In deze zaak heeft het Slingeland Ziekenhuis hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in kort geding, waarin de vordering van werknemer, een ziekenhuisapotheker, tot wedertewerkstelling was toegewezen. De werknemer was sinds mei 2025 vrijgesteld van haar werkzaamheden en vorderde dat het ziekenhuis haar weer zou toelaten tot het verrichten van haar werkzaamheden. De voorzieningenrechter had deze vordering toegewezen, maar het Slingeland Ziekenhuis was het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de procedure in hoger beroep behandeld en op 16 december 2025 arrest gewezen. Het hof oordeelde dat de vorderingen van de werknemer moesten worden afgewezen. Het Slingeland Ziekenhuis voerde aan dat de verhoudingen op de werkvloer ernstig verstoord waren en dat toelating van de werknemer tot haar werk zou leiden tot verdere problemen binnen het team. De werknemer betwistte dit en stelde dat zij recht had op wedertewerkstelling. Het hof concludeerde dat het belang van het Slingeland Ziekenhuis om de rust in het apothekersteam te behouden zwaarder woog dan het belang van de werknemer om haar werk te hervatten. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en bepaalde dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures.