ECLI:NL:GHARL:2025:8494

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
200.357.527/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ontslag op staande voet en afwijzing van vergoedingen in arbeidszaak

In deze zaak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, waarin zijn ontslag op staande voet door Topzorggroep Mental Health B.V. (TMH) werd bekrachtigd. [appellant] was eerder oprichter en bestuurder van Stichting Kliniek Kop en Lijf (SKKL) en had een dienstverband bij TMH. Hij legde zich neer bij het ontslag, maar was het oneens met de afwijzing van zijn verzoek om vergoedingen voor de niet in acht genomen opzegtermijn, transitievergoeding en billijke vergoeding. Het hof heeft de beslissing van de kantonrechter bekrachtigd, waarbij werd geoordeeld dat [appellant] onterecht € 100.000 van SKKL naar zijn persoonlijke holding had overgemaakt zonder daartoe gerechtigd te zijn. Het hof oordeelde dat dit handelen een dringende reden voor ontslag op staande voet vormde. De persoonlijke omstandigheden van [appellant] werden niet als voldoende zwaarwegend beschouwd om het ontslag te rechtvaardigen. Het hof wees ook de verzoeken van [appellant] om vergoedingen af, omdat hij ernstig verwijtbaar had gehandeld. De proceskosten werden aan [appellant] opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.527
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11556028
beschikking van 22 december 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. R.H.G. Evers
en
Topzorggroep Mental Health B.V. (TMH)
die is gevestigd in Goes
advocaat: mr. S.G.E. van Ruitenbeek

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, op 12 mei 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking [1] ). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift
  • de nagekomen producties van TMH en [appellant]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 21 november 2025 is gehouden

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] vindt dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen. Hij legt zich wel neer bij dat ontslag, maar is het er niet mee eens dat de kantonrechter de door hem geclaimde vergoedingen heeft afgewezen en de door TMH gevraagde verklaring voor recht en de gefixeerde schadevergoeding heeft toegewezen.
2.2.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en alsnog zijn verzoek wordt toegewezen om betaling van de vergoedingen voor de niet in acht genomen opzegtermijn, de transitievergoeding, een billijke vergoeding en buitengerechtelijke incassokosten. Ook wil [appellant] dat TMH terugbetaalt wat hij op grond van de bestreden beschikking aan TMH heeft betaald.
2.3.
Het hof zal beslissen dat de bestreden beslissing wordt bekrachtigd en licht dat hierna toe, nadat eerst de feiten zijn vastgesteld.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

de feiten
3.1.
[appellant] was oprichter en bestuurder van zorgstichting Stichting Kliniek Kop en Lijf (hierna: SKKL). SKKL besteedde de zorg aan patiënten exclusief uit aan twee vennootschappen die ook door [appellant] waren opgericht en die door hem werden bestuurd: Fysio Bussum B.V. en Medisch Centrum Nijverheidswerf B.V. (hierna: de vennootschappen). Via zijn persoonlijke holding Nijverheid Holding B.V. (hierna: de holding) was [appellant] enig aandeelhouder van de vennootschappen.
3.2.
TMH is onderdeel van de landelijke keten TopzorgGroep, die zich onder meer richt op verschillende vormen van zorg in Nederland.
In 2022 heeft [appellant] de aandelen in de vennootschappen verkocht aan twee door de TopzorgGroep opgerichte entiteiten, te weten TopzorgGroep Fysio Bussum B.V. en TopzorgGroep Medisch Centrum Nijverheidswerf B.V. Laatstgenoemde vennootschap verkreeg ook de exclusieve overeenkomst die SKKL met de vennootschappen had.
3.3.
[appellant] is op 2 september 2022 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij TMH in de functie van Business Unit Developer GGZ tegen een salaris van € 6.939,46 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten.
3.4.
Op 2 juni 2023 is [appellant] afgetreden als bestuurder van SKKL, waarna hij werd opgevolgd door [naam1] , die op 28 oktober 2024 weer is opgevolgd door [naam2] .
3.5.
