ECLI:NL:GHARL:2025:7534

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
21-001140-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake poging tot moord met terbeschikkingstelling en schadevergoeding

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 26 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor poging tot moord en krijgt een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast wordt de verdachte ter beschikking gesteld met voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering. De zaak betreft een incident op 14 april 2024, waarbij de verdachte de aangeefster met een scherp voorwerp heeft aangevallen. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van vier jaren opgelegd, maar het hof heeft deze straf gematigd op basis van verminderde toerekenbaarheid door psychische stoornissen. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding is gedeeltelijk toegewezen, met een bedrag van € 15.000,00 voor immateriële schade. Het hof heeft de tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd, waarbij de verdachte zich moet houden aan diverse gedragsvoorwaarden en zich moet laten behandelen voor zijn psychische problemen. De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten en de noodzaak van behandeling voor de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001140-25
Uitspraakdatum: 26 november 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 februari 2025 met parketnummer 16-128037-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in Justitieel Complex [plaats 1] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank, waaronder nadrukkelijk begrepen de verbeurdverklaring van de in beslag genomen auto, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van het niet toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van dit gedeelde van de vordering geconcludeerd dat dit niet afgewezen dient te worden, maar dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Subsidiair, indien het hof niet komt tot een terbeschikkingstelling, heeft de advocaat-generaal aanvullend de oplegging van een maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gevorderd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.A.W. Knoester, en de benadeelde partij en haar raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld ten aanzien van het toen ten laste gelegde feit (in hoger beroep betreft dit het primair ten laste gelegde feit) tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft de rechtbank gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en daarbij de bijzondere voorwaarden gesteld zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 4 februari 2025 inhoudende, kort gezegd, een meewerkplicht aan reclasseringstoezicht, een meewerkplicht aan een time-out, een verbod op reizen naar het buitenland, een opnameplicht in een zorginstelling, een plicht tot ambulante behandeling, een drugs- en alcoholverbod, een contact- en locatieverbod en een verplichting voor verdachte om zich in te spannen voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding. De rechtbank heeft bevolen dat deze maatregel strekkende tot ter beschikkingstelling van verdachte met voorwaarden (hierna: tbs-maatregel met voorwaarden) dadelijk uitvoerbaar is. Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00 bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afgewezen. Tot slot heeft de rechtbank de bij verdachte in beslag genomen auto verbeurdverklaard.
Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen omdat het op een in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging dient te beslissen. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
Tenlastelegging
Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 14 april 2024 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, haar meermalen, althans eenmaal
- met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of nek en/of arm(en) en/of buik en/of borst en/of schouders en/of het gezicht en/of lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of gekrast,
- met kracht bij de hals/keel heeft gepakt en/of (vervolgens) de hals/keel heeft dicht gedrukt en/of geknepen, en/of
- met een steen, althans een hard voorwerp, op het hoofd en/of lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 14 april 2024 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar meermalen
- met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of nek en/of arm(en) en/of buik en/of borst en/of schouders en/of het gezicht en/of lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of gekrast,
- met kracht bij de hals/keel heeft gepakt en/of (vervolgens) de hals/keel heeft dicht gedrukt en/of geknepen, en/of
- met een steen, althans een hard voorwerp, op het hoofd en/of lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
In hoger beroep is door de verdediging geen verweer gevoerd ten aanzien van het primair of subsidiair ten laste gelegde feit. Gelet op het bewijs uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is het hof van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Bewezenverklaring
In hoger beroep is door de verdediging geen verweer gevoerd ten aanzien van het door de rechtbank bewezen verklaarde feit. Gelet op het bewijs in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is het hof van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair
op 14 april 2024 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, haar
- met een schroevendraaier in de rug, nek, armen, buik, borst, schouders, het gezicht en lichaam heeft gestoken, gesneden en gekrast,
- bij de hals/keel heeft gepakt en vervolgens de hals/keel heeft dicht gedrukt, en
- met een steen op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot moord.
Strafbaarheid van de verdachte
Zoals hieronder bij de strafoplegging aangegeven, is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde feit slechts in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Hiermee zal het hof bij de strafoplegging rekeninghouden. Het hof is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die verdachte volledig van strafbaarheid zou uitsluiten, waardoor verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf en maatregel

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel bevestigd dient te worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank opgelegde straf gematigd dient te worden nu de deskundigen in de pro Justitia rapportages van 2 en 5 december 2024 tot de conclusie zijn gekomen dat het feit slechts in minstens verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend en dat ook volledige ontoerekenbaarheid niet is uitgesloten.
Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in plaats van een tbs-maatregel met voorwaarden aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden opgelegd dient te worden. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de behandeling van verdachte volgens de deskundigen en de reclassering ook goed gerealiseerd kan worden binnen het kader van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Bovendien ziet verdachte in dat behandeling noodzakelijk is en geeft hij aan dat hij hieraan zal meewerken en de voorwaarden zal naleven. Bij verdachte is bovendien door de deskundigen slechts een matig recidiverisico vastgesteld. Verder heeft hij geen relevante antecedenten en is er geen noodzaak tot beveiliging in de kliniek op het hoogste niveau. Nu de behandeling ook door middel van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden goed gerealiseerd kan worden, dient hiervoor, als minder ingrijpende optie, te worden gekozen.

