ECLI:NL:GHARL:2025:7495

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
200.351.183/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1075 RvArt. 985 RvArt. 986 RvArt. 987 RvArt. II Verdrag van New York
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging buitenlands arbitraal vonnis afgewezen wegens ontbreken gelegaliseerd origineel

MEC Metal Exchange International GmbH, een Zwitserse onderneming, verzocht het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis van het Bureau of International Recycling (BIR) uit 2023, waarin MRT B.V., een Nederlands metaalrecyclingbedrijf, werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en kosten.

Partijen sloten meerdere koopovereenkomsten met arbitrageclausules bij BIR. Na een geschil startte MEC arbitrage, waarop MRT niet wilde deelnemen. De arbiter oordeelde dat arbitrage rechtsgeldig was overeengekomen en stelde MRT aansprakelijk. MEC vroeg het hof om erkenning en tenuitvoerlegging van dit vonnis.

Het hof constateerde dat de stukken over de koopovereenkomsten toereikend waren, ondanks het ontbreken van originele handtekeningen, omdat partijen digitaal overeenkwamen. Echter, het hof vond de overgelegde kopie van het arbitraal vonnis onvoldoende, omdat een gelegaliseerd origineel of gewaarmerkt afschrift ontbrak, zoals vereist onder het Verdrag van New York en artikel 1075 Rv Pro.

Het hof gaf MEC een laatste termijn om het vereiste origineel of gewaarmerkt afschrift te overleggen en stelde MRT in de gelegenheid hierop te reageren, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis wordt aangehouden vanwege het ontbreken van een gelegaliseerd origineel vonnis.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.183
beschikking van 25 november 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar het recht van Zwitserland
MEC Metal Exchange International GmbH
die is gevestigd in Zürich (Zwitserland)
en die domicilie heeft gekozen in Amsterdam ten kantore van haar advocaat,
hierna: MEC
advocaat: mr. M.A. Leijten
en
MRT B.V.
die is gevestigd in Enschede
hierna: MRT
advocaat: mr. M.E. Kikkert

1.Het verzoek en het verloop van de procedure bij het hof

1.1.
MEC heeft bij het gerechtshof (hierna: het hof) op 13 februari 2025 een verzoekschrift ingediend dat ertoe strekt dat het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de Final Award van het scheidsgerecht van het Bureau of International Recycling (hierna: BIR) van 15 december 2023 (hierna: het arbitraal vonnis) erkent,
  • aan MEC verlof verleent tot tenuitvoerlegging van dit buitenlands arbitraal vonnis in Nederland en
  • MRT veroordeelt in de kosten van dit geding, de kosten van het conservatoir beslag daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.
1.2.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • nagekomen stukken van MEC, ontvangen op 24 februari 2025, 20 maart 2025 en 26 maart 2025
  • het verweerschrift van MRT, ontvangen op 28 augustus 2025
  • nagekomen stukken van MEC, ontvangen op 3 september 2025
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek die is gehouden op 15 september 2025.
1.3.
Het hof heeft bepaald dat vandaag een beschikking wordt gegeven.

2.De vaststaande feiten

2.1.
MEC is een Zwitserse onderneming die zich bezig houdt met het leveren, verwerken en aankopen van metalen en grondstoffen. MRT is een Nederlands bedrijf dat zich bezig houdt met metaalrecycling.
2.2.
Tussen november 2020 en januari 2021 sloten partijen zes Purchase Agreements (hierna: PA’s) met elkaar over de verkoop van messing- en koperschroot door MRT aan MEC. Op één na zijn alle PA’s door beide partijen ondertekend. Onderaan alle PA’s is vermeld: ‘
This agreement is subject to the terms herein and the terms and conditions attached’. Op de volgende twee pagina’s van de PA’s zijn deze voorwaarden afgedrukt. Onderaan alle PA’s staan ook nog enkele ‘
remarks’ namens MEC over de (wijze van) levering. Behalve in de ‘
remarks’ op de eerste PA staat daarbij ook steeds vermeld: ‘
In case that a claim should occur which cannot be worked out between the buyer and the seller in an amicable way, both parties agree with BIR arbitration as far as both parties are BIR members. Contractual relationship effective upon agreement on above conditions.’.
2.3.
Zowel MEC als MRT zijn lid van het BIR.
2.4.
Tussen MEC en MRT is een geschil gerezen over een aantal van de overeengekomen leveringen door MRT aan MEC. Nadat partijen er niet in waren geslaagd in onderling overleg naar beider tevredenheid hun geschil op te lossen, heeft MEC op 6 december 2021 een verzoek om arbitrage ingediend bij het scheidsgerecht van het BIR. MRT heeft op 10 maart 2022 in een e-mail aan het BIR laten weten niet te willen deelnemen aan de arbitrageprocedure, onder meer omdat zij betwist door het sluiten van de overeenkomsten met MEC met geschillenbeslechting door arbitrage bij het BIR te hebben ingestemd. Na een voorlopig oordeel van de voorzitter van het BIR-scheidsgerecht dat tussen partijen arbitrage bij het BIR lijkt te zijn overeengekomen, gelet op de ‘Rules of Arbitration’ van het BIR (hierna: het arbitragereglement), is de arbitrageprocedure voortgezet. MRT heeft van de haar geboden gelegenheid alsnog aan de arbitrage deel te nemen geen gebruik gemaakt.
2.5.
In de ‘
Partial award on jurisdiction and applicable law’ van 19 juni 2023 heeft de aangewezen (enige) arbiter, W.T. Bird, beslist dat partijen rechtsgeldig arbitrage ter beslechting van hun geschil zijn overeengekomen, op grond van het opnemen in vijf van de zes PA’s van de arbitrageclausule bij het BIR, de ondertekening door partijen van alle vijf de PA’s met deze clausule en het gegeven dat beide partijen BIR-lid zijn.
2.6.
In het arbitraal vonnis (‘
Final Award’) van 15 december 2023 heeft de arbiter van het BIR beslist dat MRT is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit vijf van de zes PA’s, dat MRT een bedrag van $ 138.708 aan schadevergoeding, een bedrag van $ 147.545,63 aan juridische kosten en een bedrag van € 11.625 aan kosten van de arbitrage aan MEC moet betalen, te vermeerderen met rente over alle genoemde bedragen.

