Uitspraak
Energiewacht,
NN,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
2.De kern van de zaak
3.Het oordeel van het hofInleiding
De feiten
Op 1 juni 2018 heeft een tweede monteur ( [naam3] ) de pakking van de platenwarmtewisselaar vervangen en een nieuw expansievat geplaatst. Daarbij zijn diverse borgclips gedemonteerd en weer gemonteerd.
De volgende dag is er contact met u opgenomen vanwege de CV-ketel. Dit was inderdaad veel te vroeg en niet zo’n handige actie. Excuses hiervoor. U gaf aan geen contact te willen hebben en inmiddels was [naam4] ingeschakeld om de schade op te nemen. Zij hebben inmiddels ook contact met ons hierover opgenomen en wij wachten de aansprakelijkheidstelling af. Van hen had ik begrepen dat u voorlopig niet in de woning kunt wonen.
De heer [naam5] heeft vanmorgen telefonisch contact met u opgenomen. U gaf aan dat u nog steeds liever niet met Geas in gesprek gaat. Hoewel de schade nietexpres is veroorzaakt, kan ik me uw reactie wel voorstellen.
De Heer [naam5] heeft uw tijdelijke adres gevraagd, zodat wij u in ieder geval een bloemetje kunnen sturen. Wij hebben eerlijk gezegd nog nooit eerder te maken gehad met zo’n grote schade en zijn hier best van geschrokken. Onze oprechte excuses.”
€ 153.339,88 op haar rekening te voldoen.
De Bedrijfsregeling Brandregres 2014 (hierna: BBr 2014) is van toepassing op het door NN te nemen regres.
“Brandverzekeraars zullen hun recht van verhaal jegens niet-particulieren alleen uitoefenen indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten.”
“De BBr 2014 gaat uit van het principe dat regres gepleegd moet kunnen worden op eenieder die verantwoordelijk is voor onzorgvuldig handelende personen. Bepalend is dus of onzorgvuldig handelen of nalaten een relevante factor is geweest bij het ontstaan van de brand. De aard van de aansprakelijkheid zelf (risico- of schuldaansprakelijkheid) is niet bepalend. Met onzorgvuldigheid wordt het juridisch criterium schuld van artikel 6:162 BW bedoeld (verwijtbaar handelen of nalaten en/of toerekening van een oorzaak).”
In de eerste plaats is zij van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van onzorgvuldig handelen van Energiewacht als bedoeld in de BBr 2014 omdat de monteur kan worden verweten dat hij een kenbaar verbogen 18mm clip heeft hergebruikt die niet geschikt was voor de 15mm waterleiding.
De kleinere clip (5.19 links) is bedoeld voor een 15 mm leiding en de grotere clip (5.19,
"Bij het (de)monteren van de clips heeft de monteur dus absoluut moeten zien (én voelen!) dat er drie 18 mm clips werden gebruikt en één 15 mm clip. En hij heeft moeten weten dat dat fout was."
Ik als iemand uit de praktijk en met 34 jaar ervaring in de cv ketels bestrijd deze uit spraak helemaal, in een laboratorium waar je er ook 3 uur over mag doen daar valt het misschien op maar in de praktijk zeer zeker niet.”
Het hof neemt in aanmerking dat Energiewacht een groot bedrijf is dat zich als verwarmingsinstallateur onder meer bezighoudt met het verhuren/leasen en onderhouden van verwarmingsinstallaties, zoals cv-ketels. Energiewacht presenteert zich in de markt als een gecertificeerd specialist die de hoogste kwaliteit biedt en bijzondere aandacht heeft voor veiligheid. Zij benadrukt dat haar “gecertificeerde collega’s bij storings- en onderhoudsbeurten de hoogst mogelijke kwaliteit” leveren.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, blijkt uit de foto (figuur 13) van de diverse clips in het rapport van Element, dat als bijlage 6 bij het rapport van Dekra is gevoegd, dat wel degelijk sprake is van optisch waarneembare verschillen in lengte, breedte en vorm. B1 is een normale 18 mm borgclip, A is de verbogen (samengeknepen) 18 mm clip en C1 is een normale 15 mm clip.
“in de praktijk, legt de monteur deze naast zich op de grond en pakt ze een voor een, gaat ze niet zitten vergelijken of ze wel het zelfde zijn, verschil tussen 18 en 15 merk en zie je wel, als van een 18 een 15 is gemaakt dan zie je het niet.”
Tijdens de mondeling behandeling in hoger beroep is door de heer [naam7] , manager techniek van Energiewacht, uiteengezet dat de monteur bij het vervangen van de pakking van de platenwarmtewisselaar alle vier clips tegelijk demonteert en naast zich op de grond legt en deze na de werkzaamheden weer terugplaatst.
Zoals hiervoor is overwogen, is het verschil in grootte tussen een (verbogen) 18 mm clip en een 15 mm clip, voldoende kenbaar. Er was geen sprake van dat van een 18 een 15 was gemaakt, zoals [naam6] suggereert. Nu in dit geval sprake was van drie 18 mm clips en één 15 mm clip, terwijl er van beide soorten clips twee hadden moeten zijn, had de monteur naar het oordeel van het hof moeten opmerken dat één van de clips niet de juiste afmeting had.
Omvang schade- Schade voldoende onderbouwd
“Op geen enkele wijze is met foto’s aannemelijk gemaakt hoe groot de omvang van de schade is, op enkele foto’s is hooguit vaag te zien dat ergens water heeft gelet, maar dat toont niet aan welke blijvende schade is achtergebleven.”
Het hof is van oordeel dat NN de omvang van de schade deugdelijk heeft onderbouwd met het rapport van AdViDex, dat als bijlage 1 bij het rapport van Dekra is gevoegd en met de bij akte onderbouwing schade overgelegde producties. Op de inhoudelijke verweren die Energiewacht tegen de schadeopstelling van AdViDex heeft gevoerd, zal het hof hierna ingaan.
Geen aftrek nieuw voor oud
Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding is voor een dergelijke correctie en licht dat hierna toe.
Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot vergoeding van zaakschade geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand dient te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgehad. De schade moet in beginsel worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Bij de beoordeling van een beroep op voordeelstoerekening gaat het erom dat genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking behoren te worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade. Voorts dient het met inachtneming van de in art. 6:98 BW besloten maatstaf redelijk te zijn dat die voordelen in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schade. Bij de beoordeling van wat redelijk is, is onder meer van belang
- Inboedel
De conclusie
4.De beslissing
€ 110.914,68 aan opstalschade toe;
11 november 2025.