ECLI:NL:GHARL:2025:8169

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.355.847/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake partneralimentatie en huwelijkse voorwaarden na echtscheiding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep betreffende de partneralimentatie en huwelijkse voorwaarden na een echtscheiding. De verzoekster, aangeduid als de vrouw, heeft in hoger beroep de beschikking van de rechtbank Overijssel van 16 april 2025 aangevochten, waarin werd vastgesteld dat zij geen aanspraak kan maken op partneralimentatie indien zij meer dan € 2.000.000,- netto aan vermogen ontvangt. De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en een maandelijkse bijdrage van € 15.987,- aan partneralimentatie toe te kennen, ongeacht haar vermogen. De man, aangeduid als de verweerder, verzet zich tegen deze verzoeken en vraagt om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren.

De feiten van de zaak zijn als volgt: partijen zijn in 2006 met elkaar gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. In 2019 hebben zij een notariële vaststellingsovereenkomst gesloten over de duur van de partneralimentatie, waarbij werd afgesproken dat de vrouw levenslang recht zou hebben op alimentatie, tenzij zij meer dan € 2.000.000,- netto zou ontvangen. In 2020 zijn de huwelijkse voorwaarden gewijzigd, waarbij opnieuw afspraken zijn gemaakt over de alimentatieverplichting.

Het hof heeft in zijn overwegingen de relevante artikelen van het Burgerlijk Wetboek besproken, waaronder artikel 1:400 lid 2 en artikel 1:158 BW. Het hof concludeert dat de afspraken tussen partijen zijn gemaakt met het oog op een voorgenomen echtscheiding, en dat de vrouw voldoende geïnformeerd was over de gevolgen van de gemaakte afspraken. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en compenseert de proceskosten in hoger beroep, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.847
(zaaknummer rechtbank Overijssel 316071)
beschikking van 18 december 2025
inzake
[verzoekster1],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.S.M. Oude Breuil te Hengelo,
en
[verweerder1],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.A. Schuring te Almelo.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 16 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal deze beschikking verder noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 juni 2025;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht van mr. Oude Breuil van 3 november 2025 met producties;
- een journaalbericht van mr. Oude Breuil van 5 november 2025 met productie;
- een journaalbericht van mr. Schuring van 5 november 2025 met producties;
- een journaalbericht van mr. Schuring van 12 november 2025 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 13 november 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn op [in1] 2006 in de [gemeente1] met elkaar gehuwd. In de bestreden beschikking is, onder andere, de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 16 april 2025 in de registers van de burgerlijke stand van de [gemeente1] ingeschreven.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
-
[de minderjarige1], geboren op [in2] 2008 en
-
[de minderjarige2], geboren op [in3] 2010,
over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
3.3
Tussen partijen gelden huwelijkse voorwaarden, die op 23 september 2005 zijn opgemaakt.
3.4
Op 24 december 2019 hebben partijen een notariële vaststellingsovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn vastgelegd over de duur van eventueel door de man te betalen partneralimentatie. Partijen zijn het volgende overeengekomen:
“De vrouw heeft thans geen inkomen, de man wel. De vrouw wenst de huidige duur van de
partneralimentatie zoals deze is vastgelegd in artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek, een
maximale periode van twaalf jaren, zeker te stellen. De man verklaart dat hij hiermee kan
instemmen en geen probleem heeft met deze duur.
(…)
Zij stellen vast dat ieder van hen wenst af te spreken dat, indien zij besluiten definitief uit
elkaar te gaan en afspraken in een convenant gaan vastleggen, zij ook vanaf tweeduizend
twintig de huidige maximale duur voor partneralimentatie van twaalf jaren als uitgangspunt
nemen. ”
3.5
Minder dan een jaar daarna, op 16 oktober 2020, hebben partijen de huwelijkse voorwaarden gewijzigd en zijn het volgende overeengekomen:
“HOOFDSTUK 6. KOSTEN VAN LEVENSONDERHOUD
Over de duur van partneralimentatie hebben partijen bij notariële akte op vierentwintig
december tweeduizend negentien bindende afspraken met elkaar gemaakt in die zin dat de
duur van een eventuele partneralimentatie tenminste twaalf jaar zal bedragen als het
huwelijk door echtscheiding eindigt.
Thans wensen partijen vast te leggen dat zij willen afwijken van de wettelijke duur van de
onderhoudsverplichting in de kosten van levensonderhoud zoals bedoeld in titel 17
Burgerlijk Wetboek. Zij wensen deze om hun moverende redenen levenslang, dus niet
eindigend na een bepaalde termijn, af te spreken, zij komen overeen dat na de echtscheiding
de man aan de vrouw een bedrag aan levensonderhoud zal voldoen op basis van de dan
geldende alimentatienormen.