Oordeel van het hof

De hierna te melden oplegging van straf en maatregel is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.
De aard, ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Hij heeft aangeefster aangeboden haar met de auto naar haar werk te brengen. Aangeefster, die hem als een goede vriend beschouwde, heeft dit aanbod geaccepteerd. Voor haar heeft dit echter in een nachtmerrie geresulteerd. Verdachte heeft haar namelijk niet naar haar werk gebracht, maar is de snelweg afgereden naar een afgelegen, doodlopende weg. Hier heeft hij aangeefster, nadat hij haar tevoren nog gerust had gesteld dat alles goed zou komen, in de auto onverwacht en op een vreselijke manier aangevallen met de intentie haar te doden. Aangeefster kwam plotseling in een situatie waarin zij moest vechten voor haar leven. Uiteindelijk wist zij de auto uit te vluchten en heeft zij zichzelf vervolgens in de auto opgesloten zodat verdachte niet meer bij haar kon. Door zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen van aangeefster op grove wijze misbruikt. Hij heeft eveneens een forse inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Zo heeft zij gedurende het incident en in de periode erna veel pijn, angst en leed moeten doorstaan. Aangeefster heeft aangegeven onder andere last te hebben van de overgebleven littekens. Hierdoor wordt zij steeds aan het incident herinnerd. Ook heeft zij door het incident erg last van onder andere angst en paniekaanvallen.
Persoon van de verdachte
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister betreffende verdachte van 7 oktober 2025, de pro Justitia rapportages van 2 en 5 december 2024, de reclasseringsrapportages van 16 april 2024, 4 februari 2025 en 19 september 2025 en de overige persoonlijke omstandigheden zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht.
Justitiële documentatie
Uit het uittreksel uit het justitiële documentatieregister betreffende verdachte van 7 oktober 2025 blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeel voor een soortgelijk strafbaar feit, maar enkel voor één ander feit (een verkeersdelict).
Het pro Justitia rapport van 2 december 2024 van de psychiater
Uit het rapport van de psychiater blijkt dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Er zijn voldoende aanwijzingen om te concluderen dat verdachte voorafgaand aan het tenlastegelegde in een psychotische toestand verkeerde, waardoor gedachten, overwegingen en drijfveren werden beïnvloed door de stoornis. De psychiater adviseert daarom het ten laste gelegde feit in (minstens) verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Omdat verdachte wil meewerken aan behandeling en sprake is van voldoende ziektebesef, kan - indien de strafmaat het toelaat - een straf met bijzondere voorwaarden worden opgelegd, al dan niet in combinatie met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Ook wordt volgens de psychiater voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden.
Het pro Justitia rapport van 5 december 2024 van de psycholoog
Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat sprake is van een ongespecificeerde schizofrenie of andere psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Ook ten tijde van het tenlastegelegde was van voornoemde problematiek sprake. De psychotische stoornis stond ten tijde van het voorval op de voorgrond, al is niet duidelijk waardoor dit is ontstaan. Gelet op de ernst en aard van de psychopathologie adviseert de psycholoog, net als de psychiater, het tenlastegelegde in ten minste verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog merkt op dat risico’s lastig in te schatten zijn, omdat verdachte zich niets herinnert van het voorval. De psycholoog concludeert dat sprake is van een matig risico op toekomstig geweld, maar het blijft onduidelijk in hoeverre verdachte beschikt over voldoende introspectief vermogen en inlevingsvermogen. Indien verdachte zonder behandeling terugkeert in de samenleving, zal het recidiverisico toenemen. Cannabisgebruik kan ook leiden tot escalatie. Net als de psychiater adviseert de psycholoog een straf met bijzondere voorwaarden, al dan niet in combinatie met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Indien een deels voorwaardelijke strafdeel niet mogelijk is vanwege de strafmaat, kan een tbs-maatregel met voorwaarden worden opgelegd.
Het reclasseringsadvies van 19 september 2025
De reclassering ziet mogelijkheden om verdachte te begeleiden, zowel bij oplegging van een voorwaardelijk strafdeel, als in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. Ten aanzien van beide mogelijkheden geeft de reclassering advies over de te stellen voorwaarden.
Verminderde toerekenbaarheid
In de hiervoor genoemde rapportages van de psychiater en de psycholoog wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne. Het hof zal er bij het bepalen van de straf en maatregel rekening mee houden dat het bewezenverklaarde feit aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.
Overige persoonlijke omstandigheden
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat het steeds beter met hem gaat en dat hij in het afgelopen jaar bewuster is geworden van zichzelf. Hij heeft onder andere EMDR-therapie gevolgd en wordt nog steeds iedere week begeleid door een psycholoog. In de P.I. heeft verdachte veel structuur en dat vindt hij fijn. Ook heeft hij door zijn detentie geen drugs meer kunnen gebruiken, wat hem, naar eigen zeggen, goed doet. Verdachte slikt momenteel medicatie in de vorm van antipsychotica en wil graag (verder) behandeld worden voor zijn trauma’s en psychische problemen. Er heeft inmiddels een intakegesprek bij de [concern GGzE] plaats gehad.
