden in een document van 14 september 2023op eerdere vragen van [verzoeker] . Dat [verzoeker] niet tevreden is of het niet eens is met de antwoorden op de door hem gestelde vragen, betekent, anders dan hij lijkt te veronderstellen, niet dat Divosa niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan.
4.24
Ook dit verzoek van [verzoeker] is daarom niet toewijsbaar.
De conclusie
4.25
De verzoeken van [verzoeker] zijn niet toewijsbaar. De rechtbank heeft de verzoeken dan ook terecht afgewezen. De grieven van [verzoeker] tegen de beschikking van de rechtbank falen, al dan niet bij gebrek aan belang (omdat het hof al op andere gronden heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken). Dat betekent dat de beschikking van de rechtbank kan worden bekrachtigd.
4.26
Bij deze stand van zaken heeft Divosa er geen belang meer bij om te reageren op de nagekomen stukken van [verzoeker] .
4.27
Omdat [verzoeker] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 april 2025;
5.2
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de volgende proceskosten van Divosa:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Divosa (2 procespunten x € 1.290,-).
5.3
wijst af wat anders is verzocht.
Deze beschikking is gewezen door mrs. H. de Hek, H.L. Wattel en M.P.M. Hennekens, en is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026

Voetnoten

4.HvJEU 20 december 2017, Nowak, C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994, punt 56.
5.HvJEU 13 maart 2025, VP, C-247/23, ECLI:EU:C:2025:172, punten 26 en 32 en HvJEU
6.HvJEU 20 december 2017, Nowak, C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994, punten 34-35.
7.HvJEU 2 maart 2023, Norra Stockholm Bygg, C-268/21, ECLI:EU:C:2023:145, punt 52.
8.Zoals in HvJEU 20 december 2017, Nowak, C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994, punt 53 is beslist.
9.Kamerstukken II 2017 2018, 34 889, nr. 3, p. 81.
10.Vergelijk HvJEU 22 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:501, punt 29-36.
11.Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8694 in een vergelijkbaar geschil tussen [verzoeker] en KPMG.