ECLI:NL:GHARL:2025:8451

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
200.360.591/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kort geding over wedertewerkstelling van ziekenhuisapotheker in ontbindingsprocedure

In deze zaak heeft het Slingeland Ziekenhuis hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in kort geding, waarin de vordering van werknemer, een ziekenhuisapotheker, tot wedertewerkstelling was toegewezen. De werknemer was sinds mei 2025 vrijgesteld van haar werkzaamheden en vorderde dat het ziekenhuis haar weer zou toelaten tot het verrichten van haar werkzaamheden. De voorzieningenrechter had deze vordering toegewezen, maar het Slingeland Ziekenhuis was het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de procedure in hoger beroep behandeld en op 16 december 2025 arrest gewezen. Het hof oordeelde dat de vorderingen van de werknemer moesten worden afgewezen. Het Slingeland Ziekenhuis voerde aan dat de verhoudingen op de werkvloer ernstig verstoord waren en dat toelating van de werknemer tot haar werk zou leiden tot verdere problemen binnen het team. De werknemer betwistte dit en stelde dat zij recht had op wedertewerkstelling. Het hof concludeerde dat het belang van het Slingeland Ziekenhuis om de rust in het apothekersteam te behouden zwaarder woog dan het belang van de werknemer om haar werk te hervatten. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en bepaalde dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof: 200.360.591
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 11756487)
arrest in kort geding van 16 december 2025
in de zaak van
Stichting Slingeland Ziekenhuis
die is gevestigd in Doetinchem
hierna: het Slingeland Ziekenhuis
advocaat: mr. S.P.R.M. Kranenburg
tegen
[werknemer]
die woont in [woonplaats]
hierna: [werknemer]
advocaat: mr. O.J. Rote-de Vries

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het Slingeland Ziekenhuis heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis in kort geding dat kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de voorzieningenrechter) op 23 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van het Slingeland Ziekenhuis met daarin de bezwaren (grieven) tegen het vonnis en een schorsingsverzoek (incident)
  • de memorie van antwoord van [werknemer] in het hoger beroep en in het incident van het Slingeland Ziekenhuis, en het eigen (incidenteel) hoger beroep van [werknemer]
  • de memorie van antwoord van het Slingeland Ziekenhuis in het hoger beroep van [werknemer]
  • een akte met productie van het Slingeland Ziekenhuis
  • een akte met productie van [werknemer]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 4 december 2025 is gehouden
1.2
Hierna heeft het hof arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[werknemer] is in dienst bij het Slingeland Ziekenhuis als ziekenhuisapotheker. Vanaf mei 2025 is [werknemer] vrijgesteld van haar werkzaamheden. [werknemer] is het daarmee niet eens en wil weer aan het werk.
2.2.
[werknemer] heeft deze kort gedingprocedure aangespannen en gevorderd dat het Slingeland Ziekenhuis wordt veroordeeld haar toe te laten tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen en het Slingeland Ziekenhuis veroordeeld in de proceskosten. Het Slingeland Ziekenhuis is het daarmee niet eens. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat het hof de vorderingen van [werknemer] alsnog afwijst. Bovendien wil het Slingeland Ziekenhuis dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling wordt geschorst. [werknemer] heeft ook hoger beroep ingesteld en wil daarmee bereiken dat het hof de opgelegde dwangsommen verhoogt.
2.3.
Het hof zal beslissen dat de vorderingen van [werknemer] worden afgewezen. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.