[naam1] heeft op 1 november 2023 een schriftelijke volmacht ondertekend waarin [appellant] wordt gemachtigd namens [naam1] alle rechtshandelingen te verrichten die hij noodzakelijk of wenselijk acht en daarbij ook als wederpartij van de volmachtgever op te treden, behalve voor rechtsgedingen. Als achtergrond is vermeld: ‘gezien de dagelijkse aanwezigheid, kennis en ervaring’ van [appellant] betreffende SKKL.
3.6.
Op 11 november 2024 heeft [appellant] aan [naam1] verzocht om een formulier te ondertekenen omdat het om een kwestie ging ‘in jouw tijd’ als bestuurder van SKKL. Daarop heeft [naam1] geantwoord dat hij dat niet meer kan doen omdat [naam2] aan zet is. Uiteindelijk heeft [naam2] , in een reactie op een mail van [appellant] aan hem, op 25 november 2024 teruggemaild dat het ging om een activiteit van voor zijn aanstelling als bestuurder, dat hij derhalve niet kan ondertekenen en dat dit nog prima door [naam1] kan gebeuren.
3.7.
[appellant] heeft op 3 december 2024 twee keer € 50.000 overgemaakt van de bankrekening van SKKL naar de bankrekening van zijn holding met omschrijving: parkeren.
3.8.
Op vrijdag 20 december 2024 werd [appellant] om 14:54 uur gebeld, volgens [appellant] door iemand die zich aan het einde van het korte gesprek [naam3] noemde en meedeelde dat het geld terug zou moeten. Kort daarna heeft [naam4] , indirect bestuurder van TMH, [appellant] per e-mail van 15:00 uur gevraagd naar de achtergrond en onderbouwing van deze betalingen. Vervolgens heeft [appellant] een e-mail gestuurd naar [naam2] (en die mail om 15:22 uur doorgestuurd naar [naam4] ) waarin hij schrijft:
“Ter jouwer informatie:
Zojuist ben ik gebeld door ene [naam3] over geld. Ik kan je melden dat ik dit geld veiliggesteld heb.
Verder wordt [naam5] steeds weer afgezegd als hij afspraken heeft mbt de financiele gang van zaken betreffende onze locatie Bussum.
Kan jij zorgen dat er eindelijk eens inzicht in de financien komt?”
3.9.
In reactie hierop heeft [naam4] om 17:23 uur een e-mail gestuurd naar [appellant] waarin hij schrijft dat [naam3] [naam6] in zijn opdracht naar [appellant] heeft gebeld om na te gaan waar het geld naar toe is gegaan en met welke reden, en dat [naam6] om terugstorting heeft gevraagd. [naam4] schrijft verder dat hij van [naam6] heeft begrepen dat [appellant] dit geweigerd heeft.
“Dit is een vertrouwensbreuk. Wij zullen (juridische) stappen ondernemen”,
aldus [naam4] in dit bericht.
3.10.
Met een brief van maandag 23 december 2024 heeft TMH [appellant] op staande voet ontslagen om redenen die zij ieder voor zich, maar ook in onderlinge samenhang en in welke combinatie dan ook, aanmerkt als een dringende reden:
“a) Het onrechtmatig overmaken van EUR 100.000 van Stichting Kliniek Kop & Lijf
naar de bankrekening van jouw persoonlijke holding vennootschap, Nijverheid
Holding B.V.
b) Het nalaten om het dit bedrag per ommegaande terug te storten nadat jou bekend
is dat wij dit van jou eisen.
c) Het communiceren zonder enige blijk van wroeging nadat wij jou hebben
geconfronteerd met de onrechtmatige geldtransactie.
d) Het schenden van jouw verplichtingen om je als goed en betrouwbaar werknemer
te gedragen.
e) Het handelen zoals bij a t/m c beschreven terwijl bij jou bekend is dat de
arbeidsrelatie en het vertrouwen in de samenwerking al onder druk stond gezien de
voorgeschiedenis van problemen en integriteitsschendingen.”
