Intrum Nederland B.V. ging in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin zij werd veroordeeld om [geïntimeerde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor een kredietovereenkomst. Intrum stelde dat haar restantvordering niet onder de schone lei viel vanwege haar hypotheekrecht op de woning van [geïntimeerde].
Het hof oordeelde dat Intrum haar vordering als concurrente schuldeiser had ingediend zonder melding te maken van haar hypotheekrecht, waardoor zij gebonden was aan de positie van concurrente schuldeiser. Dit leidde ertoe dat de restantvordering onder de werking van de schone lei viel en niet langer afdwingbaar is. Het hof verwees naar het systeem van de Wsnp en de jurisprudentie van de Hoge Raad uit 1926.
Daarnaast stelde het hof vast dat Intrum haar recht had verwerkt door haar gedragingen tijdens en na het Wsnp-traject, waaronder het stilzitten en het doorhalen van de BKR-registratie, waardoor bij [geïntimeerde] gerechtvaardigd vertrouwen was ontstaan dat de vordering niet meer zou worden geïnd.
Het hoger beroep van Intrum werd verworpen en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Intrum werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.