3.Het oordeel van het hof

de achtergrond van de zaak
3.2.
[werknemer] is sinds 1 oktober 2005 in dienst van het Slingeland Ziekenhuis. Vanaf 2008 was [werknemer] vakgroep-manager en gevestigd ziekenhuisapotheker. In die functie was zij verantwoordelijk voor het apothekersteam. Tot dat team behoren (inclusief [werknemer] ) vijf ziekenhuisapothekers, meer dan 30 apothekersassistenten en circa 10 farmaceutische medewerkers en managers.
3.3
Binnen het apothekersteam zijn samenwerkingsproblemen ontstaan. In verband daarmee zijn vanaf 2022 diverse coaching trajecten ingezet. Per 1 februari 2025 zijn wijzigingen in de aansturing van het apothekersteam doorgevoerd. [werknemer] heeft per die datum haar rol als vakgroep-manager neergelegd. Vanaf dat moment is zij de rol van (tweede) ziekenhuisapotheker gaan vervullen.
3.4.
Na een bijeenkomst op 21 mei 2025 hebben twee apothekers en drie managers het vertrouwen in [werknemer] opgezegd. De dag daarna heeft het Slingeland Ziekenhuis laten weten dat zij tot 16 juni 2025 is vrijgesteld van werk met behoud van loon. Het Slingeland Ziekenhuis heeft [werknemer] uitgenodigd voor een gesprek op laatstgenoemde datum. Dat gesprek heeft niet plaatsgevonden omdat het doel daarvan was te komen tot beëindiging van het dienstverband en [werknemer] dat niet wil(de).
3.5.
Het Slingeland Ziekenhuis heeft de kantonrechter in Zutphen om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Bij beschikking van 23 september 2025 is dat verzoek afgewezen. Het Slingeland Ziekenhuis heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.
3.6.
Na het vonnis van de voorzieningenrechter van 23 september 2025 hebben de advocaten van partijen gecorrespondeerd over hervatting van de werkzaamheden door [werknemer] . Partijen hebben daarover geen overeenstemming bereikt en tot een werkhervatting van [werknemer] is het niet gekomen. [werknemer] heeft het vonnis laten betekenen.
beoordelingskader
3.7.
In deze procedure moet het hof beoordelen of de gevorderde voorlopige voorziening tot tewerkstelling, in afwachting van de uitkomst van de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, gelet op de wederzijdse belangen van partijen gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. De spoedeisendheid die voor een vordering in kort geding vereist is volgt uit de aard daarvan.
3.8.
De vraag of een werkgever gehouden is om een werknemer in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden uit te voeren moet worden getoetst aan de norm van goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW. Goed werkgeverschap brengt mee dat een werkgever een werknemer in beginsel in de gelegenheid moet stellen de overeengekomen werkzaamheden uit te kunnen voeren. Een werknemer heeft daarbij een zwaarwegend belang. Alleen als de werkgever een redelijke, voldoende zwaarwegende grond heeft om van dit uitgangspunt af te wijken, kan zij besluiten om de werknemer niet tot het werk toe te laten. Van belang voor de beoordeling zijn in dit verband de aard van de arbeidsovereenkomst, de overeengekomen arbeid en de bijzondere omstandigheden van het geval. Daarbij moet de vrijheid van de werkgever om de organisatie in te richten naar eigen wensen worden afgewogen tegen het gerechtvaardigde belang van een werknemer bij wedertewerkstelling.
belangenafweging
3.9.
Het Slingeland Ziekenhuis stelt dat er een zwaarwegende grond is om [werknemer] niet toe te laten tot haar werk. Die grond bestaat erin dat de verhoudingen op de werkvloer diepgaand zijn verstoord en dat die verstoring zo ernstig is dat, als [werknemer] wordt toegelaten tot haar werk, uitval of vertrek van medewerkers van het team dreigt en de continuïteit van de ziekenhuisapotheek in het geding is. [werknemer] betwist dat: zij heeft een zwaarwegend belang om haar werkzaamheden te verrichten omdat zij daarmee haar kennis en vaardigheden op peil kan houden en kan voldoen aan de vereisten van haar registratie als ziekenhuisapotheker. Zij vindt bovendien dat zij in haar nieuwe functie geen eerlijke kans heeft gehad, ook niet na het vonnis in kort geding waarbij de tewerkstelling is gelast. Volgens [werknemer] zijn de gerezen problemen op te lossen en zij is bereid zich daarvoor in te spannen.
3.10.
Het Slingeland Ziekenhuis heeft haar stelling over de ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen in hoger beroep onderbouwd met 22 verklaringen van medewerkers van het team, in de vorm van ingevulde vragenlijsten. [werknemer] voert aan dat aan de verklaringen geen waarde mag worden gehecht: deze zijn op initiatief van het Slingeland Ziekenhuis afgelegd met het enkele doel om het standpunt in hoger beroep te onderbouwen en niet uitgesloten is dat medewerkers onder druk zijn gezet of in elk geval druk hebben ervaren om de verklaringen af te leggen. Het hof gaat hierin niet mee. Op de zitting is namens het Slingeland Ziekenhuis toegelicht dat de vragenlijsten zijn verstuurd naar het hele team van circa 60 mensen. 22 daarvan hebben de lijsten ingevuld en teruggestuurd en die zijn integraal in het geding gebracht. De rest van de medewerkers heeft geen verklaring afgelegd en dat is door het Slingeland Ziekenhuis gerespecteerd. Dat deze werkwijze is gevolgd vindt het hof aannemelijk, omdat de niet alle verklaringen klachten over [werknemer] bevatten.