[appellant] berust in het ontslag.
de beslissing van de kantonrechter en de bezwaren van [appellant] daartegen
3.11.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] de € 100.000 naar zijn persoonlijke holding heeft overgeboekt zonder daartoe gerechtigd te zijn. Het beroep op de volmacht gaat niet op omdat deze overboeking niet onder de ‘dagelijkse gang van zaken’ valt. Ook het door [appellant] aangevoerde motief (voorkoming van beslaglegging) is volgens de kantonrechter geen goede reden. [appellant] heeft gehandeld in de uitoefening van zijn werk voor TMH en daarbij misbruik gemaakt van zijn toegang tot het geld van SKKL. Dit rechtvaardigt ontslag op staande voet en de andere redenen kunnen onbesproken blijven. De persoonlijke omstandigheden van [appellant] wegen niet op tegen de aard en ernst van de dringende reden en hetzelfde geldt voor de gevolgen van het ontslag voor [appellant] . Dat [appellant] voorafgaande aan de ontslagverlening op 23 december 2024 niet is gehoord, staat niet aan een rechtsgeldig ontslag in de weg en [appellant] is bevraagd over de overboekingen en heeft een verklaring gegeven. Dat hij de onder 3.9. vermelde e-mail niet gelezen heeft voordat hij werd ontslagen, doet daaraan volgens de kantonrechter niet af.
3.12.
[appellant] komt tegen de bestreden beslissing op met een aantal bezwaren tegen het oordeel dat sprake is van een dringende reden voor ontslag. Verder klaagt hij erover dat de door hem verzochte (gedeeltelijke) transitievergoeding ten onrechte is afgewezen, dat de door TMH verzochte gefixeerde schadevergoeding ten onrechte is toegewezen en dat TMH ten onrechte niet is veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
Het hof zal de grieven thematisch bespreken.
[appellant] was niet bevoegd tot overmaking van een ton van SKKL naar zijn eigen holding
3.13.
[appellant] was ten tijde van de overboeking geen bestuurder meer van SKKL. Hij kan zich voor zijn formele bevoegdheid om de bewuste overboeking te verrichten ook niet beroepen op de volmacht van [naam1] .
Partijen verschillen van mening waartoe de volmacht strekte. Hoewel die volmacht niet duidelijk beschrijft dat het gaat om de bevoegdheid SKKL te vertegenwoordigen, is dat wel het doel ervan, zoals ook blijkt uit de door [appellant] zelf opgestelde notulen van de vergadering op 7 december 2023 van de Raad van Toezicht van SKKL. De verstrekte schriftelijke volmacht beperkt de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [appellant] niet tot de dagelijkse gang van zaken binnen SKKL, maar dat was volgens de hiervoor genoemde notulen nadrukkelijk wel de bedoeling en [appellant] heeft dat ook zo begrepen. Hij stelt in zijn verzoekschrift aan de kantonrechter immers ook zelf dat hij door [naam1] gemachtigd was voor de afhandeling van de dagelijkse gang van zaken.
Op 3 december 2024 kon [appellant] niet namens [naam1] gebruik maken van de volmacht. [appellant] wist immers, gelet op de correspondentie onder 3.6., dat [naam1] toen geen bestuurder meer was van SKKL. Maar ook kan niet worden gezegd dat het overboeken van een dergelijk groot bedrag zonder betalingsverplichting van SKKL naar een privérekening buiten bereik van SKKL tot de dagelijkse gang van zaken behoort. [appellant] stelt dat dit anders is, en het hof zal in overweging 3.14. uitleggen waarom dat standpunt niet juist is.
Ter zitting bij het hof is ook nog door [appellant] bevestigd dat hij voorafgaand aan de overboeking géén overleg heeft gepleegd of advies heeft gevraagd. Zijn opmerking dat “ [naam4] wist dat dit speelde; hij wist dat de curator overal beslag op kon leggen” is onvoldoende concreet om te kunnen gelden als stelling dat hij met toestemming van [naam4] handelde. Dat zou overigens ook een geheel nieuw standpunt zijn, en daarvoor is na indiening van het beroepschrift in beginsel geen plaats meer op grond van de zogenoemde ‘tweeconclusieregel’.
3.14.