3.De beoordeling van het verzoek

bevoegdheid hof
3.1.
MEC baseert haar verzoek op artikel 1075 Rv Pro juncto het Verdrag van New York 1958 [1] (hierna: het Verdrag). Artikel 1075 lid 1 Rv Pro bepaalt, voor zover hier van belang, dat een in een vreemde Staat gewezen arbitraal vonnis waarop een erkennings- en tenuitvoerleggingsverdrag van toepassing is, op verzoek van een der partijen in Nederland kan worden erkend en ten uitvoer gelegd. Artikel 1075 lid 2 Rv Pro bepaalt dat de artikelen 985 tot en met 990 Rv van overeenkomstige toepassing zijn voor zover het verdrag geen afwijkende voorzieningen inhoudt, met dien verstande dat het gerechtshof in de plaats treedt van de rechtbank.
3.2.
Nederland is partij bij het Verdrag. Ook België, waar het arbitraal vonnis is gewezen, is verdragsluitende partij bij het Verdrag. Aan de voorwaarde van Nederland voor toepassing van de bepalingen uit het Verdrag is daardoor voldaan. In het verlengde daarvan vormt artikel 1075 lid 1 Rv Pro een deugdelijke grondslag voor het verzoek van MEC. Op grond van lid 2 van deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 985 Rv Pro, is het hof bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Immers: de vestigingsplaats van wederpartij MRT is Enschede en die plaats ligt in het ressort (rechtsgebied) van het hof.
domiciliekeuze en oproeping bij deurwaardersexploot
3.3.
In verband met het bepaalde in artikel 987 leden Pro 1 tot en met 3 Rv diende MEC MRT op instructie van het hof uiterlijk op 28 juli 2025 bij deurwaardersexploot op te roepen voor de mondelinge behandeling die was bepaald op 15 september 2025. Deze oproeping is correct en tijdig, want bij deurwaardersexploot van 26 juli 2025, namens MEC geschied. MRT was (dan ook) aanwezig bij deze mondelinge behandeling.
3.4.
Op grond van artikel 986 lid 1 Rv Pro jo. artikel 1075 lid 2 Rv Pro behoort in het verzoekschrift waarbij verlof tot tenuitvoerlegging wordt gevraagd van een buitenlands arbitraal vonnis woonplaats te worden gekozen binnen (in deze gevallen) het ressort van het hof. In het verzoekschrift van MEC ontbreekt deze domiciliekeuze. Echter, in het hiervoor genoemde oproepingsexploot heeft MEC woonplaats gekozen op het adres van haar advocaat te Amsterdam. Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde de advocaat van MRT zich hiermee akkoord.
over te leggen stukken
3.5.
Op grond van artikel II lid 1 van het Verdrag erkent iedere verdragsluitende staat de schriftelijke overeenkomst waarbij partijen zich verbinden alle of bepaalde tussen hen naar aanleiding van een (al dan niet contractuele) rechtsbetrekking te rijzen of gerezen geschillen, die vatbaar zijn voor een beslissing door arbitrage, aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen. In lid 2 wordt ‘schriftelijke overeenkomst’ gedefinieerd als een compromissoir beding in een overeenkomst of een akte van compromis, ondertekend door partijen of vervat in gewisselde brieven of telegrammen.
3.6.
Artikel IV lid 1 van het Verdrag bepaalt dat, om erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis te verkrijgen, de verzoeker bij het verzoek over moet leggen:
het behoorlijk gelegaliseerde origineel van de uitspraak of een behoorlijk gewaarmerkt afschrift daarvan en
het origineel van de in artikel II van het Verdrag bedoelde overeenkomst of een behoorlijk gewaarmerkt afschrift daarvan.
3.7.