3.11.
Het beeld dat uit die verklaringen naar voren komt is weliswaar niet eenduidig (er zijn ook enkele medewerkers die geen problemen hebben met [werknemer] ), maar daaruit blijkt wel dat het overgrote deel van de medewerkers die de vragenlijst hebben ingevuld de samenwerking met [werknemer] als (zeer) problematisch ervaart. Daarbij worden voorbeelden genoemd van gedrag van [werknemer] dat als onaangenaam wordt gezien (zoals afkappen, schreeuwen, geen veranderingsbereidheid, kortaf zijn en denigrerende houding/uitlatingen). Dat heeft volgens de verklaringen tot wantrouwen geleid. Dat wantrouwen zat zo diep, dat dat ook na de wisseling in functie (waarin [werknemer] ook is gecoacht) niet is verminderd. Het gedrag dat [werknemer] nadien vertoont wordt niet als authentiek ervaren.
3.12.
[werknemer] heeft op de mondelinge behandeling erkend dat zij in haar (oude) leidinggevende rol druk ervoer en dat het voorkwam dat zij kortaf was, geschreeuwd heeft en mensen onbedoeld heeft bejegend op een wijze die zij als naar hebben ervaren. Zij ziet dat in, mede dankzij de persoonlijke coaching, en heeft haar gedrag veranderd. In de nieuwe rol van tweede apotheker kan zij zich helemaal aan haar vak wijden, ervaart zij geen druk en gaat ze ontspannen om met collega’s. Er zijn ook geen voorbeelden van slecht gedrag na 1 februari 2025 en [werknemer] vindt dat ze in haar nieuwe rol geen eerlijke kans heeft gehad.
3.13.
Het hof kan zich deze beleving van [werknemer] voorstellen, omdat al drie maanden na de wisseling van rol het vertrouwen is opgezegd. Bovendien is door het Slingeland Ziekenhuis weliswaar zowel team coaching binnen de vakgroep als persoonlijke coaching van [werknemer] ingezet, maar dat het Slingeland Ziekenhuis daarbij (voldoende) concreet heeft aangegeven wat zij van [werknemer] in haar nieuwe rol verwachtte is niet helder geworden. Daar staat echter tegenover dat [werknemer] al in het najaar 2024 is geconfronteerd met ernstige (zij het anonieme) klachten over haar gedrag in haar leidinggevende rol en dat zij wist dat medewerkers van het team sociale onveiligheid ervoeren. Dat is in november 2024 aan haar geschreven en hierover is ook met haar gesproken. Of het Slingeland Ziekenhuis na de wisseling van rol te snel conclusies heeft getrokken is geen onderwerp van deze procedure. Hetzelfde geldt voor de handelwijze van het Slingeland Ziekenhuis na het vonnis in kort geding. Dit zal in de ontbindingsprocedure aan de orde komen.
3.14.
Voor de vraag of [werknemer] nu tot haar werk moet worden toegelaten is van belang dat er in elk geval bij een deel van het team, waaronder de vakgroep en het management, ernstig wantrouwen bestaat richting [werknemer] en dat de verhoudingen verstoord zijn. Dat blijkt uit de overgelegde verklaringen en [werknemer] erkent dat ook voor een belangrijk deel. Dat betekent dat voor terugkeer in haar functie nodig is dat dat er (eerst) gewerkt wordt aan herstel van vertrouwen. Daarvoor zullen in elk geval individuele begeleide gesprekken gevoerd moeten worden binnen de vakgroep, zo heeft [werknemer] op de mondelinge behandeling ook aangegeven. Maar gezien de ervaren sociale onveiligheid zal er meer nodig zijn, ook richting de apothekersassistenten en farmaceutisch medewerkers. Dit vergt tijd en een aanzienlijke inspanning van de medewerkers en van [werknemer] zelf en zal naar verwachting ook de nodige impact hebben op alle betrokkenen en op het team. Deze investering in de toekomstige samenwerking kan redelijkerwijs (pas) van het Slingeland Ziekenhuis gevergd worden als het ook zeker is dat [werknemer] bij het Slingeland Ziekenhuis in dienst blijft. Hangende de ontbindingsprocedure in hoger beroep is die zekerheid er niet. Het Slingeland Ziekenhuis heeft een gerechtvaardigd belang om op dit moment de rust in het apothekersteam te behouden zolang nog niet definitief is beslist over het ontbindingsverzoek.
3.15.
Het belang van [werknemer] om weer aan het werk te gaan is groot en het hof begrijpt haar wens, mede gezien haar grote betrokkenheid bij de apotheek en haar werk. Maar, mede gelet op het feit [werknemer] niet heeft onderbouwd dat een tijdelijke onderbreking van het werk een gevaar voor haar registratie oplevert, weegt hiervoor beschreven belang van het Slingeland Ziekenhuis zwaarder dan het belang van [werknemer] om, vooruitlopend op de beslissing op het ontbindingsverzoek, haar werk te hervatten. Het hof wijst de vordering tot wedertewerkstelling dan ook af. Daarmee is er ook geen grond voor het opleggen van een dwangsom.
de conclusie
3.16.
Het hoger beroep slaagt. Het hof zal het vonnis vernietigen, zodat het Slingeland Ziekenhuis geen belang heeft bij haar schorsingsverzoek. Het incidenteel hoger beroep van [werknemer] slaagt niet. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 23 september 2025 en
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de kantonrechter en het hof.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, K. Mans en R.J.A. Dil en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 december 2026.