ECLI:NL:GHARL:2025:7375

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
24/1668 en 24/1669
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake leges voor omgevingsvergunning en ontvankelijkheid bezwaar

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, waarin de rechtbank de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar heeft vernietigd, maar de legesaanslagen in stand heeft gelaten. Belanghebbende, eigenaar van een nieuwbouwwoning, had leges in rekening gebracht gekregen voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk, omdat het bezwaar was ingediend voordat de aanslagen waren opgelegd. De rechtbank oordeelde echter dat de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar vernietigd moesten worden, maar handhaafde de legesaanslagen. Belanghebbende ging in hoger beroep, waarbij het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. Het Hof concludeerde dat de legesaanslagen niet waren ingetrokken en dat het bezwaar tijdig was ingediend. Het Hof heeft de zaak terugverwezen naar de heffingsambtenaar voor een inhoudelijke behandeling van de bezwaren tegen de legesaanslagen. Tevens werd de heffingsambtenaar gelast het griffierecht te vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM- LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/1668 en 24/1669
uitspraakdatum: 18 november 2025
Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juli 2024, nummers LEE 23/3233 en LEE 23/3234 in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaar van de
gemeente Leeuwarden(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn leges in rekening gebracht wegens de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een nieuwbouwhuis. Deze leges bedragen € 399,38 (aanslagnummer [nummer1] ) respectievelijk € 5.867 (aanslagnummer [nummer2] ) (hierna: de legesaanslagen).
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar van 14 juli 2023 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de legesaanslagen gehandhaafd. Ook heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar gelast het griffierecht te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord I.P.T. van Heumen - Wielinga, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is samen met zijn echtgenote eigenaar van de woning aan de [adres1] 41 te [plaats1] . Deze woning hebben zij nieuw laten bouwen door een bouwbedrijf. Daartoe hebben zij dit bouwbedrijf de opdracht gegeven een aanvraag voor een omgevingsvergunning in te dienen bij de gemeente Leeuwarden. De aanvraag daartoe is gedaan op naam van belanghebbende.
2.2.
Op 6 mei 2023 zijn aan belanghebbende twee dwangbevelen betekend. Deze dwangbevelen betreffen de wegens de aanvraag voor de omgevingsvergunning in rekening gebrachte legesaanslagen. Op 1 juni 2023 is aan belanghebbende een afschrift van de betreffende aanslagbiljetten gestuurd. Deze aanslagbiljetten zijn gedagtekend 14 september 2020 en 15 december 2020 en zijn gericht aan belanghebbende op een adres in [plaats2] , terwijl het postadres van belanghebbende in 2020 een adres in [plaats1] is geweest.
2.3.
Op 6 juni 2023 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de legesaanslagen. De op 14 juli 2023 gedagtekende uitspraken op dit bezwaar luiden als volgt:
“U heeft op 6 juni 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen de legesaanslagen met de aanslagnummers [nummer2] en [nummer1] . U heeft dit bezwaarschrift ingediend namens [belanghebbende] .
Uw bezwaarschrift is niet-ontvankelijk en neem ik daarom niet in behandeling.
Hieronder leg ik uit waarom uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk is.
Ontvankelijkheid
Ik verklaar uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk. Ik heb uw bezwaarschrift op 6 juni 2023 ontvangen.
Beslissing op uw bezwaar
Uw bezwaarschrift voldoet niet aan één van de vereisten van de Awb.
Uw bezwaarschrift hebben wij ontvangen voordat de aanslag is opgelegd. De genoemde legesaanslagen worden zo spoedig mogelijk opgelegd. De bezwaartermijn voor deze aanslagen begint te lopen vanaf de dagtekening van deze aanslagen.
Beroepsmogelijkheid:
Indien u het niet eens bent met de niet ontvankelijkheid, kunt u binnen 6 weken na de datum van verzending van dit besluit schriftelijk een beroepschrift indienen bij (…)”
2.4.
Met dagtekening 15 juli 2023 en 16 augustus 2023 zijn (opnieuw) leges aan belanghebbende in rekening gebracht. Deze aanslagen betreffen dezelfde aanvraag en zijn ook wat betreft de hoogte gelijk aan de legesaanslagen, waarvan belanghebbende op 1 juni 2023 op de hoogte is gesteld.