Mocht de vrouw bij uiteengaan uit het te verrekenen vermogen meer dan twee miljoen netto
ontvangen, dan is de man géén onderhoudsverplichting meer aan de vrouw verschuldigd en
vervalt de verplichting voor de man om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan
de vrouw te betalen.”
3.6
Tussen partijen gelden voorlopige voorzieningen die door de rechtbank Overijssel zijn bepaald bij beschikking van 8 november 2024.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, door de rechtbank vastgesteld dat wanneer de vrouw bij de verrekening van de huwelijkse voorwaarden meer dan € 2.000.000,- netto aan vermogen ontvangt zij geen aanspraak kan maken op partneralimentatie.
4.2
De vrouw is het hier niet mee eens en is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking, ten aanzien van de overwegingen omtrent de partneralimentatie, te vernietigen en -uitvoerbaar bij voorraad-
Primair:
  • voor recht te verklaren dat de laatste zin van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden van 16 oktober 2020 nietig is;
  • te bepalen dat de vrouw ook indien zij uit het te verrekenen vermogen meer dan € 2.000.000,- ontvangt, de man gedurende een periode van ten minste 12 jaar jegens de vrouw onderhoudsplichtig is en het door de vrouw gevorderde bedrag aan partneralimentatie alsnog toe te wijzen/ dan wel een bedrag aan partneralimentatie vast te stellen;
Subsidiair:
- indien en voor zover het hof beslist dat de laatste zin van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden van 16 oktober 2020 niet nietig is, te bepalen dat de man jegens de vrouw gehouden is een bijdrage in haar levensonderhoud van € 15.987,- per maand te voldoen tot de dag dat de vrouw uit het te verrekenen vermogen meer dan € 2.000.000,- netto, niet zijnde de waarde van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen, van de man ontvangt.
Kosten rechtens.
4.3
De man voert verweer en hij vraagt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep van de vrouw af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Juridisch kader
5.1
Artikel 1:400 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, nietig zijn.
Ingevolge artikel 1:158 BW kunnen de echtgenoten voor of na de beschikking tot echtscheiding bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden.
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 25 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1724) het volgende overwogen:

3.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 maart 1980 overwogen dat bij het maken van de in art. 1:158 BW vervatte uitzondering aan de wetgever uitsluitend overeenkomsten voor ogen hebben gestaan die de echtgenoten tijdens hun huwelijk zijn aangegaan met het oog op een voorgenomen echtscheiding. Daarin ligt besloten het oordeel dat een vóór het huwelijk aangegane overeenkomst waarbij wordt afgezien van partneralimentatie, nietig is op grond van art. 1:400 lid 2 BW. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 12 januari 1996 geoordeeld dat er geen reden was om terug te komen van het arrest van 7 maart 1980.
3.4.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding thans wel terug te komen van het arrest van 7 maart 1980. Het invoeren van de mogelijkheid voorafgaand aan het huwelijk afstand te doen van het recht op partneralimentatie zou - indien wenselijk geacht - veeleer op de weg van de wetgever liggen. Deze heeft nog tamelijk recent van een dergelijke wijziging afgezien. Uit een initiatiefwetsvoorstel dat mede ertoe strekte nihilbedingen bij voorhuwelijkse huwelijkse voorwaarden mogelijk te maken, zijn de desbetreffende bepalingen immers geschrapt.”
Standpunten
5.2
De vrouw stelt dat de laatste volzin van hoofdstuk 6 van de huwelijkse voorwaarden van 16 oktober 2020 nietig is omdat de bepaling in strijd is met artikel 1:400 lid 2 BW. Volgens de vrouw mist artikel 1:158 BW toepassing omdat er geen sprake was van een voorgenomen echtscheiding; het was juist de bedoeling van partijen getrouwd te blijven.
De man stelt dat artikel 1:158 BW wel van toepassing is omdat de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan in verband met een voorgenomen echtscheiding.
