ECLI:NL:GHARL:2025:6919

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
200.344.767/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering van schoonmoeder op schoondochter inzake vernietigbaarheid van woningverkoop en schenkingen door geestelijke stoornis of misbruik van omstandigheden

In deze zaak heeft een schoonmoeder, appellante, hoger beroep ingesteld tegen eerdere vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland. De kern van het geschil betreft de vraag of de verkoop van haar woning aan haar schoondochter, geïntimeerde, en de daaropvolgende schenkingen aan haar, vernietigbaar zijn. Appellante stelt dat zij leed aan een geestelijke stoornis ten tijde van de rechtshandelingen, en dat er sprake was van misbruik van omstandigheden door geïntimeerde. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de vorderingen van appellante niet konden worden toegewezen. Het hof heeft de procedure in hoger beroep behandeld en de argumenten van beide partijen gewogen. Appellante heeft onder andere bewijs gepresenteerd van haar geestelijke toestand, maar het hof oordeelt dat er onvoldoende bewijs is dat zij niet in staat was haar belangen te behartigen. De verklaringen van getuigen, waaronder die van de notaris, wijzen erop dat appellante wilsbekwaam was. Het hof concludeert dat de bestreden vonnissen in stand blijven en dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De kosten worden gecompenseerd vanwege de aard van de zaak, die betrekking heeft op familieverhoudingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.344.767/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 221520
arrest van 28 oktober 2025
in de zaak van
[appellante],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,
hierna:
[appellante],
advocaat: mr. E.T. van Dalen te Groningen,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats2] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. D.J. Kramer te Oosterbeek.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 21 juni 2023, 10 januari 2024 en 24 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
• de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

2.De kern van de zaak

2.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of de verkoop van de woning van [appellante] aan schoondochter [geïntimeerde] en schenkingen die zij vervolgens aan [geïntimeerde] heeft gedaan, vernietigbaar zijn omdat [appellante] leed aan een geestelijke stoornis, althans omdat [geïntimeerde] hierbij misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden, of dat sprake is geweest van belangenverstrengeling. Dat geschil heeft de volgende achtergrond.
De feiten
2.2
[appellante] is geboren op 28 mei 1931. Uit het huwelijk met wijlen haar man zijn twee kinderen geboren: [naam1] en wijlen [naam2] . Deze laatste is enkele jaren geleden overleden en was getrouwd met [geïntimeerde] .
2.3
[appellante] woont in een seniorenwoning aan de [adres 2] in [woonplaats1] . Die woning was tot in 2022 haar eigendom. Haar zoon regelde tot aan zijn overlijden alle betalingsverkeer en voerde het beheer over haar administratie. Nadien heeft [geïntimeerde] deze taken overgenomen.
2.4
In 2022 hebben [appellante] , financieel adviseur [naam3] en [geïntimeerde] aan de hand van een praatstuk over de verkoop van het woonhuis van [appellante] en schenkingen aan [geïntimeerde] meerdere gesprekken gevoerd. In dat praatstuk staat het volgende.
Overdracht woonhuis van [appellante][ [appellante] ; hof]
aan [geïntimeerde][ [geïntimeerde] ; hof]
woonhuis wordt verkocht voor € 210.000,- k.k. ; WOZ waarde = € 208.000,-)
van deze opbrengst wordt ca. € 125.000, - geschonken aan [geïntimeerde] , zodat [appellante] ca. € 100.000,- (incl. aanwezige spaargeld) overhoudt aan deze verkoop. Deze € 100.000.- wordt op een
aparte rekening gezet waarvan:
- de maandelijkse huur wordt betaald aan [geïntimeerde] ad € 950,00
- een jaarlijkse schenking aan de Kerk wordt gedaan van € 1500.-
*Omdat [appellante] een vermogen heeft < € 120.000, - houdt [appellante] recht op zorgtoeslag. [appellante] heeft geen recht op huurtoeslag omdat het vermogen en de maandelijkse huurprijs te hoog is.
*De bestaande rekening van [appellante] wordt gebruikt voor:
- energiekosten
- verzekeringen
- KPN kosten televisie en telefoon
- autokosten
- zorgverzekering
- gemeentelijke heffingen
- levensonderhoud
Deze maandelijkse kosten moeten even goed bekeken worden of [appellante] voor sommige instanties niet teveel betaald.
2.5
Op 12 oktober 2022 heeft [appellante] een notariële volmacht verleend aan een ieder van de medewerkers van notariskantoor Niemeijer om haar te vertegenwoordigen bij een akte van levering met betrekking tot de woning.
2.6
Op 14 oktober 2022 is de woning aan [geïntimeerde] geleverd voor € 210.000. Blijkens de leveringsakte hebben partijen daartoe een mondelinge koopovereenkomst gesloten.
