Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde], of
[geïntimeerde],
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel en akte wijziging/vermeerdering eis;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel;
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 24 september 2025 is gehouden, met daaraan gehecht de spreekaantekeningen van mrs. Gruppen en Van der Wijk . Beide partijen hebben voorafgaand aan de zitting nog bij akte nieuwe producties in het geding gebracht.
2.De kern van de zaak
terme de grâcetoegewezen, in die zin dat [appellant] een termijn van dertig dagen kreeg om de bestaande huurachterstand, tot betaling waarvan [appellant] ook is veroordeeld, alsnog te voldoen. [appellant] heeft de in het vonnis vermelde achterstand na het vonnis grotendeels voldaan. De vorderingen van [appellant] tot huurprijsvermindering, herstel van gebreken en vergoeding van schade, heeft de kantonrechter afgewezen.
4.Het oordeel van het hof
- Valt de zogenoemde klompenkamer onder het gehuurde?
- Is [appellant] op de gronden die de [geïntimeerde] aandraagt tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en zo ja, is onvoorwaardelijke ontbinding daarvan dan gerechtvaardigd?
- Is er sprake van gebreken aan het gehuurde die de [geïntimeerde] moet herstellen en in verband waarmee [appellant] recht heeft op huurprijsvermindering, al dan niet met terugwerkende kracht?
- Moet de [geïntimeerde] aan [appellant] schadevergoeding betalen?
het college van rentmeesters van [geïntimeerde] ; verduidelijking hof] zelf onderhouden. De gebruikerslasten van de leerkamer
terme de grâceheeft geboden. Het incidenteel appel treft in zoverre doel.
tijdens de verbouwing, komt het hof tot een ander oordeel dan de kantonrechter. Het hof is van oordeel dat [appellant] voldoende heeft onderbouwd dat de verbouwing dusdanige overlast heeft veroorzaakt dat zijn woongenot daardoor wezenlijk is aangetast. Zo heeft [appellant] maandenlang niet de volledige beschikking gehad over zijn gehele woning, omdat steeds in enig onderdeel daarvan werkzaamheden werden verricht. [appellant] (en zijn verzorging behoevende zoon) heeft (hebben) verder ook langere periodes zonder werkende (inpandige) badkamer moeten leven. Het hof volgt daarin niet de stelling van de [geïntimeerde] dat [appellant] deze overlast heeft geaccepteerd of anderszins voor zijn rekening moet nemen omdat hij voorafgaand aan de verbouwing met klem heeft aangegeven tijdens de verbouwing in zijn woning te willen blijven. Vast staat immers dat de verbouwing, ook los van aanvullende wensen van [appellant] , vanwege de maatregelen als gevolg van de coronapandemie veel langer heeft geduurd, en dat er tijdens de werkzaamheden onvoorziene tegenvallers waren die tot vertraging leidden. [appellant] heeft ook voldoende onderbouwd dat zijn keuze om tijdens de verbouwing in het gehuurde te willen blijven wonen werd gemaakt in een periode dat nog uitgegaan werd van een bouwduur van hoogstens enkele weken. Hij had van de aannemer begrepen dat in nauwe onderlinge afstemming zo gewerkt zou kunnen worden dat de overlast voor hem en zijn zoon zeer beperkt zou kunnen blijven. De [geïntimeerde] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Onder deze omstandigheden is geen aanleiding om anders te oordelen dan dat de overlast die tijdens de verbouwing is veroorzaak, tot een evenredige vermindering van de huurprijs zou moeten leiden. Deze overlast was immers bekend bij de [geïntimeerde] , onder wiens verantwoordelijkheid de werkzaamheden plaatsvonden.
voorafgaand aan de verbouwinggeldt dat [appellant] niet heeft kunnen onderbouwen in welk opzicht hij de [geïntimeerde] concreet in kennis heeft gesteld van de gebreken waarop hij zijn vordering baseert. [appellant] heeft in dit verband gesteld dat de [geïntimeerde] kennis heeft gekregen van het in rov. 3.2 bedoelde rapport. Voor dat rapport geldt dat niet ter discussie staat dat het is opgesteld in een periode dat [appellant] voornemens was de pastorie van de [geïntimeerde] te kopen. Het is opgesteld om de aspirant-koper voor te lichten over de staat van het voorgenomen koopobject. Voor zover daarin de staat van de pastorie is beschreven, heeft die beschrijving niet de strekking van het identificeren van gebreken voor het verhelpen waarvan de [geïntimeerde] verantwoordelijk is. Ook als de [geïntimeerde] op enig moment daarvan kennis heeft genomen, dan is de [geïntimeerde] daarmee dus niet in kennis gesteld van gebreken aan het gehuurde, als bedoeld in artikel 7:207 BW Pro.
na de verbouwinggeldt dat [appellant] geen recht heeft op huurprijsvermindering. De [geïntimeerde] heeft onderbouwd dat de aannemer die hij heeft ingeschakeld om een raam weer in de sponning te plaatsen, weer onverrichter zake heeft moeten vertrekken, omdat [appellant] het raam niet ter beschikking van de aannemer heeft gesteld. De [geïntimeerde] heeft erop gewezen dat [appellant] zich ook in meer algemene zin op het standpunt heeft gesteld dat hij de door de [geïntimeerde] ingeschakelde aannemer slechts tot het verrichten van herstelwerkzaamheden aan het gehuurde toelaat indien die aannemer eerst een verzekeringspolis aan [appellant] overlegt, dat de achtergrond van dit verzoek ligt in de omstandigheid dat [appellant] de aannemer in het verleden meermaals heeft verweten schade aan zijn eigendommen te hebben veroorzaakt, en dat [appellant] verder als voorwaarde voor herstelwerkzaamheden stelt dat de [geïntimeerde] eerst een plan voor door hem gewenst groot onderhoud overlegt. [appellant] heeft dit niet (gemotiveerd) betwist. Deze omstandigheden leiden naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat [appellant] de [geïntimeerde] niet in staat stelt om (op aanvaardbare voorwaarden) tot herstel van eventuele gebreken over te gaan. Om die reden kan [appellant] ook geen aanspraak maken op huurprijsvermindering in verband met die eventuele gebreken.
terme de grâce. Ook de vordering tot ontruiming wordt toegewezen. De grieven 1 en 2 in incidenteel hoger beroep slagen in zoverre. De vordering in verband met achterstallige huurtermijnen over het jaar 2024 wordt afgewezen. In zoverre slaagt grief 2 in het incidenteel beroep, die ook daarop ziet, niet.
5.De beslissing
- € 2.175 aan griffierecht
- € 4.426 aan salaris van de advocaat van verhuurster (2 procespunten × appeltarief IV);