Volgens [appellant] was het heel gewoon dat geld heen en weer werd geschoven tussen SKKL en zijn holding en maakte het tijdelijk veiligstellen van bedragen, bijvoorbeeld om beslag door derden te voorkomen, deel uit van de gebruikelijke gang van zaken. Ter onderbouwing heeft hij in hoger beroep gewezen op een uitdraai van bankoverschrijvingen in de periode tussen 2 september 2022 en 3 december 2024.
Daartussen staan mutaties van een andere stichting van [appellant] (Stichting Kop & Lijf) die buiten beschouwing kunnen blijven. Voor zover het gaat om SKKL heeft TMH toegelicht dat voor de overboekingen tot en met 12 januari 2023 een geaccepteerde reden was, te weten het afwikkelen van de ‘erfenis van vóór de overname’ uit de rekening-courantverhouding die [appellant] toen als bestuurder met SKKL had, en die afwikkeling blijkt ook uit de jaarcijfers over 2023.
Voor de andere overboekingen tussen 30 maart 2023 en 26 november 2023 was volgens TMH ook een concrete reden, te weten de afspraken die zijn gemaakt met zorgverzekeraar VGZ in een vaststellingsovereenkomst. Daarmee is er dus, vanaf de overname van de vennootschappen en indiensttreding van [appellant] tot 3 december 2024, geen sprake van het louter ‘parkeren van gelden’ van SKKL op een privérekening van [appellant] , aldus TMH.
Aan het door [appellant] aangeboden bewijs van zijn stelling dat ook na de overname in september 2022 de bankrekening van zijn holding als rekening-courant werd gebruikt, gaat het hof voorbij. [appellant] heeft het hof namelijk niet duidelijk kunnen maken dat de verklaring van TMH voor de door [appellant] getoonde bankoverschrijvingen onjuist is, zodat het hof zijn verweer dat het ‘parkeren’ niet valt onder de ‘dagelijkse gang van zaken’ waarop de volmacht betrekking had als onvoldoende onderbouwd passeert, nog daargelaten dat die volmacht met het aftreden van [naam1] als bestuurder was geëxpireerd.
3.15.
[appellant] kan zich evenmin beroepen op een andere rechtvaardigingsgrond voor het overboeken van een hem niet toebehorend groot bedrag naar zijn holding. Zoals hiervoor is overwogen had hij daartoe geen formele bevoegdheid. Het is dan aan hem om te onderbouwen dat hij, ondanks zijn bevoegdheidsoverschrijding, op redelijke gronden in het belang van SKKL handelde. Daarin is hij niet geslaagd, want hij heeft niet duidelijk kunnen maken dat er een noodzaak was om zo te handelen en zo’n acute dreiging van beslaglegging, dat hij zonder voorafgaand overleg met een bevoegde bestuurder van SKKL of zijn werkgever kon menen dat hij in het belang van SKKL de gelden buiten het bereik van een beslaglegger moest brengen.
De conclusie is dat [appellant] niet mocht aannemen dat hij geld van SKKL mocht storten op een rekening waarover alleen hij kan beschikken.
de overboekingen vormen een dringende reden voor ontslag door werkgever
3.16.
De kantonrechter heeft terecht overwogen dat als dringende redenen voor ontslag op staande voet worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van
de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan
worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Daarbij moeten ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer worden betrokken. Verder kan meewegen wat de gevolgen zijn voor de werknemer van een ontslag op staande voet.
3.17.
[appellant] neemt het standpunt in dat de overboekingen op 3 december 2024 geen reden kunnen zijn voor ontslag op staande voet door TMH. Anders dan de kantonrechter overwoog was er toen nog geen formele relatie tussen TMH en SKKL en was SKKL niet onlosmakelijk verbonden met zijn werkgever TMH, aldus [appellant] .
3.18.