2.7
Op 18 oktober 2022 is de opbrengst uit de verkoop aan [appellante] overgemaakt, waarna door middel van door [appellante] getekende schriftelijke opdrachten op 27 oktober 2022 vier keer en op 17 november 2022 een enkele keer € 25.000 aan [geïntimeerde] is overgemaakt.
2.8
Op 2 december 2022 heeft [appellante] [geïntimeerde] laten weten dat de overdacht van de woning tegen haar wil heeft plaatsgehad, dat deze niet voldoet aan de in haar levenstestament gestelde voorwaarden en dat zij pas kennis heeft genomen van de levering van de woning doordat zij op 19 november 2022 een brief van het Kadaster ontving waaruit de overdracht bleek.
2.9
Op 13 december 2022 heeft [appellante] conservatoir beslag gelegd op de woning en derdenbeslag onder ABN AMRO Bank op de bankrekeningen van [geïntimeerde] . Bij de rechtbank heeft zij daarna de vernietiging van de koopovereenkomst en de schenkingen gevorderd, met veroordeling van [geïntimeerde] om de woning op straffe van een dwangsom terug te leveren - waarbij [appellante] bevoegd zou zijn de (terug)vordering uit de vernietigde schenkingen met de te restitueren koopsom te verrekenen. Ook is een veroordeling gevorderd tot betaling van schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van de vernietigingen. Die schade zou dan moeten worden begroot in een afzonderlijke procedure (de zogenaamde schadestaat). De vorderingen zijn afgewezen.
2.1
De strekking van het hoger beroep is, dat alsnog toewijzing volgt en dat de door [appellante] aan [geïntimeerde] ten onrechte betaalde huurpenningen worden terugbetaald. Daarbij tekent het hof aan dat de schadevordering op de zitting bij de rechtbank is ingetrokken. Weliswaar komt deze vordering in het petitum van de memorie van grieven terug, maar nu daar verder niets over wordt opgemerkt, beschouwt het hof dat als een vergissing.

3.Het oordeel van het hof

Inleiding
3.1
Het hof zal oordelen dat de bestreden vonnissen in stand blijven. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) zullen daarbij thematisch worden behandeld.
Geestelijke stoornis
- Regels van bewijsrecht
3.2
[appellante] handhaaft haar standpunt dat zij zich de gevolgen van haar handelen wegens een geestelijke stoornis niet heeft gerealiseerd, en in feite niet goed wist wat ze deed toen ze het huis aan [geïntimeerde] verkocht en schenkingen deed. Op grond van de artikelen 150 Rv en 3:34 lid 1 BW moet [appellante] daartoe stellen en zo nodig bewijzen (i) dat haar geestvermogens ten tijde van die rechtshandelingen waren gestoord en (iia) dat die stoornis een redelijke waardering van de bij deze rechtshandelingen betrokken belangen belette of (iib) dat de verklaringen onder invloed van die stoornis zijn gedaan. Dan laatste wordt vermoed het geval te zijn als voorzienbaar was dat de rechtshandelingen voor [appellante] nadelig zouden zijn. Een dergelijk vermoeden kan dan door [geïntimeerde] nog wel worden ontzenuwd.
- Het beroep op een geestelijke stoornis
3.3
[appellante] baseert haar beroep op een geestelijke stoornis op een ‘verslag eerstelijnsconsult’ van een specialist ouderengeneeskundige die is verbonden aan Zonnehuisgroep Noord in Zuidhoorn. Dit verslag, dat is gedateerd op 12 september 2024, is opgesteld naar aanleiding van geheugen-, concentratie- en oriëntatiestoornissen sinds het overlijden van haar zoon, 3 jaar eerder. De specialist concludeert dat sprake is van een uitgebreide neurocognitieve stoornis (vasculaire dementie).
Dit verslag is een aanwijzing dat zich sinds 2021 een dementieel beeld heeft ontwikkeld. Dat is ook niet gemotiveerd bestreden ( [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat ‘ [appellante] ’ af en toe wat vergeetachtig was’. [geïntimeerde] heeft wel opgemerkt dat haar schoonmoeder nog wel in staat was haar wil te bepalen. Dat is echter niet van belang voor het beantwoorden van de vraag of [appellante] rond september 2022 leed aan een beginnende vorm van dementie. Het is wel bepalend voor het beroep op de gevolgen die deze aandoening volgens [appellante] heeft gehad. Daarover overweegt het hof het volgende.
- Het beroep op de gevolgen van de geestelijke stoornis
3.4
[appellante] beroept zich erop dat zowel de verkoop als de schenkingen voor haar nadelig waren, en dat er om die reden van moet worden uitgegaan dat deze zijn gedaan onder invloed van haar dementie.
