ECLI:NL:GHARL:2025:8619

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
200.350.328/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van de overeenkomst tussen schipper en opdrachtgever in het kader van het project verbreding Twentekanaal

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van de werkzaamheden van een schipper, [appellant], voor Maritiem Materieel Verhuur Kampen B.V. (MMVK). [appellant] had in opdracht van MMVK als schipper gewerkt voor aannemers die betrokken waren bij het project verbreding van het Twentekanaal. Op 14 december 2022 heeft hij zijn werkzaamheden per direct beëindigd, wat leidde tot een geschil over de betaling van openstaande facturen en een tegenvordering van MMVK wegens vermeende schade door de ontijdige opzegging. De kantonrechter had in eerste aanleg MMVK in het gelijk gesteld, maar [appellant] ging in hoger beroep. Het hof oordeelde dat MMVK niet had aangetoond dat zij schade had geleden door de opzegging en dat [appellant] recht had op betaling van zijn openstaande facturen. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde MMVK tot betaling van de gevorderde bedragen, inclusief wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.328/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 10634513
arrest van 23 december 2025
in de zaak van
[appellant]h.o.d.n. [appellant] , Scheepshersteller en int. Betimmeringen,
die woont in [woonplaats] ,
en die hoger beroep heeft ingesteld,
bij de kantonrechter: eiser, tevens verweerder in reconventie,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. M.B. Esseling te Rotterdam,
en
Maritiem Materieel Verhuur Kampen B.V.,
die is gevestigd in Meppel,
verweerster in hoger beroep,
bij de kantonrechter: gedaagde, tevens eiseres in reconventie,
hierna:
MMVK,
advocaat: mr. M. van Egmond te Heerenveen.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de kantonrechter) op 10 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 16 januari 2025;
  • de memorie van grieven, tevens wijziging van eis, van 15 april 2025;
  • de memorie van antwoord van 1 juli 2025;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 november 2025 is gehouden.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellant] heeft in opdracht van MMVK als schipper diensten verricht voor een tweetal aannemers die zich bezighielden met het project verruiming Twentekanalen van Rijkswaterstaat. [appellant] heeft op 14 december 2022 zijn werkzaamheden gestaakt. Hij heeft in december 2022 facturen verzonden voor gewerkte uren die onbetaald zijn gebleven.
2.2
Bij de kantonrechter heeft hij betaling van die facturen gevorderd, aangevuld met de vordering tot betaling van een aantal gewerkte en niet eerder in rekening gebrachte uren. De uitgebrachte dagvaarding bevatte een fout. In de motivering van de dagvaarding stond dat [appellant] aanspraak maakte op een bedrag van € 7.634,82 in hoofdsom, te vermeerderen met kosten, maar in het petitum (de formele vordering aan het slot van de dagvaarding) stond dat hij een bedrag van € 807,13 vorderde. Dat laatste bedrag heeft de kantonrechter toegewezen.
2.3
MMVK had een tegenvordering ingesteld van € 25.000, - als schadevergoeding omdat [appellant] volgens haar zijn werkzaamheden niet zomaar had mogen beëindigen. Deze vordering heeft de kantonrechter toegewezen omdat daar volgens hem geen goed verweer tegen was gevoerd.
2.4
De bedoeling van het hoger beroep is dat alsnog de volledige vordering van [appellant] wordt toegewezen - waarvoor de eis zekerheidshalve is gewijzigd - en dat de tegenvordering van MMVK alsnog wordt afgewezen.
2.5
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [appellant] slaagt en licht dat hierna toe, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.

3.De feiten

3.1
[appellant] is schipper op de binnenvaart en daarnaast scheepstimmerman. Hij beschikt over een eigen schip. Hij heeft zich voor 2021 al ongeveer 10 jaar lang geregeld laten inhuren door MMVK als schipper (ZZP’er) maar werkte in die periode ook voor andere opdrachtgevers. Met de toenmalige eigenaar van MMVK, [naam1] , had [appellant] een goede verstandhouding.
3.2
MMVK verhuurt kleinschalig maritiem materieel zoals sleep/duwboten, pontons en beunbakken.