Over de verplichting onder b) tot het overleggen van de originele overeenkomsten tot arbitrage overweegt het hof het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling is de wijze van totstandkoming van de PA’s namens MEC als volgt toegelicht. Van de PA’s bestaan geen exemplaren met daarop de ‘natte’ handtekening van beide partijen. Langs digitale weg zijn zij tot stand gekomen doordat één partij de overeenkomst ondertekende, inscande en per e-mail aan de andere partij zond. Deze printte en ondertekende de PA ook en zond deze dan ook digitaal weer terug. MRT heeft deze gang van zaken niet betwist. MRT heeft (ondanks haar kritiek op de inhoud) ook niet betwist dat de zes door MEC overgelegde PA’s op zichzelf de overeenkomsten betreffen die partijen in de periode van november 2020 tot en met januari 2021 met elkaar hebben gesloten en die aan het arbitrageinstituut van het BIR zijn overgelegd. Bij deze stand van zaken volstaan de door MEC overgelegde versies van de PA’s: er is immers geen origineel of behoorlijk gewaarmerkt exemplaar daarvan voorhanden.
3.8.
Anders ligt dat met de verplichting van MEC onder a). Bij het verzoekschrift bevindt zich een kopie van het arbitraal vonnis. De griffier van het hof heeft op 26 februari 2025 schriftelijk aan de advocaat van MEC meegedeeld dat de stukken niet compleet zijn en onder meer verzocht ‘een behoorlijk gelegaliseerd origineel van de arbitrale uitspraak of een behoorlijk gewaarmerkt afschrift hiervan’ aan het hof te sturen. MEC heeft uiteindelijk een brief van het BIR van 4 januari 2024 naar het hof gestuurd waarin staat ‘
Please find attached an original copy of the Final Award in this case. An original has also been sent to the other Party.’ Als bijlage bij deze brief zit een zichtbaar gekopieerde versie van de ‘
Final Award’ van 15 december 2023 met een gekopieerde handtekening (in het blauw) van arbiter Bird eronder. Volgens MEC is dit het origineel zoals zij het van het BIR hebben ontvangen en gaan rechters hier in het algemeen, praktisch mee om. MEC wees ook nog op de natte handtekening op de brief van het BIR waarmee deze versie van het arbitraal vonnis aan haar is toegezonden en verklaarde dat er veel kosten gemoeid zijn met legalisatie.
3.9.
Het hof deelt niet het standpunt van MEC dat de overgelegde kopie van het arbitrale vonnis voldoende is om het verzoek in behandeling te nemen. De gebruikelijke waarborgen voor authenticiteit, zoals gelegaliseerde verklaringen over echtheid en/of stempels van het betrokken (scheids)gerecht ontbreken. Namens MRT is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet weet of wat MEC heeft overgelegd de originele uitspraak is, temeer waar zij zich afzijdig heeft gehouden van de arbitrageprocedure. Hoe dit ook zij: als het hof een verzoek krijgt om een buitenlands (arbitraal) vonnis te erkennen en verlof te verlenen dat in Nederland ten uitvoer te leggen, hecht het hof eraan – conform art. IV lid 1 onder a van het Verdrag – een behoorlijk gelegaliseerd origineel of een behoorlijk gewaarmerkt afschrift daarvan te ontvangen. Hoewel al eerder in de gelegenheid gesteld alsnog aan dit vereiste te voldoen, krijgt MEC daartoe nog een laatste maal de gelegenheid, anders dan door MRT is bepleit. De reden daarvoor is de inhoud van de brief van het hof aan MEC van 17 maart 2025 waaruit de indruk kan zijn ontstaan dat MEC nog slechts een gebrek in de wijze van kopiëren van bepaalde stukken hoefde te herstellen.
3.10.
De verdere beoordeling van het verzoek zal worden aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
stelt MEC in de gelegenheid alsnog de vereiste versie van het arbitrale vonnis (zie ro. 3.6 jo. 3.9) aan het hof te sturen, binnen vier weken vanaf de datum van deze beschikking;
4.2.
stelt MRT in de gelegenheid binnen twee weken na toezending door het hof van het alsdan van MEC ontvangen arbitrale vonnis (desgewenst) daarop schriftelijk te reageren;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.E. Lagarde, K. Mans en G.A. Diebels, en is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.

Voetnoten

1.Verdrag van de Verenigde Naties van 10 juni 1958 inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale uitspraken, Trb. 1959, 58.