3.5
Het hof stelt voorop dat niet ter discussie staat dat de schenkingen nadelig waren. Ten aanzien van de verkoop van de woning wordt dat wel bestreden, maar er zal hierna veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat ook die rechtshandeling voor [appellante] nadelig was (dat de woning onder de marktwaarde is verkocht, ook al was dat in bewoonde staat). Ook dan kan de vordering geen standhouden, omdat in geen van deze gevallen van het vermoeden kan worden uitgegaan dat [appellante] heeft gehandeld
onder invloedvan haar dementie. Het hof legt dat hierna uit.
3.6
In eerste aanleg zijn een aantal verklaringen afgelegd over de geestelijke vermogens van [appellante] in 2022, en de rechtbank heeft daarover meerdere getuigen gehoord. Geen enkele van die verklaringen wijst erop dat zij toen geestelijk niet meer in staat was haar eigen belangen te behartigen. Al deze verklaringen komen er juist op neer dat zij dat wel kon. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat notaris [naam8] , die de verkoop heeft begeleid en [appellante] drie keer heeft ontmoet, heeft geschreven dat zij ondanks haar hoge leeftijd een vitale indruk maakte. Haar wijze van communiceren was zodanig dat er bij [naam8] geen enkele twijfel bestond over haar wilsbekwaamheid. Bovendien heeft [naam8] de concept-leveringsakte in de door [appellante] ondertekende volmacht voor transport opgenomen en inhoudelijk met [appellante] doorgenomen. De suggestie dat deze notaris zich daarbij niet zou hebben gehouden aan het binnen haar beroepsgroep geldende ‘stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid’, moet het doen zonder elke onderbouwing. Dat verwijt valt ook moeilijk te verenigen met het feit dat [appellante] zelf erkent dat zij bij haar bezoek aan de notaris best ‘relatief helder van geest’ kan zijn geweest - een opmerking die steun vindt in de bevindingen van de al genoemde specialist, die jaren later heeft geconstateerd dat het cognitief functioneren van [appellante] (nog steeds) fluctueerde.
3.7
Voordat [appellante] zich bij de notaris meldde, heeft zij over de voorgenomen verkoop en de schenkingen meerdere keren overleg gevoerd met de financieel adviseur van [geïntimeerde] , [naam3] . Als getuige heeft hij verklaard dat ‘ [appellante] ’ hem al meerdere keren had aangegeven dat het huis op naam van schoondochter [geïntimeerde] moest komen: “
Ik had [appellante] al wel vaker gezien bij [geïntimeerde] thuis, maar voor juni 2022 heb ik niet één op één over deze kwestie met haar van gedachten gewisseld. Ik voeg daar nog aan toe dat [appellante] volgens [geïntimeerde] , ook toen [naam2] , haar zoon, nog leefde had aangegeven dat het huis op [naam2] zijn naam en op naam van [geïntimeerde] moest komen, met als reden dat kleinzoon [naam4] en zijn partner [naam5] niet met centjes konden omgaan. De constructie is goed doordacht. Ik wijs erop dat die minstens drie keer uitgebreid met [appellante] is doorgenomen (…) Was [appellante] helder van geest? Jazeker. Er was voor mij geen aanleiding om daaraan te twijfelen.”
3.8
Getuige [naam6] , die [appellante] op een reis naar Rome heeft vergezeld, bevestigt dat: “
Desgevraagd verklaar ik dat [appellante] helder van geest is en dat ze precies wist wat ze wil.” Dat sluit aan bij wat zij en haar echtgenoot [naam7] op 28 december 2022 hebben geschreven: “
Begin April 2022 zijn we met [geïntimeerde] en [appellante] nog naar Rome geweest en hebben we met z'n allen veel plezier gehad. [appellante] heeft genoten van het Vaticaan.
ln week 47 van dit jaar zijn we met [appellante] in een vakantiehuisje te Ruinen geweest, omdat haar woning op initiatief van [geïntimeerde] gerenoveerd werd. [appellante] heeft tijdens dit verblijf meerdere malen aangegeven dat het de bedoeling is dat [geïntimeerde] haar huis op naam zou krijgen uit voorzorg dat kleinzoon [naam4] en partner [naam5] bij overlijden van [appellante] , geld uit een erfenis zouden krijgen. [appellante] heeft letterlijk gezegd dat [naam4] en [naam5] niet met geld kunnen omgaan en alles opmaken. Ook haar dochter die een paar huizen verder op woont mag niets meer krijgen als zij er niet meer is.
[appellante] was goed op de hoogte dat de Notaris uit Borger in de persoon van mevrouw [naam8] in deze week langs zou komen om een persoonlijk gesprek te voeren met [appellante].”