3.3
In mei 2021 heeft [naam1] [appellant] benaderd voor werkzaamheden als schipper, op het schip (duwboot)
[naam2]van MMVK die weer zou worden ingezet door aannemers waarmee MMVK een overeenkomst had gesloten. Tussen [appellant] en MMVK is niets op papier gezet. [appellant] is eerst vanaf 7 september 2021 twee weken tewerkgesteld bij aannemer Van Heteren , daarna tot 10 maart 2022 bij aannemer Beens en vanaf 14 maart 2022 weer bij Van Heteren . In de hele periode vanaf 7 september 2021 tot de opzegging van 14 december 2022 heeft [appellant] uitsluitend in opdracht van MMVK gewerkt. Voor de gewerkte uren betaalde MMVK [appellant] € 35,- exclusief btw per uur en na indexatie € 38,50 exclusief btw per uur. MMVK bepaalde waar [appellant] tewerkgesteld werd. [appellant] werkte bij Van Heteren op maandag tot en met woensdag aan het project verruiming Twentekanalen. Op de overige dagen verrichtte [appellant] (timmer)klusjes voor Van Heteren , die door MMVK deels in natura werden uitbetaald in de vorm van leveringen van (diesel)olie voor de eigen boot van [appellant] .
3.4
Tussen [appellant] en de nieuwe eigenaar van MMVK zijn vanaf september 2021 meningsverschillen ontstaan over onder meer de beschikbaarheid van de diensten van een matroos op de
[naam2]en de aanwezigheid van de juiste lampen om bij donker te varen.
3.5
Op woensdagavond 14 december 2022 heeft [appellant] per voicemail aan MMVK meegedeeld dat hij per direct zijn werkzaamheden voor MMVK beëindigde. De directe aanleiding hiervoor was een geschil over het (niet) tijdig vervangen van het (verplichte) vaartijdenboek van de
[naam2], dat vol was.
3.6
[appellant] had rond zijn opzegging zowel drie facturen voor gewerkte uren aan MMVK verzonden als een overzicht met verder nog te verrekenen uren. MMVK heeft geweigerd om tot betaling over te gaan van de gefactureerde uren en de te verrekenen uren.
3.7
MMVK heeft na 14 december 2022 een of meer vervangers voor [appellant] ingehuurd, tegen een uurloon van € 28,50 exclusief Btw.
3.8
Op 16 januari 2023 heeft één van de vervangende schippers, [naam3] , met de
[naam2]als duwboot die de beunbak
[naam4]voortduwde, een aanvaring veroorzaakt met een brug over het Twentekanaal. De bovenkant van de spudpaal van de [naam4] raakte de brug en werd beschadigd. Het eigen risico voor MMVK, nadat de verzekering de schade had vergoed, bedroeg € 10.000, -.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

De wijziging eis
4.1
[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd. Hij vordert dat, onder vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, MMVK wordt veroordeeld tot betaling van € 7.634,82 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 1.694 vanaf 18 december 2022, over € 1.996,82 vanaf 25 december 2022, over € 1.078 vanaf 1 januari 2023 en over € 2.8.66 vanaf 25 januari 2023, steeds tot de dag van betaling, alsmede met incassokosten tot een bedrag van € 756,74 vermeerderd met de gewone wettelijke rente daarover vanaf 20 juli 2023 tot de dag van betaling.
Ook vordert hij terugbetaling van het bedrag van € 26.418,53 dat hij ter uitvoering van het vonnis aan MMVK heeft betaald, te vermeerderen met de gewone wettelijke rente over € 20.000 vanaf 17 februari 2025 en over € 6.418.53 vanaf 21 februari 2025, steeds tot de dag van terugbetaling.
4.2
Het hof zal beslissen op de gewijzigde eis, die op het juiste procedurele tijdstip is ingesteld. Rechtsvorderlijke bezwaren tegen het toestaan van de eiswijziging zijn niet gebleken.
4.3
Gelet op de toegelaten eiswijziging hoeft het hof niet verder in te gaan op de vraag of de kantonrechter de dagvaarding anders had moeten lezen of gelegenheid had moeten bieden om het petitum aan te passen.
De facturen van [appellant]
4.4
MMVK heeft de facturen van [appellant] niet inhoudelijk bestreden. Dat geldt ook voor de daaraan nog aan toegevoegde opgave van niet vergoede uren die in natura (in de vorm van brandstoffen/smeermiddelen voor de eigen boot van [appellant] ) zouden worden uitbetaald maar waarvan het niet tot die vorm van uitbetaling was gekomen.