De op te leggen straf
Het hof stelt voorop dat bij een strafbaar feit van dusdanige aard en ernst als het onderhavige in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zoals door de rechtbank is opgelegd, passend is.
In het hiervoor overwogene, met name in het gegeven dat het feit slechts in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend en het belang van verdachte en de maatschappij bij het spoedig aanvangen van zijn behandeling, ziet het hof echter aanleiding om de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf te matigen. Het hof acht dan ook passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen en hetgeen hieronder ten aanzien van de op te leggen maatregel is overwogen, is het hof van oordeel dat het opleggen van een voorwaardelijk deel van voornoemde gevangenisstraf niet aan de orde is.
Tenuitvoerlegging van voornoemde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
De op te leggen maatregel
Tbs-maatregel met voorwaarden
Het hof stelt vast dat het bewezenverklaarde feit (poging tot moord) een misdrijf oplevert als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor de tbs-maatregel kan worden opgelegd. In dit kader stelt het hof ten eerste, op basis van de hierboven genoemde conclusies van de deskundigen uit de Pro Justitia rapportages, vast dat verdachte ten tijde van het plegen van de poging tot moord een ernstige ziekelijke stoornis had.
Ten tweede is het hof, anders dan door de verdediging aangevoerd, van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel eist. Daartoe is allereerst redengevend wat de deskundigen hebben gerapporteerd over de stoornissen van verdachte en het daarmee samenhangende recidiverisico. Hoewel uit de rapportages weliswaar blijkt dat dit risico momenteel ingeschat wordt als matig, wordt eveneens benadrukt dat dit risico groter zal worden naarmate verdachte onbehandeld blijft. Het hof merkt hierbij op dat verdachte bij de deskundigen steeds aangegeven heeft zich niets van het voorval te kunnen herinneren, waardoor de inschatting van de risico’s bemoeilijkt was. Hierdoor hebben de deskundigen ook geen inzicht kunnen krijgen in de gedachten, gevoelens en het handelen van verdachte, en is het ontstaan van de psychotische stoornis bij verdachte niet concreet vast te stellen. Ook heeft verdachte toen ontkend paddo’s te hebben gebruikt, terwijl hij op de zitting aangaf dat hij niet alleen paddo’s had gebruikt, maar ook veel meer dan de aanbevolen dosis. Er dient, kortom, nog meer zicht te komen op de (oorzaken van) de stoornis en daarmee op de behandelmogelijkheden en de duur daarvan. Het risico op ontlopen van behandeling wanneer gekozen zou worden voor de oplegging van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden in plaats van een tbs-maatregel acht het hof, gezien de ernst van de mogelijke gevolgen bij recidive door verdachte, te groot. Hoewel verdachte momenteel aangeeft graag mee te willen werken aan behandeling, is het niet uit te sluiten dat dit, zeker wanneer de behandeling zwaar en confronterend kan worden in de toekomst, zal veranderen. Er blijft sprake van een kwetsbaar evenwicht bij verdachte. Het hof wil voorkomen dat verdachte in een dergelijk geval de mogelijkheid heeft om de tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te verkiezen boven de behandeling, met als gevolg dat het nadere onderzoek naar de stoornis en de behandeling daarvan geen verdere doorgang vindt en verdachte niet of onvoldoende behandeld terug zal keren in de samenleving.
Omdat verdachte zich bereid heeft verklaard mee te werken aan de eventueel op te leggen voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 19 september 2025 zal het hof de tbs-maatregel met de geadviseerde voorwaarden opleggen op de hierna in het dictum te noemen wijze. Hierbij zal het hof afzien van het stellen van de voorwaarde inhoudende een alcoholverbod nu bij verdachte geen problematiek speelt ten aanzien van alcoholgebruik.
Duur maatregel
De tbs-maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt door de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Mocht de behandeling niet goed verlopen, omdat verdachte de opgelegde voorwaarden niet naleeft, dan kan alsnog worden bevolen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Dadelijk uitvoerbaarheid maatregel tbs met voorwaarden
Gezien de aard van het bewezenverklaarde feit en het hiervoor overwogene ten aanzien van het recidivegevaar, is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Het hof is dan ook van oordeel dat het in het belang van de veiligheid van de samenleving is dat het toezicht en de behandeling onder de tbs-maatregel met voorwaarden onafhankelijk van een eventueel cassatieberoep kunnen worden gestart. Daarom zal het hof bevelen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Het hof zal geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opleggen omdat dit, gezien de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden, niet noodzakelijk wordt geacht.
Beslag
Bij verdachte is de auto van het merk Peugeot (goednummer: [nummer] ) in beslag genomen. Uit het dossier blijkt dat hierop conservatoir beslag rust als bedoeld in artikel 94a Sv. Dit beslag staat er niet aan in de weg dat het voorwerp als bijkomende straf door de strafrechter kan worden verbeurdverklaard. Hoewel de advocaat-generaal heeft gevorderd de auto van verdachte verbeurd te verklaren en aldus conform de rechtbank te beslissen, ziet het hof in dit geval geen reden voor de bijkomende straf van verbeurdverklaring.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 50.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de gehele schadevordering zoals deze bij de rechtbank is ingediend.