3.9
Ook voor het overige is niet onderbouwd dat de verkoop en de schenkingen zijn gedaan onder invloed van dementie. Daarvoor volstaat niet de enkele opmerking dat [appellante] ‘de facto’ onder bewind stond of het beroep op het effect dat het overlijden van haar zoon heeft gehad, enkele jaren voordat de bestreden rechtshandelingen werden verricht. Voor de duidelijkheid voegt het hof hieraan toe dat de opmerking dat vergeetachtigheid aan het uiten van de wil in de weg kan staan, ongefundeerd is.
3.1
Voor nadere bewijsvoering ziet het hof geen aanleiding of ruimte.
Misbruik van omstandigheden
- Regels van bewijsrecht
3.11
[appellante] handhaaft ook haar standpunt dat de koop en de schenkingen wegens misbruik van omstandigheden vernietigbaar zijn. In het vonnis van 24 juli 2024 heeft de rechtbank ter verduidelijking van de daaromtrent gegeven bewijsopdracht overwogen dat het bewijsrisico van de grondslag dat sprake is van misbruik van omstandigheden bij de verkoop van de woning bij [appellante] ligt. Dit op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv juncto artikel 3:44 lid 4 BW, waarbij het tussenvonnis voorshands van misbruik van omstandigheden uitgaat. Wat betreft de daaropvolgende schenking ligt de bewijslast volgens de rechtbank bij [geïntimeerde] , op grond van de bijzondere regel van artikel 7:176 BW. Die uitgangspunten zijn juist. De bewijslast van het verweer dat zij geen misbruik van omstandigheden heeft gemaakt, rust op [geïntimeerde] , nu van de schenkingen geen notariële akten zijn opgemaakt en deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden niet in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid.
- Het beroep op misbruik
3.12
De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof op goede gronden geconcludeerd dat het bewijs ten aanzien van de verkoop is ontzenuwd en dat [geïntimeerde] ten aanzien van de schenkingen in het aan haar opgedragen bewijs is geslaagd. Ter toelichting voegt het hof daar het volgende aan toe.
3.13
[appellante] baseert haar vordering op de suggestie dat
[naam3]zich de belangen van [appellante] op geen enkele wijze heeft aangetrokken en alleen maar bezig is geweest met het behartigen van de belangen van [geïntimeerde] . Dat laatste heeft hij ongetwijfeld gedaan, maar daarmee is niet gezegd dat de belangen van [appellante] zijn genegeerd - laat staan dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. [naam3] heeft het gevoerde overleg weliswaar intern gehouden, maar op grond van de afgelegde getuigenverklaringen moet worden aangenomen dat hij daarbij handelde overeenkomstig het uitdrukkelijke verzoek van [appellante] . Zij lijkt daar zelf ook van uit te gaan, waar zij benadrukt dat [naam3] alles weet over de familiale verhoudingen en uitleg kan geven aan de gedachtegang achter de schenkingen die hij minstens drie keer uitgebreid met haar heeft besproken: zij was zelf degene die wilde voorkomen dat haar kleinzoon en diens echtgenote kennis zouden dragen van haar plannen.
3.14
Ook de suggestie van [appellante] dat
[geïntimeerde]alleen haar eigen belangen voor ogen heeft gehad, vindt op geen enkele manier steun in de afgelegde verklaringen. Integendeel: die wijzen er juist op dat zij (net als [naam3] ) in eerste instantie afwijzend stond tegenover de voorgenomen verkoop en schenkingen. Hoe en op welke wijze [appellante] door deze personen dan onder druk zou zijn gezet, wordt niet onderbouwd.
3.15
Tot slot: [appellante] vindt het opmerkelijk dat
notaris [naam8], en niet haar huisnotaris is ingeschakeld bij het transport van de woning. Hoe dat aan de onderbouwing van de vordering kan bijdragen, ontgaat het hof. Voor de duidelijkheid: niets wijst erop dat deze notaris zich onprofessioneel of partijdig heeft gedragen.
Het beroep op tegenstrijdig belang
3.16
In 2017 heeft [appellante] een levenstestament laten opstellen waarin zij een algemene volmacht heeft verstrekt aan haar zoon en bij diens ontstentenis aan [geïntimeerde] , om haar vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen. Daarop baseert zij het verwijt dat sprake is geweest van belangenverstrengeling bij [geïntimeerde] . Het hof verwerpt dat standpunt, omdat de bepaling waarop een beroep wordt gedaan (artikel 3:68 BW) alleen grenzen stelt aan de mogelijkheid dat een gevolmachtigde zichzelf als wederpartij van de volmachtgever opwerpt. Ten aanzien van de koop en de schenkingen die nu ter discussie staan, staat echter vast dat de rechtshandelingen door [appellante] zelf zijn verricht.
De conclusie
3.17
Het hoger beroep slaagt niet.
3.18
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 21 juni 2023, 10 januari 2024 en 24 juli 2024;
4.2
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, M.E.L. Fikkers en R.E. Weening, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
28 oktober 2025.