4.5
MMVK heeft zich wel op opschorting beroepen omdat zij stelde recht te hebben op vergoeding van schade als gevolg van de ontijdige opzegging door [appellant] van zijn werkzaamheden, dan wel dat de nog gefactureerde uren ‘waardeloos’ zouden zijn. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft MMVK dat laatste aldus toegelicht dat daarmee wordt bedoeld dat MMVK aan de opvolgende schippers meer tijd kwijt was voor het geven van instructies voor de werkzaamheden dan het geval zou zijn geweest als [appellant] zijn werkzaamheden had voortgezet. Daarom zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW) dat MMVK nog zou moeten betalen voor de door [appellant] gemaakte uren.
4.6
Het hof verwerpt het beroep op opschorting omdat, naar het hierna onder 4.17 en volgende zal uitleggen, MMVK niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade als gevolg van de opzegging heeft geleden die zij bij [appellant] in rekening kan brengen. Het hof verwerpt ook het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) omdat MMVK daarvoor veel te weinig heeft gesteld. Als sprake zou zijn van extra instructietijd voor de vervangende schippers is dat een factor bij de schadevaststelling bij een onterechte opzegging, maar daarmee nog geen grond voor afwijzing van de vordering tot vergoeding van gemaakte uren waarvan niet is gesteld of gebleken dat die werkzaamheden als zodanig zinloos zijn geweest.
4.7
Aangezien het verweer van MMVK niet opgaat, hoeft het hof niet in te gaan op de stellingen van [appellant] dat MMVK dit verweer uitdrukkelijk heeft prijsgegeven bij de kantonrechter en dat daarmee sprake zou zijn van een ‘gedekt verweer’.
4.8
Dit betekent dat de oorspronkelijke vordering van [appellant] van € 7.634,82 toewijsbaar is.
[appellant] is geen schadevergoeding verschuldigd aan MMVK vanwege de opzegging
4.9
Volgens MMVK was [appellant] een professioneel opdrachtnemer, was sprake van een opdracht voor onbepaalde tijd, namelijk tot het einde van de werkzaamheden van Rijkswaterstaat aan de Twentekanalen - die begin juli 2023 feitelijk zijn afgerond - en moet [appellant] alle schade dragen die MMVK heeft geleden doordat zij vervangende schippers heeft moeten inhuren toen hij zijn werkzaamheden plotseling beëindigde.
4.1
MMVK beroept zich op artikel 7:408 BW lid 2, dat bepaalt dat de opdrachtnemer die de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, behoudens gewichtige redenen, de overeenkomst slechts kan opzeggen, indien de overeenkomst voor onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt. Dit artikel is van regelend recht, zodat partijen daarvan kunnen afwijken.
4.11
[appellant] heeft de stellingen van MMVK betwist en heeft een verklaring van de hiervoor genoemde vorige eigenaar van MMVK overgelegd. [naam1] schrijft daarin onder meer dat zijn voormalige werknemer [appellant] zich tot hem heeft gewend, dat hij de afspraken met [appellant] heeft gemaakt, dat die inhielden dat [appellant] werkte als inhuur/ZZP’er, dat hij [appellant] in september 2021 heeft ingehuurd voor 1,5 jaar werkzaamheden op het Twentekanaal en dat de overeenkomst zonder expliciete redenen door zowel opdrachtgever als opdrachtnemer beëindigd kon worden.
4.12
Zoals ook op de mondelinge behandeling is besproken, kan de vraag worden opgeworpen of de overeenkomst wel kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht dan wel dat de overeenkomst toch als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt.
4.13
[appellant] moest vanaf september 2021 werken daar waar MMVK hem te werk stelde in een soort uitzendconstructie. Daar had hij geen inspraak in. Het bedrijf waar hij uiteindelijk aan werd uitgeleend bepaalde de werktijden, maar met MMVK was een 40-urige werkweek afgesproken; als dat aantal uren niet werd gehaald moest hij aanvullende werkzaamheden doen en als dergelijke ‘overuren’ werden gemaakt werden die (in natura) vergoed. Weliswaar factureerde [appellant] wekelijks zijn uren, maar door de afspraken over de 40-urige werkweek liep hij gedurende de looptijd van de werkzaamheden geen commercieel risico. In geval van een arbeidsovereenkomst moet worden uitgegaan, mocht [appellant] een overeenkomst voor onbepaalde tijd opzeggen, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen. Die opzegtermijn bedraagt, wanneer de omvang van de arbeidsduur niet is vastgelegd, vier dagen op grond van artikel 7:672 lid 5 BW. Aangezien opzegging van een arbeidsovereenkomst tegen het eind van de maand moet gebeuren (artikel 7:672 lid 1 BW) zou [appellant] de overeenkomst in dat geval tegen 31 december 2022 hebben kunnen opzeggen. Dit tenzij sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW. In dat geval mocht [appellant] wel direct zijn werkzaamheden beëindigen.
