2.7.De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover het de kostenvergoeding betreft, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.185 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 aan haar te vergoeden. Hierbij is geen vergoeding voor immateriële schade toegekend. De uitspraak vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:
“(…)
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
13. De gemachtigde heeft gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat daarom recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade.
14. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Daaruit volgt onder meer dat een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting is gebaseerd op het algemeen aanvaarde rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht.
15. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 2 september 2022 volgt dat de immateriële schade is gelegen in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt: de hoofdzaak. Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht. Dit kan een rechterlijke uitspraak zijn of een uitspraak op bezwaar. Wanneer de rechter na de beëindiging van het geschil inzake de belastingheffing nog moet beslissen op verzoeken die met het verloop van de procedure verband houden, is het daarmee gemoeide tijdsverloop niet van invloed op de termijn waarbinnen het geschil over de belastingheffing is, of behoorde te zijn, beëindigd.
16. De rechtbank is van oordeel dat een geschil over de toekenning van een kostenvergoeding niet kan worden aangemerkt als een geschil over de hoofdzaak waarover tussen de inspecteur en de belastingplichtige een geschil bestaat. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom af.
Conclusie en proceskosten
17. Het beroep is gegrond.
18. De rechtbank stelt de vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 310 (1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde van € 310 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in het kader van de beroepsprocedure redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 875 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank hanteert voor de beroepsfase een wegingsfactor 0,5, omdat de beroepsprocedure beperkt was tot de vraag of belanghebbende recht had op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking moeten komen is niet gesteld of gebleken. Aldus stelt de rechtbank de totale vergoeding van proceskosten vast op € 1.185.
(…)”