ECLI:NL:GHARL:2025:7880

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
Wahv 200.354.753/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A. van Schuijlenburg
  • J. Beswerda
  • M. Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van proceskostenvergoeding in administratief beroep onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De zaak betreft een verzoek om proceskostenvergoeding dat door de gemachtigde van de betrokkene was ingediend na een ongegrondverklaring van het beroep door de kantonrechter. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie, die de in administratief beroep gemaakte proceskosten had afgewezen, bevestigd. De gemachtigde stelde dat hij geen uitnodiging voor de zitting had ontvangen en dat dit een schending van het recht op toegang tot de rechter betekende. Het hof oordeelde dat er geen bewijs was dat de uitnodiging daadwerkelijk was verzonden, waardoor het appelverbod buiten toepassing kon worden gelaten. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en beoordeelde de beslissing van de officier van justitie over de proceskostenvergoeding. Het hof concludeerde dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv van overeenkomstige toepassing is op de vergoeding van proceskosten in administratief beroep, en dat de officier van justitie dit artikel terecht had toegepast. Het hof verklaarde het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.354.753/01
CJIB-nummer
: 266283972
Uitspraak d.d.
: 12 december 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Artikel 14 van de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De inleidende beschikking is in administratief beroep door de officier van justitie vernietigd en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. De gemachtigde voert aan geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te hebben ontvangen. Daarbij merkt de gemachtigde op dat hij recent post ontving van de rechtbank Den Haag die bedoeld was voor een andere gemachtigde. Het zou kunnen dat de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter naar een andere gemachtigde of in het geheel niet is verzonden.
4. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten [1] . In het dossier bevindt zich weliswaar een kopie van een oproepingsbrief voor de zitting van de kantonrechter die is geadresseerd aan de gemachtigde van de betrokkene, maar niet is gebleken dat deze brief daadwerkelijk is verstuurd. De brief is niet aangetekend verzonden en een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt. In dit geval is dan ook niet gebleken dat de betrokkene toegang tot de rechter heeft gehad.
5. Het voorgaande betekent dat het hof daarom het appelverbod buiten toepassing zal laten en de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Dat beroep richt zich tegen de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding. De officier van justitie heeft bij de vaststelling van de hoogte van die vergoeding toepassing gegeven aan artikel 13a, tweede lid, van de Wahv.
6. De gemachtigde voert aan dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet van toepassing is in de fase van het administratief beroep omdat een vergoeding in die fase wordt toegekend op grond van artikel 7:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voornoemde bepaling is niet gewijzigd bij de invoering van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (Whpkv). Voor de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) is dit wetstechnisch wel juist verwerkt. Bij de parlementaire behandeling zijn over de Wahv vragen gesteld, maar de wetgever heeft geen aanleiding gezien om de wet alsnog aan te passen. Verder wijst de gemachtigde op de overwegingen in het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2024 waaruit volgens de gemachtigde volgt dat slechts de kantonrechter en het hof artikel 13a, tweede lid, van de Wahv in overweging kunnen nemen [2] . De Hoge Raad heeft niet geoordeeld dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toegepast kan worden door de officier van justitie, aldus de gemachtigde. Dit geldt ook voor het arrest van 24 juni 2025 [3] . De Hoge Raad heeft in dat arrest geen oordeel gegeven over de toepasbaarheid van de vermenigvuldigingsfactor door de officier van justitie. Tot slot voert de gemachtigde aan dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv slechts toepassing vindt als aan de door de Hoge Raad in het arrest van 24 juni 2025 geformuleerde criteria is voldaan. Daarvan is bij de gemachtigde geen sprake.
7. De advocaat-generaal betoogt dat de Hoge Raad in het arrest van 24 juni 2025 heeft geoordeeld dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv ook van toepassing is op het administratief beroep. Hieraan doet niet af dat de wet op dit punt niet is veranderd. De wetgevingssystematiek brengt mee dat specifieke, op de Wahv toegespitste, voorschriften worden opgenomen in artikel 13a van de Wahv en niet in artikel 7:28 van de Awb.
8. De grond dat de gemachtigde niet voldoet aan de door de Hoge Raad geformuleerde criteria zodat hij dient te worden aangemerkt als een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 13a, tweede lid van de Wahv en in rechtsoverweging 5.3 van het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 treft geen doel. Het hof verwijst daartoe naar zijn arrest van 3 november 2025 [4] .
9. Met betrekking tot de grond dat de officier van justitie, bij de toekenning van een vergoeding van de proceskosten, gemaakt in administratief beroep, geen toepassing mag geven aan artikel 13a, tweede lid, van de Wahv overweegt het hof het volgende.