4.14
Indien wordt uitgegaan van de lezing van de voormalig eigenaar dat sprake is van een overeenkomst van opdracht met een tussentijdse opzegmogelijkheid voor beide partijen, geldt dat [appellant] tussentijds mocht opzeggen. [naam1] spreekt niet over opzegtermijnen, maar het ligt in de rede dat [appellant] wel een opzegtermijn in acht moest nemen, waarbij het voor de hand ligt om aansluiting te zoeken bij de ‘gewone’ opzegtermijn voor werknemers van één maand (artikel 7:672 lid 4 BW) omdat de positie van [appellant] ten opzichte van MMVK, ook als geen arbeidsovereenkomst kan worden aangenomen, daar toch sterk op lijkt.
4.15
Als MMVK wordt gevolgd in haar verweer dat een opzegmogelijkheid niet was afgesproken, zou de overeenkomst doorlopen tot 7 maart 2023 gelet op de eigen stelling van [appellant] dat sprake was van een overeenkomst voor 18 maanden na aanvang werkzaamheden op 7 september 2021. Voor de stelling van MMVK dat een overeenkomst voor onbepaalde tijd tot einde werkzaamheden van Rijkswaterstaat, dus tot (tenminste) juli 2023 zou zijn afgesloten, ontbreekt elk bewijs.
4.16
Naar het oordeel van het hof kan het antwoord op de vraag of en welke opzegtermijn in dit geval gold in het midden blijven, evenals het antwoord op de vraag of [appellant] vanwege gewichtige redenen per direct mocht opzeggen omdat MMVK er volgens hem te lang over deed om een nieuw vaartijdenboek aan te leveren. Ook als uitgegaan wordt van de voor MMVK gunstige hierboven omschreven variant, namelijk dat [appellant] zijn werkzaamheden niet voor 7 maart 2023 had mogen beëindigen, geldt dat MMVK aannemelijk moet maken dat zij, als gevolg van de ontijdige opzegging, schade heeft geleden die voor rekening van [appellant] komt. MMVK is daar niet in geslaagd.
4.17
MMVK noemt in haar summiere schadeopstelling het loon dat zij aan de vervangende schippers heeft moeten betalen. Zij betrekt daarin ten onrechte niet dat zij, als [appellant] was blijven werken, hem ook loon had moeten betalen. Aangezien vaststaat dat het met [appellant] afgesproken loon veel hoger lag dan het loon dat zij aan de vervangende schippers kwijt was, levert dit laatste geen schadepost op, ook niet als aangenomen wordt dat de MMVK enige uren kwijt was aan het instrueren van de vervangende schippers.
4.18
MMVK heeft verder aangevoerd dat de vervangende schippers wilden dat hun eigen boot werd gebruikt en niet
De [naam2] ,zodat MMVK de
[naam2]niet kon verhuren aan de betrokken aannemers. [appellant] heeft dit betwist. MMVK heeft haar stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Zij heeft wel een verklaring overgelegd van schipper [naam3] die het ongeval met de brug heeft veroorzaakt, waarover hierna meer. In de verklaring schrijft [naam3] dat hij op 16 januari 2023 met de
[naam2]als duwboot voer met de beunbak
[naam4]. Dit steunt dus niet de stelling van MMVK dat zij De
[naam2]niet meer heeft kunnen verhuren voor dit project.
4.19
De derde schadepost die MMVK noemt is het eigen risico van €10.000 dat zij moest betalen als gevolg van het ongeval met de
[naam4]. Volgens haar was dit ongeval niet gebeurd als [appellant] als schipper was blijven varen en moet hij daarom dit bedrag aan MMVK betalen. Het hof oordeelt dat MMVK gelijk heeft dat het conditio-sine-qua-non-verband aanwezig is in die zin dat als [appellant] schipper was gebleven, [naam3] niet op de
[naam2]had gevaren op 16 januari 2023.
4.2
Een vaartuig zoals de beunbak de [naam4] kan een vaste positie in het water innemen door de spudpaal in de waterbodem te duwen. Tijdens de zitting bij het Hof heeft [appellant] verklaard dat de snelheid van een vaartuig wordt belemmerd in geval de spudpaal deels onder de bodem van het water is uitgeschoven en dat de spudpaal om
die reden vaak maximaal wordt ingetrokken. De spudpaal steekt dan wel aan de bovenkant van het vaartuig uit. Bij bruggen moet dan de spudpaal wel op tijd weer naar beneden worden gehaald, zodat de spudpaal de brug niet raakt. Op 16 januari 2023 had de schipper dat niet tijdig gedaan, met een aanvaring tot gevolg en aanzienlijke schade aan de spudpaal van de beunbak
[naam4] .