2.5.
Tegen de aanslagen van 15 juli 2023 en 16 augustus 2023 is ook bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft deze bezwaren bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 27 december 2023 ongegrond verklaard. In deze uitspraken is over de aanleiding van het (opnieuw) opleggen van de aanslagen en de – onder 2.3 vermelde – niet-ontvankelijkverklaring onder meer het volgende geschreven:
“Hiermee werd aan u de mogelijkheid geboden om alsnog in bezwaar te gaan zonder dat deze niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding. Het besluit om de aanslagen opnieuw op te leggen had als gevolg dat ik niet anders kon dan het bezwaarschrift van 6 juni 2023 niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze werd ingediend vóórdat de aanslagen waren opgelegd.
Met het (opnieuw) opleggen van de aanslagen werden de eerder opgelegde aanslagen niet vernietigd. Die twee besluiten zijn nooit bekend gemaakt aan belanghebbende, dus bestaan in formele zin helemaal niet. De in 2023 opgelegde aanslagen zijn zelfstandige aanslagen voor belastbare feiten uit 2020.”
2.6.
Het beroep tegen de – onder 2.5 genoemde – uitspraken op bezwaar van 27 december 2023 heeft de Rechtbank gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar alsmede de aanslagen heeft zij vernietigd. Tegen deze uitspraak van de Rechtbank van 30 juli 2024, nummers LEE 24/2017 en 24/2018, is geen hoger beroep ingesteld.
2.7.
Wat betreft de in de onderhavige procedure in geschil zijnde legesaanslagen heeft de Rechtbank in haar gelijktijdige – in hetzelfde geschrift als de onder 2.6 genoemde uitspraak vervatte – uitspraak het beroep ook gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, maar de legesaanslagen in stand gelaten.
Geschil
3.1.
In geschil is of de Rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door haar oordeel dat de uitspraken op bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard.
3.2.
Belanghebbende is het eens met de niet-ontvankelijkverklaring van de heffingsambtenaar. Hij bestrijdt alleen de motivering van de uitspraken en wil dat die vernietigd wordt en niet de niet-ontvankelijkverklaring. De heffingsambtenaar daarentegen is het eens met de uitspraak van de Rechtbank.
3.3.
In geschil is ook de vraag of de heffingsambtenaar de legesaanslagen in zijn uitspraken op bezwaar van 14 juli 2023 heeft ingetrokken. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.
3.4.
De onder 2.2. vermelde dwangbevelen zijn geen onderdeel van deze procedure zodat belanghebbendes bezwaren daartegen niet besproken worden.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Op 1 juni 2023 is aan belanghebbende een afschrift van de aanslagbiljetten met dagtekening 14 september 2020 en 15 december 2020 gestuurd. Belanghebbende bestrijdt niet dat op die data aanslagen in de leges op zijn naam zijn opgemaakt. Ook het Hof acht dit aannemelijk. Belanghebbende stelt evenwel dat die aanslagen door een fout van de heffingsambtenaar onjuist zijn geadresseerd en hem daarom niet hebben bereikt. Hij stelt daartoe dat er een onjuist adres in de [plaats2] is gebruikt, terwijl het postadres in 2020 een adres in [plaats1] is geweest en dat dit adres ook aan de heffingsambtenaar is doorgegeven. De heffingsambtenaar bestrijdt dit onvoldoende, zodat het Hof het aannemelijk acht dat de legesaanslagen op 14 september 2020 en 15 december 2020 weliswaar zijn opgemaakt, maar dat de bekendmaking van deze aanslagen door een fout van de heffingsambtenaar niet op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. [1]
4.2.