10. De volgende wetsbepalingen zijn van belang:
Artikel 7:28 van de Awb:
2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dat geval stelt het beroepsorgaan de vergoeding vast die het bestuursorgaan verschuldigd is.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
Artikel 6 van de Wahv:
1. Tegen de oplegging van de administratieve sanctie kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie.
Artikel 7 van de Wahv:
1. De artikelen 6:14, tweede lid, 7:16, tweede lid, 7:24, tweede en vijfde lid, en 7:26, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.
Artikel 9 van de Wahv:
1. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan degene die administratief beroep heeft ingesteld, beroep instellen bij de rechtbank; het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter.
Artikel 13a van de Wahv:
1. De kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
2. Het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste lid, na toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in dat besluit, vermenigvuldigd met:
a. 0,25 indien de kosten zijn gemaakt in verband met de behandeling van het administratief beroep dan wel het beroep bij de rechtbank waarbij de bestreden administratieve sanctie wordt vernietigd of het sanctiebedrag wordt gewijzigd;
b. 0,1 in alle overige gevallen.
Artikel 14 van de Wahv:
1. Degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, alsmede de officier van justitie, kunnen tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, tenzij de opgelegde sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 110.
Artikel 20d van de Wahv:
1. Indien het gerechtshof het beroepschrift ontvankelijk acht, bevestigt het gerechtshof de beslissing van de kantonrechter, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet het, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing van de kantonrechter, hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.
4. De artikelen 13a en 13b zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid.
11. Waar de officier van justitie, bij de beslissing op het administratief beroep, zijn bevoegdheid tot toekenning van een proceskostenvergoeding in administratief beroep ontleent aan artikel 7:28, tweede lid, van de Awb, doen de kantonrechter en het hof, bij de beslissing op het beroep respectievelijk het hoger beroep, dat aan artikel 13a van de Wahv dat voor het hoger beroep in artikel 20d, vierde lid, van de Wahv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Artikel 13a, tweede lid, van de Wahv is naar de tekst van de wet niet van toepassing op door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoedingen. Dat, zoals de advocaat-generaal betoogt, de wetssystematiek meebrengt dat specifieke, op de Wahv toegespitste, voorschriften worden opgenomen in artikel 13a van de Wahv en niet in artikel 7:28 van de Awb brengt niet mee dat een wetsbepaling, waarmee artikel 13a, tweede lid, van de Wahv ook van (overeenkomstige) toepassing wordt verklaard op de toekenning van een proceskostenvergoeding door de officier van justitie, kan ontbreken. In dit verband overweegt het hof dat de gemachtigde er terecht op heeft gewezen dat in de WOZ wel een bepaling is opgenomen [5] waardoor in WOZ-procedures een andere dan de gebruikelijke proceskostenvergoeding [6] van toepassing is als het bestuursorgaan een proceskostenvergoeding toekent.
12. Met betrekking tot de vraag welke gevolgtrekking daaraan moet worden verbonden dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet door de wetgever van (overeenkomstige) toepassing is verklaard op de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding, overweegt het hof dat de wetgever met de Whpkv de bedoeling heeft gehad om in WOZ-, bpm- en Wahv-procedures de financiële prikkel weg te nemen om namens een belanghebbende een bezwaar- of beroepsprocedure te starten of door te procederen met de overwegende reden om een proceskostenvergoeding te verkrijgen [7] . Blijkens het amendement, waarbij artikel 13a, tweede lid, van de Wahv is opgenomen in de Whpkv, was het de bedoeling om de vergoedingen in Wahv-procedures op dezelfde wijze te verlagen als werd voorgesteld voor WOZ- en bpm-procedures [8] . Indien artikel 13a, tweede lid van de Wahv niet van toepassing is op door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoedingen ontstaat verder een niet te verklaren - door de wetgever niet gewilde - divergentie, in die zin dat de officier van justitie bij de toekenning van een vergoeding voor de kosten van administratief beroep artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet toepast, terwijl de kantonrechter en het hof, indien deze een vergoeding toekennen voor de in administratief beroep gemaakte proceskosten, dat artikellid wel toepassen.
13. Onder deze omstandigheden oordeelt het hof dat sprake is van een kennelijke omissie van de wetgever. Artikel 7 van de Wahv kan verbeterd worden gelezen in die zin dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv van overeenkomstige toepassing is op de vergoeding als bedoeld in artikel 7:28, tweede en vijfde lid, van de Awb en (ingeval de officier van justitie beslist op bezwaar: de vergoeding als bedoeld in artikel 7:15, tweede en vierde lid, van de Awb).
14. De officier van justitie heeft terecht artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402.
2.arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1012, r.o. 5.1 en 5.2.2.
3.arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.
4.arrest van 3 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6853.
5.artikel 30a, eerste lid, van de WOZ.
6.artikel 7:15, tweede en vierde lid, van de Awb.
7.Kamerstukken II 2023/24, 36427, nr. 3, bladzijde 8, en nr. 7, bladzijde 2.
8.Kamerstukken II 2023/24, 36427, nr. 7, bladzijde 2.