4.21
Voor toerekening van deze schade aan de opzegging van [appellant] is het conditio-sine-qua-non-verband echter niet voldoende. Dan moet ook sprake zijn dat de aanvaring in zodanig verband staat met de ontijdige opzegging dat deze mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade in redelijkheid aan de ontijdige opzegging kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Dat is niet het geval. De aanvaring is niet een voorzienbaar gevolg van de opzegging. Bovendien pleit de aard van de schade (vermogensschade) niet voor een ruime toerekening.
4.22
De door MMVK gestelde schadeposten staan dus hetzij in onvoldoende rechtstreeks verband met de opzegging door [appellant] , dan wel zijn niet voldoende aannemelijk gemaakt door MMVK. Dat betekent dat de door MMVK gevorderde en door de kantonrechter toegewezen schade alsnog zal worden afgewezen.
De rente en kosten
4.23
[appellant] heeft de wettelijke handelsrente gevorderd over zijn vordering vanaf de betaaldatum van de verschillende facturen. Deze datum ligt vóór de datum van 5 juli 2023 die de kantonrechter heeft aangehouden. MMVK heeft de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente niet betwist. Uitgaande van een overeenkomst van opdracht acht het hof de wettelijke handelsrente toewijsbaar vanaf het moment dat de betaaldatum van de door [appellant] verzonden facturen was verstreken. Aangezien het opschortingsverweer per saldo geen doel heeft getroffen, is MMVK deze rente vanaf die datum verschuldigd. [1]
Voor de door [appellant] verzonden facturen zal het hof de rente toewijzen vanaf de door hem genoemde data.
4.24
De aanvullende vordering strekt tot vergoeding van een door MMVK opgezegde afspraak tot betaling in natura, met dubieuze fiscale aspecten. Het hof merkt deze vordering niet aan als een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a lid 1 BW. Over dit bedrag zal het hof de gewone wettelijke rente toewijzen, met als ingangsdatum 2 februari 2023, twee weken na de eerste ingebrekestelling.
Ook de buitengerechtelijke incassokosten over de hoofdsom zijn verschuldigd zoals door [appellant] berekend. Het hof zal deze toewijzen, eveneens vermeerderd met de gewone wettelijke rente als gevorderd.
De conclusie
4.25
Het hoger beroep slaagt. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter geheel vernietigen en opnieuw rechtdoende MMVK veroordelen tot betaling van de hiervoor genoemde bedragen. Ook zal het hof MMVK veroordelen tot terugbetaling van wat [appellant] op grond van dit vonnis aan MMVK heeft betaald, te vermeerderen met de gewone wettelijke rente over de betaalde bedragen vanaf de door [appellant] gevorderde data tot het moment van terugbetaling.
Het hof zal MMVK veroordelen in de kosten van de procedure, zowel bij de kantonrechter, als in hoger beroep, zoals in hierna in het dictum wordt gespecificeerd. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de (gewone) wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
4.26
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 10 december 2024 en beslist als volgt
5.2
veroordeelt MMVK tot betaling aan [appellant] van de volgende bedragen in hoofdsom:
  • € 1.694,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 december 2022;
  • € 1.996,82 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 25 december 2022;
  • € 1.078,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2023;
  • € 2.866,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2023;
en aan buitengerechtelijke incassokosten
 € 756,74 € 756,74 vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 juli 2023 tot de dag van betaling;
5.3
veroordeelt MMVK tot terugbetaling aan [appellant] van de volgende bedragen
  • € 20.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2025;
  • € 6.418,53 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2025;
5.4
in alle gevallen loopt de rentevergoeding tot de dag van terugbetaling.
5.5
veroordeelt MMVK tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
 € 248,- aan griffierecht
 € 129,14 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan MMVK
 € 678,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief vorderingen tot €10.000)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
 € 827,- aan griffierecht;
 € 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan MMVK;
 € 3.142, - aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten het toepasselijke tarief III);
5.6
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.7
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.8
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, H. de Hek en H.M. Fahner en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 december 2025.

Voetnoten

1.HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610 en HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907