Indien aanslagen niet op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt, is aan de strekking van de regels over bekendmaking van besluiten niettemin voldaan indien de belanghebbende het aanslagbiljet of een afschrift daarvan ontvangt. [2] Nu niet eerder dan op 1 juni 2023 aan belanghebbende een afschrift van de legesaanslagen is gestuurd, is het op 6 juni 2023 ingediende bezwaar naar het oordeel van het Hof binnen de bezwaartermijn van zes weken ingediend. De heffingsambtenaar heeft dus ten onrechte de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
4.3.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de uitspraken op bezwaar, inhoudende dat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn, vernietigd moeten worden. Anders dan belanghebbende meent, is de Rechtbank daarmee niet buiten de rechtsstrijd getreden. De Rechtbank is bevoegd om de besluiten waartegen belanghebbende beroep heeft ingesteld, te weten de uitspraken op bezwaar (niet-ontvankelijkverklaring), van de heffingsambtenaar te beoordelen. Belanghebbende komt in zijn beroep tegen de uitspraken op bezwaar juist ook op tegen de onderliggende legesaanslagen, zodat deze in beroep (ook) onderwerp van geschil waren. Als belanghebbende alleen zou opkomen tegen de motivering van de uitspraken op bezwaar, zonder de niet-ontvankelijkverklaring aan te vallen, kan niet meer worden toegekomen aan het beoordelen van het onderliggende geschil over (de rechtmatigheid van) de legesaanslagen.
4.4.
Indien een heffingsambtenaar de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, dient de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht de heffingsambtenaar op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet. [3]
4.5.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd laten weten dat hij, indien het Hof van oordeel is dat de legesaanslagen niet zijn ingetrokken, voor een inhoudelijke behandeling de zaak wil laten terugwijzen naar de heffingsambtenaar. Het Hof ziet geen reden om in dat geval van de algemene regel van terugwijzing af te wijken. Het Hof zal daarom de stelling van belanghebbende beoordelen dat de heffingsambtenaar de legesaanslagen heeft ingetrokken.
4.6.
Belanghebbende stelt dat uit de tekst van de uitspraken op bezwaar van 14 juli 2023 (zie 2.3) is af te leiden dat de legesaanslagen zijn ingetrokken. Ook stelt hij dat de totstandkoming van de aanslagen van 15 juli 2023 en 16 augustus 2023 niet anders kan betekenen dan dat de legesaanslagen zijn ingetrokken. De heffingsambtenaar bestrijdt dat de legesaanslagen zijn ingetrokken.
4.7.
Het Hof is van oordeel dat de legesaanslagen niet zijn ingetrokken. Uit motivering van de uitspraken op bezwaar van 14 juli 2023, in samenhang met het onder 2.5 vermelde, blijkt dat de heffingsambtenaar er abusievelijk van uit is gegaan dat de legesaanslagen nooit tot stand waren gekomen. Echter, op 1 juni 2023 had hij al een afschrift van de legesaanslagen aan belanghebbende gestuurd zodat de legesaanslagen reeds ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift waren vastgesteld. Dit betekent dat de legesaanslagen niet zijn ingetrokken. Ook aan de omstandigheid dat op 15 juli 2023 en 16 augustus 2023 aanslagen leges zijn opgelegd voor dezelfde aanvraag van een omgevingsvergunning kan niet de conclusie worden verbonden dat de legesaanslagen zijn ingetrokken. Ook overigens blijkt niet dat de legesaanslagen zijn ingetrokken.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Het Hof zal de zaak terugwijzen naar de heffingsambtenaar voor een inhoudelijke behandeling van de bezwaren tegen de legesaanslagen.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te gelasten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Het in beroep in de zaken LEE 23/3233 en LEE 23/3233 betaalde griffierecht bedraagt € 50. Het Hof zal de heffingsambtenaar gelasten dit bedrag te vergoeden. De opdracht door de Rechtbank van vergoeding van het in de zaken LEE 24/2017 en LEE 24/2018 betaalde griffierecht van € 51 is inmiddels onherroepelijk komen vast te staan.
5.2.
Belanghebbende heeft zowel in beroep als in hoger beroep niet verzocht om vergoeding van proceskosten, zodat het Hof de heffingsambtenaar daartoe niet veroordeelt.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
  • verklaart het tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond,
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar,
  • wijst de zaken terug naar de heffingsambtenaar om opnieuw uitspraken op bezwaar te doen, en
  • gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in beroep betaalde griffierecht van € 50 en het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.4.
2.Vgl. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.5.
3.Vgl. Hoge Raad 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7330, r.o. 3.2.