Juridisch kader immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van deze ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan evenwel ook sprake zijn als geen sprake is van naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel. Het is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake
is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in voornoemd wetsartikel. Dat moet dan met concrete gegevens zijn onderbouwd. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. [1]

Immateriële schade benadeelde partij

In het licht van voornoemd juridisch kader constateert het hof op basis van het dossier en de door de benadeelde partij overgelegde stukken dat zij aan het voorval lichamelijk letsel heeft overgehouden in de vorm van een wond op haar hoofd, verschillende steekwonden in haar nek, hals en onderrug en verschillende krasletsels op haar kaak, hals, handen, armen, rug en schouders.
Verder constateert het hof dat de benadeelde partij eveneens is aangetast in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De benadeelde partij heeft in haar slachtofferverklaring aangegeven dat zij tegen verdachte, een persoon die zij vertrouwde, heeft moeten vechten voor haar leven.. Bovendien herinneren de littekens die zij aan de verwondingen heeft overgehouden haar elke dag weer aan het voorval. Verder heeft zij last van angst, stress, paniekaanvallen en nachtmerries. Hierdoor heeft zij moeite met naar buiten gaan, met name wanneer er meerdere mensen in de nabije omgeving zijn. De stelling van de benadeelde partij dat de behandeling van haar klachten bij de psycholoog ongeveer een duur zal hebben van zes jaren is echter onvoldoende (met stukken) onderbouwd, waardoor het hof dit niet bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade zal meewegen.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de lichamelijke en emotionele schade die de benadeelde partij aan het feit heeft overgehouden en de vergoedingen die in vergelijkbare gevallen door de rechter worden toegekend, acht het hof de toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 15.000,00 ter vergoeding van de immateriële schade naar maatstaven billijk. Door de verdediging is de vordering in zoverre ook niet betwist. Het hof zal de schade van de benadeelde partij dan ook op voornoemd bedrag vaststellen, en de vordering voor het overige afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de toegewezen schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag op.
Wetsartikelen
De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 45 en 289 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigthet vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en
spreektde verdachte daarvan
vrij.
Verklaarthet bewezenverklaarde strafbaar,
kwalificeertdit als hiervoor vermeld en
verklaartde verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) jaren.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelastdat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat:
- verdachte zich op afspraken bij de reclassering meldt. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
- verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
- verdachte de reclassering voorziet van een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is zodat opsporing mogelijk is bij ongeoorloofde afwezigheid;
- verdachte meewerkt aan huisbezoeken;
- verdachte de reclassering inzicht geeft in de voortgang van de begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
- verdachte zich niet vestigt op een ander adres zonder voorafgaande toestemming van de reclassering;
- verdachte meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
3. als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan hij voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4. verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
5. verdachte laat zich opnemen in een FPK of FPA of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
6. verdachte laat zich aansluitend aan de klinische behandeling, behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
7. verdachte werkt mee aan het vinden en behouden van passende huisvesting, ook als dat inhoudt beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
8. Verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.
9. Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de aangeefster in de huidige strafzaak, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
10. Verdachte bevindt zich niet binnen de stadsgrenzen van [plaats 3] . Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op deze locatieverboden.;
11. Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur.
Geeftde reclassering
opdrachtaan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.
Beveeltdat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijstde vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige
af.
Veroordeeltde verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legtaan de verdachte de verplichting
opom aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaaltde duur van de gijzeling op ten hoogste
110 (honderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaaltdat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
14 april 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. O. Anjewierden en mr. M.C. Fuhler, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 november 2025.

Voetnoten

1.HR28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.