Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
Het tussenarrest
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De betrokkene kreeg een sanctie van €280 opgelegd voor het gebruik van een verdrijvingsvlak als bestuurder. De advocaat-generaal stelde ter zitting dat er twijfel bestaat of het voertuig daadwerkelijk op de pleeglocatie was, wat het hof volgt en daarom de beschikking vernietigt.
Het hof beoordeelt vervolgens de proceskostenvergoeding aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, waarin is bepaald dat bij beroepsmatig optredende gemachtigden met een no cure no pay-bedrijfsmodel een vermenigvuldigingsfactor toegepast kan worden. De gemachtigde van de betrokkene heeft echter onvoldoende inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel, waardoor niet kan worden vastgesteld of het aan de criteria voldoet.
De gemachtigde voert aan dat hij geen no cure no pay-model hanteert vanwege een instapvergoeding, maar het hof oordeelt dat een beperkte vergoeding niet automatisch uitsluit dat het bedrijfsmodel voldoet aan de criteria. Gezien het gebrek aan onderbouwing wordt aangenomen dat er geen bijzonder geval is en de proceskostenvergoeding wordt berekend met de vermenigvuldigingsfactor van 0,25.
Het hof veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van €1.060,44 aan proceskosten. Tevens wordt het beroep gegrond verklaard en de sanctiebeslissing vernietigd. De betrokkene krijgt de zekerheid terug die op grond van artikel 11 Wahv Pro was gesteld.
Uitkomst: Het hof vernietigt de sanctiebeslissing en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van €1.060,44 aan proceskosten.