Aan [appellant] kan worden toegegeven dat de zeggenschap van de TopzorgGroep over SKKL pas is geformaliseerd met de statutenwijziging op 13 januari 2025. Dat neemt niet weg dat het kort daarvoor elders ‘parkeren’ ofwel onttrekken van gelden aan SKKL in dit geval een dringende reden voor ontslag oplevert in de relatie tussen [appellant] en zijn werkgever, die deel uitmaakt van de TopzorgGroep. Uit de
letter of intentvoorafgaand aan de overname volgt wat de bedoeling was van partijen: TopzorgGroep zou de gehele organisatie van de Kliniek Kop en Lijf van [appellant] overnemen. SKKL was daarin van belang omdat zij beschikte over de noodzakelijke vergunning om geleverde zorg te declareren. Na de overname zou TopzorgGroep eigenaar zijn van de werkmaatschappijen die de zorg leveren, inclusief de vennootschap die met SKKL een exclusieve samenwerkingsovereenkomst heeft. De zeggenschap en de beschikkingsmacht over SKKL zouden toekomen aan de TopzorgGroep net als “alle winst en het geld dat gegenereerd wordt” (
letter of intent, onder 4). Om die reden is TopzorgGroep, kort voor de gewraakte betalingen, het financiële beheer van SKKL gaan voeren. Het verband tussen SKKL en TMH is, gelet op het voorgaande, sinds de overname van dien aard dat van TMH redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te zetten met een werknemer die onbevoegd € 100.000 overboekt van SKKL naar zijn eigen rekening.
3.19.
Het hof tekent hierbij nog aan dat TMH uitleg heeft gegeven over het tijdsverloop tussen de overname van de vennootschappen en het exclusiviteitscontract enerzijds en de statutenwijziging anderzijds. TMH heeft onweersproken gesteld dat een grote zorgverzekeraar [appellant] beschuldigde van fraude. Uiteindelijk is die kwestie uitgemond in een vaststellingsovereenkomst waarin [appellant] gedwongen werd af te treden als bestuurder van SKKL. De TopzorgGroep heeft op juridisch advies besloten het bestuur van SKKL nog enige tijd separaat te houden. Het aanstellen van [naam2] als bestuurder van SKKL per 28 oktober 2024 was een teken dat het de TopzorgGroep ernst was met de overname van SKKL. [appellant] heeft nog aangevoerd dat hij op 3 december 2024 niet wist dat [naam2] inmiddels bestuurder was, maar daaraan kan geen geloof worden gehecht, gelet op de correspondentie onder 3.6.
3.20.
[appellant] heeft, toen hij op vrijdagmiddag 20 december 2024 vragen over de overboekingen kreeg van [naam4] en [naam3] [naam6] , Manager Finance van de TopzorgGroep, volstaan met zijn onder 3.8. weergegeven e-mail aan [naam2] , welke mail hij daarna doorstuurde aan [naam4] . Daarmee zijn de geadresseerden met een kluitje in het riet gestuurd.
Als verklaring voor het niet serieus nemen van het telefoontje van [naam6] heeft [appellant] aangevoerd dat hij pas aan het eind van dat gesprek wist dat hij met ene [naam3] sprak, die hij niet kende.
Het hof vindt dat ongeloofwaardig in het licht van het feit dat [appellant] in dat telefoongesprek werd aangesproken op bankoverschrijvingen, welke informatie in de regel alleen in beperkte kring bekend is, en gelet op verschillende door TMH overgelegde e-mails uit de periode van 25 maart 2024 tot in augustus 2024 waarin zowel [appellant] als [naam6] geadresseerden zijn, of waarin [naam6] [appellant] rechtstreeks aanschrijft met zijn naam en functie in de voettekst.
Door aldus te handelen heeft [appellant] extra voeding gegeven aan de verdenking dat hij met de overboeking onrechtmatig handelde.
3.21.
Ook als [appellant] de laatste mail van [naam4] aan hem op de bewuste vrijdagmiddag niet meer gelezen heeft, is het onttrekken van een ton aan SKKL en het storten van dat bedrag op een eigen rekening zodanig ernstig, dat dit ontslag op staande voet rechtvaardigt.
De overige gronden die TMH voor het ontslag heeft aangevoerd kunnen daarmee onbesproken blijven.
