ECLI:NL:GHARL:2025:8413

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/604
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en vergoeding immateriële schade

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2024, waarin de rechtbank de kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase heeft vastgesteld op € 1.185. De zaak betreft een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) die aan belanghebbende was opgelegd. De Inspecteur had het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd, maar geen kostenvergoeding toegekend. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, maar de vergoeding voor immateriële schade afgewezen, omdat het geschil over de toekenning van een kostenvergoeding niet kan worden aangemerkt als een geschil over de hoofdzaak. Het Hof heeft op 16 december 2025 uitspraak gedaan, waarbij het hoger beroep ongegrond werd verklaard. De rechtbank had terecht een wegingsfactor van 0,5 toegepast voor de proceskostenvergoeding in de beroepsfase, omdat de procedure beperkt was tot de vraag van de kostenvergoeding. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/604
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 20 februari 2024, nummer ARN 21/4121, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag BPM gegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM vernietigd. De Inspecteur heeft geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover het de kostenvergoeding betreft, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor de bezwaar- en beroepsfase van € 1.185 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 aan haar te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.A.J.M. Lodestijn als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 14 april 2020 aangifte BPM gedaan wegens de registratie van een Renault Captur. Op 20 april 2020 is de auto door de RDW gekeurd. De tenaamstelling heeft plaatsgevonden op 29 april 2020.
2.2.
Belanghebbende heeft in haar aangifte een CO2-uitstoot van 125 g/km (zijnde de NEDC) vermeld. De RDW heeft bij de invoerkeuring van de auto de CO2-uitstoot op 147 g/km (zijnde de WLTP) vastgesteld.
2.3.
Op 12 januari 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving naheffingsaanslag BPM gestuurd. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.4.
De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 12 maart 2021 een naheffingsaanslag BPM van € 854 opgelegd.
2.5.
Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 1 maart 2021 pro forma bezwaar gemaakt, welk bezwaar belanghebbende op 6 april 2021 nader heeft gemotiveerd.
2.6.
De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 8 juni 2021 gegrond verklaard, de naheffingsaanslag BPM vernietigd en geen kostenvergoeding toegekend.
2.7.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover het de kostenvergoeding betreft, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.185 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 aan haar te vergoeden. Hierbij is geen vergoeding voor immateriële schade toegekend. De uitspraak vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:
“(…)
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
13. De gemachtigde heeft gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat daarom recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade.
14. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Daaruit volgt onder meer dat een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting is gebaseerd op het algemeen aanvaarde rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht.
15. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 2 september 2022 volgt dat de immateriële schade is gelegen in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt: de hoofdzaak. Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht. Dit kan een rechterlijke uitspraak zijn of een uitspraak op bezwaar. Wanneer de rechter na de beëindiging van het geschil inzake de belastingheffing nog moet beslissen op verzoeken die met het verloop van de procedure verband houden, is het daarmee gemoeide tijdsverloop niet van invloed op de termijn waarbinnen het geschil over de belastingheffing is, of behoorde te zijn, beëindigd.
16. De rechtbank is van oordeel dat een geschil over de toekenning van een kostenvergoeding niet kan worden aangemerkt als een geschil over de hoofdzaak waarover tussen de inspecteur en de belastingplichtige een geschil bestaat. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom af.
Conclusie en proceskosten
17. Het beroep is gegrond.
18. De rechtbank stelt de vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 310 (1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde van € 310 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in het kader van de beroepsprocedure redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 875 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank hanteert voor de beroepsfase een wegingsfactor 0,5, omdat de beroepsprocedure beperkt was tot de vraag of belanghebbende recht had op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking moeten komen is niet gesteld of gebleken. Aldus stelt de rechtbank de totale vergoeding van proceskosten vast op € 1.185.
(…)”

3.Geschil

In geschil is of terecht geen vergoeding van immateriële schade is toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase en of terecht voor de proceskostenvergoeding een wegingsfactor van 0,5 is toegepast voor de beroepsfase.

4.Beoordeling van het geschil

Vergoeding immateriële schade
4.1.
Belanghebbende verzoekt vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat tussen het indienen van het pro forma bezwaarschrift (1 maart 2021), ontvangen door de Inspecteur op 2 maart 2021 en de uitspraak van de Rechtbank (20 februari 2024) meer dan twee jaar is verstreken.
4.2.
In deze zaak is de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag BPM door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar vernietigd. Daarmee is het geschil in de hoofdzaak beëindigd. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de Inspecteur binnen twee jaar na binnenkomst van het bezwaarschrift (2 maart 2021) uitspraak op bezwaar heeft gedaan (8 juni 2021), heeft de Rechtbank terecht – onder verwijzing naar het arrest HR 2 september 2022 [1] – het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade afgewezen. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat de voor het toekennen van vergoeding van immateriële schade in aanmerking te nemen periode, na een uitspraak waarmee het geschil inzake de belastingheffing ten einde is gekomen, niet doorloopt in geval de rechter nog moet beslissen op een verzoek tot vergoeding van proceskosten. De klachten van belanghebbende op dit punt treffen daarom geen doel.
Proceskostenvergoeding
4.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte de wegingsfactor 0,5 heeft toegepast voor de beroepsfase en verzoekt het Hof de wegingsfactor op 1 te zetten. Nu de beroepsprocedure beperkt was tot de vraag of belanghebbende recht had op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase en vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank naar het oordeel van het Hof terecht een wegingsfactor van 0,5 gehanteerd. Dat de Inspecteur, zoals belanghebbende stelt, een ellenlang verweerschrift heeft geschreven, maakt vorenstaande niet anders. Deze 9 pagina’s aan voornamelijk jurisprudentie en wetteksten hebben geen invloed op het gewicht van de zaak. Ook deze grief van belanghebbende slaagt niet.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 16 december 2025
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (A.E. Keulemans)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.