Oordeel van het hof
5.3
Uit voornoemde uitspraak van de Hoge Raad leidt het hof af dat artikel 1:158 BW zo dient te worden uitgelegd dat partijen tijdens of na het huwelijk afspraken kunnen maken over het al dan niet betalen van partneralimentatie ingeval die afspraken zijn aangegaan met het oog op een voorgenomen echtscheiding. Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat partijen de afspraken, zeker in onderling verband gezien, hebben gemaakt met het oog op een voorgenomen echtscheiding. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben partijen desgevraagd allebei aangegeven dat zij in december 2019 naar de notaris zijn gegaan omdat er huwelijksproblemen waren en zij op initiatief van de vrouw voor de indiening van de Wet Herziening Partneralimentatie (die in werking is getreden op 1 januari 2020, dus een paar dagen na de overeenkomst van 24 december 2019) de duur van de partneralimentatie wilden vastleggen voor 12 jaar. Volgens de man was dit het startpunt van de echtscheidingsprocedure, die onder andere door de corona pandemie en het gegeven dat partijen hebben getracht in onderling overleg verdere afspraken te maken, lang heeft geduurd. Volgens de vrouw was het altijd de intentie van partijen om gehuwd te blijven. Het hof acht dit laatste niet aannemelijk. Het hof maakt uit de considerans van de notariële vaststellingsovereenkomst uit 2019 namelijk op dat partijen daarin gezamenlijk vaststellen en vastleggen dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht en dat zij afspraken hebben gemaakt omtrent de rechtsgevolgen van hun uiteengaan. Hieruit lijdt het hof af dat er in 2019 in ieder geval een voornemen tot echtscheiding was.
5.4
Op 16 oktober 2020 zijn de huwelijkse voorwaarden van partijen vervolgens gewijzigd en is er onder andere afgesproken dat de vrouw van de man levenslang een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud zal ontvangen, tenzij de vrouw bij uiteengaan van partijen uit het te verrekenen vermogen meer dan € 2.000.000,- netto zou ontvangen. In dat geval is de man geen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw verschuldigd. De vraag is of ook nieuwe huwelijkse voorwaarden zijn opgesteld met het oog op een voorgenomen echtscheiding. Naar het oordeel van het hof is dit het geval.
5.5
De vrouw stelt dat het de bedoeling van partijen is geweest om getrouwd te blijven en er geen sprake was van een voorgenomen echtscheiding. Desgevraagd heeft de vrouw op de mondelinge behandeling in hoger beroep verteld dat de notariële vaststellingsovereenkomst van 24 december 2019 en de huwelijkse voorwaarden van 16 oktober 2020 zijn opgemaakt om haar te beschermen. Zij zou immers na inwerkingtreding van de Wet Herziening Partneralimentatie minder lang recht hebben op partneralimentatie. Ook de bepaling dat partijen elkaar vrij zouden laten om om te gaan met de mensen met wie zij willen (ook al zou dit een andere levenspartner voor ieder van beiden betekenen) is volgens de vrouw opgenomen om haar te beschermen. Volgens de vrouw was de man achterdochtig en wantrouwend en dacht hij dat zij een nieuwe relatie had. Het hof maakt hieruit op dat partijen huwelijksproblemen hadden en zaken hebben willen regelen voor het geval het huwelijk van partijen zou eindigen middels een echtscheiding.
5.6
Dat partijen na het maken van de afspraken niet direct formeel gescheiden zijn maakt naar het oordeel van het hof niet dat artikel 1:158 BW niet van toepassing zou zijn. Partijen hebben de afspraken gemaakt met het oog op een voorgenomen echtscheiding die er uiteindelijk ook is gekomen. Dat partijen de duur van de alimentatieverplichting verlengd hebben illustreert dit. Dit was een afspraak waar de vrouw op stond. Als partijen inderdaad de bedoeling hadden om gehuwd te blijven, zoals door de vrouw is gesteld, was het niet nodig om de duur van de alimentatieverplichting te verlengen. Bovendien stelt het hof vast dat niet in geschil is tussen alle betrokkenen dat de vrouw door de notaris voldoende is geïnformeerd over de gevolgen van de gemaakte afspraken, ook in onderlinge samenhang bezien, en dat zij deze willens en wetens heeft ondertekend. Naar het oordeel van het hof is er op grond van bovenstaande dan ook geen sprake van nietigheid van het nihilbeding.
5.7
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de vrouw overweegt het hof als volgt. Nu de rechtbank nog geen beslissing heeft genomen op het verzoek om partneralimentatie in de hoofdzaak (en deze beslissing dus ook nog niet in kracht van gewijsde is gegaan) blijft de voorlopige partneralimentatie in stand. De vrouw heeft dan ook geen belang bij haar subsidiaire verzoek. Het hof zal het subsidiaire verzoek van de vrouw afwijzen.
5.8
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 16 april 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.L. van der Bel en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 18 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.