Aan het voorgaande doet niet af dat TMH op maandag 23 december 2024 [appellant] niet eerst heeft gehoord voordat zij tot ontslag overging. Dat was op zichzelf wel zorgvuldig geweest en TMH had dan ook kunnen verifiëren of [appellant] de laatste mail van [naam4] wel gelezen had. Maar [appellant] heeft naar aanleiding van de eerste mail van [naam4] en het telefoongesprek met [naam6] volledige openheid van zaken kunnen geven en hij had er rekening mee moeten houden dat zijn reactie onvoldoende zou zijn om het noodzakelijke vertrouwen te herwinnen.
3.22.
[appellant] heeft zich nog beroepen op schending van de zorgplicht van zijn werkgever die bijvoorbeeld geen waarschuwingen heeft geven. Het hof is echter van oordeel dat [appellant] ook zonder waarschuwing had moeten begrijpen dat hij, als er geen verplichting tot betaling was, geen geld van SKKL naar een bankrekening mocht overmaken waarover alleen hijzelf zeggenschap had, zeker nu het gaat om een zeer groot bedrag en hij geen enkele bevoegdheid had om over de (zorg)gelden van de stichting te beschikken. Aan de gerechtvaardigdheid van het ontslag doet ook niet af dat de toegang van [appellant] tot de bankrekening van SKKL al eerder ingetrokken had kunnen worden.
3.23.
[appellant] heeft gewezen op persoonlijke omstandigheden die in de weg staan aan de gerechtvaardigdheid van het ontslag. Hij wijst dan op beperkte kansen op de arbeidsmarkt gezien zijn leeftijd (65), fysieke beperkingen voor het verlenen van manuele therapie en het concurrentie- en relatiebeding waaraan hij is gebonden. Daarnaast heeft de curator in het faillissement van andere vennootschappen van [appellant] beslag gelegd op zijn loon en bankrekening, terwijl de TopzorgGroep de huur van zijn pand wil beëindigen.
Het hof begrijpt dat [appellant] mogelijk ernstige financiële problemen heeft, maar dat gegeven maakt niet dat milder moet worden geoordeeld over de dringende reden voor ontslag. En als [appellant] daadwerkelijk hinder blijkt te hebben van zijn concurrentiebeding bij het vinden van ander werk, dan kan hij met TMH bespreken of en in hoeverre daarvan afstand kan worden gedaan. En zo nodig kan [appellant] daarover dan een rechterlijk oordeel vragen.
3.24.
De grieven met betrekking tot de gerechtvaardigdheid van het ontslag falen dus. De verzoeken van [appellant] om TMH te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding en de vergoeding voor de niet in acht genomen opzegtermijn zijn niet toewijsbaar.
geen recht op transitievergoeding en terechte toewijzing van gefixeerde schadevergoeding
3.25.
Anders dan [appellant] stelt, heeft hij wel ernstig verwijtbaar gehandeld door de overboeking van € 100.000 naar zijn eigen holding. De verzochte transitievergoeding wordt daarom afgewezen. Het hof ziet ook geen reden om TMH te veroordelen tot betaling van een gedeelte van de transitievergoeding. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet toekennen van (een deel van) de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie artikel 7:673 lid 8 BW).
Ook kan niet worden gezegd dat [appellant] geen schuld heeft aan het ontstaan van de dringende reden voor ontslag. De kantonrechter heeft dan ook terecht de door TMH verzochte gefixeerde schadevergoeding toegewezen. Voor de door [appellant] verzochte terugbetaling is geen wettelijke grondslag.
3.26.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter ook terecht de verzochte vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten heeft afgewezen en [appellant] heeft veroordeeld in de proceskosten.
3.27.
Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant] voor zover dat hiervoor nog niet aan de orde is geweest. Dat aanbod heeft geen betrekking op betwiste feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Uit de eerdere overwegingen volgt ook dat geen behoefte bestaat aan het horen van de door TMH aangeboden getuigen.
de conclusie
3.28.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem veroordelen tot betaling van de proceskosten van TMH bij het hof.
3.29.
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 12 mei 2025;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van TMH:
€ 827 aan griffierecht
€ 2.428 aan salaris van de advocaat van TMH (2 procespunten x het toepasselijke tarief van € 1.214 per punt);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, A.E.F. Hillen en R. Verkijk, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.

Voetnoten

1.Gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2025:2402.